29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 208 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 oktober 2014

Naar aanleiding van het ordedebat van 23 september 2014 (Handelingen II 2014/15, nr. 4, Regeling van Werkzaamheden) heeft uw Kamer mij verzocht om een brief waarin het verschil tussen een informant en een infiltrant wordt uitgelegd. Dit verzoek volgde op mijn brief van 19 september 2014 (Kamerstuk 29 279, nr. 206). Hierin heb ik aangegeven dat er door de Nederlandse politie en het OM in een Belgische strafzaak geen criminele burgerinfiltrant is ingezet. In deze brief ga ik in op dit onderscheid.

Ik behandel eerst informatie-inwinning door een informant in het kader van de algemene taakopdracht van de politie in artikel 3 Politiewet 2012 («een CIE-traject»). Daarna ga ik in op stelselmatige inwinning van informatie. Tenslotte behandel ik infiltratie. Het onderscheid tussen enerzijds de informant in het kader van artikel 3 Politiewet 2012 en anderzijds de informant die stelselmatig informatie inwint en de infiltrant wordt streng en nauwkeurig bewaakt, en is van belang vanwege de verschillende wettelijke regimes die van toepassing zijn en de verschillende doeleinden waarvoor ze worden ingezet.

De informatie-inwinning door een informant in het kader van artikel 3 Politiewet 2012 vindt veelal plaats in de voorfase van een strafrechtelijk onderzoek. Stelselmatige inwinning van informatie en infiltratie zijn in het Wetboek van Strafvordering geregelde bijzondere opsporingsbevoegdheden die worden ingezet in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar ernstige, al dan niet in georganiseerd verband gepleegde, misdrijven. Bijzondere opsporingsbevoegdheden worden in de regel toegepast door opsporingsambtenaren, maar in bepaalde gevallen is bijstand aan de opsporing door burgers toegestaan (zie titel VA van het eerste boek van het Wetboek van Strafvordering).

Informatie-inwinning in het kader van artikel 3 Politiewet 2012 (de «gewone» informant)

Het inwinnen van criminele inlichtingen (CI) door de Teams Criminele Inlichtingen van de politie (TCI’s, voorheen bekend als CIE’s) vindt plaats door het verzamelen, registreren en analyseren van informatie over strafbare feiten en over personen die mogelijk betrokken zijn bij het plegen van strafbare feiten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van informanten, te weten burgers die informatie aan de politie verstrekken over het criminele circuit in het algemeen. Bij het inwinnen van criminele inlichtingen met behulp van een informant gaat het om personen die zich bevinden in of dichtbij het criminele milieu. Deze inlichtingen worden niet gebruikt als bewijs in een strafproces maar slechts als zogenaamde sturingsinformatie voor het onderzoek. De informatieverstrekking door de informant mag slechts zien op zaken waarin hij zelf geen verdachte is.

De operationele inzet van informanten valt onder de bijzondere verantwoordelijkheid van de criminele-inlichtingen-officier van justitie (CI-officier van justitie). Over de identiteit van informanten en de informatie die zij verstrekken alsmede over de werkwijze die daarbij wordt toegepast kunnen geen mededelingen worden gedaan in verband met hun veiligheid en die van hun omgeving, de veiligheid van de politiemensen die deze informanten begeleiden of runnen en ten behoeve van de waarborging van de effectiviteit van dit middel.

De CI-officier van justitie ziet erop toe dat met de informant wordt afgesproken onder welke voorwaarden hij als informant optreedt. De CI-officier van justitie bewaakt de scheidslijn tussen de informant die wordt gerund op grond van artikel 3 Politiewet 2012 en de burger die bijstand verleent aan de opsporing in de zin van het Wetboek van Strafvordering zoals de hierna te bespreken informant die stelselmatig informatie inwint en de infiltrant.

Stelselmatige inwinning van informatie («de si-informant»)

Het stelselmatig inwinnen van informatie is een (bijzondere) opsporingsbevoegdheid op grond van het Wetboek van Strafvordering die wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen een verdachte of een criminele groepering. Met de toepassing van een opsporingsbevoegdheid wordt de fase van de strafrechtelijke bewijsgaring betreden. Stelselmatige informatie-inwinning is het door middel van het inwinnen van informatie verkrijgen van een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het privéleven van de verdachte (artikelen 126j en 126qa Wetboek van Strafvordering). Dit kan zowel plaatsvinden door een opsporingsambtenaar als door een burger (artikel 126j en artikel 126v Wetboek van Strafvordering).

