Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201729279 nr. 388

29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 388 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 juni 2017

Digitalisering kan de kernwaarden en beginselen van de strafrechtspleging versterken. In elk geval hoeft ze geen negatieve gevolgen te hebben. Maar daarvoor moet er wel wat gebeuren. Dat is de hoofdconclusie uit een verkenning die in opdracht van mijn ministerie is uitgevoerd door onderzoekers van de Open Universiteit (OU).1 Het verslag van de verkenning bied ik u hierbij aan.2 Tevens beschrijf ik in deze brief de conclusies die ik aan de verkenning verbind.

Tot dusver was er al wel veel onderzoek gedaan naar de praktische voorwaarden voor en gevolgen van digitalisering in relatie tot de dagelijkse gang van zaken, de routines en de werkwijzen van ketenorganisaties. Er zijn en worden ook belangrijke pilots uitgevoerd, zoals het programma Digitaal Werken in de Strafrechtsketen (DWS), waarover ik u regelmatig informeer. Daarentegen was er nog weinig tot geen onderzoek gedaan op een meer fundamenteel niveau, over de vraag hoe de digitalisering de kernwaarden en de beginselen van het straf- en strafprocesrecht raakt. Om in die leemte te voorzien, heb ik de onderhavige verkenning laten uitvoeren.

De verkenning had een beperkte vraagstelling. Digitalisering is immers zo breed en veelomvattend dat de consequenties daarvan voor de strafrechtspleging onmogelijk in één rapport of onderzoek kunnen worden beschreven. De vraagstelling beperkte zich tot de omgang met reeds in de keten aanwezige informatie. Buiten scope is met name gehouden de wijze waarop (in de opsporing) informatie wordt verzameld. Daarover zijn al belangrijke rapporten verschenen, zoals over het gebruik van ANPR, van big data en van sensing.3 De conclusies en aanbevelingen van de onderhavige verkenning moeten dan ook met inachtneming van deze beperkingen worden gelezen.

Het onderzoek is uitgevoerd door een team onder leiding van twee hoogleraren: prof. mr. E.F. Stamhuis, hoogleraar straf- en strafprocesrecht, en prof.dr.ir. S.M.M. Joosten, hoogleraar informatica en consultant. Het betreft een verkennend onderzoek; over de toekomst kunnen immers in strikte zin geen wetenschappelijke uitspraken worden gedaan. Doel was om af te tasten of – en in hoeverre – te verwachten is dat de introductie van steeds meer ICT in de praktijk van de strafrechtspleging noodzakelijkerwijs leidt tot aantasting van kernwaarden en beginselen van het Nederlandse straf- en strafprocesrecht.

De directe aanleiding tot het onderzoek is dat de afgelopen jaren in diverse juridische publicaties niet alleen wordt gewezen op de praktische voordelen van de introductie en het gebruik van moderne ICT, maar vooral ook op mogelijke spanningen met die beginselen en kernwaarden. Zo zou bijvoorbeeld de onschuldpresumptie onder druk kunnen komen te staan als te veel wordt afgegaan op de resultaten van profiling. De equality of arms zou worden aangetast als gebruik van ICT ertoe leidt dat partijen (verdachte en officier van justitie) niet over gelijke informatie (kunnen) beschikken, bijvoorbeeld doordat ze niet over gelijkwaardige mogelijkheden beschikken om documenten te downloaden of te uploaden. Opwerpen van digitale drempels voor het instellen van rechtsmiddelen (hoger beroep, cassatie) zou afbreuk doen aan het grondrecht van vrije toegang tot de rechter.

Kern van het onderzoek is de confrontatie van een aantal strafrechtelijke beginselen met een aantal informatietechnische beginselen (hoofdstuk 2 van het rapport). Vervolgens is gekeken naar de praktijkervaringen met digitalisering in de strafrechtsketen tot nu toe (hst. 3) en naar te verwachten ontwikkelingen in ICT in de nabije toekomst (hst. 4). Zowel de praktijk van het recente verleden,als de verwachtingen voor de nabije toekomst worden geconfronteerd met de strafrechtelijke beginselen. Hoofdstuk 5 resumeert de antwoorden op de onderzoeksvragen. Een samenvatting van het rapport is te vinden op p. 5–6.

