28 973 Toekomst veehouderij

29 683 Dierziektebeleid

32 793 Preventief gezondheidsbeleid

AA1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 4 september 2026

De vaste commissies voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2 en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport3 hebben schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over gezondheidsrisico’s geitenhouderijen en het voorzorgsbeginsel. Bijgaand brengen de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 23 juni 2026.

  • • De antwoordbrief van 4 september 2026.

De griffier voor dit verslag, Wolf

BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT EN VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Den Haag, 23 juni 2026

De leden van de vaste commissies voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorlichting van de Raad van State van 27 mei 2026 naar aanleiding van de adviezen van de Gezondheidsraad over gezondheidsrisico’s van geitenhouderijen4, de (deel)adviezen van de Gezondheidsraad over gezondheidsrisico’s van geitenhouderijen5 en het rapport «Verkenning van maatregelen voor het verminderen van emissies van bioaerosolen uit melkgeitenbedrijven» van Wageningen University & Research.6 De leden van de fracties van de BBB en de Fractie-Visseren-Hamakers hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen door de fractieleden van de BBB.

Vraag 1

Bent u het met de leden van de BBB-fractie eens dat de correlatie uit de Veehouderij en Gezondheid Omwonenden-onderzoeken (VGO) I7 en II8 van jaren geleden, gebruik heeft gemaakt van het correlatiecoëfficiënt-model volgens Pearson (ook wel aangeduid als Pearson r) geen aanwijzingen kan geven over een oorzakelijk verband? Dat is volgens deze leden niet het geval, en staat evenmin in de wetenschappelijke publicaties naar aanleiding van die rapporten.

Vraag 2

De Gezondheidsraad kreeg deze wetenschappelijk correct uitgevoerde onderzoeksresultaten toegezonden ter beoordeling. De Gezondheidsraad voegde er zelf de kwalificatie «waarschijnlijk oorzakelijk» aan toe en somde nog een aantal mogelijke oorzaken op als fijnstof, endotoxinen, al dan niet in samenhang met niet genoemde micro-organismen bij een daarvoor gevoelige populatie. Deze, niet onderzochte veronderstellingen, moeten dan een ondersteunende functie vervullen voor het nemen van voorzorgsmaatregelen. Vindt u, in tegenstelling tot de leden van de BBB-fractie, deze redenering toelaatbaar? Zo ja, kunt u dan aangeven waarom?

Vraag 3

Bent u ermee bekend dat er ook een derde VGO-onderzoek heeft plaats gevonden om de berekende (correlatie) aantallen patiënten met longontsteking rondom geitenhouderijen daadwerkelijk op te sporen via de medische circuits?9

Met een verwachting van meer dan 800 patiënten per jaar moet dat mogelijk zijn. Uit dit onderzoek, dat tweemaal met een jaar werd verlengd (totaal drie jaar) konden die «verwachte» patiënten niet worden gevonden. In die drie jaren onderzoek kwam het totale aantal patiënten net iets boven de 100, hetgeen dichter bij het landelijk te verwachten gemiddelde van zulke patiënten ligt dan de 800 per jaar rondom geitenhouderijen. Graag ontvangen deze leden uw beargumenteerde reactie hierop.

Vraag 4

Deze leden ontvangen graag uw reactie op de voorlichting van de Raad van State met betrekking tot het voorzorgsbeginsel. Daarin staat nauwgezet wanneer en onder welke voorwaarden een voorzorgsbeginsel kan worden toegepast, waaraan ook een bestuurlijk besluit ten grondslag moet liggen.

Vraag 5

De juridische onderbouwing voor een voorzorgsbeginsel ligt niet verankerd in de Wet publieke gezondheid en evenmin in de Wet dieren. Dit voorzorgsbeginsel wordt wel genoemd in de Omgevingswet. Afstandsnormen rondom geitenhouderijen worden weer afgeleid uit de onder vraag 1 genoemde correlatiecoëfficiënt berekeningen. Bent u het eens met de leden van de BBB-fractie dat het oorzakelijk verband ontbreekt en dat derhalve een theoretische afstand met wetenschap niets van doen heeft? Graag ontvangen de leden een gemotiveerde reactie.