De opsporingsambtenaar of burger die uitvoering geeft aan een bevel stelselmatige informatie-inwinning mag zich in die hoedanigheid niet schuldig maken aan of betrokken zijn bij het plegen van strafbare feiten. Zo nodig kan door de officier van justitie wel toestemming worden verleend om bepaalde hand- en spandiensten te verrichten. Hierbij kan gedacht worden aan diensten om de «cover» van de informant te vestigen of te versterken, zoals in bepaalde gevallen het regelen van de huur of de koop van een auto. De informant mag echter nooit handelingen verrichten die direct bijdragen tot de realisering van de door de verdachte of criminele groep beoogde strafbare feiten (Aanwijzing opsporingsbevoegdheden van het College van procureurs-generaal, Stcrt. 2014, 24442). Met een burger mag een overeenkomst tot stelselmatige informatie-inwinning bovendien enkel worden gesloten indien die burger zelf geen verdachte is in de zaak waarover hij informatie verstrekt.

Infiltratie

Infiltratie is eveneens een bijzondere opsporingsbevoegdheid op grond van het Wetboek van Strafvordering. Infiltratie is het deelnemen of medewerking verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd (artikel 126h en 126p Wetboek van Strafvordering).

Infiltratie geschiedt bij voorkeur door een opsporingsambtenaar. Infiltratie door een burger is slechts toegestaan indien een bevel tot infiltratie door een opsporingsambtenaar naar het oordeel van de officier van justitie niet kan worden gegeven (zie o.a. artikel 126w, tweede lid, Wetboek van Strafvordering). Van burgerinfiltratie kan uitsluitend sprake zijn in het geval het verlenen van bijstand door een burger plaatsvindt op initiatief en onder regie van politie en justitie. De burgerinfiltrant mag bij de uitvoering geen strafbare handelingen verrichten, tenzij met de voorafgaande toestemming van de officier van justitie (artikel 126w lid 6 Sv). Indien de burger dit dus op eigen initiatief en niet onder verantwoordelijkheid van politie en justitie heeft gedaan, is hij strafbaar en kan hij daarvoor worden vervolgd.

In de wet wordt geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet-criminele burgerinfiltranten. Hiermee is de inzet van niet criminele burgerinfiltranten binnen de kaders van de wet steeds mogelijk geweest. Destijds heeft de Tweede Kamer de motie Kalsbeek aanvaard, waarin werd bepaald dat er een algemeen verbod gold op het inzetten van criminele burgerinfiltranten (Kamerstukken 25 403 en 23 251, nr. 33). Later is daarop een uitzondering gemaakt als sprake is van een opsporingsonderzoek naar terroristische misdrijven (Kamerstuk 27 834, nr. 28). Met de aanvaarding van de motie-Recourt, Van der Steur, Oskam, Van der Staaij en Helder op 25 maart 2014 door uw Kamer (Kamerstuk 29 279, nr. 192) is de inzet van de criminele burgerinfiltrant in hoge uitzonderingssituaties en onder strikte voorwaarden weer mogelijk gemaakt.

Onderscheid

Uit het voorgaande volgt dat in wet- en regelgeving duidelijke scheidslijnen zijn aangebracht tussen de verschillende middelen. Een belangrijk onderscheid is dat het middel van de informant in het kader van artikel 3 Politiewet 2012 tot doel heeft informatie over mogelijke strafbare feiten te vergaren die kan dienen als sturingsinformatie voor een strafrechtelijk onderzoek, terwijl stelselmatige informatie-inwinning en infiltratie bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn waarmee strafrechtelijk bewijs kan worden verkregen. Bij infiltratie wordt deelgenomen aan een criminele groepering op initiatief en onder regie van politie en justitie. Bij de informant in het kader van artikel 3 Politiewet 2012 en de si-informant is van deze deelname geen sprake.

De in wet- en regelgeving neergelegde scheidslijnen dienen in de praktijk streng en nauwkeurig te worden bewaakt. Voor de inzet van een informant in het kader van de Politiewet vindt de toetsing plaats door de CI-officier van Justitie. Voor wat betreft de si-informant of de infiltrant in het kader van een strafrechtelijk onderzoek wordt de inzet getoetst aan de wettelijke kaders en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, vooraf door zorgvuldige afweging binnen het OM en achteraf door de rechter. Een voorgenomen besluit tot inzet van een criminele burgerinfiltrant wordt, nu dat met de aanvaarding van de hiervoor genoemde motie Recourt cs. weer is toegestaan, bovendien ter toestemming aan mij voorgelegd.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

Naar boven