29 344 Terugkeerbeleid

Nr. 108 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 december 2012

Tijdens de regeling van werkzaamheden op 11 december 2012 (Handelingen II, 2012/2013, nr. 33, Regeling van werkzaamheden) heeft het lid Arib (PvdA) mij verzocht om een brief met uitleg over de ontstane situatie na het ontruimen van de tentenkampen, onder meer met betrekking tot opvang. Met deze brief kom ik tegemoet aan deze vraag.

Zoals opgemerkt in mijn brief1 van 15 november jl. aan uw Kamer is het aan gemeenten om keuzes te maken over het voortbestaan van een protestactie vanuit de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en in het kader van de Wet openbare manifestaties. Het Rijk komt hierin geen rol toe. De gemeente Den Haag heeft op 6 december jl. het besluit genomen om de demonstratie in Den Haag aan beperkingen te onderwerpen. Deze beperkingen impliceerden onder meer dat vreemdelingen op de plek van de demonstratie niet meer mochten overnachten en dat het kampement moest worden beëindigd. Dit besluit is bevestigd door de rechter in kort geding op 12 december 2012. Naar aanleiding daarvan heeft het merendeel van de vreemdelingen het tentenkamp vrijwillig verlaten. De overige vreemdelingen, uitgeprocedeerde Irakezen, zijn aangehouden, maar intussen weer vrijgelaten.

Ook in Amsterdam is het tentenkamp inmiddels ontruimd, maar verblijft een deel van de betrokken vreemdelingen nu in een kerk in Amsterdam.

Tijdens het overleg met uw Kamer op 21 november jl. heb ik u mijn standpunt ten aanzien van deze acties door vreemdelingen toegelicht. Acties van deze aard kunnen nooit aanleiding zijn om het geldende asiel- en opvangbeleid dat zorgvuldig tot stand is gekomen, aan de kant te schuiven.

Nederland is gebonden aan het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden. Op grond van deze verdragen geeft Nederland bescherming aan asielzoekers die bescherming in Nederland nodig hebben. Nederland heeft daarvoor een zorgvuldige asielprocedure met de nodige kwaliteitswaarborgen om te beoordelen of een asielzoeker bescherming nodig heeft. Een beslissing van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kan vervolgens nog in beroep en hoger beroep worden getoetst door een onafhankelijke rechter. Vreemdelingen die niet in aanmerking komen voor bescherming in Nederland, dienen te voldoen aan hun vertrekplicht en Nederland te verlaten.

De vreemdeling heeft een eigen verantwoordelijkheid om zijn vertrek uit Nederland te realiseren, maar dat betekent niet dat hij daar alleen voor staat. Hij heeft de mogelijkheid om de hulp van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in te roepen en daarbij onder oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel onderdak te krijgen, of zich te wenden tot de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Bovendien zijn naast de facilitering door IOM nog andere projecten beschikbaar waarbij diverse niet-gouvernementele organisaties zowel in Nederland als in landen van herkomst ondersteuning bieden bij vrijwillige duurzame terugkeer en herintegratie.

Als een afgewezen asielzoeker ervoor kiest om geen gevolg te geven aan de afwijzende beslissing op zijn asielaanvraag en de bijhorende vertrekplicht, kan het niet zo zijn dat de Nederlandse overheid opvang moet (blijven) verstrekken. De vreemdeling maakt hierin een bewuste keuze waarvoor hij zelf verantwoordelijkheid draagt.

De Nederlandse overheid tracht maximaal te voorkomen dat uitgeprocedeerde vreemdelingen op straat terecht komen. De afgelopen jaren zijn daartoe verschillende maatregelen getroffen. Vreemdelingen krijgen na afwijzing van hun asielaanvraag in de algemene asielprocedure opvang gedurende hun vertrektermijn van 28 dagen.

Als het vertrek nog niet is geregeld binnen de wettelijke vertrektermijn van 28 dagen kan een uitgeprocedeerde vreemdeling die wil meewerken aan zijn vertrek, onder oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel verder onderdak krijgen. Daarnaast wordt onder voorwaarden opvang verleend aan vreemdelingen met een toelatingsaanvraag om medische redenen. Gezinnen met minderjarige kinderen krijgen een plek in een gezinslocatie voor zover ze bij gebrek aan onderdak van het Rijk in een humanitaire noodsituatie dreigen te belanden. Dit onderdak behouden ze totdat het vertrek uit Nederland kan worden gerealiseerd. Zoals ik in mijn brief2 van 28 november 2012 aan uw Kamer heb geschreven, krijgt een vreemdeling over wie de DT&V de IND positief heeft geadviseerd om een verblijfsvergunning te verlenen in het kader van buitenschuld, voortaan ook opvang in een asielzoekerscentrum zolang de beoordeling hierover bij de IND loopt. Hiermee geef ik uitvoering aan de door uw Kamer op 21 november 2012 aangenomen motie-Gesthuizen.3

Aan de hand van bovenstaande maatregelen probeert de Nederlandse overheid maximaal te voorkomen dat vreemdelingen die niet in Nederland kunnen blijven, op straat terechtkomen. Een volledig sluitende aanpak is echter niet mogelijk omdat ook de opstelling van de individuele vreemdeling belangrijk is om te bepalen welke opties de overheid kan bieden aan een uitgeprocedeerde vreemdeling. Wie geen recht (meer) heeft op opvang, maar bereid is om zijn vertrek uit Nederland te organiseren kan immers onderdak krijgen in de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel. Door hiervoor te kiezen voorkomt de vreemdeling de onzekerheid die hij ervaart als hij de illegaliteit opzoekt. Vreemdelingen die willen meewerken aan hun vertrek, kunnen terug. En als een vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek en ondanks zijn inspanningen buiten zijn schuld echt niet terug kan keren, kan hij in aanmerking komen voor een buitenschuldvergunning. Maar dat vereist dan wel dat hij aan zijn vertrek meewerkt.

Ik heb begrip voor de impact die een afwijzende beslissing van de IND of de rechter heeft op een vreemdeling en dat dit de hoop op een toekomst elders dan in zijn land van herkomst wegneemt, maar het asielbeleid is bedoeld voor mensen die nood hebben aan bescherming. De uitgangspunten van het beleid zoals ik die hierboven heb beschreven, vormen wat mij betreft een duidelijk kader voor het bieden van opvang of onderdak aan vreemdelingen. Dit betekent dat de vreemdelingen uit de voormalige tentenkampen onderdak kunnen krijgen in een vrijheidsbeperkende locatie, mits ze bereid zijn om aan hun terugkeer mee te werken.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 29 344, nr. 92.

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 29 344, nr. 106.

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 29 344, nr. 103.

Naar boven