29 362 Modernisering van de overheid

36 600 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2025

AQ1 VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 mei 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken2 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de ROB adviezen «Afrekenen met disbalans» en «Meters maken met medebewind» en de kabinetsreactie. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 10 april 2026;

  • De antwoordbrief van 22 mei 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 10 april 2026

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van de adviezen van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB), «Afrekenen met disbalans» (maart 2025) en «Meters maken met medebewind» (juli 2025), en van de kabinetsreactie daarop van 9 januari 2026.3 Tevens hebben zij kennisgenomen van het verslag van het schriftelijk overleg over het «Overzicht financiële impact bestaand en nieuw rijksbeleid op decentrale overheden»,4 en het verslag van het schriftelijk overleg inzake het ROB-advies «Meters maken met medebewind» en het genoemde overzicht.5 Op 17 maart 2026 hebben de leden voorts een gesprek gevoerd met een delegatie van de ROB.

Naar aanleiding hiervan brengen de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP, Volt, ChristenUnie, Fractie-Van de Sanden, Fractie-Visseren-Hamakers, Fractie-Walenkamp, JA21, PvdD en OPNL gezamenlijk, de leden van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, BBB, SP, ChristenUnie, PvdD, Volt, Fractie-Visseren-Hamakers en Fractie-Van de Sanden gezamenlijk, alsmede de leden van de fracties van de BBB, de VVD, D66 en de PVV, de volgende nadere vragen en opmerkingen naar voren. De leden van de fractie van het CDA sluiten zich aan bij de vragen van de eerstgenoemde twee fractiecombinaties. Het lid van de fractie van OPNL sluit zich aan bij de vragen van de fractie van de BBB.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP, Volt, ChristenUnie, Fractie-Van de Sanden, Fractie-Visseren-Hamakers, Fractie-Walenkamp, JA21, PvdD en OPNL gezamenlijk

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP, Volt, ChristenUnie, Fractie-Van de Sanden, Fractie-Visseren-Hamakers, Fractie-Walenkamp, JA21, PvdD en OPNL gezamenlijk hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de twee adviezen van de ROB «Afrekenen met disbalans»6 en «Meters maken met medebewind»7 en hebben hierover enkele vragen.

Wat eraan vooraf ging

Deze leden benadrukken dat het voor de leden van de Eerste Kamer, als begrotingswetgever en controleur van de regering, bij onder andere het gemeentefonds en het provinciefonds van wezenlijk belang is om adequaat inzicht te hebben in de vraag of medeoverheden over voldoende middelen beschikken om hun autonome en medebewindstaken uit te voeren. Omdat een adequaat inzicht ontbreekt, heeft de Eerste Kamer in september 2024 advies over dit vraagstuk gevraagd aan de ROB.8

In antwoord op deze adviesvraag is het advies «Meters maken met medebewind: over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën» op 1 juli 2025 tijdens een informeel overleg aangeboden en gepresenteerd aan de commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA) van de Eerste Kamer. De ROB concludeert dat het parlement onvoldoende informatie krijgt om te kunnen bepalen of medeoverheden over voldoende middelen beschikken voor hun taken. Om de verantwoordelijkheid als begrotingswetgever én controleur van de regering waar te kunnen maken, moet allereerst een duidelijk en volledig overzicht komen van de medebewindstaken die worden bekostigd vanuit het gemeentefonds en het provinciefonds. Dat overzicht is er nu niet.

Het gemeentefonds9 is een van de grootste begrotingshoofdstukken op de rijksbegroting. Dat maakt deze conclusie zorgelijk en vormt tevens de reden waarom de Eerste Kamer advies heeft gevraagd aan de ROB. Dit geldt eveneens voor het provinciefonds.10

Het rapport van de ROB biedt echter ook concrete handvatten om tot meer inzicht te komen, te beginnen met het, samen met de medeoverheden, zorgen voor een duidelijk en volledig overzicht van de medebewindstaken. Op die manier wordt de disbalans goed in beeld gebracht. Pas daarna kan er volgens de ROB structureel voor worden gezorgd dat de balans wordt hersteld.

Op 3 december 2025 ontving de Eerste Kamer, naar aanleiding van schriftelijke vragen van 15 oktober 2025 over de ROB-rapporten, een brief van de regering waarin werd aangekondigd dat de beantwoording nog enige tijd op zich zou laten wachten.11

Op 9 januari 2026 ontving de Eerste Kamer de reactie van de (toenmalige) regering op beide rapporten.12 De regering erkende de urgentie van dit onderwerp, maar koos voor een andere aanpak dan door de ROB was voorgesteld. De regering koos voor een nadere verkenning naar de verbetering van de monitoring van (bestaande) medebewindstaken13 en koos er daarmee nadrukkelijk niet voor om eerst vast te stellen welke taken onder medebewind vallen en hoe deze zich verhouden tot de financiering, zoals de ROB voorstelt.

Op 17 maart 2026 heeft de commissie BIZA van de Eerste Kamer met de ROB in het openbaar gesproken over beide rapporten en de kabinetsreactie daarop.

Naar aanleiding van het bovenstaande hebben de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP, Volt, ChristenUnie, Fractie-Van de Sanden, Fractie-Visseren-Hamakers, Fractie-Walenkamp, JA21, PvdD en OPNL gezamenlijk een aantal vragen, ten eerste over de samenwerking met de medeoverheden en ten tweede over de door de regering gekozen alternatieve aanpak.

1. Samenwerking met de medeoverheden

De Studiegroep Interbestuurlijke verhoudingen roept in haar rapport «Samen bouwen aan resultaten»14 op om expliciet te borgen dat de Code Interbestuurlijke Verhoudingen15 wordt nageleefd.

Het regeerakkoord lijkt aan die oproep tegemoet te komen. In het regeerakkoord staat hierover «ook de relatie met mede-overheden zal moeten worden hersteld. Goede interbestuurlijke verhoudingen zijn essentieel om de grote maatschappelijke vraagstukken effectief aan te pakken, zoals in het rapport «Samen bouwen aan resultaten» van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen» terecht is geschreven. We willen uitvoering geven aan de bouwstenen en adviezen uit dit rapport, zoals het maken van duidelijke afspraken over taken en financiering, het maken van een uitvoeringstoets van het kabinetsbeleid voor de medeoverheden en regelmatig overleg.»16

  • 1. Kunt u concreet aangeven welke bouwstenen en adviezen uit het rapport «Samen bouwen aan resultaten» wel en niet worden overgenomen? Kunt u daarbij duidelijk maken welke bouwstenen en adviezen de regering wel en niet volgt, en waarom?

  • 2. Is de Code Interbestuurlijke Verhoudingen voor de regering onverkort van toepassing?

Het rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen «Samen bouwen aan resultaten»17 legt de nadruk op het menselijke én relationele aspect van besturen: hoe overheden met elkaar omgaan. Overheden – beter gezegd: de mensen binnen die overheden – moeten elkaar (nog) beter leren kennen, dilemma’s tijdig delen, geen verrassingen veroorzaken en meer interbestuurlijke teams vormen die samen aan opgaven werken. Vertrouwen volgt uit voorspelbaar gedrag.

  • 3. Hoe oordeelt u over dit onderdeel van het rapport van de studiegroep?

  • 4. Is dit ook een van de bouwstenen en adviezen waarop in het regeerakkoord wordt gedoeld?

The proof of the pudding is in the eating.

Het gaat uiteindelijk om de vraag hoe deze bouwstenen, adviezen en codes in de weerbarstige werkelijkheid worden toegepast, en niet alleen hoe zij op papier staan, menen deze leden. Daarom hebben zij enkele vragen over de totstandkoming van de reactie van de regering op de ROB-adviezen.

  • 5. Is de kabinetsreactie op de beide ROB-adviezen18 afgestemd met de medeoverheden? Heeft hierover inhoudelijk overleg plaatsgevonden?

    • Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot de uitgangspunten van het rapport «Samen bouwen aan resultaten» en de Code Interbestuurlijke Verhoudingen? De leden ontvangen graag een toelichting waaruit het perspectief van de regering blijkt.

    • Zo ja, kunt u aangeven in hoeverre dit overleg heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de uitgangspunten van het rapport «Samen bouwen aan resultaten» en de Code Interbestuurlijke Verhoudingen? De leden ontvangen graag een toelichting waaruit het perspectief van de regering blijkt.

  • 6. Bent u bekend met de visie van de medeoverheden hierop? En delen zij de visie van de regering op dit punt?

2. Disbalans en de door de regering gekozen alternatieve aanpak

2.1 Disbalans

De regering erkent in de reactie op de twee ROB-rapporten dat «de urgentie op dit onderwerp wordt gevoeld»,19 maar in een aantal passages in de brief lijkt de stelling van de ROB en de medeoverheden dat er sprake is van een disbalans, niet (volmondig) te worden gedeeld. In de brief staat bijvoorbeeld dat er «een disbalans wordt ervaren».20

  • 7. Is er volgens de regering sprake van een disbalans?

2.2 Argumenten regering om voorgestelde aanpak ROB niet over te nemen

De leden lezen in de brief van de (toenmalige) regering verschillende passages over de vraag waarom het ROB-advies (om tot een duidelijk en volledig overzicht te komen van de medebewindstaken) niet wordt overgenomen. Zo lezen zij onder andere dat het «gezien deze vrije besteedbaarheid en het integrale beleid, niet mogelijk is om landelijk per taak de inkomsten uit het gemeentefonds dan wel provinciefonds en de uitgaven aan die taak tegenover elkaar te zetten»21 en dat dit overzicht «niet past bij het feit dat gemeenten en provincies over de besteding van de middelen uit het gemeente- en provinciefonds geen verantwoording hoeven af te leggen aan het Rijk, maar aan de raad en staten»22 en dat «de aanbeveling op gespannen voet staat met belangrijke grondwettelijke en bestuurlijke uitgangspunten in de verhouding tussen het Rijk en gemeenten en provincies».23 Ook lezen zij dat «het verstrekken van meer gedetailleerde beleidsinformatie en financiële onderbouwing leidt tot een hellend vlak, met hoge administratieve lasten, inperking van de beleids- en bestedingsvrijheid van gemeenten en het ontstaan van schotten tussen budgetten. Nog meer landelijke sturing en nog minder eigen beleidsruimte zijn dan het gevolg en de lokale democratie kan worden uitgehold».24

  • 8. Kunt u zo precies mogelijk uitleggen hoe zwaar, of minder zwaar, deze diverse argumenten wegen bij de keuze om het ROB-advies niet over te nemen? Deze leden ontvangen graag een uitgebreide toelichting om het perspectief van de regering te kunnen begrijpen.

  • 9. Spelen er nog andere argumenten mee? Zo ja, welke? Te denken valt bijvoorbeeld aan de hoeveelheid werk die hiermee gemoeid is, de positie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) ten opzichte van andere departementen die veel van het werk moeten uitvoeren, of het ontbreken van een gedeeld gevoel van urgentie.

De ROB en de medeoverheden hebben in hun reacties laten weten deze analyse van de regering – dat een dergelijk overzicht niet mogelijk en niet passend zou zijn en op gespannen voet zou staan met grondwettelijke en bestuurlijke uitgangspunten – niet te delen.

  • 10. Is er volgens u sprake van een fundamenteel verschil van inzicht?

    • En wat betekent dit voor het vervolg? Acht u een succesvol vervolg mogelijk is?

2.3 Gekozen alternatieve aanpak

In de kabinetsreactie lezen deze leden ook dat de regering voornemens is «om een nadere verkenning uit te voeren naar monitoring en hoe monitoring van (bestaande) medebewindstaken kan bijdragen aan het gesprek over het herstel van de eerdergenoemde balans»25 en «het Rijk kan wel met gemeenten en provincies gezamenlijk besluiten om verdiepende monitoring of aanvullend onderzoek te doen naar de balans in de uitvoering van taken door de betreffende medeoverheden».26

De regering neemt het advies van de ROB (om tot een duidelijk en volledig overzicht te komen van de medebewindstaken) niet over, concluderen deze leden.

De ROB en de medeoverheden stellen juist dat het verkrijgen van het bepleite inzicht noodzakelijk is om tot een oplossing te komen. Dit lijkt te wijzen op een redelijk fundamenteel verschil van inzicht, waardoor het lastig kan zijn om op basis van een gezamenlijke feitenbasis tot een succesvol vervolg te komen.

  • 11. Is er volgens u sprake van een fundamenteel verschil van inzicht?

    • En wat betekent dit voor het vervolg? Acht u een succesvol vervolg mogelijk is?

2.4 Actualiteit

Deze leden achten het, om tot een oplossing te komen, van belang dat het Rijk en de medeoverheden gezamenlijk een inspanning leveren. De ROB benoemde in het gesprek met de commissie BIZA van de Eerste Kamer op 17 maart 2026 dat er een eerste bijeenkomst van de stuurgroep heeft plaatsgevonden.

  • 12. Zijn er gezamenlijke afspraken gemaakt over het vervolg?

    • Is er een gezamenlijke opdracht over het vervolg geformuleerd? Zo ja, hoe luidt deze opdracht? Zo nee, wat betekent dat voor het vervolg?

    • Is het verkrijgen van het door de ROB bepleite inzicht onderdeel van deze opdracht?

  • 13. Is er een planning gemaakt wanneer deze opdracht afgerond moet zijn?

2.5 Vervolg

Ervan uitgaand dat er op enig moment een gezamenlijk feitenbeeld ontstaat, achten deze leden het ook van belang om alvast vooruit te kijken naar het vervolg. De ROB stelt dat het vervolgens belangrijk is om de ambities congruent te maken met de bekostiging, bevoegdheden en risico’s van de gemeenten.27

  • 14. Deelt de regering deze stelling van de ROB?

  • 15. Wie is hiervoor aan zet? Zijn dat de fondsbeheerders of zijn dat de verantwoordelijke Ministers? Wat is de rol van de decentrale overheden hierbij?

Zodra de basis op orde is, is monitoring belangrijk. Voorheen werd er een gedetailleerd periodiek onderhoudsrapport (POR) opgesteld. Sinds 2023 is dit overzicht gewijzigd en wordt het veel minder gedetailleerd gepresenteerd, constateren deze leden.

  • 16. Biedt deze opzet wellicht kansen voor de monitoring?