Vraag 6

Uit de Voorlichting van de Raad van State blijkt ook dat bestaande vergunningen voor geitenhouderijen niet zomaar kunnen worden afgezwakt of verboden. Het gaat uitsluitend om uitbreiding van legale bestaande bedrijven en/of nieuwe vergunningen. Bent u het met deze leden eens dat deze aanpak slechts symbolische waarde heeft en voor veel onrust en emoties bij boeren en omwonenden zal zorgen, alsmede veel maatschappelijke onrust?

Vraag 7

Bent u bekend met het moratorium voor geitenhouderijen dat in de meeste provincies reeds bestaat? En bent u het ermee eens dat de in vraag 5 bedoelde juridische mogelijkheden, weinig toegevoegde waarde zullen hebben onder de paraplu van een voorzorgbeginsel? Graag uw gemotiveerde reactie.

Vragen en opmerkingen door het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers.

In uw brief van 9 januari 2026 schrijft u dat situaties waar meerdere geitenhouderijen aanwezig zijn, of situaties waar relatief veel gevoelige bestemmingen aanwezig of gepland zijn, de aandacht verdienen.10

Vraag 1.

Hoeveel van dergelijke prioritaire locaties zijn er volgens u? En wanneer informeert u de Kamer over de maatregelen die op deze locaties genomen worden om de gezondheidsrisico's te verlagen?

Vraag 2

Kunt u toelichten wat u bedoelt met «eventuele financiële consequenties» die in kaart worden gebracht bij de uitwerking van de aanpak voor prioritaire locaties en op welke manier en in hoeverre deze consequenties meewegen in de uitwerking van de maatregel?11

De Gezondheidsraad adviseert om bij bestaande bedrijven in te zetten op reductie van emissies van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen. Ook is het volgens de Gezondheidsraad aannemelijk dat het aantal geiten van invloed is op de emissie van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen uit bedding en mest. Op basis van de beschikbare informatie kan echter niet worden vastgesteld wat de kwantitatieve relatie is tussen het aantal bedrijven of aantal geiten en de hoeveelheid emissie van de verschillende componenten en het daarmee samenhangende risico op longontsteking bij omwonenden.12

Vraag 3

Ziet u ook een kennislacune voor wat betreft de relatie tussen het aantal geiten, het aantal bedrijven en het risico op longontsteking bij omwonenden? Hoe bent u van plan om met deze lacune om te gaan?

U schrijft in uw brief van 9 januari 2026 dat u onderzoekers heeft gevraagd of de relatie tussen de omvang van geitenbedrijven en risico in relatie tot emissiereducerende maatregelen in de bedrijfsvoering nog nader in beeld kan worden gebracht.

Vraag 4

Is dit nader in beeld gebracht? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van dit nadere onderzoek? En hoe effectief is het terugbrengen van het aantal gehouden dieren ten opzichte van andere maatregelen?

In de brief van 9 januari doet u een beroep op provincies en gemeenten om vast te houden aan de tijdelijke beperkingen. Maar ondanks deze beperkingen en de gezondheidsadviezen voor nieuwbouw zijn de afgelopen jaren meer dan tienduizend woningen binnen een kilometer van geitenhouderijen gebouwd, blijkt uit een artikel van Follow The Money.13

Vraag 5

Bent u het met dit lid eens dat een beroep op bestaande lokale regelingen ontoereikend is gezien de nieuwbouw van vele duizenden woningen nabij geitenhouderijen? Zo ja, heeft u al een datum op het oog wanneer landelijke regels en maatregelen in gaan?

Premier Jetten heeft tijdens het debat in de Eerste Kamer naar aanleiding van de regeringsverklaring op 7 april 2026 gezegd dat een 100% dierwaardige veehouderij in 2040 een harde doelstelling is.14 Dat betekent dat 592 duizend geiten die worden gehouden in geitenbedrijven over maximaal 13,5 jaar een dierwaardig bestaan moeten kunnen leiden.15 Zij moeten, onder andere, natuurlijk gedrag kunnen vertonen (melk drinken bij de moeder, leven in kleine groepen, klimmen, knabbelen) en in goede gezondheid en een positieve emotionele toestand verkeren.

