Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201329344 nr. 106

29 344 Terugkeerbeleid

Nr. 106 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 november 2012

Tijdens het VAO van 21 november jl. (Handelingen II 2012/13, nr. 25, behandeling situatie tentenkampen Amsterdam Osdorp) heeft u mij verzocht om uw Kamer te informeren over de wijze waarop de door uw Kamer aangenomen motie van het lid Gesthuizen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 29 344, nr. 103) door de regering zal worden uitgevoerd. In deze motie wordt de regering verzocht om voor uitgeprocedeerde vreemdelingen die niet terug kunnen reizen naar hun land van herkomst, die niet door de Nederlandse overheid uitgezet kunnen worden en welke mee willen werken aan terugkeer of een andere oplossing, menswaardige opvang te bieden. Met deze brief kom ik aan dit verzoek tegemoet.

De motie bevat duidelijke criteria om de groep vreemdelingen af te bakenen waarop deze motie betrekking heeft. Het eerste criterium is dat het moet gaan om uitgeprocedeerde vreemdelingen die niet terug kunnen reizen naar hun land van herkomst. Ik stel voorop dat de redenen dat een uitgeprocedeerde asielzoeker niet terug kan reizen naar het land van herkomst, niet gelegen kunnen zijn in de veiligheidssituatie in het land van herkomst. De veiligheidssituatie in het land van herkomst is immers al betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en/of de rechter. In die gevallen waarin terugkeer onveilig wordt geacht, zou immers asielbescherming zijn verleend. Als een vreemdeling van mening is dat er toch nieuwe feiten of omstandigheden zijn die de beoordeling van de asielaanvraag anders zouden maken, dient hij een nieuwe asielaanvraag in te dienen.

De redenen dat een uitgeprocedeerde asielzoeker niet kan terugkeren naar het land van herkomst, kunnen dan ook enkel gelegen zijn in omstandigheden die ertoe leiden dat de autoriteiten van het land van herkomst (of een land van eerder verblijf) de desbetreffende vreemdeling niet zullen toelaten tot hun grondgebied. Voorts is van belang dat de vreemdeling hieraan zelf geen schuld heeft door bijvoorbeeld onjuiste gegevens te verstrekken over zijn identiteit en/of nationaliteit of geen stappen te zetten om zijn vertrek uit Nederland te organiseren. Dit betekent in ieder geval dat de vreemdeling zich heeft gewend tot de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) met het oog op het realiseren van het zelfstandige vertrek. Ook dient de vreemdeling zich te hebben gewend tot de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) met een verzoek om bemiddeling bij zijn diplomatieke vertegenwoordiging met als doel het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument om Nederland te kunnen verlaten én heeft deze bemiddeling niet het gewenste resultaat gehad.

De motie beperkt de groep uitgeprocedeerde vreemdelingen voorts tot die vreemdelingen die niet door de Nederlandse overheid kunnen worden uitgezet. Ik wijs erop dat gedwongen terugkeer pas aan de orde is waar een vreemdeling niet vrijwillig wenst te vertrekken. Het is primair aan de uitgeprocedeerde asielzoeker zelf om zijn vertrek uit Nederland te organiseren. Daartoe heeft hij in beginsel gedurende vier weken (wettelijke vertrektermijn) de tijd in een asielzoekerscentrum en, in voorkomende gevallen, aansluitend gedurende in beginsel 12 weken in een vrijheidsbeperkende locatie. Vreemdelingen die willen terugkeren, kunnen in beginsel ook terug want er is mij op dit moment geen land bekend dat niet de volkenrechtelijke verplichting naleeft om eigen onderdanen die vrijwillig wensen terug te keren, terug te nemen.

De motie sluit aan bij bovenstaand uitgangspunt en sluit vreemdelingen die niet vrijwillig willen vertrekken uit van het toepassingsgebied van de motie. De reikwijdte van de motie is immers beperkt tot uitgeprocedeerde asielzoekers die mee willen werken aan terugkeer of een andere oplossing. Aangezien de motie betrekking heeft op vreemdelingen waarvan na een zorgvuldige asielprocedure is geoordeeld dat ze terug kunnen naar het land van herkomst en het dus vreemdelingen betreft waarvan het toekomstperspectief gericht is op terugkeer, kan een andere oplossing in ieder geval niet gelegen zijn in verblijf in Nederland. Een andere oplossing kan wel gelegen zijn in de wens van de vreemdeling om niet terug te keren naar het land van herkomst, maar door te reizen naar een derde land voor zover toegang tot dat derde land is gewaarborgd.

Het bovenstaande brengt mij tot de conclusie dat de doelgroep die de motie voor ogen heeft, aansluit bij de doelgroep van het buitenschuldbeleid. Om recht te doen aan de motie heb ik besloten om vreemdelingen waarvan de DT&V de IND positief heeft geadviseerd om een verblijfsvergunning te verlenen in het kader van buitenschuld, opvang aan te bieden in een asielzoekerscentrum zolang de beoordeling hierover bij de IND loopt. Aanvullend hierop komt een vreemdeling die wenst door te reizen naar een derde land en die zelf heeft aangetoond dat zijn toegang tot dat derde land is gewaarborgd, in aanmerking voor opvang of onderdak gedurende het vertrektraject.

Tot slot merk ik op dat het cruciaal is dat de vreemdeling zich moet inspannen om Nederland te verlaten. Anders is het voor de Nederlandse overheid onmogelijk om te kunnen vaststellen of een vreemdeling buiten zijn schuld niet terug kan. Dat de vreemdeling zich inspant om terug te keren is noodzakelijk om zeker te stellen dat het daadwerkelijk niet aan de vreemdeling is te wijten dat hem geen reisdocumenten worden verstrekt om toegang te krijgen tot zijn land van herkomst. Deze vaststelling is zonder meer ook relevant voor de vreemdelingen uit het tentenkamp te Amsterdam die tot op heden bijna allemaal hebben geweigerd zich te identificeren en elke uitnodiging tot een gesprek met de DT&V hebben afgeslagen.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven