Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 mei 2018
Met deze brief stuur ik u, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken en
Klimaat, een toelichting op de op 23 april verschenen publicatie Totale investeringen
in Wetenschap en Innovatie 2016–2022 van het Rathenau Instituut. Het rapport treft
u bijgevoegd aan1. Het doel van het rapport is om een vooruitblik op de overheidsmiddelen voor R&D
en innovatie te geven op basis van de begrotingen van de departementen en (aanvullend)
het Regeerakkoord 2017–2021 (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34). Daarnaast wordt ook ingegaan op financiering van R&D vanuit het Nederlandse bedrijfsleven,
private non-profitorganisaties en het buitenland.
De cijfers in de publicatie zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op de begrotingen
voor 2018 van de departementen. De intensiveringen op het gebied van onderzoek en
innovatie uit het Regeerakkoord 2017–2021 (bijlage bij Kamerstuk 34 700, n. 34) zijn
niet in de hoofdberekeningen in het rapport meegenomen. Daar wordt aanvullend apart
aandacht aan geschonken in paragraaf 5 van het rapport.
In het persbericht dat het Rathenau Instituut bij het verschijnen van de publicatie
heeft uitgebracht, blijven de extra middelen voor R&D en innovatie uit het Regeerakkoord
(bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) onderbelicht. Door middel van deze brief wil ik eventuele onduidelijkheden wegnemen.
Ontwikkeling van Rijksmiddelen voor R&D en innovatie nader belicht
Op basis van de begrotingen van de departementen voor 2018 bedragen de totale Rijksmiddelen
voor R&D en innovatie de komende jaren ongeveer € 6,5 miljard per jaar. Ruim driekwart
hiervan bestaat uit directe uitgaven voor R&D, vanaf 2018 circa € 5,1 miljard. De
directe R&D-uitgaven nemen op basis van de begrotingen voor 2018 tussen 2016 en 2022
toe met 2,6 procent, vooral dankzij stijgingen in de R&D-uitgaven van OCW, EZK en
SZW.
In het Regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor onderzoek en innovatie, oplopend tot
€ 400 miljoen per jaar in 2020 en verder. Dit betreft een intensivering oplopend tot
€ 200 miljoen structureel voor fundamenteel onderzoek en een bedrag oplopend tot € 200
miljoen structureel voor toegepast onderzoek en innovatie. Daarnaast is sprake van
extra middelen voor onderzoeksinfrastructuur ten bedrage van € 50 miljoen zowel voor
2018 als voor 2019. De Kamer is eerder dit jaar door mij geïnformeerd over de inzet
van de extra middelen voor wetenschap voor deze regeerperiode.2 De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat heeft een brief gestuurd over
haar middelen voor toegepast onderzoek en innovatie voor 2018 en over de middelen
voor 2019 een brief toegezegd.3 Het Rathenau Instituut merkt op dat ook investeringen op andere beleidsterreinen
uit het Regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) kunnen leiden tot extra inzet van middelen voor onderzoek en innovatie. Hoe die
middelen neerslaan over begrotingsposten die R&D en innovatie omvatten, zal het Rathenau
Instituut in volgende TWIN-edities meenemen.
Relatie met de 2,5%-ambitie voor R&D
Het Rathenau Instituut heeft de ontwikkeling van de Rijksmiddelen voor R&D en innovatie
voor de komende jaren weergegeven in absolute bedragen en in verhouding tot het (geschatte)
bbp. Zonder de intensiveringen in het Regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) wordt een daling berekend van 0,91% van het bbp in 2016 en 2017 naar 0,79% van het
bbp in 2022. De in het Regeerkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) vastgelegde intensiveringen zorgen voor een demping van de daling tot 0,84% van
het bbp in 2022. Voor de directe uitgaven aan R&D is de verwachte daling in verhouding
tot het bbp geringer, namelijk van 0,70% in 2016 en 2017 naar 0,66% in 2022. Zonder
de intensiveringen zou dit in 2022 0,61% zijn geweest. We zien hier het effect van
de sterke groei van de economie; het bbp stijgt harder dan de investeringen. In toekomstige
TWIN-rapportages zal blijken in welke mate intensiveringen op andere beleidsterreinen
neerslaan als Rijksmiddelen voor R&D en innovatie en in welke mate die de daling van
die middelen in verhouding tot het bbp verder zullen dempen.
Met de intensiveringen in onderzoek en innovatie investeert het kabinet in versterking
van de kenniseconomie. Zo’n investering draagt bij aan de ambitie van het kabinet
dat in Nederland in totaliteit 2,5% van het bbp aan R&D wordt uitgegeven. Het kabinet
hanteert als uitgangspunt dat een stijging van de R&D-uitgaven richting de 2,5% van
het bbp vooral vanuit het bedrijfsleven zou dienen te komen. Bij de private R&D-uitgaven
scoort Nederland internationaal vergeleken bescheiden, zodat daar in principe nog
veel potentie ligt. De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat zal voor
de zomer in een strategie nader aangeven hoe inhoud kan worden gegeven aan de Nederlandse
R&D-ambitie. Dat gebeurt ter invulling van een motie van lid Amhaouch c.s.4
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
I.K. van Engelshoven