Vraag 6

Een dierwaardige veehouderij vraagt om grote veranderingen van geitenhouderijen. Bent u het met het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers eens dat het van meerwaarde is om bij de komende maatregelen voor de geitenhouderij rekening te houden met de doelstelling dierwaardige veehouderij? Zo ja, hoe gaat u, bij maatregelen voor bestaande geitenhouderijen, meewegen of deze maatregelen een dierwaardige geitenhouderij dichterbij brengen?

Vraag 7

Kunt u aangeven welke rol dierenwelzijn en dierwaardigheid spelen in de afwegingen welke maatregelen worden genomen?

De leden van de commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zien uit naar de beantwoording van bovenstaande vragen en verzoeken u deze uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief aan de Eerste Kamer aan te bieden.

Een gelijkluidende brief is verstuurd aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J. Bakker-Klein

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.J. Oplaat

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 september 2026

Hierbij zend ik u, mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de antwoorden op de vragen van leden van de vaste commissies voor VWS en LNV over gezondheidsrisico’s rond geitenhouderijen en het voorzorgsbeginsel (d.d. 23 juni 2026).

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, S.T.M. Hermans

Vragen en opmerkingen door de fractieleden van de BBB

Vraag 1

Bent u het met de leden van de BBB-fractie eens dat de correlatie uit de Veehouderij en Gezondheid Omwonenden-onderzoeken (VGO) I16 en II17 van jaren geleden, gebruik heeft gemaakt van het correlatiecoëfficiënt-model volgens Pearson (ook wel aangeduid als Pearson r) geen aanwijzingen kan geven over een oorzakelijk verband? Dat is volgens deze leden niet het geval, en staat evenmin in de wetenschappelijke publicaties naar aanleiding van die rapporten.

Antwoord vraag 1

De VGO-onderzoeken zijn onafhankelijk uitgevoerd en hieruit zijn meerdere publicaties in wetenschappelijke tijdschriften verschenen18, waarop peer review heeft plaatsgevonden. Daarnaast is de bewijskracht van beschikbare wetenschappelijke onderzoeksresultaten voor het bestaan van een oorzakelijk verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen beoordeeld door de Gezondheidsraad. De raad concludeert dat er volgens aanvaarde wetenschappelijke inzichten voldoende bewijs is voor een verhoogd risico op longontsteking onder direct omwonenden van geitenhouderijen, en dat het verband «waarschijnlijk oorzakelijk» is (de een-na-hoogste trede van bewezen causaliteit). Het kabinet gaat niet in op de specifieke onderzoeksmethodes die in de onderzoeken zijn gebruikt, maar baseert zich op het integrale oordeel van de Gezondheidsraad dat er voldoende aanleiding is om, op grond van het voorzorgsbeginsel, maatregelen te nemen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken.

Vraag 2

De Gezondheidsraad kreeg deze wetenschappelijk correct uitgevoerde onderzoeksresultaten toegezonden ter beoordeling. De Gezondheidsraad voegde er zelf de kwalificatie «waarschijnlijk oorzakelijk» aan toe en somde nog een aantal mogelijke oorzaken op als fijnstof, endotoxinen, al dan niet in samenhang met niet genoemde micro-organismen bij een daarvoor gevoelige populatie. Deze, niet onderzochte veronderstellingen, moeten dan een ondersteunende functie vervullen voor het nemen van voorzorgsmaatregelen. Vindt u, in tegenstelling tot de leden van de BBB-fractie, deze redenering toelaatbaar? Zo ja, kunt u dan aangeven waarom?

Antwoord vraag 2

Om de waarschijnlijkheid van een oorzakelijk verband te beoordelen, heeft de Gezondheidsraad een brede synthese van de beschikbare wetenschappelijke informatie uitgevoerd en een bestaand beoordelingskader voor causaliteit toegepast. De Gezondheidsraad constateert dat de bevindingen van het VGO-III-onderzoek de bewijskracht voor het bestaan van een oorzakelijk verband hebben vergroot door het versterken van de consistentie van de associatie tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen. Het VGO-III-onderzoek en andere onderzoeken die sinds 2018 gepubliceerd zijn, dragen daarnaast bij aan de onderbouwing van een plausibel biologisch werkingsmechanisme. Het geheel vormt volgens de raad voldoende aanleiding voor overheden om, op grond van het voorzorgsbeginsel, maatregelen te nemen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Het kabinet vertrouwt op de deskundige en onafhankelijke beoordeling door de Gezondheidsraad.