De genoemde leden ontvangen op alle gestelde vragen graag een toelichting en verzoeken u de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden in verband met de behandeling van de begrotingen van het gemeente- en provinciefonds.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, BBB, SP, ChristenUnie, PvdD, Volt, Fractie-Visseren-Hamakers en Fractie-Van de Sanden gezamenlijk

De leden van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, BBB, SP, ChristenUnie, PvdD, Volt, Fractie-Visseren-Hamakers en Fractie-Van de Sanden gezamenlijk hebben met belangstelling kennisgenomen van het verslag van een schriftelijk overleg over het ROB-advies «Meters maken met medebewind» en het overzicht van de financiële impact van bestaand en nieuw rijksbeleid op decentrale overheden,28 en de brief van 9 januari 2026 met de kabinetsreactie op de ROB-adviezen «Afrekenen met disbalans» en «Meters maken met medebewind».29 Evenwel wensen deze leden hier een aantal vragen over te stellen.

In de kabinetsreactie staat: «De wens tot gedetailleerde sturing vanuit het Rijk en uitvoering van de controlerende taak door het parlement zorgt ook voor een toenemende behoefte aan bestuurlijke en financiële sturingsinformatie, vanuit het parlement en het kabinet. Hoewel deze behoefte verklaarbaar is, bestaat het risico dat dit tot meer centrale sturing leidt en minder (ervaren) beleidsruimte.»30

Deze leden zien de wens om gedetailleerde sturing niet terug in het ROB-rapport. Wel lezen deze leden in het ROB-advies «Meters maken met medebewind» dat duidelijk moet zijn wat globaal de noodzakelijke kosten zijn voor gemeenten om deze medebewindstaken doelmatig uit te voeren.31

  • 1. Kunt u toelichten waarom de regering van mening is dat meer inzicht in de gemeentefinanciën noodzakelijkerwijs samengaat met gedetailleerde sturing, terwijl de ROB dit verband in zijn advies niet legt?

  • 2. Heeft de regering verkend in hoeverre het mogelijk is om een globaal overzicht te bieden van de noodzakelijke kosten voor medebewindstaken, bijvoorbeeld door uitsluitend de middelen voor de vijf grootste medebewindstaken in beeld te brengen? Zo ja, wat waren de uitkomsten hiervan? Zo nee, waarom niet?

  • 3. Heeft de regering tevens de mogelijkheden onderzocht om meer financiële informatie te verschaffen zonder daarbij de beleidsruimte te beperken? Zo ja, wat waren hiervan de resultaten? Zo nee, waarom niet?

Deze leden lezen voorts: «Het kabinet is in gesprek gegaan met de (koepels van) medeoverheden om tot afspraken ter verbetering van die balans te komen.»32

  • 4. Welke stappen zet de regering indien het overleg met de koepels van medeoverheden niet leidt tot overeenstemming? Is er voorzien in een escalatieprocedure of een alternatief traject, en zo ja, hoe ziet dat er dan uit?

  • 5. Kunt u toelichten welke instrumenten het parlement heeft om eigenstandig te kunnen beoordelen of het gemeentefonds gemeenten voorziet in voldoende middelen voor de uitvoering van hun taken?

In de kabinetsreactie staat ook: «Er is nu sprake van een werkbare financiële situatie voor gemeenten, wat een belangrijke stap is in het versterken van de samenwerking tussen rijk en gemeenten.»33

Volgens de ROB is het nu onduidelijk bij de vaststelling van het gemeentefonds welke budgetten zijn gekoppeld aan welke medebewindstaken. Ook is het achteraf, bij de verantwoording, onduidelijk hoeveel geld gemeenten hebben uitgegeven aan medebewindstaken en of de wetten waarmee deze taken bij gemeenten zijn belegd doelmatig en doeltreffend hebben gefunctioneerd.

  • 6. Kunt u toelichten op basis van welke informatie en criteria wordt vastgesteld dat er een werkbare financiële situatie voor gemeenten is bereikt, gegeven dat het volgens de ROB zowel vooraf als achteraf onduidelijk is hoeveel geld gemeenten aan medebewindstaken uitgeven en of de uitvoering daarvan doelmatig en doeltreffend functioneert?

In de kabinetsreactie wordt het volgende gesteld: «Binnen het sociaal domein wordt door het Rijk en gemeenten gewerkt aan oplossingen voor de geconstateerde disbalans. Voorbeelden hiervan zijn de Hervormingsagenda Jeugd en het houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015. In het sociaal domein staat genoemde balans onder meer onder druk, doordat op een aantal gedecentraliseerde taken de beleidstheorie anders heeft uitgepakt dan beoogd.»34

  • 7. Bent u het met deze leden eens dat bij de hiervoor genoemde medebewindstaken eerder had moeten worden ingegrepen ter herstel van de disbalans tussen taken en middelen?

  • 8. Welke concrete maatregelen worden getroffen om een disbalans tussen taken en middelen bij medebewindstaken voortaan vroegtijdig te signaleren, zodat tijdig kan worden bijgestuurd voordat een serieuze disbalans ontstaat?

Voorts lezen deze leden in het ROB-advies «Afrekenen met disbalans» dat medebewindstaken in het verleden op slordige wijze zijn belegd, waardoor onduidelijkheden zijn over wie opdraait voor welke financiële risico’s.35 In het ROB-advies «Meters maken met medebewind» schrijft de ROB vervolgens: «Meer inzicht in medebewindstaken is ook een belangrijke stap in het oplossen van de slordigheden in de wijze waarop medebewindstaken zijn belegd bij gemeenten. Er is al veel informatie beschikbaar om de medebewindstaken inzichtelijk te maken, zowel bij het Rijk als bij gemeenten.»36

  • 9. Kunt u inhoudelijk reageren op de constatering van de ROB dat medebewindstaken in het verleden op slordige wijze zijn belegd en dat hierdoor onduidelijkheden zijn ontstaan over de verdeling van financiële risico’s? Deelt u deze constatering van de ROB, en welke lessen trekt de regering hieruit voor de toekomstige belegging van medebewindstaken? Is de regering voornemens om door het vergaren van inzicht de geconstateerde slordigheden op te lossen?

In de brief van 9 januari 2026 geeft uw ambtsvoorganger tevens een duiding van artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet. Hij schrijft onder andere: «Als bekend, verplicht artikel 108, derde lid, Gemeentewet het Rijk om de kosten verbonden aan de uitvoering van medebewindstaken en van aanwijzingen te vergoeden.»37 Deze bepaling biedt voor de formele wetgever zowel een normatief kader als een verantwoordelijkheid. Juist vanwege het feit dat niet inzichtelijk is welke bekostiging tegenover welke medebewindstaak staat, is het lastig om zowel dat kader na te leven als de verantwoordelijkheid te nemen die van de formele wetgever verwacht mag worden. Dit onderschrijft mede de noodzaak om de taken en bijbehorende middelen beter inzichtelijk te maken, menen deze leden.

  • 10. Bent u het hiermee eens? Zo nee, waarom niet?

  • 11. Voorts staat er ook: «Ook in deze toelichting is echter onderkend dat in beginsel bij taakintensiveringen de daarmee gemoeide kosten worden gecompenseerd.»38 Kunt u een nadere duiding geven van wat bedoeld wordt met «in beginsel»? Vallen de extra kosten bij een taakintensivering – voor zover er geen ruimte bestaat voor (meer) belastingheffing – hier ook onder?

In de «Gemeentestem» is naar aanleiding van de duiding van artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet een artikel van de heer Knop verschenen. Hij schrijft onder meer het volgende: «Nu art. 108 lid Gemeentewet uitdrukking geeft aan een fundamenteel maar tegelijkertijd weinig vastomlijnd uitgangspunt dat in de Grondwet reeds besloten ligt, helpt een woordelijke interpretatie van de wettekst ons weinig verder. Bijvoorbeeld bij facultatief medebewind of medebewind met veel beleidsvrijheid. Is de bedoeling van de wetgever activering van gemeentebesturen op een beleidsdomein dat vanuit het Rijk bezien belangwekkend wordt geacht, dan getuigt het achterwege laten van bekostiging wanneer er strikt genomen geen bestuur wordt gevorderd van precies de juridische haarkloverij die ik in deze bijdrage probeer te ontmoedigen. Slechts wanneer de wetgever beoogt gemeentebesturen bevoegd te maken waar zij dat op grond van hun autonome bevoegdheden niet zijn, kan het achterwege laten van financiële compensatie verdedigbaar zijn.» 39

  • 12. Deelt u deze opvatting van de heer Knop? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de fractie van de BBB hechten grote waarde aan de adviezen van de ROB en aan het herstellen van (een deel van) de financiële autonomie van gemeenten en hebben daarom de volgende vragen aan u. Het lid van de fractie van OPNL sluit zich bij deze vragen aan.

  • 1. De ROB adviseert om een duidelijk en volledig overzicht te maken van alle medebewindstaken en de bijbehorende Haagse budgetten. U stelt dat dit zou leiden tot «een hellend vlak» met hoge administratieve lasten en nog meer landelijke sturing.40

    Bent u voornemens te komen tot een dergelijk overzicht?

  • 2. Volgens de ROB krijgt het parlement op dit moment onvoldoende informatie om te kunnen bepalen of gemeenten wel genoeg geld krijgen voor hun taken, waardoor de Kamer haar rol als controleur van de regering niet kan waarmaken.

    Wanneer herstelt u de informatiepositie van de Kamer, bijvoorbeeld door «no-nonsense» instrumenten zoals het in 2016 afgeschafte «Financieel Overzicht Gemeenten» (FOG) direct weer in te voeren? De leden van de BBB-fractie ontvangen hier graag een toelichting op.

  • 3. De ROB wijst volgens deze leden terecht op het basisprincipe «wie bepaalt, betaalt». Bij de veiligheidsregio’s hebben gemeenten vrijwel geen beleidsvrijheid, terwijl zij wel 85% tot 90% van de kosten dragen. Slechts 10% tot 15% wordt rechtstreeks door het Rijk gefinancierd via de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR).

    Waarom worden veiligheidsregio’s niet rechtstreeks door het Rijk bekostigd via een specifieke uitkering (SPUK)? Heeft u meer voorbeelden van taken waarbij een dergelijke constructie voorstelbaar zou zijn?

  • 4. Deze leden achten de onderwijshuisvesting een schrijnend voorbeeld van disbalans. De Rijksoverheid verhoogde de kwaliteitseisen voor schoolgebouwen (zoals duurzaamheid) en kortte gemeenten vervolgens met 256 miljoen euro.

    Wat gaat u op korte termijn doen om de huisvestingsachterstanden bij gemeenten op te lossen?

  • 5. Nederland is in Europa een absolute uitzondering: gemeenten voeren een groot deel van de publieke taken uit (30% van de overheidsbestedingen), maar mogen nauwelijks zelf belasting heffen (de belastingkloof). Toch rust er volgens de ROB een taboe op het uitbreiden van het lokale belastinggebied.

    Bent u bereid hierover met de gemeenten (VNG) in gesprek te gaan, zonder dat dit leidt tot een verhoging van de totale lastendruk? Zo ja, op welke termijn?

  • 6. De Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) was bedoeld om te toetsen of nieuw beleid uitvoerbaar is voor gemeenten, maar heeft zich volgens de ROB nog niet bewezen.

    Wanneer komt er een permanente, structurele toetsing om te waarborgen dat ambities, bevoegdheden en middelen wél met elkaar in balans zijn?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de fractie van de VVD wensen u de volgende vragen te stellen.

  • 1. Uw ambtsvoorganger schrijft in de antwoordbrief van 9 mei 2025 dat de vraag wat «voldoende middelen» zijn voor partijen niet door alle partijen gelijk wordt beantwoord en onderwerp van gesprek is tussen het Rijk en gemeenten.41

    Hoe wil de regering antwoord krijgen op deze vraag en wat is daarvoor nodig? En hoe beoordeelt de regering zelf of wordt voldaan aan artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet?

  • 2. Uit het ROB-advies «Afrekenen met disbalans» blijkt dat het parlement momenteel onvoldoende informatie heeft om zelfstandig te beoordelen of de omvang van het gemeentefonds toereikend is.42

    Op welke wijze draagt de aangekondigde verkenning bij aan het versterken van de informatiepositie van het parlement, zodat het parlement in het vervolg ook zelfstandig een gedegen afweging kan maken?

  • 3. De invulling en uitvoering van taken kunnen tussen gemeenten verschillen.

    Hoe wordt bij de vaststelling van de omvang van het gemeentefonds rekening gehouden met deze verschillen?

  • 4. De regering noemt monitoring als belangrijk instrument om de disbalans tussen taken en middelen beter inzichtelijk te maken.

    Welke andere maatregelen overweegt de regering om de disbalans te verkleinen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van de rapporten van de ROB «Meters maken met medebewind» en «Afrekenen met disbalans», evenals de brief van uw ambtsvoorganger van 9 januari 2026, als reactie daarop. Uit de analyse van de ROB volgt dat er sprake is van een structurele disbalans in de bestuurlijke en financiële verhoudingen tussen het Rijk en medeoverheden. Dit raakt direct aan kernwaarden die voor de D66-fractie centraal staan: een rechtsstatelijke en betrouwbare overheid, duidelijke verantwoordelijkheden en wetgeving die in de praktijk ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Daarom hechten de leden van de D66-fractie aan een goede uitvoering ten aanzien van medebewind en hebben zij een aantal vragen.

Gelet op de geconstateerde gebreken, geeft de ROB aan dat er een disbalans bestaat tussen middelen, taken en de bevoegdheden. Een hieraan gerelateerd kernpunt in de ROB-adviezen is het principe «wie bepaalt, betaalt». Deze leden vragen u hoe dit principe structureel wordt geborgd bij medebewindstaken, en op welke punten de regering het aanvaardbaar acht dat financiële risico’s van rijksbeleid blijvend bij gemeenten worden neergelegd. Het expliciteren van deze keuzes is noodzakelijk om bestuur eerlijk en uitlegbaar te houden, zowel voor medeoverheden als voor burgers. Daarnaast zouden de geconstateerde problemen een gebrek aan parlementair toezicht in de hand werken. Deze leden vragen u hoe de regering aankijkt tegen het geconstateerde gebrek aan parlementair toezicht, met het oog op de noodzaak van checks and balances binnen onze democratische rechtsstaat.

De voormalige Minister van BZK erkende de zorgen over de geconstateerde disbalans. De leden van de fractie van D66 vragen welke verantwoordelijkheid u voor uzelf ziet als systeemverantwoordelijke om te voorkomen dat deze disbalans zich bij nieuwe wetgeving telkens opnieuw voordoet. Uw ambtsvoorganger heeft ook aangegeven in gesprek te gaan met de koepels door een verkenning uit te voeren. Deze leden vragen wat de tijdlijn is voor het aanpakken van de door de ROB geconstateerde problemen. Volgt een coherent plan pas ergens na afloop van de verkenning, of worden bij die verkenning ook nadrukkelijk de oplossingen in kaart gebracht?

De ROB merkt ook op dat veel informatie om de medebewindstaken inzichtelijker te maken al beschikbaar is. Deze informatie ligt bij zowel het Rijk als de medeoverheden. Daarnaast levert de ROB ideeën aan voor het verbeteren van de instrumenten en activiteiten die in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel Begrotingsstaat gemeentefonds 2025 worden opgesomd.43 Ten aanzien van deze aanbevelingen en de aangekondigde verkenning, vragen de leden van de D66-fractie of deze aanbevelingen van de ROB niet direct kunnen worden overgenomen, zonder dat daarvoor een verkenning nodig is. In dat kader vragen deze leden u welke aanbevelingen van de ROB de regering daadwerkelijk wil gaan overnemen en welke inhoudelijke overwegingen daaraan ten grondslag liggen. Als samenwerking met gemeenten een randvoorwaarde is voor goed bestuur, dan mag van de regering immers worden verwacht dat het expliciet laat zien waarom deze adviezen al dan niet worden opgevolgd. Kunt u aangeven waarom er een verkenning moet plaatsvinden voordat mogelijk iets met reeds aangedragen oplossingen wordt gedaan? Daarnaast vragen deze leden u of de regering inmiddels ook nieuwe maatregelen overweegt, naast reeds aangekondigde maatregelen en maatregelen die uit de ROB-rapporten volgen.

Ten aanzien van de aanbeveling van de ROB voor een duidelijk en steeds bijgehouden overzicht van medebewindstaken en de middelen die daarvoor benodigd zijn, heeft het vorige kabinet aangegeven dat dit zich niet goed zou verhouden tot het feit dat gemeenten en provincies geen verantwoording hoeven af te leggen over de besteding van het gemeentefonds en het provinciefonds. Bent u niet van mening dat een dergelijk overzicht ook tot doel kan hebben om het inzicht te bevorderen, zonder dat dit betekent dat gemeenten en provincies verantwoording moeten afleggen over medebewindstaken aan het Rijk? Verder vragen deze leden hoe u denkt over een mogelijke toename van regeldruk en administratieve lasten bij het overnemen van de aanbevelingen van de ROB.

De ROB geeft tevens aan dat het noodzakelijk is om een betere dialoog tussen de regering en de medeoverheden op gang te brengen over de balans tussen de verkregen middelen en de uit te voeren taken. Daarbij geeft de ROB aan dat er nauwelijks een dialoog heeft plaatsgevonden over het meegroeien van de middelen met de veranderingen in taken en bevoegdheden. Bent u van mening dat dit inderdaad beter moet? En hoe kan deze dialoog op gang worden gebracht en in de toekomst het beste worden vormgegeven? Verder vragen deze leden hoe u aankijkt tegen het periodiek informeren van volksvertegenwoordigers over de gesprekken tussen regeringsleden en de VNG, zoals die plaatsvinden in het Bestuurlijke Overleg Financiële verhoudingen (BOFv).

Tot slot wijst de ROB erop dat een aanhoudende disbalans het gezag en het vertrouwen in de overheid ondermijnt. De leden van de fractie van D66 vragen hoe u dit risico weegt bij de verdere uitwerking van beleid richting medeoverheden. Ook vragen zij welke rol u daarbij ziet voor het parlement, en in het bijzonder voor de Eerste Kamer, bij het bewaken van een duurzaam en evenwichtig bestuurlijk stelsel.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

In het ROB-rapport wordt aangegeven dat het ontbreekt aan eenduidige normen of criteria om de resultaten van een monitor over gemeentefinanciën te duiden, bijvoorbeeld om inzichtelijk te maken hoe het eigen vermogen van gemeenten zich ontwikkelt.44

De leden van de fractie van de PVV vragen of u bereid bent specifiek dit punt, namelijk de ontwikkeling van het eigen vermogen van gemeenten, beter inzichtelijk te maken?

Uw ambtsvoorganger geeft in de brief van 9 januari 2026 aan geen breed overzicht van medebewindstaken te kunnen geven, omdat dit volgens hem niet passend zou zijn, aangezien medeoverheden over de bestedingen uit het gemeente- en provinciefonds geen verantwoording hoeven af te leggen aan het Rijk.45 In de brief stelt hij de komende maanden wel met de koepels (VNG en IPO) een verkenning te zullen uitvoeren over financiën en bevoegdheden.46

Kunt u aangeven hoe de terughoudendheid vanwege de decentrale autonomie zich verhoudt tot het wél hierover in overleg treden met privaatrechtelijke koepels die geen formeel publiek mandaat hebben?

Kunt u aangeven hoe de terughoudendheid vanwege de decentrale autonomie zich verhoudt tot de inzet van het Rijk richting decentrale overheden, specifiek via de Regionale Energiestrategieën (RES)? Daarnaast: hoe ziet u dit standpunt ten opzichte van bijvoorbeeld regionale deals en afspraken vanuit het Rijk aan bestuurlijke overlegtafels en de uitvoering van de Spreidingswet in het bijzonder?

Bent u, los van de decentrale autonome positie, wél bereid om inzichtelijk te maken welke taken vanuit het Rijk als medebewindstaken worden gezien? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen mechanisch medebewind en taken met een mate van beleidsvrijheid?

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas MDR

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 mei 2026

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die zijn gesteld door de commissie voor Binnenlandse Zaken over de adviezen van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en de kabinetsreactie daarop.

Op 10 april jongstleden heeft de commissie voor Binnenlandse Zaken vragen gesteld over de adviezen van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB), «Afrekenen met disbalans» en «Meters maken met medebewind» en van de kabinetsreactie daarop van 9 januari 2026. De vragen hebben kenmerk 180533. Mede namens de Staatssecretaris van Financiën zend ik u hierbij de beantwoording van de vragen. Ik hecht eraan om voorafgaand, gelet op de gestelde vragen, nader toe te lichten welke stappen volgend op de kabinetsreactie al worden gezet.

Het kabinet herkent het belang om na te denken over het functioneren van het huidige stelsel: de taakuitoefening van medeoverheden en de bestuurlijke en financiële verhoudingen tussen Rijk en medeoverheden. Essentieel daarbij is het gesprek of de taken, middelen en uitvoeringskracht bij medeoverheden in balans zijn. Wanneer die balans er niet is, belemmert dat de slagkracht van medeoverheden en het openbaar bestuur als geheel op de belangrijke maatschappelijke opgaven. Dit is tevens het hoofdonderwerp van de adviezen van de ROB.

In de kabinetsreactie op de adviezen van de ROB wordt geschetst, welke inzet op dit moment wordt gepleegd om de balans tussen taken middelen en uitvoeringskracht te behouden en te versterken, onder andere via het beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur, de doorontwikkeling van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) en wijziging van de Financiële-verhoudingswet.

Tegelijk moet worden erkend dat Rijk en medeoverheden er niet voldoende in slagen om het juiste gesprek over balans op bestaande taken te voeren. Het duurt vaak te lang om inzicht te krijgen in de omvang en oorzaken van de disbalans, die zich op een taak manifesteren. Dit leidt tot frustratie aan beide zijden.

In de kabinetsreactie is daarom een verkenning aangekondigd om te bezien hoe vormen van financiële en niet-financiële monitoring kunnen bijdragen om het gesprek over disbalans op bestaande medebewindstaken te verbeteren. De verkenning is reeds van start gegaan. In de verkenning zullen verschillende varianten uitgewerkt worden, die als doel hebben het inzicht in en overzicht van medebewindstaken te verkrijgen, versterken en borgen. Hiermee samenhangend kan deze ertoe bijdragen dat de informatiepositie en -voorziening van zowel parlement en kabinet als van de gemeenten en provincies verbeterd worden.

Daarbij zal aandacht zijn voor de balans tussen enerzijds de wens en urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht en anderzijds fundamentele uitgangspunten binnen het huidige stelsel, de gedecentraliseerde eenheidsstaat, zoals de eigen beleidsruimte en verantwoordelijkheid die medeoverheden daarin hebben alsook de beperking van de administratieve lasten voor medeoverheden.

De aanbevelingen van de ROB, de daarop gebaseerde kabinetsreactie en het wettelijk kader van de Gemeente- en provinciewet en de Financiële-verhoudingswet vormen hierbij het vertrekpunt.

De verkenning moet leiden tot een concreet voorstel waar uw Kamer in de zomer van 2026 over geïnformeerd wordt. Het voorstel maakt onderdeel uit van een brede inzet van het kabinet en medeoverheden om te komen tot een goede samenwerking de komende jaren. Het kabinet werkt hiertoe aan het opstellen van een Samenwerkinsgagenda.

In deze brief herhaal ik de vragen van de leden van de fracties en leest u (schuingedrukt) mijn reactie op deze vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP, Volt, ChristenUnie, Fractie-Van de Sanden, Fractie-Visseren-Hamakers, Fractie-Walenkamp, JA21, PvdD en OPNL gezamenlijk

Allereest vragen de leden mij om concreet aan te geven, welke bouwstenen en adviezen uit het rapport «Samen bouwen aan resultaten» wel en niet worden overgenomen. De leden vragen mij om duidelijk te maken welke bouwstenen en adviezen de regering wel en niet volgt, en waarom.

Zoals in het Coalitieakkoord is aangegeven, wil het kabinet uitvoering geven aan de bouwstenen en adviezen in het rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen. Deze adviezen dragen volgens het kabinet bij aan de noodzakelijke verbetering van de interbestuurlijke verhoudingen. De bouwstenen en adviezen uit het rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen worden betrokken bij de vormgeving van een «Samenwerkingsagenda» met de medeoverheden. Dit is in het overhedenoverleg van 13 april jl. afgesproken. Voorzitter Polman van de Studiegroep heeft aan de start van dit Overhedenoverleg een toelichting gegeven op de aanbevelingen, die ook in dit proces van samenwerking tussen kabinet en medeoverheden zeer waardevol zijn.

Daarnaast vragen de leden mij of de Code Interbestuurlijke Verhoudingen voor de regering onverkort van toepassing is.

Ja. Het kabinet hanteert, in lijn met het advies van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen, de Code Interbestuurlijke Verhoudingen als uitgangspunt.

De leden benoemen dat het rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen de nadruk legt op het menselijke en relationele aspect van besturen. Genoemde leden vragen, hoe ik oordeel over dit onderdeel van het rapport van de studiegroep en of dit ook een van de bouwstenen en adviezen is, waarop in het regeerakkoord wordt gedoeld.

Ook deze adviezen zijn waardevol en herkenbaar. Zoals hierboven beschreven, betrekken wij de adviezen ook bij de samen met de medeoverheden op te stellen Samenwerkingsagenda.

De leden vragen of de kabinetsreactie op de beide ROB-adviezen is afgestemd met de medeoverheden. De leden vragen of hierover inhoudelijk overleg heeft plaatsgevonden.

  • Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot de uitgangspunten van het rapport «Samen bouwen aan resultaten» en de Code Interbestuurlijke Verhoudingen? De leden ontvangen graag een toelichting waaruit het perspectief van de regering blijkt.

  • Zo ja, kunt u aangeven in hoeverre dit overleg heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de uitgangspunten van het rapport «Samen bouwen aan resultaten» en de Code Interbestuurlijke Verhoudingen? De leden ontvangen graag een toelichting waaruit het perspectief van de regering blijkt.

Over de kabinetsreactie hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden met de koepelorganisaties van de gemeenten en provincies, respectievelijk de VNG en het IPO. De concept-kabinetsreactie is daarnaast met hen gedeeld. Dit is in lijn met het uitgangspunt uit de Code Interbestuurlijke verhoudingen, dat doelstellingen voor samenwerking en taakuitvoering in overleg tot stand komen en het uitgangspunt in hoofdstuk 1 van het Rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke verhoudingen: het overleg te voeren over beleid dat medeoverheden raakt. Dat er afstemming heeft plaatsgevonden, betekent niet dat genoemde koepels medeverantwoordelijk zijn voor de precieze inhoud hiervan. Het is immers de reactie van het kabinet.

De leden vragen mij of ik bekend ben met de visie van de medeoverheden hierop. Vervolgens vragen de leden of de medeoverheden de visie van de regering op dit punt delen.

De kabinetsreactie is onder de verantwoordelijkheid van het kabinet opgesteld. De VNG en het IPO hebben op verschillende momenten via verschillende kanalen hun reactie gegeven op de kabinetsreactie en het aangekondigde vervolg. Beide koepels zijn daarnaast betrokken bij de nadere verkenning.

De koepels hebben mij naar aanleiding van uw vraag navolgende reactie gegeven.

De VNG en het IPO delen de zorgen van de ROB over de interbestuurlijke en financiële verhoudingen wat betreft medebewindstaken. Net als de ROB vinden zij dat er onvoldoende inzicht is in welke taken gemeenten uitvoeren, hoeveel beleidsruimte zij daarbij hebben en of daar passende middelen tegenover staan. Daardoor is het voor het parlement lastig te beoordelen of taken, bevoegdheden en middelen nog in balans zijn en of wetgeving wat betreft medebewindstaken voor gemeenten uitvoerbaar en betaalbaar is.

Een gezamenlijk gesprek tussen Rijk, gemeenten, provincies en betreffende koepels is nodig om inhoud, beleidsruimte en bekostiging in samenhang te bespreken. Anders blijft onduidelijk hoeveel ruimte er is voor eigen beleid en worden het gemeentefonds en provinciefonds te veel gezien als technische instrumenten, terwijl zij de basis vormen onder sterke decentrale overheden.

Genoemde leden vragen of er volgens de regering sprake is van een disbalans.

Zoals ook is aangegeven in de kabinetsreactie op de ROB-adviezen «Afrekenen met disbalans» (maart 2025) en «Meters maken met medebewind» (juli 2025), constateert het kabinet dat er op een aantal gedecentraliseerde taken een disbalans is ontstaan in de bestuurlijk-financiële verhoudingen, waardoor de uitvoerbaarheid van deze taken onder druk staat. Soms ervaren gemeenten te weinig beleids- en bestedingsvrijheid om goed te kunnen sturen of vindt er zijsturing plaats vanuit het Rijk op taken die onder de verantwoordelijkheid van gemeenten vallen. Dit hebben we bijvoorbeeld geconstateerd in de Jeugdzorg en bij taken die onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vallen. Maar we zien ook dat gemeenten soms over te weinig middelen of uitvoeringskracht beschikken om (gezamenlijke) ambities waar te maken.