De onderzoekers constateren dat de strafrechtspleging zich op dit moment bezighoudt met «digitization», ofwel de transitie van papier naar digitaal. In die fase zijn naar hun oordeel de strafvorderlijke beginselen nauwelijks in geding. De maatschappij is evenwel al op tal van manieren bezig met «digitalization», ofwel verdergaande vernieuwing waarbij computers zelf taken uitvoeren. De analyse en aanbevelingen van de onderzoekers richten zich vooral dáár op. De uitkomst van het onderzoek is, zoals gezegd, dat de beginselen en kernwaarden van de strafrechtstoepassing geen schade hoeven op te lopen, mits daar in het proces van digitalisering passende aandacht aan wordt gegeven. Het beginsel van legaliteit bijvoorbeeld vergt bijzondere aandacht voor de vraag of toepassingen van ICT wettelijk gereguleerd moeten worden. De (on)mogelijkheden om kritisch te zijn ten aanzien van de complexe bewerkingen die in de toekomst de grondslag zijn voor de informatie, handeling of beslissing, moeten in het centrum van de belangstelling staan. Sommige beginselen of kernwaarden kunnen zelfs versterkt worden door digitalisering, zoals de equality of arms (beide partijen, OM en verdediging, alsook het slachtoffer, kunnen tegelijkertijd toegang krijgen tot dezelfde informatie) of de rechtsbijstand (sneller en eenvoudiger communiceren, stukken ondertekenen en fourneren, rechtsmiddel instellen).

De onderzoekers erkennen dat in de strafrechtspleging grote zorgvuldigheid vereist is bij het introduceren van vernieuwingen. Anderzijds hebben zij ook een gebrek aan technische kennis waargenomen en een te groot vertrouwen op de correcte werking van systemen vanuit informatietechnisch perspectief. Daarnaast wijzen zij andermaal op de noodzaak van intensieve(re) samenwerking van juridische en ICT-professionals bij het ontwikkelen van digitale voorzieningen.

De verkenning van de OU heeft vanwege de vraagstelling een hoog abstractieniveau. Het rapport leidt niet direct tot nieuwe projecten of programma’s. Wel levert het waardevolle aandachtspunten op voor de verdere digitalisering van de strafrechtspleging. De ketenorganisaties, verenigd in het Bestuurlijk Ketenberaad (BKB) en het Landelijk ketenberaad (LKB), hebben onlangs aangegeven de handschoen op te pakken en gaan op korte termijn samen plannen ontwikkelen voor de (verdere) digitalisering van de strafrechtsketen. Ook de advocatuur zal daarbij worden betrokken. Tegelijkertijd ben ik in kaart aan het brengen wat er, in aanvulling op de opleidingen die al zijn ontwikkeld binnen VenJ en op Rijksniveau, nodig is om de kennis en kunde over informatievoorziening en ICT bij alle VenJ-organisaties te versterken.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


X Noot
1

Dit onderzoek was aangekondigd in het visiedocument «Naar een digitale strafrechtspleging», u door mijn ambtsvoorganger aangeboden bij brief van 17 februari 2016, Kamerstuk 29 279, nr. 298, Bijlage, p. 26.

X Noot
2

Het rapport is gepubliceerd op de sites van het WODC en de Open Universiteit. Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Zie onder meer het Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie (Kamerstuk 33 542); de brief van 11 november 2016, Kamerstukken 26 643 en 32 761, nr. 426 (kabinetsreactie op het rapport van de WRR over «Big data, veiligheid en privacy»); de brief van 24 november 2015, Kamerstuk 29 628, nr. 594 (beleidsreactie op rapport van de politie over sensing).