Vraag 3

Bent u ermee bekend dat er ook een derde VGO-onderzoek heeft plaats gevonden om de berekende (correlatie) aantallen patiënten met longontsteking rondom geitenhouderijen daadwerkelijk op te sporen via de medische circuits?19

Met een verwachting van meer dan 800 patiënten per jaar moet dat mogelijk zijn. Uit dit onderzoek, dat tweemaal met een jaar werd verlengd (totaal drie jaar) konden die «verwachte» patiënten niet worden gevonden. In die drie jaren onderzoek kwam het totale aantal patiënten net iets boven de 100, hetgeen dichter bij het landelijk te verwachten gemiddelde van zulke patiënten ligt dan de 800 per jaar rondom geitenhouderijen. Graag ontvangen deze leden uw beargumenteerde reactie hierop.

Antwoord vraag 3

Het klopt dat een onderdeel van het VGO-III-onderzoek een patiëntenstudie is. Deze patiëntenstudie werd echter niet gedaan om de berekende aantallen patiënten op te sporen via de medische circuits, maar om de mogelijke oorzaak van de longontstekingen vast te stellen. Voor deze studie werd de deelname van huisartsenpatiënten gezocht bij deelnemende huisartspraktijken in het onderzoeksgebied (Noord-Brabant en Limburg). Vanwege de coronapandemie bleek het veel lastiger dan vooraf was voorzien om het beoogde aantal patiënten voor deze studie te rekruteren. Dit kwam enerzijds omdat er minder longontstekingen werden vastgesteld vanwege de coronamaatregelen en patiënten met luchtwegklachten minder vaak naar de huisarts kwamen, en anderzijds was de bereidheid om mee te doen aan het onderzoek mogelijk ook lager in deze periode. De patiëntenstudie heeft dus ook niet tot een conclusie geleid. Het doel van dit specifieke deel van het VGO-onderzoek was om de mogelijke oorzaak vast te stellen; die is niet vastgesteld. Dat doet verder niets af aan de andere conclusies uit het VGO-onderzoek.

Vraag 4

Deze leden ontvangen graag uw reactie op de voorlichting van de Raad van State met betrekking tot het voorzorgsbeginsel. Daarin staat nauwgezet wanneer en onder welke voorwaarden een voorzorgsbeginsel kan worden toegepast, waaraan ook een bestuurlijk besluit ten grondslag moet liggen.

Antwoord vraag 4

De Afdeling advisering van de Raad van State zet in haar voorlichting helder uiteen wat de rol van het voorzorgbeginsel is bij beleidsvorming. Het proces omvat opeenvolgende stappen, te beginnen met een risico-evaluatie. Wanneer uit een zo volledig mogelijke beoordeling van de wetenschappelijke gegevens over mogelijke schadelijke gevolgen een risico niet met zekerheid kan worden vastgesteld, is er sprake van een situatie waarop het voorzorgbeginsel van toepassing is. Het treffen van maatregelen is dan géén vereiste. In dat geval is het aan de overheid om te bezien of het wenselijk is om maatregelen te treffen. De overheid heeft hier dus beleidsruimte. Als de conclusie is dat maatregelen wenselijk zijn, dan moeten de te nemen maatregelen in verhouding staan tot het gekozen beschermingsniveau (proportionaliteit), mogen zij niet leiden tot discriminatie, moeten zij samenhangen met eerdere soortgelijke maatregelen, moeten zij berusten op een onderzoek naar de mogelijke voordelen en kosten van wel of niet handelen, waaronder, indien wenselijk en uitvoerbaar, een economische kosten-batenanalyse, en moeten zij met enige regelmaat opnieuw worden bezien in het licht van nieuwe wetenschappelijke gegevens.

Het kabinet past deze stappen toe: er is meer dan tien jaar onderzoek gedaan naar de relatie tussen de geitenhouderij en gezondheid van omwonenden. De Gezondheidsraad heeft hierover adviezen uitgebracht. Er is geconstateerd dat er in de directe omgeving van geitenhouderijen meer mensen met longontsteking zijn dan daarbuiten, en dat er weliswaar een correlatie is, maar dat er nog geen aanwijsbare factor is die de oorzaak hiervan is. Dat betekent, zoals bevestigd door de Gezondheidsraad, dat hier sprake is van een situatie waarin het voorzorgbeginsel van toepassing is. Het kabinet heeft een impactanalyse laten maken en mede op basis daarvan maatregelen aangekondigd in het belang van de volksgezondheid, waarbij ook rekening is gehouden met de geitenhouderijsector en de woningbouw. Ook heeft het kabinet aangegeven dat de voorgenomen afstandsnorm in principe niet permanent is en afgeschaald zou kunnen worden als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderij effectief beperken. Ook blijft het kabinet de gezondheidseffecten monitoren.