De leden vragen mij zo precies mogelijk uit te leggen hoe zwaar, of minder zwaar, deze diverse argumenten wegen bij de keuze om het ROB-advies niet over te nemen. Deze leden ontvangen graag een uitgebreide toelichting om het perspectief van de regering te kunnen begrijpen.

Laat ik vooropstellen dat het kabinet de «Afrekenen met disbalans» (maart 2025) en «Meters maken met medebewind» (juli 2025) verwelkomt en, nogmaals, te markeren dat de ROB hierin in de ogen van het kabinet een cruciaal vraagstuk in de financiële verhoudingen aansnijdt. De ROB beveelt als oplossing aan om een volledig overzicht op te stellen van medebewindstaken van de gemeenten, van de ambities die het Rijk daarbij heeft en van de middelen (bevoegdheden en budgetten) die hij daarvoor aan gemeenten geeft. Het kabinet ziet echter praktische bezwaren in het opstellen van zo’n overzicht en ziet het risico dat een breed overzicht van medebewindstaken waarin kosten centraal komen te staan op gespannen voet kan komen te staan met uitgangspunten in de verhouding tussen het Rijk en gemeenten en provincies. Met de aangekondigde verkenning wordt daarom beoogd in kaart te brengen, wat wel kan om zo een stap te zetten in de verbetering van inzicht, zodanig dat dit bijdraagt aan verbetering van het gesprek over disbalans op bestaande (medebewinds)taken.

De verkenning moet daarom leiden tot een concreet voorstel, waar uw Kamer in de zomer van 2026 over geïnformeerd wordt en inzicht biedt in bestaande medebewindstaken en hoe, hiermee samenhangend, de informatiepositie en -voorziening van zowel parlement en kabinet als van de gemeenten en provincies verbeterd kan worden. Daarbij zal vervolgens aandacht zijn voor het feit dat het voorstel dient te passen binnen het huidige stelsel, de gedecentraliseerde eenheidsstaat, en de eigen beleidsruimte en verantwoordelijkheid die medeoverheden daarin hebben. Het gaat hierbij dus om het vinden van een balans tussen enerzijds de wens en gevoelde urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht. En anderzijds het belang om niet te treden in de autonomie van medeoverheden, de mogelijkheden tot het voeren van integraal beleid en beperking van de administratieve lasten.

Ter nadere toelichting hierop ziet het kabinet dat medeoverheden op sommige taken weinig beleidsruimte hebben. Het te veel inschakelen van gemeentebesturen of provinciale staten als uitvoerders van gedetailleerd rijksbeleid is vanuit de wetgever soms gewenst. Dit holt echter de positie van gemeenten en provincies op den duur uit en vormt een risico voor de balans tussen ambities, taken, middelen (financieel en bevoegdheden) en uitvoeringskracht op lokaal niveau. De wens tot gedetailleerde sturing vanuit het Rijk en uitvoering van de controlerende taak door het parlement zorgt ook voor een toenemende behoefte aan bestuurlijke en financiële sturingsinformatie, vanuit het parlement en het kabinet. Hoewel deze behoefte verklaarbaar is, bestaat het risico dat dit tot meer centrale sturing leidt en minder (ervaren) beleidsruimte. Dat vindt het kabinet ongewenst.

Belangrijke voorwaarden voor keuzes op het gebied van monitoring zijn daarom ook, dat het Rijk de autonome bevoegdheden aan gemeenten heeft overgelaten en zich hier dus in beginsel niet (gedetailleerd) mee heeft te bemoeien, dat terughoudendheid voorop staat bij het opvragen van interbestuurlijke informatie en bij de toepassing van interbestuurlijk toezicht, en dat ook binnen medebewindstaken wordt gestreefd naar zo veel mogelijk beleidsvrijheid. De praktische aspecten als vrije besteedbaarheid en mogelijkheid van integraal beleid voeren, zijn hier tevens uitwerkingen van. Het kabinet wil met genoemde verkenning in kaart brengen wat er binnen die grenzen wél mogelijk is.

Wat het kabinet tenslotte belangrijk vindt, is dat Rijk en medeoverheden gezamenlijk blijven werken aan de balans tussen ambities, taken en middelen. Dit doen wij door consequent goed te doordenken welke taken passend zijn bij medeoverheden, de uitvoerbaarheid te toetsen op basis van passende monitoring en beleidsinformatie, het gesprek te voeren en knelpunten gezamenlijk op te lossen. Dit vergt een gedegen inzet en gezamenlijk gedragen verantwoordelijkheid van alle betrokkenen, in de verschillende fasen van taaktoedeling aan medeoverheden. Als Minister van BZK voel ik mij in het bijzonder verantwoordelijk om binnen het gehele takenpakket van medeoverheden te komen tot een goede balans.

Vervolgens vragen de leden mij of er nog andere argumenten meespelen. Zo ja, welke? De leden geven aan dat er valt te denken aan bijvoorbeeld de hoeveelheid werk die hiermee gemoeid is, de positie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) ten opzichte van andere departementen die veel van het werk moeten uitvoeren, of het ontbreken van een gedeeld gevoel van urgentie.

Zoals in de kabinetsreactie is aangegeven, onderkent het kabinet de urgentie van het door de ROB gesignaleerde probleem, en zet het ook stappen. De zienswijze van het kabinet op de ROB-aanbevelingen is gebaseerd op de argumenten die in de kabinetsreactie en de beantwoording van voorgaande vraag uiteen zijn gezet.

De leden vragen of er sprake is van een fundamenteel verschil van inzicht. Verder vragen de leden wat dit betekent voor het vervolg en of ik een succesvol vervolg mogelijk acht.

Zoals hierboven aangegeven, verwelkomt het kabinet de adviezen «Afrekenen met disbalans» (maart 2025) en «Meters maken met medebewind» (juli 2025) en markeer ik graag nogmaals dat de ROB hierin in de ogen van het kabinet een cruciaal vraagstuk in de financiële verhoudingen aansnijdt.

Het kabinet geeft hier opvolging aan door een verkenning uit te voeren naar monitoring en hoe monitoring van (bestaande) medebewindstaken kan bijdragen aan het gesprek over het herstel van de eerdergenoemde balans. Met de verkenning wordt een gedragen voorstel beoogd. In de stuurgroep van de verkenning nemen VNG en IPO deel.

Daarbij benadruk ik graag dat met de verkenning wordt onderzocht, hoe het betreffende inzicht kan worden verbeterd door de informatiepositie en -voorziening te verbeteren, en hoe interbestuurlijk kan worden samengewerkt op basis van een gezamenlijke feitenbasis.

De leden stellen de volgende vragen over het vervolg:

  • Is er een gezamenlijke opdracht over het vervolg geformuleerd? Zo ja, hoe luidt deze opdracht? Zo nee, wat betekent dat voor het vervolg?

  • Is het verkrijgen van het door de ROB bepleite inzicht onderdeel van deze opdracht?

Begin maart heeft er een eerste bijeenkomst van de stuurgroep van de verkenning plaatsgevonden. Hierin is de opdracht voor de verkenning besproken en zijn afspraken gemaakt over het vervolg. De verkenning is erop gericht om tot een concreet voorstel te komen voor monitoring en hoe monitoring van (bestaande) medebewindstaken kan bijdragen aan een beter gesprek over de balans tussen ambities, taken, middelen (financieel en bevoegdheden) en uitvoeringskracht. In de verkenning zullen verschillende varianten uitgewerkt worden en zal gezocht worden naar een passend aggregatieniveau, met als doel het inzicht en overzicht in medebewindstaken te verkrijgen, versterken en borgen. Dit is in lijn met hetgeen beoogd is met de ROB adviezen. Daarnaast zal er ook aandacht zijn voor een balans tussen enerzijds de wens en urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht en anderzijds het belang om niet te treden in de eigen beleids- en bestedingsvrijheid van medeoverheden. Voor de verkenning vormen de aanbevelingen van de ROB, de daarop gebaseerde kabinetsreactie en het wettelijk kader van de Gemeente- en Provinciewet en de Financiële-verhoudingswet het vertrekpunt.

De leden vragen of er een planning is gemaakt, wanneer deze opdracht afgerond moet zijn.

De verkenning wordt in de zomer van 2026 afgerond. Uw Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.

De genoemde leden vragen of de regering de volgende stelling van de ROB deelt:

  • De ROB stelt dat het vervolgens belangrijk is om de ambities congruent te maken met de bekostiging, bevoegdheden en risico’s van de gemeenten.

Het is van belang dat er een balans is tussen taken, middelen en uitvoeringskracht bij medeoverheden. Op het moment dat op een taak disbalans wordt geconstateerd, is het van belang dat deze wordt hersteld.

Vervolgens vragen de leden, wie hiervoor aan zet is. De leden vragen of dat de fondsbeheerders of de verantwoordelijke Ministers zijn. De leden vragen wat de rol van de decentrale overheden hierbij is.

Rijk en medeoverheden werken gezamenlijk aan de balans tussen ambities, taken en middelen. Bij nieuw beleid of wijziging van beleid wordt de uitvoerbaarheidstoets decentrale overheden (UDO) toegepast. Hierbij wordt continu goed doordacht, welke taken passend zijn bij medeoverheden, wordt de uitvoerbaarheid getoetst op basis van passende monitoring en beleidsinformatie, en het gesprek gevoerd, teneinde knelpunten gezamenlijk op te lossen. Dit vergt een gedegen inzet en gezamenlijk gedragen verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. Het oplossen van een eventuele disbalans vergt een gesprek tussen de fondsbeheerders, vakdepartementen en medeoverheden, waarbij ik mij als Minister van BZK bijzonder verantwoordelijk voel om binnen het gehele takenpakket van medeoverheden te komen tot een goede balans.

De leden stellen dat zodra de basis op orde is, monitoring belangrijk is. De leden geven aan dat er voorheen een gedetailleerd periodiek onderhoudsrapport (POR) werd opgesteld. Genoemde leden constateren dat sinds 2023 dit overzicht is gewijzigd en wordt het veel minder gedetailleerd gepresenteerd. De leden vragen of deze opzet wellicht kansen biedt voor de monitoring.

De vraag hoe monitoring vormgegeven kan worden, is onderdeel van de lopende verkenning. In het Periodiek Onderhoudsrapport (POR), dat jaarlijks als bijlage is opgenomen bij de gemeentefondsbegroting, wordt verder inzicht gegeven in de werking van het verdeelstelsel van het gemeentefonds in vergelijking met de ontwikkeling van de kostenstructuur bij de gemeenten.

Het POR heeft als doel om te analyseren of de verdeling van de middelen van het Gemeentefonds het actuele uitgavenpatroon van gemeenten volgt (de aansluiting). Het POR biedt een aanknopingspunt om eventuele disbalans te constateren. Tegelijk fungeren de clusters in deze analyse als hulpmiddel; deze analyse doet niets af aan de bestedingsvrijheid van gemeenten ten aanzien van de middelen uit het gemeentefonds.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van OPNL, GroenLinks-PvdA, BBB, SP, ChristenUnie, PvdD, Volt, Fractie-Visseren-Hamakers en Fractie-Van de Sanden gezamenlijk

Allereerst vragen de genoemde leden mij om toe te lichten, waarom de regering van mening is dat meer inzicht in de gemeentefinanciën noodzakelijkerwijs samengaat met gedetailleerde sturing, terwijl de ROB dit verband in zijn advies niet legt.

Het kabinet heeft niet willen stellen dat meer informatie noodzakelijkerwijs samengaat met gedetailleerde sturing, maar wijst wel op de dynamiek die tussen een Minister en de Kamers kan ontstaan, wanneer een nadrukkelijkere koppeling wordt gelegd tussen bepaalde medebewindstaken en beschikbaar gestelde bedragen. Zoals in de kabinetsreactie is aangegeven, zorgt de wens tot gedetailleerde sturing vanuit het Rijk voor een toenemende behoefte aan bestuurlijke en financiële sturingsinformatie, vanuit het parlement en het kabinet. Dit kan zich bijvoorbeeld uiten in grote hoeveelheden Kamervragen over in feite gemeentelijke aangelegenheden of aangenomen moties die oproepen tot meer (wettelijke) sturing op gebieden, waarop gemeenten vooralsnog in vrijheid opereren. Uiteraard is het parlement hierin vrij en maakt het kabinet hierin zijn eigen afwegingen, maar aangezien ik de wettelijke opdracht heb de beleidsvrijheid van gemeenten te bevorderen, vind ik het van belang om deze dynamiek wel in de afweging te betrekken.

Voorts wijs ik erop dat het kabinet ziet dat de huidige informatieverstrekking over medebewindstaken niet voldoende inzicht geeft om het gesprek over toereikendheid van budgetten en (dis)balans te voeren. Hiermee wordt gedoeld op het gesprek over bestaande taken, waarbij een disbalans wordt ervaren. Dit sluit aan op het punt dat de ROB adresseert in haar advies. Het lukt niet in voldoende mate en duurt vaak te lang om inzicht te krijgen in de omvang en oorzaken van de disbalans, die zich op een taak manifesteert. Dit leidt tot frustratie aan beide zijden. Er kunnen situaties zijn, waarin er behoefte is om gedetailleerder inzicht te hebben in kosten en benodigde middelen. Op die manier kan het gesprek over toereikendheid en voortgang op gezamenlijke opgaven beter gevoerd worden.

Hierbij is het belangrijk om balans te vinden tussen enerzijds de wens en gevoelde urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht, en anderzijds het belang om niet te treden in de autonomie van medeoverheden, de mogelijkheden tot het voeren van integraal beleid en beperking van de administratieve lasten. Oplossingen hiervoor dienen te passen binnen het huidige stelsel, de gedecentraliseerde eenheidsstaat en de eigen beleidsruimte en verantwoordelijkheid die medeoverheden daarin hebben. Bovendien wijs ik erop dat gemeenten en provincies geen verantwoording af hoeven te leggen aan het Rijk over de besteding van de middelen vanuit het gemeentefonds dan wel provinciefonds. Omdat de middelen uit de fondsen zelf niet geoormerkt zijn, is het mogelijk dat gemeenten en provincies integraal beleid maken over de taakvelden heen. Over de besteding van de middelen leggen gemeenten en provincies lokaal verantwoording af aan gemeenteraden dan wel provinciale staten, waarbij zij ook ruimte hebben om van de wettelijke normen af te wijken.

