Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201829270 nr. 123

29 270 Reclasseringsbeleid

Nr. 123 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 maart 2018

Hierbij bied ik u mijn beleidsreactie aan op het rapport «Gewogen risico» van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (hierna NR). De NR heeft hierover in twee delen gerapporteerd. Deel 1, «Communiceren over recidive in zedenzaken», is op 24 februari 2017 door de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan uw Kamer aangeboden.1 Deel twee, «Behandeling opleggen aan zedendelinquenten» is door de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie aan uw Kamer aangeboden op 24 oktober 2017.2

Algemeen

De rechter en de officier van justitie maken in zedenzaken gebruik van de adviezen die de reclasseringswerkers en de gedragsdeskundigen van het NIFP geven. Een onderdeel van dat advies is de inschatting van het risico op recidive. Ik vind het belangrijk dat deze risico-inschatting maatwerk is en op een transparante manier wordt vastgesteld met wetenschappelijk onderbouwde methoden. Daarmee wordt het advies aan de officier van justitie en de rechter beter. Dat is in het belang van een zorgvuldige en rechtvaardige rechtsgang en een veilige samenleving.

Rapport Gewogen risico

In het rapport Gewogen Risico onderzoekt de NR in hoeverre de Nederlandse praktijk van het opleggen van behandelingen aan plegers van seksueel geweld tegen kinderen het risicoprincipe volgt. Het risicoprincipe houdt in dat de daders met het hoogste risico op recidive ook de zwaarste behandeling krijgen opgelegd.

Het rapport gaat in op:

  • de wijze waarop het risico op recidive van zedendelinquenten in Nederland wordt vastgesteld;

  • de wijze waarop ketenpartijen onderling communiceren over recidive in zedenzaken;

  • de vraag in hoeverre de opgelegde behandeling aansluit op het risiconiveau van de verdachte.

De NR beveelt mij aan erop toe te zien dat informatie over recidiverisico adequaat wordt vastgesteld en gebruikt binnen het strafproces, zodat deze optimaal benut wordt bij het beslissen over de behandeling van zedendelinquenten. Deze algemene aanbeveling vindt uitwerking in zeven aanbevelingen. De aanbevelingen in het eerste deel van het onderzoek gaan over de kennis bij en communicatie tussen de betrokken partijen om tot een goede beslissing te komen. De aanbevelingen in het tweede deel gaan over de wijze waarop het risiconiveau wordt vastgesteld en de aansluiting van geadviseerde en opgelegde behandeling op het risiconiveau van de verdachte.

Het opvolgen van de aanbevelingen leidt volgens de NR tot een systeem waarin het duidelijk is welke zedendelinquenten het grootste risico vormen en waarin hen een bij dit risico passende behandeling wordt opgelegd, zodat de kans op recidive wordt verminderd.

Beleidsreactie

Communicatie over het risico op recidive

Uit het rapport van de NR blijkt dat de reclassering, het NIFP, de officier van justitie en de rechter in de strafrechtketen veelgebruikte termen bij het communiceren over het recidiverisico op verschillende manieren interpreteren. Dit vertroebelt de communicatie. De NR adviseert gezamenlijke definities en formats te gebruiken om de communicatie te verbeteren.

In 2016 is het zogenaamde ketenoverleg zeden opgericht. In dit overleg spreken het OM, de politie, de reclassering, Raad voor de Kinderbescherming, NIFP, GGZ Nederland en De Waag over hoe de beschikbare instrumenten op het gebied van risicotaxatie van zedenverdachten en zedendaders optimaal kunnen worden ingezet om de kans op herhaling van zedenfeiten te verminderen.

Een eenduidige interpretatie van risicotaxaties is van groot belang voor een goed advies aan de rechter. Daarom wil ik dat de communicatie tussen ketenpartners nog verder verbetert. Ik heb het ketenoverleg gevraagd in de eerste helft van 2018 afspraken te maken over hoe op uniforme wijze gecommuniceerd kan worden tussen de verschillende partners die betrokken zijn bij de beslissing tot het opleggen van een behandeling. Hierbij gebruiken zij het rapport van de NR als aanknopingspunt voor het ontwikkelen van een gezamenlijke taal en formats. Over de gemaakte afspraken voor het verbeteren van de communicatie zal ik uw Kamer informeren.

Kennis over het risico op recidive

De afgelopen jaren is door het NIFP en door de reclassering al flink geïnvesteerd in de kennis over het vaststellen van het risico op recidive bij zedendelinquenten. De zedendeskundigen binnen het NIFP en de reclassering volgen een training die ziet op alle aspecten van het taxeren van het risico op recidive van zedendelinquenten. Zedenzaken worden zoveel mogelijk aan gedragsdeskundigen toegewezen die deze training succesvol hebben doorlopen. In de opleiding van rechters wordt reeds aandacht besteed aan de mogelijkheden en beperkingen van forensisch gedragsdeskundig onderzoek en het beoordelen en waarderen van gedragsdeskundige rapportages. Daarnaast worden werkbezoeken gebracht aan rapporterende instanties en behandelaars. De rechtspraak heeft een expertgroep forensische expertise die kennisoverdracht bevordert en themadagen organiseert voor rechters. Hier acht ik aanvullende maatregelen niet noodzakelijk.