Vraag 5

De juridische onderbouwing voor een voorzorgsbeginsel ligt niet verankerd in de Wet publieke gezondheid en evenmin in de Wet dieren. Dit voorzorgsbeginsel wordt wel genoemd in de Omgevingswet. Afstandsnormen rondom geitenhouderijen worden weer afgeleid uit de onder vraag 1 genoemde correlatiecoëfficiënt berekeningen. Bent u het eens met de leden van de BBB-fractie dat het oorzakelijk verband ontbreekt en dat derhalve een theoretische afstand met wetenschap niets van doen heeft? Graag ontvangen de leden een gemotiveerde reactie.

Antwoord vraag 5

Op basis van de evaluatie van de beschikbare relevante wetenschappelijke literatuur en het EPA-beoordelingskader voor causaliteit, oordeelt de Gezondheidsraad dat er volgens aanvaarde wetenschappelijke inzichten sprake is van voldoende epidemiologisch bewijs voor een verhoogd risico op longontsteking onder direct omwonenden van geitenhouderijen, en dat het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen waarschijnlijk oorzakelijk is. De reden dat de Gezondheidsraad het (aangetoonde) verband niet kwalificeert als bewezen oorzakelijk, heeft onder meer te maken met het feit dat voor onderbouwing van sommige aspecten van het multicausale werkingsmechanisme dat de raad plausibel acht, gegevens uit methodologisch gedegen onderzoek ontbreken, niet met twijfel aan het bestaan van het verband op zich. De relatie tussen woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking leidt de Gezondheidsraad af uit zogeheten odds ratio’s voor verschillende afstanden tot geitenhouderijen, die laten zien dat er sprake is van een afstand-effectrelatie.

Vraag 6

Uit de Voorlichting van de Raad van State blijkt ook dat bestaande vergunningen voor geitenhouderijen niet zomaar kunnen worden afgezwakt of verboden. Het gaat uitsluitend om uitbreiding van legale bestaande bedrijven en/of nieuwe vergunningen. Bent u het met deze leden eens dat deze aanpak slechts symbolische waarde heeft en voor veel onrust en emoties bij boeren en omwonenden zal zorgen, alsmede veel maatschappelijke onrust?

Antwoord vraag 6

Het kabinet beschouwt het gepresenteerde maatregelenpakket niet als symbolisch. De afstandsnorm is een (tijdelijke) maatregel die er voor moet zorgen dat de risicogroep niet groter wordt. Het is de bedoeling om daarbij juridisch harde woningbouwprojecten en reeds bestaande vergunningen voor geitenhouderijen te laten bestaan. De prioritaire maatwerkaanpak gaat onderzoeken wat er op lokaal niveau mogelijk is voor situaties waar extra gezondheidsrisico voor omwonden is.

Het kabinet realiseert zich dat de aanpak voor vragen en onrust bij geitenhouders en omwonenden kan zorgen. Tegelijkertijd geldt dat niet ingrijpen ook voor vragen en onrust zou zorgen. En voor onzekerheid bij omwonenden over de effecten op hun gezondheid, onzekerheid bij geitenhouders over de toekomstmogelijkheden voor hun bedrijf, onzekerheid bij lokale overheden over welke ruimtelijke ontwikkelingen nu wel en niet in deze gebieden kunnen plaatsvinden en verantwoord zijn. Het kabinet kiest ervoor om hierin nu duidelijkheid te geven en stappen te zetten.

Vraag 7

Bent u bekend met het moratorium voor geitenhouderijen dat in de meeste provincies reeds bestaat? En bent u het ermee eens dat de in vraag 5 bedoelde juridische mogelijkheden, weinig toegevoegde waarde zullen hebben onder de paraplu van een voorzorgbeginsel? Graag uw gemotiveerde reactie.