Vervolgens vragen genoemde leden of de regering heeft verkend in hoeverre het mogelijk is om een globaal overzicht te bieden van de noodzakelijke kosten voor medebewindstaken, bijvoorbeeld door uitsluitend de middelen voor de vijf grootste medebewindstaken in beeld te brengen. Zo ja, wat waren de uitkomsten hiervan? Zo nee, waarom niet?

In de verkenning wordt beoogd tot een concreet voorstel te komen met betrekking tot de vraag hoe monitoring van medebewindstaken kan worden verbeterd om het gesprek over balans beter te kunnen voeren. Het verbeteren van het inzicht in de balans op bestaande medebewindstaken staat hierbij centraal. Hierbij is nadrukkelijk aandacht voor het aggregatieniveau waarop dit moet plaatsvinden. In de verkenning zullen verschillende opties worden verkend en in gezamenlijkheid zal worden besloten, welke opties nader uitgewerkt zullen worden.

De leden vragen mij of de regering tevens de mogelijkheden heeft onderzocht om meer financiële informatie te verschaffen, zonder daarbij de beleidsruimte te beperken. Zo ja, wat waren hiervan de resultaten? Zo nee, waarom niet?

In de verkenning wordt verkend, in hoeverre meer financiële informatie kan worden ontsloten, zonder daarbij te treden in de beleidsvrijheid van gemeenten en provincies. Het streven is nadrukkelijk om dit gezamenlijk uit te werken in vervolg op het advies van de ROB.

Verder vragen de leden mij, welke stappen de regering zet indien het overleg met de koepels van medeoverheden niet leidt tot overeenstemming. Genoemde leden vragen of er is voorzien in een escalatieprocedure of een alternatief traject, en zo ja, hoe ziet dat er dan uit.

Zoals vermeld in de kabinetsreactie op de ROB-adviezen, heeft het kabinet in de afgelopen periode in samenspraak met de koepels van gemeenten en provincies stappen gezet om de balans tussen ambities, taken, middelen (financieel en bevoegdheden) en uitvoeringskracht te verbeteren.

Het kabinet hecht sterk aan goede interbestuurlijke verhoudingen. De inzet van het kabinet is er dan ook op gericht om bij deze gesprekken daar waar mogelijk overeenstemming te bereiken met de medeoverheden. Met de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen ben ik van mening dat overheden er bij mogelijke geschillen of impasses samen uit moeten komen. Het proces dat de Studiegroep schetst voor escalatie bij geschillen tussen overheden over de toepassing van de spelregels van interbestuurlijke en financiële verhoudingen kan hier behulpzaam bij zijn. Het Overhedenoverleg heeft hierin een belangrijke rol. Zo kan een geschil worden teruggelegd bij het betreffende (inhoudelijke) bestuurlijk overleg, met een aanwijzing vanuit het Overhedenoverleg, hoe in dit geval de spelregels van interbestuurlijke en financiële verhoudingen zouden moeten worden toegepast. Bij geschillen die meer tijd vragen, wordt onder meer een procesrol met verschillende stappen voor de Minister van BZK voorgesteld, die tot de-escalatie van het conflict moeten leiden.

De leden vragen mij om toe te lichten, welke instrumenten het parlement heeft om eigenstandig te kunnen beoordelen of het gemeentefonds gemeenten voorziet in voldoende middelen voor de uitvoering van hun taken.

Het parlement ontvangt jaarlijks de begroting van het gemeentefonds. In de memorie van toelichting bij de wet gemeentefonds 2025 worden zes «instrumenten en activiteiten» beschreven die gezamenlijk een gemeentefonds van voldoende omvang dienen te realiseren. Deze zijn: normeringssystematiek; artikel 2 financiële verhoudingswet; Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen; Benchmark woonlasten; artikel 12 gemeenten; monitoring nieuwe middelen sociaal domein. Daarnaast wordt bij het gemeentefonds het POR meegestuurd, wat verder inzicht geeft in de werking van het verdeelstelsel van het Gemeentefonds in vergelijking met de ontwikkeling van de kostenstructuur bij de gemeenten. Bij iedere circulaire wordt verder inzicht gegeven in de financiële mutaties die betrekking hebben op het Gemeentefonds. Daarnaast wordt via het integraal overzicht financiën gemeenten inzicht gegeven in de financiële positie van gemeenten, op basis van begroting- en jaarrekeningcijfers. Daarnaast wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de UDO als hier sprake van is en wordt u geïnformeerd over onderzoeken op specifieke beleidsterreinen, die raken aan het gesprek over de balans tussen de taken, middelen en uitvoeringskracht.

Vervolgens vragen de leden mij om toe te lichten op basis van welke informatie en criteria wordt vastgesteld dat er een werkbare financiële situatie voor gemeenten is bereikt, gegeven dat het volgens de ROB zowel vooraf als achteraf onduidelijk is, hoeveel geld gemeenten aan medebewindstaken uitgeven en of de uitvoering daarvan doelmatig en doeltreffend functioneert.

De vaststelling dat er een werkbare financiële situatie is voor gemeenten, is afkomstig van de VNG, naar aanleiding van gezamenlijke afspraken tussen kabinet en de VNG in 2025 over de compensatie van de incidentele tekorten 2023 en 2024 in de jeugdzorg. Gemeenten ontvingen daarbij in totaal 728 miljoen euro van het Rijk, die ze kunnen inzetten ter ondersteuning van de transformatie van de Jeugdhulp conform de afspraken in de Hervormingsagenda. Eerder is in de Voorjaarsnota 2025 voor de jaren 2025–2027 cumulatief circa 3 miljard euro beschikbaar gesteld voor gemeenten voor zowel jeugdzorg als voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds.47

In algemene zin merk ik op dat op het Rijk de verplichting rust om toereikende middelen aan gemeenten te verstrekken voor medebewindstaken, voor zover deze lasten voor rekening van gemeenten blijven. Dit uitgangspunt is expliciet opgenomen in art. 108, lid 3, Gemeentewet. Deze middelen dienen voldoende te zijn voor een doelmatige uitvoering van deze taken. De vraag wat hiervoor voldoende is, heeft ook een politieke component en wordt niet door alle partijen gelijk beantwoord. Dit is daarom vaak onderwerp van gesprek tussen Rijk en gemeenten.

De leden geven aan dat in de kabinetsreactie het volgende wordt gesteld:

  • «Binnen het sociaal domein wordt door het Rijk en gemeenten gewerkt aan oplossingen voor de geconstateerde disbalans. Voorbeelden hiervan zijn de Hervormingsagenda Jeugd en het houdbaarheidsonderzoek Wmo 2025. In het sociaal domein staat genoemde balans onder meer onder druk, doordat op een aantal gedecentraliseerde taken de beleidstheorie anders heeft uitgepakt dan beoogd.

De leden vragen of ik het met hen eens ben dat bij de hiervoor genoemde medebewindstaken eerder had moeten worden ingegrepen ter herstel van de disbalans tussen taken en middelen. Ook vragen de leden, welke concrete maatregelen worden getroffen om een disbalans tussen taken en middelen bij medebewindstaken voortaan vroegtijdig te signaleren, zodat tijdig kan worden bijgestuurd voordat een serieuze disbalans ontstaat.

Het kabinet vindt het in de eerste plaats van belang om een disbalans tussen taken en middelen bij medebewindstaken zoveel mogelijk te voorkomen, door middel van een goede beleidsvoorbereiding aan de hand van de UDO. Van belang is ook dat het vakdepartement en de koepel(s) van medeoverheden al tijdens de UDO bepalen of, en zo ja hoe, monitoring kan worden opgezet en aan de hand van welke indicatoren. Hiermee kan de uitwerking van het beleid in de praktijk gevolgd worden.

Het kabinet erkent dat het in sommige gevallen nog niet voldoende lukt om tijdig en op basis van een gemeenschappelijke feitenbasis het gesprek over eventuele disbalans op bestaande taken te voeren. Vandaar dat ook een verkenning is aangekondigd. Deze verkenning is erop gericht om tot een concreet voorstel te komen voor monitoring en hoe monitoring van (bestaande) medebewindstaken kan bijdragen aan een beter gesprek over de balans tussen ambities, taken, middelen (financieel en bevoegdheden) en uitvoeringskracht. Het gaat hier wel om het vinden van een balans tussen enerzijds de wens en gevoelde urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht, en anderzijds het belang om niet te treden in de autonomie van medeoverheden, de mogelijkheden tot het voeren van integraal beleid en beperking van de administratieve lasten.

Ten tijde van de decentralisaties van de Wmo en de Jeugdwet leek er een kloppend bestuurlijk-financieel arrangement te zijn. In de praktijk blijken gemeenten in beperkte mate zeggenschap te ervaren over deze taken. Hierdoor hebben zij onvoldoende grip op de uitgaven, terwijl zij grotendeels de financiële risico’s dragen. Dit is een scheefgroei in het bestuurlijk-financieel arrangement. Bij het verantwoordelijke departement, het Ministerie van VWS, is aandacht voor de geconstateerde disbalans en via de Hervormingsagenda Jeugdzorg en het houdbaarheidsonderzoek Wmo wordt gewerkt aan oplossingen. Onderdeel hiervan is een compleet beeld te hebben van aard en omvang van de disbalans en mogelijke maatregelen.

Het houdbaarheidsonderzoek Wmo 2025 kan daarmee worden gezien als een voorbeeld van het tijdig in beeld brengen of er sprake van disbalans zou kunnen zijn in de toekomst en welke beleidsmaatregelen mogelijk zijn om een eventuele disbalans tussen taken, middelen, ambities en uitvoerbaarheid te voorkomen. In verband met een nog uit te werken alternatieve financieringsvorm van de Wmo, die beter rekening houdt met de kostenontwikkeling in de Wmo en demografische ontwikkelingen/vergrijzing, is bij Voorjaarsnota 2024 vanaf 2026 een jaarlijkse tranche van € 75 miljoen beschikbaar gesteld, oplopend tot € 450 miljoen in 2031.

De leden vragen mij om inhoudelijk te reageren op de constatering van de ROB dat medebewindstaken in het verleden op slordige wijze zijn belegd en dat hierdoor onduidelijkheden zijn ontstaan over de verdeling van financiële risico’s. Vervolgens vragen de leden of ik de constatering van de ROB deel, en welke lessen de regering hieruit trekt voor de toekomstige belegging van medebewindstaken. De leden willen weten of de regering voornemens is om door het vergaren van inzicht de geconstateerde slordigheden op te lossen.

Zoals in de kabinetsreactie is aangegeven, voeren het kabinet en medeoverheden nu al het gesprek over balans en disbalans. Dit gebeurt onder andere op het terrein van het sociaal domein. Voorbeelden hiervan zijn de Hervormingsagenda Jeugd en het houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015. In het sociaal domein staat genoemde balans onder meer onder druk, doordat op een aantal gedecentraliseerde taken de beleidstheorie anders heeft uitgepakt dan beoogd. Bijna tien jaar na de decentralisaties is het van belang om lessen te trekken uit onze ervaringen. Daarnaast is in de Voorjaarsnota 2024 gemeld dat kabinet en medeoverheden hebben afgesproken dat ook nader onderzoek wordt gedaan naar de genoemde balans in de uitvoering van taken door medeoverheden op de domeinen OV, natuur en infrastructuur. Het streven is om door de verdere uitwerking zo snel mogelijk een completer beeld te hebben van aard en omvang en mogelijke maatregelen. Daarbij dient goed gekeken te worden naar uitvoeringscapaciteit, trends, ontwikkelingen en prognoses, juridische en financiële obstakels.

Met de introductie van de UDO zijn afgelopen jaren stappen gezet in het systeem van taaktoedeling, waar het gaat om voorbereiding op de uitvoering van gewijzigde of nieuwe taken. Het kabinet werkt aan verbetering van dit systeem, via het beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur, de eerder geschetste doorontwikkeling van de UDO en wijziging van de Financiële-verhoudingswet. Het kabinet ziet echter dat het stelsel nog niet voldoende functioneert om het gesprek over toereikendheid van budgetten en disbalans te voeren over bestaande taken, waarbij een disbalans wordt ervaren. Dit sluit aan op het punt dat de ROB adresseert in haar advies. Het lukt niet in voldoende mate en duurt vaak te lang om inzicht te krijgen in de omvang en oorzaken van de disbalans, die zich op een taak manifesteert. Dit leidt tot frustratie aan beide zijden. Er kunnen situaties zijn, waarin er behoefte is om gedetailleerder inzicht te hebben in kosten benodigde middelen. De verkenning is erop gericht om tot een voorstel te komen voor monitoring om het gesprek over disbalans beter te kunnen voeren.

De leden geven aan dat mijn ambtsvoorganger in de brief van 9 januari 2026 een duiding geeft van artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet. De leden geven aan dat hij onder andere schrijft: «Als bekend, verplicht artikel 108, derde lid, Gemeentewet het Rijk om de kosten verbonden aan de uitvoering van medebewindstaken en van aanwijzingen te vergoeden.» De leden geven aan dat deze bepaling voor de formele wetgever zowel een normatief kader als een verantwoordelijkheid biedt. Genoemde leden geven aan dat juist vanwege het feit dat niet inzichtelijk is welke bekostiging tegenover welke medebewindstaak staat, het lastig is om zowel dat kader na te leven als de verantwoordelijkheid te nemen die van de formele wetgever verwacht mag worden. Dit onderschrijft mede de noodzaak om de taken en bijbehorende middelen beter inzichtelijk te maken, menen deze leden. De leden vragen of ik het hiermee eens ben en zo nee, waarom niet.

Het klopt dat art. 108, derde lid, van de Gemeentewet de weergave is van een normatief kader en een verantwoordelijkheid is van de wetgever. Die verantwoordelijkheid moet echter, zoals mijn ambtsvoorganger al schreef, wel worden gelezen in samenhang met andere verantwoordelijkheden, zoals de verantwoordelijkheid van het Rijk om gemeenten hetzij via belastingruimte, hetzij via het uitkeringsstelsel in staat te stellen hun autonome ruimte in te vullen. Ook het bieden van beleidsvrijheid en terughoudendheid ten aanzien van interbestuurlijke informatie maken deel uit van het normatief kader en de verantwoordelijkheid van de wetgever.

In combinatie met art. 2 van de Financiële-verhoudingswet moet tenminste voordat een medebewindstaak wordt toegekend zeer nauwkeurig worden bekeken, wat de financiële gevolgen van een wetsvoorstel zijn en hoe deze worden opgevangen. De bepalingen dwingen echter niet tot in de lengte der dagen te volgen, hoeveel geld gemeenten aan een specifieke medebewindstaak besteden. Zolang het onderzoek vooraf goed is verricht en er geen signalen zijn dat de kosten rond een specifieke taak substantieel uit de pas lopen met de normale kosten- en prijsontwikkelingen, mag er immers van worden uitgegaan dat de uitkering gelijke tred houdt met de kosten.

De leden geven aan dat in de brief van mijn ambtsvoorganger het volgende staat: «Ook in deze toelichting is echter onderkend dat in beginsel bij taakintensiveringen de daarmee gemoeide kosten worden gecompenseerd.» Genoemde leden vragen mij een nadere duiding te geven van wat bedoeld wordt met «in beginsel». De leden vragen of de extra kosten bij een taakintensivering – voor zover er geen ruimte bestaat voor (meer) belastingheffing – hier ook onder vallen.

In de betreffende passage uit de memorie van toelichting uit 1995 wordt toegelicht dat het vanwege de voorkeursvolgorde geen automatisme is dat het Rijk moet vergoeden. De toelichting vervolgt dat uiteraard in beginsel compensatie aan de orde is bij taakintensiveringen. Het ligt mijns inziens inderdaad de rede dat extra kosten als gevolg van de intensivering van een taak daaronder vallen.

Tot slot vragen de leden of ik de opvatting van de heer Knop deel en, zo ja, welke consequenties verbind ik daaraan, en zo nee, waarom niet.

Ik ben het in zoverre met deze passage eens dat bij wijzigingen van wetten die raken aan de taakuitoefening van provincies en gemeenten steeds moet worden gekeken, wat hiervan de financiële gevolgen zijn. Of er compensatie moet plaatsvinden, ook wanneer het gemeentebestuur vrij blijft een bepaalde taak of bevoegdheid niet uit te voeren, is op basis van het wettelijk kader niet te zeggen. Daarover zal steeds het gesprek moeten plaatsvinden tussen de betreffende Minister, de fondsbeheerders en het parlement.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden geven aan dat de ROB adviseert om een duidelijk en volledig overzicht te maken van alle medebewindstaken en de bijbehorende Haagse budgetten. Genoemde leden geven aan dat door het kabinet wordt gesteld dat dit zou leiden tot «een hellend vlak» met hoge administratieve lasten en nog meer landelijke sturing. De leden van de fractie van de BBB vragen, of ik voornemens ben te komen tot een dergelijk overzicht.

Het kabinet deelt de analyse van de ROB, dat er op sommige taken disbalans in de verhoudingen is ontstaan, en herkent de noodzaak om op basis hiervan na te denken over het functioneren van het huidige stelsel. Zoals in de kabinetsreactie is aangekondigd, wordt er een verkenning uitgevoerd naar monitoring en hoe monitoring van (bestaande) medebewindstaken kan bijdragen aan het gesprek over het herstel van de eerdergenoemde balans. Met de verkenning wordt onderzocht hoe het inzicht kan worden verbeterd, door de informatiepositie en -voorziening te verbeteren, en hoe interbestuurlijk kan worden samengewerkt op basis van een gezamenlijke feitenbasis. Met de verkenning wordt een gedragen uitkomst beoogd. In de stuurgroep van de verkenning nemen VNG en IPO deel. De uitkomst van de verkenning zal medio 2026 naar de Kamer worden verzonden.

De leden stellen dat volgens de ROB het parlement op dit moment onvoldoende informatie krijgt om te kunnen bepalen of gemeenten wel genoeg geld krijgen voor hun taken, waardoor de Kamer haar rol als controleur van de regering niet kan waarmaken. De leden vragen mij wanneer ik de informatiepositie van de Kamer herstel, bijvoorbeeld door «no-nonsense» instrumenten zoals het in 2016 afgeschafte «Financieel Overzicht Gemeenten» (FOG) direct weer in te voeren. De leden van de BBB-fractie ontvangen hier graag een toelichting op.

Het kabinet vindt het belangrijk dat het parlement een adequate en bijpassende informatievoorziening heeft om de toereikendheid van het gemeente- en provinciefonds te kunnen beoordelen. De vraag naar de wijze waarop informatieproducten en monitoring vormgegeven kunnen worden, wordt betrokken bij de lopende verkenning.

Daarnaast wordt er doorlopend gewerkt aan het verbeteren van de informatiepositie van de Kamer. Zo is in het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten het afgelopen jaar informatie toegevoegd over geraamde financiële positie van gemeenten de afgelopen jaren. Deze informatie wordt in het komende overzicht verder uitgebreid.

Volgens de leden wijst de ROB terecht op het basisprincipe «wie bepaalt, betaalt». De leden vermelden dat bij de veiligheidsregio’s gemeenten vrijwel geen beleidsvrijheid hebben, terwijl zij wel 85% tot 90% van de kosten dragen. Hierbij benadrukken de leden dat slechts 10% tot 15% rechtstreeks door het Rijk wordt gefinancierd via de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR). De fractieleden van de BBB vragen waarom veiligheidsregio’s niet rechtstreeks door het Rijk worden bekostigd via een specifieke uitkering (SPUK). Vervolgens vragen de leden om meer voorbeelden van taken waarbij een dergelijke constructie voorstelbaar zou zijn.

Veiligheidsregio’s zijn verplichte regionale samenwerkingsverbanden, geregeld via de Wet veiligheidsregio’s (Wvr). Andere verplichte samenwerkingsverbanden betreffen de Omgevingsdiensten en GGD’s.

Het bestuursmodel van de veiligheidsregio’s is vormgegeven op basis van verlengd lokaal bestuur, rekening houdend met de Wet gemeenschappelijke regelingen. Veiligheidsregio’s zijn dus geen uitvoeringsorganisaties van het Rijk. Het bestuur wordt gevormd door de burgemeesters van de inliggende gemeenten. Binnen de wettelijke kaders bepalen de besturen de ambities en het kwaliteitsniveau van de veiligheidsregio. Dit wordt vastgelegd in het regionale beleidsplan. Zij baseren zich daarbij op een regionaal risicoprofiel, dat onder verantwoordelijkheid van het bestuur in afstemming met de gemeenteraden tot stand komt. Dat houdt in dat de veiligheidsregio’s de vormgeving van hun taken verschillend kunnen invullen.

Het bestuur van een veiligheidsregio stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Dat betekent dat het aan dat bestuur is om te bepalen, rekening houdend met de regionale situatie en de risico’s waarmee de regio kan worden geconfronteerd, op welke wijze gelden worden besteed. De deelnemende gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van de benodigde middelen om de gewenste prestaties te kunnen realiseren. Het bestuur stelt de gemeenteraden in de gelegenheid om hun zienswijze op de ontwerpbegroting te geven. Ook verstrekt het bestuur van de veiligheidsregio de betrokken gemeenteraden gevraagd en ongevraagd informatie. De leden van het algemeen bestuur van de veiligheidsregio leggen aan hun eigen gemeenteraad verantwoording af over hun eigen bijdrage aan het regiobestuur en verstrekken de door de raadsleden gevraagde informatie.

De Minister van JenV faciliteert de veiligheidsregio’s ten behoeve van hun taken door het verstrekken van een financiële lumpsum bijdrage (Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR)). Deze bedraagt circa 15% van het totaalbudget (85% wordt gefinancierd door de gemeenten). Hierdoor is er sprake van hybride financiering, een vorm die passend is bij de sturing: regionale keuzes binnen wettelijke kaders. Het bestuur van de veiligheidsregio is vrij de middelen naar eigen inzicht te besteden mits aan de regelgeving wordt voldaan. Het bestuur van de veiligheidsregio legt over de besteding van de middelen middels een jaarrekening en jaarverslag verantwoording af aan de betreffende gemeenteraden.

Dus aan het basisprincipe van de ROB, «wie bepaalt, betaalt» is met de hybride financieringsvorm van de veiligheidsregio invulling gegeven, omdat er binnen wettelijke kaders regionale keuzes worden gemaakt, rekening houdend met de regionale situatie en de risico’s waarmee de regio kan worden geconfronteerd.

Deze leden achten de onderwijshuisvesting een schrijnend voorbeeld van disbalans. De leden geven aan dat de Rijksoverheid de kwaliteitseisen voor schoolgebouwen (zoals duurzaamheid) verhoogde en gemeenten vervolgens kortte met 256 miljoen euro. De leden van de fractie van de BBB vragen, wat ik op korte termijn ga doen om de huisvestingsachterstanden bij gemeenten op te lossen.

Het huidige systeem voor onderwijshuisvesting gaat uit van een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten en schoolbesturen. Het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting verduidelijkt de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeente en schoolbestuur op het gebied van renovatie. Gemeenten ontvangen middelen via de algemene uitkering uit het gemeentefonds en geven deze uit op basis van hun eigen prioritering.

De leden van de fractie geven aan dat Nederland in Europa een absolute uitzondering is: gemeenten voeren een groot deel van de publieke taken uit (30% van de overheidsbestedingen), maar mogen nauwelijks zelf belasting heffen (de belastingkloof). De leden stellen dat er volgens de ROB een taboe rust op het uitbreiden van het lokale belastinggebied. De leden vragen of ik bereid ben hierover met de gemeenten (VNG) in gesprek te gaan, zonder dat dit leidt tot een verhoging van de totale lastendruk en, zo ja, op welke termijn.

Er is reeds onderzoek gedaan naar de mogelijkheden tot verruiming van het gemeentelijk en provinciaal belastinggebied48, 49. Onder het kabinet-Rutte IV was het voornemen tot verruiming van het gemeentelijk en provinciaal belastinggebied expliciet opgenomen in het Coalitieakkoord50. Echter, er bleek destijds noch bij gemeenten noch bij provincies voldoende draagvlak voor een dergelijke verruiming. Mochten gemeenten en/of provincies behoefte hebben aan verruiming van het lokaal belastinggebied, dan ben ik bereid om daarover met hen in gesprek te gaan.

De leden geven aan dat de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) was bedoeld om te toetsen of nieuw beleid uitvoerbaar is voor gemeenten, maar zich volgens de ROB nog niet bewezen heeft. De leden vragen wanneer er een permanente, structurele toetsing komt om te waarborgen dat ambities, bevoegdheden en middelen wél met elkaar in balans zijn.

De UDO en het bijbehorende Normenkader interbestuurlijke verhoudingen zijn in 2023 ingevoerd. De UDO en het Normenkader vervangen het Beoordelingskader interbestuurlijke verhoudingen uit 2007. Zoals mijn ambtsvoorganger in de voortgangsbrief van 31 maart 202551 opmerkt, is het gelet op de korte looptijd van de UDO nog te vroeg om conclusies te trekken over het doelbereik van de UDO. Sinds de inwerkingtreding van de UDO zijn de medeoverheden vaker eerder in het beleidsvormingsproces betrokken, maar de UDO is nog niet binnen alle departementen even bekend en wordt nog niet altijd op de juiste wijze toegepast. De UDO brengt een verandering in werkwijze met zich mee voor departementen en koepels van medeoverheden, die tijd vraagt. Samen met de koepels van medeoverheden werk ik verder aan het doorontwikkelen en versterken van het instrument van de UDO, om de uitvoerbaarheid van beleid van het Rijk voor medeoverheden te verbeteren.

In 2028, vijf jaar na inwerkingtreding, zal een evaluatie van de UDO als beleidsinstrument worden uitgevoerd.

Hierbij merk ik voor de volledigheid op dat de rol van de beheerders van het gemeentefonds in dit proces – de Minister van BZK en de Staatssecretaris van Financiën – is om te borgen dat voldoende aandacht geschonken wordt aan de vraag of de taak uitvoerbaar is voor gemeenten en provincies met de beschikbaar gestelde middelen voor die taak. Ook adviseren zij over passende bestuurlijke en financiële arrangementen, waaronder de voorkeursoptie voor de bekostiging. De beleidsmakende Minister is verantwoordelijk voor de juiste toepassing en uitvoering van de UDO. Vanzelfsprekend hebben de Eerste en Tweede Kamer, als medewetgever en controleur van de regering, in de besluitvorming over gewijzigde of nieuwe taken voor medeoverheden een belangrijke rol.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de fractie van de VVD geven aan dat mijn ambtsvoorganger in de antwoordbrief van 9 mei schrijf dat de vraag wat «voldoende middelen» zijn voor partijen niet door alle partijen gelijk wordt beantwoord en onderwerp van gesprek is tussen het Rijk en gemeenten. De leden vragen hoe de regering antwoord wil krijgen op deze vraag en wat is daarvoor nodig. Vervolgens vragen de leden hoe de regering zelf beoordeelt of wordt voldaan aan artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet.

De vraag of er voldoende middelen zijn voor een taak is in veel gevallen niet eenduidig aan te geven. Bij nieuwe taken of verandering van taken kan vaak een inschatting gemaakt worden van de kosten die de taak of de intensivering met zich meebrengt. Dit is onderdeel van de UDO en daarbij wordt tevens gekeken naar de financiële risico’s. Vervolgens wordt besloten, hoeveel middelen aan de fondsen worden toegevoegd. De middelen die voor een gegeven taak aan de fondsen zijn toegevoegd, kunnen echter niet worden gezien als een budget dat voor de jaren erna kan worden doorgetrokken. De totale groei van het fonds kan dus niet zonder meer aan taken worden toegerekend. Daarnaast geldt dat voor taken waarop er enige mate van beleidsvrijheid is, zelfs als deze relatief klein is, een subjectief element zit aan de vraag, of gemeenten voldoende middelen hebben. Werkelijk inzicht in de kosten die gemeenten voor die taak dan maken vraagt verdiepend onderzoek, waarbij er scherp onderscheid kan worden gemaakt tussen de wettelijk noodzakelijke kosten en de meer beleidsvrije onderdelen.

Zoals in de kabinetsreactie aangegeven, zet het kabinet in op voortzetting en verbetering van het systeem van taaktoedeling, waar het gaat om voorbereiding op de uitvoering van gewijzigde of nieuwe taken via de UDO. Daarnaast wordt blijvend het gesprek gevoerd met medeoverheden over de balans tussen taken, middelen en uitvoeringskracht. De verkenning moet ertoe leiden dat het gesprek over balans beter gevoerd kan worden.

Genoemde leden geven aan dat uit het ROB-advies «Afrekenen met disbalans» blijkt dat het parlement momenteel onvoldoende informatie heeft om zelfstandig te beoordelen of de omvang van het gemeentefonds toereikend is. De leden van de fractie van de VVD vragen op welke wijze de aangekondigde verkenning bijdraagt aan het versterken van de informatiepositie van het parlement, zodat het parlement in het vervolg ook zelfstandig een gedegen afweging kan maken.

