Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 maart 2018
Met deze brief informeren wij uw Kamer over de beoordeling door het openbaar ministerie
en de politie van verzoeken van nabestaanden om kennis te nemen van beschikbare informatie
en stukken in gevallen waarin zij twijfels hebben over de vaststelling dat hun dierbaren
zijn overleden door een ongeval of zelfdoding. Hiermee reageren wij op de motie van
het lid Van Nispen, ingediend bij de begrotingsbehandeling 2017 en diverse toezeggingen
hierover aan uw Kamer.1
Recht op kennisneming
De motie verzoekt de regering de mogelijkheden voor nabestaanden om het onderzoekdossier
te laten onderzoeken uit te breiden met inachtneming van de privacy, en de Kamer hierover
te informeren. De motie behelst de gevallen waarin geen strafrechtelijk onderzoek
heeft plaatsgevonden of waarin het onderzoek is gestopt en nabestaanden twijfels hebben
bij de vaststelling dat hun dierbaren door een ongeval of zelfdoding om het leven
zijn gekomen. Om die reden verzoeken zij om de verstrekking van stukken uit het onderzoekdossier
met het oogmerk nader onderzoek te (laten) doen of na te (laten) gaan of een strafrechtelijk
onderzoek alsnog dient plaats te vinden.
Het wetboek van strafvordering kent een regeling voor de kennisneming van processtukken
door slachtoffers en nabestaanden. Het recht op inzage in of verstrekking van stukken
houdt in die regeling (artikel 51b Sv) verband met het belang dat slachtoffers/nabestaanden
hebben in het strafrechtelijke onderzoek.
In de gevallen waarin echter geen strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt kunnen nabestaanden
zich niet beroepen op deze of een andere regeling waaraan het recht op kennisneming
kan worden ontleend.
Wat het openbaar ministerie doet
Het openbaar ministerie is er wettelijk niet aan gehouden stukken ter inzage voor
te leggen of te verstrekken aan deze groep nabestaanden. Dit geldt ook voor de politie.
Dit neemt niet weg dat politie en openbaar ministerie in voorkomende gevallen ruimte
zien om verzoeken om kennis te nemen van het dossier te honoreren. Het openbaar ministerie
doet dit omdat hij het op grond van de Wet op de rechterlijke organisatie en de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens als zijn taak ziet vragen van nabestaanden
zo goed mogelijk te beantwoorden, hen te informeren en desgevraagd inzage te geven
in de stukken of deze te verstrekken.
Het openbaar ministerie erkent dat het goed is over het beleid waarmee de verzoeken
van nabestaanden worden beoordeeld, meer duidelijkheid te verschaffen. Vertrekpunt
is dat verzoeken om inzage in de stukken ruimhartig zullen worden beoordeeld. Het
OM zal echter terughoudend zijn bij verzoeken waarbij het oogmerk is deze stukken
door te verstrekken aan derden ten behoeve van verder onderzoek. Van terughoudendheid
met het verstrekken van stukken zal zeker sprake zijn als deze naar andere personen
dan de overledene te herleiden gegevens bevatten. Dan geldt het uitgangspunt: geen
verstrekking tenzij.
Nabestaanden met twijfels over de uitkomsten van het onderzoek kunnen zich tot het
openbaar ministerie wenden met een verzoek tot het verrichten van nader onderzoek.
Ook kunnen zij bij het Gerechtshof beklag doen.
Aanpassing Aanwijzing Slachtofferzorg en Aanwijzing Wjsg
Het OM heeft mij toegezegd in afstemming met de politie meer duidelijkheid te zullen
geven over de kennisneming van informatie en stukken door nabestaanden met twijfel
over de doodsoorzaak. Er zullen handvatten komen in welke gevallen en onder welke
condities kennisneming mogelijk is. Het OM zal kijken of deze handvatten kunnen worden
opgenomen in de Aanwijzing Slachtofferzorg en de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens of dat een specifieke leidraad voor de bejegening van deze groep nabestaanden
die twijfelen over de doodsoorzaak, meer op zijn plaats is. Het is van belang dat
deze groep nabestaanden niet tussen wal en schip valt. Verder zal het OM samen met
de politie voorzien in een duidelijke verwijsfunctie zodat nabestaanden van deze categorie
weten tot wie zij zich op welk moment met een informatievraag kunnen richten en wat
hun rechten en/of mogelijkheden zijn. Wij zullen uw Kamer informeren zodra de aanpassing
van de genoemde aanwijzingen, dan wel de publicatie van een leidraad, gereed is.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus
De Minister voor Rechtsbescherming,
S. Dekker