Antwoord vraag 7

Ja, de provinciale moratoria zijn bekend. Deze zijn ingevoerd uit voorzorg. Het kabinet gaat ervan uit dat de provinciale moratoria tijdelijk zijn en na invoeren van een landelijke afstandsnorm zullen verdwijnen. In de Kamerbrief van 10 juli jl.20 heeft het kabinet, in het kader van proportionaliteit, provincies gevraagd om rekening te houden met de aangekondigde regelgeving. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.

De toegevoegde waarde van een afstandsnorm, in vergelijking met de provinciale moratoria, is dat het een effectieve maatregel is, die gerichter is dan de huidige moratoria. Een afstandsnorm grijpt in waar het risico het hoogst is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden. Bovendien draagt een landelijk kader bij aan meer eenvormigheid en duidelijkheid. Het kabinet betrekt medeoverheden bij het uitwerken van de afstandsnorm en de invulling van de maatwerkaanpak van prioritaire locaties.

Vragen en opmerkingen door het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers

In uw brief van 9 januari 2026 schrijft u dat situaties waar meerdere geitenhouderijen aanwezig zijn, of situaties waar relatief veel gevoelige bestemmingen aanwezig of gepland zijn, de aandacht verdienen.21

Vraag 1

Hoeveel van dergelijke prioritaire locaties zijn er volgens u? En wanneer informeert u de Kamer over de maatregelen die op deze locaties genomen worden om de gezondheidsrisico's te verlagen?

Antwoord vraag 1

Op dit moment is het nog niet duidelijk hoeveel locaties als prioritaire locatie zullen worden beschouwd. Zoals aangegeven in de brief van 9 januari jl.22 zijn maatwerk en proportionaliteit het uitgangspunt en wordt de aanpak voor prioritaire locaties nog verder uitgewerkt. Op basis van nadere uitwerking van criteria en verdere gesprekken met medeoverheden zullen we de komende maanden tot meer duidelijkheid en een lijst van (mogelijk) prioritaire locaties komen. De Tweede Kamer zal voor het eind van dit jaar worden geïnformeerd over de stand van zaken van het maatregelenpakket dat is aangekondigd in de brief van 10 juli jl.23

Vraag 2

Kunt u toelichten wat u bedoelt met «eventuele financiële consequenties» die in kaart worden gebracht bij de uitwerking van de aanpak voor prioritaire locaties en op welke manier en in hoeverre deze consequenties meewegen in de uitwerking van de maatregel?24

Antwoord vraag 2

Bij het overwegen van maatregelen op prioritaire locaties zal ook aandacht worden besteed aan de (on)mogelijkheden van bepaalde maatregelen zoals vrijwillige uitkoop of verplaatsing, en het nemen van in potentie effectieve emissiereducerende maatregelen op geitenhouderijen. Voor deze maatregelen geldt dat onder meer moet worden uitgezocht wat er mogelijk is binnen bestaande wet- en regelgeving en bestaande fiscale en financiële regelingen.

De Gezondheidsraad adviseert om bij bestaande bedrijven in te zetten op reductie van emissies van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen. Ook is het volgens de Gezondheidsraad aannemelijk dat het aantal geiten van invloed is op de emissie van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen uit bedding en mest. Op basis van de beschikbare informatie kan echter niet worden vastgesteld wat de kwantitatieve relatie is tussen het aantal bedrijven of aantal geiten en de hoeveelheid emissie van de verschillende componenten en het daarmee samenhangende risico op longontsteking bij omwonenden.25

Vraag 3

Ziet u ook een kennislacune voor wat betreft de relatie tussen het aantal geiten, het aantal bedrijven en het risico op longontsteking bij omwonenden? Hoe bent u van plan om met deze lacune om te gaan?

Antwoord vraag 3

Zolang er geen handhaafbare maatregelen zijn die bewezen effectief zijn in het reduceren van emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof, zullen bestaande geitenhouderijen die zich binnen 500 meter van woonkernen en andere gevoelige functies bevinden, niet kunnen uitbreiden. Het is volgens de Gezondheidsraad aannemelijk dat het aantal geiten van invloed is op de emissie van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen uit bedding en mest, maar op basis van de beschikbare informatie uit het VGO-onderzoek is er geen kwantitatieve relatie vast te stellen tussen het aantal bedrijven of aantal geiten en de hoeveelheid emissie van de verschillende componenten en het daarmee samenhangende risico op longontsteking bij omwonenden. Onderbouwing van de voorlopige beperking van uitbreiding berust op voorzorg.

U schrijft in uw brief van 9 januari 2026 dat u onderzoekers heeft gevraagd of de relatie tussen de omvang van geitenbedrijven en risico in relatie tot emissiereducerende maatregelen in de bedrijfsvoering nog nader in beeld kan worden gebracht.

Vraag 4

Is dit nader in beeld gebracht? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van dit nadere onderzoek? En hoe effectief is het terugbrengen van het aantal gehouden dieren ten opzichte van andere maatregelen?

Antwoord vraag 4

Over het antwoord van de VGO-onderzoekers op deze vraag is de Tweede Kamer op 30 maart jl.26 geïnformeerd. De VGO-onderzoekers concludeerden dat zij op basis van het VGO-onderzoek geen onderbouwde uitspraken kunnen doen over de invloed van bedrijfsgrootte op het gezondheidsrisico (longontsteking) voor omwonenden. Dat wil niet zeggen dat die invloed er niet is, maar uit de beschikbare data kan deze invloed niet worden aangetoond.

In de brief van 9 januari doet u een beroep op provincies en gemeenten om vast te houden aan de tijdelijke beperkingen. Maar ondanks deze beperkingen en de gezondheidsadviezen voor nieuwbouw zijn de afgelopen jaren meer dan tienduizend woningen binnen een kilometer van geitenhouderijen gebouwd, blijkt uit een artikel van Follow The Money.27

Vraag 5

Bent u het met dit lid eens dat een beroep op bestaande lokale regelingen ontoereikend is gezien de nieuwbouw van vele duizenden woningen nabij geitenhouderijen? Zo ja, heeft u al een datum op het oog wanneer landelijke regels en maatregelen in gaan?

Antwoord vraag 5

De bestaande provinciale moratoria verbieden nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen, maar gaan niet over nieuwbouw van woningen. De afstandsnorm die het kabinet heeft voorgenomen, doet dat wel. Gemiddeld duurt het traject om tot dergelijke regelgeving te komen (inclusief de verplichte plan-mer) 2,5 tot 3 jaar. Daarom vraagt het kabinet provincies om rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. Ook heeft het kabinet aan gemeenten gevraagd om de laatste inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen (voor bijvoorbeeld woningbouw) vooruitlopend op deze regelgeving.

Premier Jetten heeft tijdens het debat in de Eerste Kamer naar aanleiding van de regeringsverklaring op 7 april 2026 gezegd dat een 100% dierwaardige veehouderij in 2040 een harde doelstelling is.28 Dat betekent dat 592 duizend geiten die worden gehouden in geitenbedrijven over maximaal 13,5 jaar een dierwaardig bestaan moeten kunnen leiden.29 Zij moeten, onder andere, natuurlijk gedrag kunnen vertonen (melk drinken bij de moeder, leven in kleine groepen, klimmen, knabbelen) en in goede gezondheid en een positieve emotionele toestand verkeren.

Vraag 6

Een dierwaardige veehouderij vraagt om grote veranderingen van geitenhouderijen. Bent u het met het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers eens dat het van meerwaarde is om bij de komende maatregelen voor de geitenhouderij rekening te houden met de doelstelling dierwaardige veehouderij? Zo ja, hoe gaat u, bij maatregelen voor bestaande geitenhouderijen, meewegen of deze maatregelen een dierwaardige geitenhouderij dichterbij brengen?

Vraag 7

Kunt u aangeven welke rol dierenwelzijn en dierwaardigheid spelen in de afwegingen welke maatregelen worden genomen?

Antwoord vragen 6 en 7

Ja, het is van meerwaarde om bij te nemen bedrijfsmaatregelen rekening te houden met de doelstelling voor een dierwaardige veehouderij. In artikel 2.3a van de Wet dieren is bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. In het najaar zal de Tweede Kamer over de planning worden geïnformeerd.