Het doel van de verkenning is om tot een voorstel te komen die het gesprek over balans en disbalans op bestaande taken kan verbeteren. Onderdeel hiervan is ook de informatiepositie van het parlement.

De leden vragen ook hoe bij de vaststelling van de omvang van het gemeentefonds rekening wordt gehouden met het verschil van invulling en uitvoering van taken door gemeenten.

Sinds 2023 wordt in het kader van de UDO stelselmatig bij nieuw beleid of aanpassing van bestaand beleid nagegaan, of er balans is tussen ambitie, taken, middelen (financieel als qua bevoegdheden) en uitvoeringskracht (menskracht, praktisch uitvoerbaar/organisatie) er is. Uitgangspunt hierbij is dat de (koepels van) decentrale overheden vanaf de start betrokken worden om mee te denken over de vormgeving van het beleid en daarbij bovengenoemde balans te bewaken. Waar nodig worden uitvoeringstoetsen uitgevoerd, zodat duidelijk wordt of en hoe het nieuwe beleid uitvoerbaar is voor provincies en gemeenten. Bij nieuwe of aangepaste beleidsvoornemens met gevolgen voor gemeenten of provincies wordt als onderdeel van de UDO, zoals al van oudsher gebruikelijk was, ook artikel 2 Financiële-verhoudingswet toegepast of, in geval van medebewindstaken, artikel 108 lid 3 Gemeentewet en 105 lid 3 Provinciewet. Indien nodig wordt daarbij onderzoek gedaan naar welke kosten met een specifieke taak gemoeid zijn. De uitkomsten van een UDO – inclusief achterliggende onderzoeken, zoals een uitvoeringstoets – zijn openbaar en worden met de Kamer gedeeld, bijvoorbeeld doordat ze zijn opgenomen in de memorie van toelichting of in een brief aan de Kamer over het onderwerp waar de UDO betrekking op heeft.

De leden van de fractie van de VVD geven aan dat de regering monitoring als belangrijk instrument noemt om de disbalans tussen taken en middelen beter inzichtelijk te maken. Genoemde leden vragen welke andere maatregelen de regering overweegt om de disbalans te verkleinen.

De kabinetsreactie op de ROB-adviezen benoemt de diverse maatregelen hiertoe. Zoals aangegeven, wordt voorafgaand aan taaktoedeling de UDO toegepast. Nadat een taak is toegevoegd, is er het bestuurlijk gesprek – veelal regulier maar in de regel intensiever bij nieuwe of gewijzigde taken, of taken waar een disbalans is geconstateerd. De gesprekken kunnen worden ondersteund door (beleidsmatige en/of financiële) monitoring en beleidsevaluatie. Deze gesprekken kunnen ook de vorm krijgen van trajecten waarin wordt gewerkt aan oplossingen voor de disbalans, zoals de Hervormingsagenda Jeugd en het Houdbaarheidsonderzoek Wmo. Evaluatie van de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht op een terrein vraagt altijd om politieke weging.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 wijzen erop dat de ROB aangeeft dat er een disbalans bestaat tussen middelen, taken en bevoegdheden en dat een hieraan gerelateerd kernpunt in de ROB-adviezen het principe «wie bepaalt, betaalt» is. Deze leden vragen, hoe dit principe structureel wordt geborgd bij medebewindstaken, en op welke punten de regering het aanvaardbaar acht dat financiële risico’s van rijksbeleid blijvend bij gemeenten worden neergelegd. De leden geven aan dat het expliciteren van deze keuzes noodzakelijk is om bestuur eerlijk en uitlegbaar te houden, zowel voor medeoverheden als voor burgers.

In lijn met artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet worden bij beleidsvoornemens die medeoverheden raken de kosten die hiermee gepaard gaan in kaart gebracht. Hierbij wordt bepaald, hoe deze kosten kunnen worden opgevangen. De financiële risico’s zijn onderdeel van die afweging. Daarnaast is van belang dat Rijk en medeoverheden gezamenlijk in gesprek blijven, wanneer de financiële situatie van gemeenten onder druk staat of er disbalans wordt ervaren of dreigt te ontstaan. Zoals aangekondigd, wordt met de verkenning beoogd tot een voorstel te komen om dit gesprek beter te kunnen voeren.

Daarnaast geven de leden aan dat geconstateerde problemen een gebrek aan parlementair toezicht in de hand werken. Deze leden vragen, hoe de regering aankijkt tegen het geconstateerde gebrek aan parlementair toezicht, met het oog op de noodzaak van checks and balances binnen onze democratische rechtsstaat.

Uiteraard is de informatievoorziening aan het parlement een hoeksteen van onze parlementaire democratie. Die informatievoorziening kan echter op verschillende wijzen plaatsvinden. Het parlement ontvangt jaarlijks de begroting van het gemeentefonds. Daarnaast wordt het POR meegestuurd, wat verder inzicht geeft in de werking van het verdeelstelsel van het gemeentefonds in vergelijking met de ontwikkeling van de kostenstructuur bij de gemeenten. Bij iedere circulaire wordt verder inzicht gegeven in de financiële mutaties die betrekking hebben op het gemeentefonds. Daarnaast wordt via het integraal overzicht financiën gemeenten inzicht gegeven in de financiële positie van gemeenten op basis van begroting- en jaarrekeningcijfers.

Op vakministers rust eveneens de plicht uw Kamer actief te informeren over zaken die van belang zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot ontwikkelingen op het gebied van bepaalde medebewindstaken. Daarnaast wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de UDO, als hier sprake van is, en worden onderzoeken uitgevoerd op specifieke beleidsterreinen die raken aan het gesprek over de balans tussen de taken, middelen en uitvoeringskracht. Of de geboden informatie voldoet aan de verwachtingen en behoeften, is permanent onderwerp van gesprek tussen regering en parlement. Op deze manier geven we samen deze «checks and balances» vorm.

De leden geven aan dat de voormalige Minister van BZK de zorgen over de geconstateerde disbalans erkende. De leden van de fractie van D66 vragen welke verantwoordelijkheid de Minister van BZK voor zichzelf ziet, als systeemverantwoordelijke om te voorkomen dat deze disbalans zich bij nieuwe wetgeving telkens opnieuw voordoet.

Het kabinet heeft in 2023, op initiatief van mijn ambtsvoorganger, met het oog op het voorkomen van disbalans bij nieuwe wetgeving en ander beleid dat medeoverheden raakt, de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) en het bijbehorende Normenkader Interbestuurlijke verhoudingen vastgesteld.

Het Ministerie van BZK toetst voorafgaand aan bespreking in de ministerraad aan de hand van het Normenkader en de aandachtspunten uit de Handleiding UDO, of bij voorstellen die gevolgen hebben voor decentrale overheden de betrokkenheid van en/of gevolgen voor de decentrale overheden goed zijn vormgegeven en toegelicht. Voorstellen die decentrale overheden raken, dienen altijd vroegtijdig met de Minister van BZK besproken te worden (art. 116 Gemeentewet). Het al dan niet goed toepassen van de UDO is een belangrijke toetssteen voor de beoordeling van voorstellen. Als Minister van BZK kan en zal ik andere Ministers aanspreken op juiste toepassing van de UDO. De medewerkers van mijn departement kunnen hierbij zo nodig advies geven en hulp bieden. De andere Ministers zijn echter zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de UDO en het informeren van uw Kamer over de inhoudelijke uitkomsten hiervan.

De leden geven aan dat mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven in gesprek te gaan met de koepels door een verkenning uit te voeren. De leden vragen wat de tijdlijn is voor het aanpakken van de door de ROB geconstateerde problemen, of een coherent plan volgt en of bij de verkenning ook nadrukkelijk de oplossingen in kaart gebracht worden.

In de zomer van 2026 zal de verkenning worden afgerond. De verkenning heeft als doel om een voorstel te formuleren om het gesprek over balans en disbalans beter te kunnen voeren, inclusief verwacht tijdpad waarop de onderdelen van het voorstel uitgevoerd kunnen worden.

Ten aanzien van deze aanbevelingen en de aangekondigde verkenning, vragen de leden van de D66-fractie of de aanbevelingen van de ROB niet direct kunnen worden overgenomen, zonder dat daarvoor een verkenning nodig is. In dat kader vragen deze leden, welke aanbevelingen van de ROB de regering daadwerkelijk wil gaan overnemen en welke inhoudelijke overwegingen daaraan ten grondslag liggen.

Voor de verkenning vormen de aanbevelingen van de ROB, de daarop gebaseerde kabinetsreactie en het wettelijk kader van de Gemeente- en Provinciewet en de Financiële-verhoudingswet het vertrekpunt. De verkenning zal leiden tot een concreet voorstel. Daarnaast wordt doorlopend gewerkt aan het verbeteren van de informatiepositie van de Kamer. Zo is in het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten het afgelopen jaar informatie toegevoegd over de geraamde financiële positie van gemeenten. Deze informatie wordt in het komende overzicht verder uitgebreid.

De leden van de fractie van D66 vragen voorts om aan te geven, waarom er een verkenning moet plaatsvinden, voordat mogelijk iets met reeds aangedragen oplossingen wordt gedaan. Daarnaast vragen deze leden of de regering inmiddels ook nieuwe maatregelen overweegt, naast reeds aangekondigde maatregelen en maatregelen die uit de ROB-rapporten volgen.

Het kabinet gaat verkennen hoe verschillende vormen van financiële en niet-financiële monitoring kunnen bijdragen om het gesprek over disbalans op bestaande medebewindstaken te verbeteren. Ook in relatie tot de aanbevelingen van de Studiegroep-Polman over interbestuurlijke en financiële verhoudingen.

Dit moet leiden tot een concreet voorstel, dat inzicht biedt in bestaande medebewindstaken en hoe, hiermee samenhangend, de informatiepositie en -voorziening van zowel parlement en kabinet als van de gemeenten en provincies verbeterd kan worden. In de verkenning zullen verschillende varianten worden uitgewerkt.

De verkenning is nodig omdat oplossingen voor dit vraagstuk dienen te passen binnen het huidige stelsel, de gedecentraliseerde eenheidsstaat, en de eigen beleidsruimte en verantwoordelijkheid die medeoverheden daarin hebben. Het gaat hierbij dus om het vinden van een balans tussen enerzijds de wens en gevoelde urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht. En anderzijds het belang om niet te treden in de autonomie van medeoverheden, de mogelijkheden tot het voeren van integraal beleid en beperking van de administratieve lasten.

Het kabinet ziet dat medeoverheden op sommige taken tegenwoordig weinig beleidsruimte hebben. Het te veel inschakelen van gemeentebesturen of provinciale staten als uitvoerders van gedetailleerd rijksbeleid is vanuit de wetgever soms gewenst. Dit holt echter de positie van gemeenten en provincies op den duur uit en vormt een risico voor de balans tussen ambities, taken, middelen (financieel en bevoegdheden) en uitvoeringskracht op lokaal niveau. De Kamer wordt in de zomer geïnformeerd over de uitkomst van de verkenning.

De leden geven aan dat ten aanzien van de aanbeveling van de ROB voor een duidelijk en steeds bijgehouden overzicht van medebewindstaken en de middelen die daarvoor benodigd zijn, het vorige kabinet heeft aangegeven dat dit zich niet goed zou verhouden tot het feit dat gemeenten en provincies geen verantwoording hoeven af te leggen over de besteding van het gemeentefonds en het provinciefonds. De leden vragen of de Minister van BZK van mening is dat een dergelijk overzicht ook tot doel kan hebben om het inzicht te bevorderen, zonder dat dit betekent dat gemeenten en provincies verantwoording moeten afleggen over medebewindstaken aan het Rijk. Verder vragen deze leden, hoe ik denk over een mogelijke toename van regeldruk en administratieve lasten bij het overnemen van de aanbevelingen van de ROB.

Op dit moment rapporteren gemeenten over hun baten en lasten over verschillende beleidsterreinen via de zogeheten Informatie voor Derden (Iv3). Iv3 onderscheidt op vrij hoog abstractieniveau taakvelden (burgerzaken, sportaccommodaties etc.), maar hierin lopen in variërende mate taken in autonomie en taken in medebewind door elkaar. Deze nader opdelen in individuele taken en hierbij onderscheid maken in medebewind, vraagt van gemeenten een administratieve inspanning en, afhankelijk van het hierbij gekozen ambitieniveau, ook een aanpassing van de organisatie om lasten goed aan te laten sluiten bij wat aan informatievoorziening wordt gevraagd.

In de verkenning zal worden bezien, hoe verschillende vormen van financiële en niet-financiële monitoring kunnen bijdragen om het gesprek over disbalans op bestaande medebewindstaken te verbeteren. In de verkenning zullen verschillende varianten uitgewerkt worden, die als doel hebben het inzicht en overzicht in medebewindstaken te verkrijgen, versterken en borgen.

Daarbij zal ook aandachtzijn voor belangrijke uitgangspunten in ons stelsel. Belangrijke voorwaarden voor keuzes op het gebied van monitoring zijn, dat het Rijk de autonome bevoegdheden aan gemeenten heeft overgelaten en zich hier dus in beginsel niet (gedetailleerd) mee heeft te bemoeien, dat terughoudendheid voorop staat bij het opvragen van interbestuurlijke informatie en bij de toepassing van interbestuurlijk toezicht, en dat ook binnen medebewindstaken wordt gestreefd naar zo veel mogelijk beleidsvrijheid. De praktische aspecten, zoals vrije besteedbaarheid en mogelijkheid van integraal beleid voeren, zijn hier uitwerkingen van. Het kabinet wil met genoemde verkenning in kaart brengen wat er binnen die grenzen wél mogelijk is.

De leden wijzen erop dat de ROB aangeeft dat het noodzakelijk is om een betere dialoog tussen de regering en de medeoverheden op gang te brengen over de balans tussen de verkregen middelen en de uit te voeren taken en dat er nauwelijks een dialoog heeft plaatsgevonden over het meegroeien van de middelen met de veranderingen in taken en bevoegdheden. De leden vragen of de Minister van BZK van mening is dat dit inderdaad beter moet. Vervolgens vragen de leden hoe deze dialoog op gang kan worden gebracht en in de toekomst het beste kan worden vormgegeven. Verder vragen deze leden, hoe ik tegen het periodiek informeren van volksvertegenwoordigers over de gesprekken tussen regeringsleden en de VNG aankijk, zoals die plaatsvinden in het Bestuurlijke Overleg Financiële verhoudingen (BOFv).