Risicotaxatie voor zedendelinquenten

In de praktijk wordt gebruik gemaakt van vele soorten risicotaxatie-instrumenten om een voorspelling te doen over toekomstig crimineel gedrag. Volgens de NR is voor het voorspellen van zedendelicten de SSA (static-99, stable and acute) het beste instrument. De NR geeft bovendien aan dat de uitkomst van dit instrument leidend moet zijn bij de risico-inschatting. Er is dan – anders dan in de huidige praktijk het geval is – geen ruimte voor een professioneel oordeel. Dit is de zogenaamde actuariële methode.

Zowel de reclassering en het NIFP hebben toegezegd het recidiverisico in zedenzaken zoveel mogelijk te taxeren met behulp van de SSA.3 De SSA is tevens geïncorporeerd in het nieuwe risicotaxatie-instrument van de reclassering. De aanbeveling van de NR op dit punt is daarmee voor een groot deel praktijk geworden. Toch geeft de aanbeveling van de NR aanleiding voor een aanpassing van de werkwijze. Een transparante risicotaxatie is onderdeel van een goed advies aan de rechter en de officier van justitie. Daarom heb ik de reclassering en het NIFP gevraagd de uitkomsten van de SSA altijd op te nemen in hun rapportages en adviezen.

De NR doet de aanbeveling geen ruimte te bieden voor een professioneel oordeel over het risico op recidive. Hier volg ik de NR niet. Ik vind dat de deskundige in de rapportage of het advies de rechter en de officier van justitie dient te voorzien van alle mogelijk relevante informatie over het risico op toekomstig crimineel gedrag. De rapportage of het advies moet maatwerk zijn. Dit betekent concreet dat de uitkomsten van het risicotaxatie-instrument én de overwegingen en de toelichting van de deskundige deel zullen uitmaken van de rapportages en adviezen.

Er is bovendien nog een reden om een plek voor het professioneel oordeel te houden. De voorspellende waarde van de static-99 (onderdeel van de SSA) is in statistische analyses groot maar in individuele gevallen laag. Omdat een rechter in individuele gevallen moet oordelen over behandelingen en interventies, is het belangrijk dat een deskundige zoveel mogelijk informatie over de verdachte kan opnemen in zijn advies of rapportage aan de rechter en officier van justitie. Ook kan de uitkomst van een risicotaxatie-instrument in een enkel geval evident onjuist zijn, bijvoorbeeld bij een verdachte met fysieke beperkingen. Dan kan het niet zo zijn dat er geen ruimte is om informatie hierover in het advies op te nemen.

Door deze maatregelen krijgen de rechter en de officier van justitie inzicht in de uitkomsten van de gevalideerde instrumenten die ten grondslag liggen aan de inschatting van het recidivegevaar van een zedendelinquent/verdachte. Daarnaast krijgen zij inzicht in de overwegingen van deskundigen indien wordt afgeweken van de uitkomst van dit instrument.

Weigerende observandi

Tijdens de wetsbehandeling van de Wet Forensische Zorg (Kamerstuk 32 398) in de Eerste Kamer op 15 en 16 januari 2018 (Handelingen II 2017/18, nr. 14, item 3 en Handelingen I 2017/18, nr. 15, item 3) heb ik toegezegd het rapport «Gewogen Risico» te betrekken bij mijn onderzoek naar mogelijke maatregelen rondom de problematiek van weigerende observandi. Deze toezegging doe ik hierbij ook aan uw Kamer. Het rapport verkent de interessante denkrichting om het risico op recidive een grotere rol te laten spelen bij het opleggen van een tbs-maatregel. Ik heb de Eerste Kamer laten weten dat het tijd vraagt om dit soort denkrichtingen te bestuderen op conformiteit met grondrechten en ook de praktische uitvoerbaarheid. Ik kom voor het zomerreces met een eerste verkenning van alle voorstellen rondom de aanpak van «weigerende observandi», waar de inzet van risicotaxatie-instrumenten er één van is.

Tot slot

Met de in deze brief aangekondigde maatregelen wil ik voortbouwen op de goede ontwikkeling die door het veld de afgelopen jaren is ingezet. Door verbeteringen door te voeren aan het begin van de keten wordt de rechter in staat gesteld de juiste behandeling op te leggen, met minder recidive als gevolg. Om hier zeker van te zijn wil ik de maatregelen die in de eerste helft van 2018 worden ingevoerd na één jaar laten evalueren om te bezien of de nieuwe rapportages en het verbeteren van de onderlinge communicatie rechters en officieren van justitie inderdaad beter ondersteunen in hun werkzaamheden.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 29 270, nr. 117

X Noot
2

Kamerstuk 29 270, nr. 121

X Noot
3

De bevindingen van de NR zijn gestoeld op zaken uit 2012–2014.