Het onderzoek van WUR naar emissiebeperkende maatregelen in de geitenhouderij richt zich op het zoeken naar effectieve maatregelen om de emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof te verlagen. Het uitgangspunt, op basis van het Gezondheisraadavies, is dat door het verlagen van deze emissies het risico op longontsteking bij omwonenden wordt verminderd. In de opdracht aan WUR is opgenomen dat voor de te onderzoeken maatregelen naast de effecten op bacteriën, endotoxinen en fijnstof, óók indicaties van mogelijke effecten op andere opgaven ten aanzien van emissies van ammoniak, broeikasgassen en geur, diergezondheid en de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij, in kaart zullen worden gebracht. Mochten er maatregelen uit het WUR onderzoek komen die bewezen effectief zijn, dan kan dan ook het effect op dierwaardigheid (en de andere opgaven) worden meegewogen zodat een integrale afweging kan worden gemaakt.


X Noot
1

De letter AA hebben alleen betrekking op 28 973.

X Noot
2

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Knapen (BBB), Van der Linden (VVD), Van Meenen (D66), Nicolaï (PvdD), Oplaat (BBB) (voorzitter), Perin-Gopie (Volt), Rietkerk (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Straus (VVD), Steenkamp (CDA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Bakker-Klein (CDA) (voorzitter), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Kaljouw (VVD), Kemperman (FVD), Van Knapen (BBB), Koffeman (PvdD), Moonen (D66), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Steenkamp (CDA), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 28 973/29 683/32 793, Z.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 28 973/29 683/32 793, Y.

X Noot
6

Kamerstukken I 2025/26, 28 973/29 683/32 793, X.

X Noot
7

Gezondheidsraad, «Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel I», 3 juli 2025.

X Noot
8

Gezondheidsraad, «Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II», 8 december 2025.

X Noot
9

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu «Deelonderzoeken VGO III, rivm.nl, 4 februari 2025.

X Noot
10

Kamerstukken I 2025/26, 28 973/29 683/32 793, U.

X Noot
11

Kamerstukken I 2025/26, 28 973/29 683/32 793, U, pagina 4.

X Noot
12

Gezondheidsraad, «Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II», pagina 3.

X Noot
13

«Gemeenten negeerden gezondheidsrisico’s en bouwden tienduizend woningen naast geitenhouderijen», Follow the Money, ftm.nl, 26 februari 2026.

X Noot
14

Zie het verslag van het debat naar aanleiding van de regeringsverklaring op eerstekamer.nl (Verslag van de plenaire vergadering van dinsdag 7 april 2026 – Eerste Kamer der Staten-Generaal (Handelingen nog niet beschikbaar).

X Noot
15

«Aantal geiten sinds het jaar 2000 bijna verdubbeld», Centraal Bureau voor de Statistiek, cbs.nl, 8 januari 2026.

X Noot
16

Gezondheidsraad, «Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel I», 3 juli 2025.

X Noot
17

Gezondheidsraad, «Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II», 8 december 2025.

X Noot
18

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, «Publicaties Veehouderij en gezondheid» (onder «Wetenschappelijke publicaties VGO»), www.rivm.nl/veehouderij-en-gezondheid/publicaties

X Noot
19

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu «Deelonderzoeken VGO III, rivm.nl, 4 februari 2025.

X Noot
20

Kamerstukken II 2025/26, 28 973, nr. 304.

X Noot
21

Kamerstukken I 2025/26, 28 973/29 683/32 793, U.

X Noot
22

Kamerstukken I 2025/26, 28 973/29 683/32 793, U.

X Noot
23

Kamerstukken II 2025/26, 28 973, nr. 304.

X Noot
24

Kamerstukken I 2025/26, 28 973/29 683/32 793, U, pagina 4.

X Noot
25

Gezondheidsraad, «Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II», pagina 3.

X Noot
26

Kamerstukken II 2025/26, 28 973, nr. 297.

X Noot
27

«Gemeenten negeerden gezondheidsrisico’s en bouwden tienduizend woningen naast geitenhouderijen», Follow the Money, ftm.nl, 26 februari 2026.

X Noot
28

Zie het verslag van het debat naar aanleiding van de regeringsverklaring op eerstekamer.nl (Verslag van de plenaire vergadering van dinsdag 7 april 2026 – Eerste Kamer der Staten-Generaal (Handelingen nog niet beschikbaar).

X Noot
29

«Aantal geiten sinds het jaar 2000 bijna verdubbeld», Centraal Bureau voor de Statistiek, cbs.nl, 8 januari 2026.

Naar boven