Afgelopen jaren is intensief overlegd over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht, zowel in het algemeen, bij het Overhedenoverleg en het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv), als op specifieke dossiers als Wmo en Jeugd, via bestuurlijke overleggen daarover. Zoals in de kabinetsreactie is weergegeven, is het kabinet van mening dat het gesprek hierover beter kan en dat een verkenning wordt uitgevoerd naar monitoring en hoe monitoring van (bestaande) medebewindstaken kan bijdragen aan het gesprek over het herstel van de eerdergenoemde balans.

Het periodiek informeren van volksvertegenwoordigers over de gesprekken tussen regeringsleden en de VNG, zoals die plaatsvinden in het Bestuurlijke Overleg Financiële verhoudingen, is daarnaast al staande praktijk. In de afgelopen jaren hebben mijn voorgangers verschillende Kamerbrieven verstuurd met de uitkomsten van het Bestuurlijke Overleg Financiële verhoudingen (BOFv) en de gehouden Overhedenoverleggen:

  • Brief van 14 december 2023 (Kamerstuk 36 410 VII, nr. 83) betreffende de uitkomsten van het BOFv van 21 november 2023.

  • Voorjaarsnota 2024 (pagina 59–62) betreffende de uitkomsten van de overleggen met medeoverheden in het kader van de Voorjaarsnotabesluitvorming.

  • Brief van 29 november 2024 (Kamerstuk 36 600 B, nr. 22) betreffende het Overhedenoverleg op 21 november 2024 en het BOFv op 26 november 2024.

  • Brief van 24 maart 2025 (Kamerstuk 33 047, nr. 30) betreffende een terugkoppeling van het BOFv op 6 maart 2025 en Overhedenoverleg op 17 maart 2025.

  • Brief van 25 april 2025 (Kamerstuk 36 600 VII, nr. 136) betreffende de uitkomsten van het Overhedenoverleg op 16 april 2025.

  • Brief van 16 september 2025 (Kamerstuk 36 800 VII, nr. 4) over de invulling van de afspraken jeugdzorg gemaakt in het Overhedenoverleg van voorjaar 2025.

De leden vragen voorts hoe ik het risico weeg dat aanhoudende disbalans het vertrouwen in de overheid ondermijnt in relatie tot de verdere uitwerking van beleid richting medeoverheden. Ook vragen de leden, welke rol ik daarbij zie voor het parlement, en in het bijzonder voor de Eerste Kamer, bij het bewaken van een duurzaam en evenwichtig bestuurlijk stelsel.

Ik ben mij ervan bewust dat een disbalans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht nadelig uitwerkt op de uitvoerbaarheid van beleid voor decentrale overheden. Het gezag en vertrouwen in de overheid kan hierdoor onder druk komen te staan. Met het oog op een betere uitvoerbaarheid van beleid van het Rijk voor medeoverheden zet ik sterk in op een goede toepassing van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO). Het parlement kan in zijn controlerende rol gebruik maken van de uitkomsten van de UDO, zoals weergegeven in de memorie van toelichting bij wetsvoorstellen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De leden van de fractie van de PVV vragen of ik bereid ben de ontwikkeling van het eigen vermogen van gemeenten beter inzichtelijk te maken.

In het Integraal Overzicht Financiën Gemeenten wordt jaarlijks inzicht gegeven in de ontwikkeling van het eigen vermogen van gemeenten. Het meest recente overzicht, in 2025, liet zien dat het gezamenlijk eigen vermogen van gemeenten sinds 2021 steeg van € 34 mld. naar € 43 mld.

Vervolgens vragen de leden om aan te geven, hoe de terughoudendheid vanwege de decentrale autonomie zich verhoudt tot het wél hierover in overleg treden met privaatrechtelijke koepels die geen formeel publiek mandaat hebben.

Provincies, gemeenten en waterschappen worden al decennia via hun verenigingen betrokken in gesprekken met het Rijk. De verenigingen zijn via de statuten belast met het ondersteunen van haar leden met belangenbehartiging, netwerken en dienstverlening. Het Europees Handvest inzake Lokale Autonomie stelt ook vast dat decentrale overheden het recht hebben zich op een dergelijke wijze te verenigen.

Overleg tussen deze koepels en het Rijk vindt al heel lang plaats. Dit is in 1994 ook in de Gemeentewet opgenomen (art. 114). Dit was blijkens de toelichting al bestaande praktijk en kon worden voortgezet. (Kamerstukken II, 1985–1986, 19 403, nr. 3, p. 25). De overlegverplichting is op hetzelfde moment in de Provinciewet opgenomen. De besluitvorming van regering en parlement is democratisch ingebed. VNG en IPO binden hun leden niet, maar representeren hen in overleg met het Rijk.

Verder vragen de leden mij aan te geven hoe de terughoudendheid vanwege de decentrale autonomie zich verhoudt tot de inzet van het Rijk richting decentrale overheden, specifiek via de Regionale Energiestrategieën (RES). Daarnaast vragen genoemde leden mij hoe ik dit standpunt zie ten opzichte van bijvoorbeeld regionale deals en afspraken vanuit het Rijk aan bestuurlijke overlegtafels en de uitvoering van de Spreidingswet in het bijzonder.

Rijk en medeoverheden trekken op talloze opgaven gezamenlijk op. Per situatie wordt in samenspraak bezien, welke wijze van samenwerking en uitvoering het meest passend is. Soms leidt dit ertoe dat er gezamenlijk landelijke doelen worden gesteld en wettelijk worden verankerd. Ook is in veel gevallen de wijze waarop decentrale overheden uitvoering kunnen geven aan de doelen aan henzelf. Dit geldt bijvoorbeeld bij de spreidingswet en de RES regio’s. In andere gevallen worden ook de ambities door decentrale overheden gezamenlijk geformuleerd en draagt het Rijk slechts financieel of met expertise bij.

Tot slot vragen de leden of ik, los van de decentrale autonome positie, wél bereid ben om inzichtelijk te maken welke taken vanuit het Rijk als medebewindstaken worden gezien. De genoemde leden vragen of ik daarbij een onderscheid kan maken tussen mechanisch medebewind en taken met een mate van beleidsvrijheid.

In het gesprek over de balans op de uitvoering van de taken moet gezocht worden naar de balans tussen de behoefte aan inzicht die vanuit het Rijk en decentrale overheden wordt gevoeld en anderzijds het belang om niet te treden in de autonomie van medeoverheden, de mogelijkheden tot het voeren van integraal beleid, terughoudendheid in het opvragen van beleidsverslagen en de beperking van de administratieve lasten. De verkenning zal hiervoor een concreet voorstel worden uitgewerkt.

De ROB beveelt als oplossing aan om een volledig overzicht op te stellen van medebewindstaken van de gemeenten, van de ambities die het Rijk daarbij heeft en van de middelen (bevoegdheden en budgetten) die hij daarvoor aan gemeenten geeft. Het kabinet ziet echter praktische bezwaren in het opstellen van zo’n overzicht. Er zijn vormen van medebewind waarbij de taak weliswaar opgedragen is aan gemeenten, maar waarbij gemeenten bij de vertaling in praktische maatregelen en acties over grote vrijheidsgraden beschikken. Anderzijds zijn er regelingen die geen medebewind inhouden, maar die wel lasten met zich meebrengen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de regelgeving rond aanbestedingen of privacy. In de verkenning zal hier nader op ingegaan worden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma


X Noot
1

De letters AQ hebben alleen betrekking op 29 362.

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 36 600 B, K.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AI.

X Noot
6

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Afrekenen met disbalans; naar goed samenspel in de bestuurlijke en financiële verhoudingen», 19 maart 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/3/25/afrekenen-met-disbalans.

X Noot
7

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind.

X Noot
8

Kamerstukken I 2023/24, 29 362, O.

X Noot
11

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AI.

X Noot
12

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK.

X Noot
13

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 2.

X Noot
14

Rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen, «Samen bouwen aan resultaten; Vijf bouwstenen voor toekomstbestendige interbestuurlijke verhoudingen, november 2025, zie https://open.overheid.nl/documenten/a74ecee1-06f2-4da1-9e05-f1eaeb8b023e/file.

X Noot
15

Code Interbestuurlijke Verhoudingen, januari 2023, een gezamenlijke uitgave van het Rijk, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW), zie https://open.overheid.nl/documenten/ronl-f191479ed1e858e3f8ae906e9baf14a9984ef595/pdf.

X Noot
16

Regeerakkoord 2026–2030, D66, VVD en CDA, «Aan de slag; bouwen aan een beter Nederland», p. 6.

X Noot
17

Rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen, «Samen bouwen aan resultaten; Vijf bouwstenen voor toekomstbestendige interbestuurlijke verhoudingen, november 2025, zie https://open.overheid.nl/documenten/a74ecee1-06f2-4da1-9e05-f1eaeb8b023e/file.

X Noot
18

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK.

X Noot
19

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 2.

X Noot
20

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 8.

X Noot
21

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 8.

X Noot
22

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 9.

X Noot
23

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 10.

X Noot
24

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 9.

X Noot
25

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 2.

X Noot
26

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 9.

X Noot
27

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Afrekenen met disbalans; naar goed samenspel in de bestuurlijke en financiële verhoudingen», 19 maart 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/3/25/afrekenen-met-disbalans, p. 8 en 31.

X Noot
28

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AI.

X Noot
29

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK.

X Noot
30

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 3.

X Noot
31

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind, p. 11.

X Noot
32

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 6.

X Noot
33

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 6.

X Noot
34

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 6.

X Noot
35

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind, p. 3.

X Noot
36

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind, p. 11.

X Noot
37

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 16.

X Noot
38

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 17.

X Noot
39

B. Knop, « Het compensatiebeginsel en medebewind: een nieuwe dimensie in een oude discussie», Gst. 2026/09.

X Noot
40

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 9.

X Noot
41

Kamerstukken I 2024/25 36 600 B, K, p. 6.

X Noot
42

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Afrekenen met disbalans; naar goed samenspel in de bestuurlijke en financiële verhoudingen», 19 maart 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/3/25/afrekenen-met-disbalans.

X Noot
43

Bijlage 1, paragraaf 7 bij Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind.

X Noot
44

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind, p. 10.

X Noot
45

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 9.

X Noot
46

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 10.

X Noot
47

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 4

X Noot
50

Coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruit kijken naar de toekomst»: Om een stabielere financiering voor de medeoverheden te realiseren en hun autonomie te vergroten, wordt in de komende jaren een nieuwe financieringssystematiek voor de periode na 2025 uitgewerkt, waarbij de mogelijkheid voor een groter eigen belastinggebied wordt betrokken. Daarbij worden ook alternatieven voor de OZB en MRB in de beschouwing betrokken.

X Noot
51

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 047, nr. 32


X Noot
1

De letters AQ hebben alleen betrekking op 29 362.

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 36 600 B, K.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AI.

X Noot
6

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Afrekenen met disbalans; naar goed samenspel in de bestuurlijke en financiële verhoudingen», 19 maart 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/3/25/afrekenen-met-disbalans.

X Noot
7

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind.

X Noot
8

Kamerstukken I 2023/24, 29 362, O.

X Noot
11

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AI.

X Noot
12

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK.

X Noot
13

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 2.

X Noot
14

Rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen, «Samen bouwen aan resultaten; Vijf bouwstenen voor toekomstbestendige interbestuurlijke verhoudingen, november 2025, zie https://open.overheid.nl/documenten/a74ecee1-06f2-4da1-9e05-f1eaeb8b023e/file.

X Noot
15

Code Interbestuurlijke Verhoudingen, januari 2023, een gezamenlijke uitgave van het Rijk, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW), zie https://open.overheid.nl/documenten/ronl-f191479ed1e858e3f8ae906e9baf14a9984ef595/pdf.

X Noot
16

Regeerakkoord 2026–2030, D66, VVD en CDA, «Aan de slag; bouwen aan een beter Nederland», p. 6.

X Noot
17

Rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen, «Samen bouwen aan resultaten; Vijf bouwstenen voor toekomstbestendige interbestuurlijke verhoudingen, november 2025, zie https://open.overheid.nl/documenten/a74ecee1-06f2-4da1-9e05-f1eaeb8b023e/file.

X Noot
18

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK.

X Noot
19

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 2.

X Noot
20

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 8.

X Noot
21

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 8.

X Noot
22

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 9.

X Noot
23

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 10.

X Noot
24

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 9.

X Noot
25

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 2.

X Noot
26

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 9.

X Noot
27

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Afrekenen met disbalans; naar goed samenspel in de bestuurlijke en financiële verhoudingen», 19 maart 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/3/25/afrekenen-met-disbalans, p. 8 en 31.

X Noot
28

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AI.

X Noot
29

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK.

X Noot
30

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 3.

X Noot
31

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind, p. 11.

X Noot
32

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 6.

X Noot
33

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 6.

X Noot
34

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 6.

X Noot
35

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind, p. 3.

X Noot
36

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind, p. 11.

X Noot
37

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 16.

X Noot
38

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 17.

X Noot
39

B. Knop, « Het compensatiebeginsel en medebewind: een nieuwe dimensie in een oude discussie», Gst. 2026/09.

X Noot
40

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 9.

X Noot
41

Kamerstukken I 2024/25 36 600 B, K, p. 6.

X Noot
42

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Afrekenen met disbalans; naar goed samenspel in de bestuurlijke en financiële verhoudingen», 19 maart 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/3/25/afrekenen-met-disbalans.

X Noot
43

Bijlage 1, paragraaf 7 bij Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind.

X Noot
44

Raad voor het Openbaar Bestuur, «Meters maken met medebewind; over het parlementair budgetrecht en de gemeentefinanciën», 1 juli 2025, zie https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/2025/7/1/meters-maken-met-medebewind, p. 10.

X Noot
45

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 9.

X Noot
46

Kamerstukken I 2025/26, 29 362/36 600, B, AK, p. 10.

X Noot
47

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 4

X Noot
50

Coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruit kijken naar de toekomst»: Om een stabielere financiering voor de medeoverheden te realiseren en hun autonomie te vergroten, wordt in de komende jaren een nieuwe financieringssystematiek voor de periode na 2025 uitgewerkt, waarbij de mogelijkheid voor een groter eigen belastinggebied wordt betrokken. Daarbij worden ook alternatieven voor de OZB en MRB in de beschouwing betrokken.

X Noot
51

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 047, nr. 32

Naar boven