Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 28973 nr. Y |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 28973 nr. Y |
Vastgesteld 3 april 2026
De vaste commissies voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2 en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport3 hebben schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over deeladviezen I en II Gezondheidsraad inzake gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen. Bijgaand brengen de commissies hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 17 februari 2026.
• De antwoordbrief van 30 maart 2026.
De griffier voor dit verslag, Wolf
Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Den Haag, 17 februari 2026
De leden van de vaste commissies voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hebben met belangstelling kennisgenomen van deeladviezen I en II van de Gezondheidsraad inzake gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen en de kabinetsreactie op deze deeladviezen.4 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA en de fractie-Visseren-Hamakers gezamenlijk, en de leden van de fracties van de BBB en PVV gezamenlijk, wensen naar aanleiding hiervan enkele vragen te stellen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA en de fractie-Visseren-Hamakers
Kan het nieuwe kabinet een reflectie geven hoe het invulling wil geven aan de in de Tweede Kamer aangenomen moties op dit onderwerp?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de BBB en PVV
Deze leden zijn bezorgd over de ontwikkelingen rondom de geitenhouderij. Zij wensen u daarom de volgende vragen te stellen en zien de antwoorden graag tegemoet.
In de kabinetsreactie op de deeladviezen van 9 januari 2026 wordt gesproken over de noodzaak van een zorgvuldige, integrale belangenafweging in overeenstemming met de Omgevingswet. Op welke wijze borgt u dat de sociaaleconomische belangen van de geitenhouders en de vitaliteit van het platteland een gelijkwaardige plaats krijgen in deze afweging ten opzichte van de waarschijnlijk oorzakelijke gezondheidsrisico’s?
U geeft aan dat de Gezondheidsraad adviseert om op basis van het voorzorgsbeginsel maatregelen te nemen. Kunt u nader specificeren hoe dit voorzorgsbeginsel zich verhoudt tot de wetenschappelijke onzekerheid die nog steeds bestaat, aangezien er niet één specifieke bron of direct oorzakelijk verband is gevonden voor de 23 geïdentificeerde bacteriesoorten?
Hoe weegt u kritische wetenschappelijke geluiden mee in de uiteindelijke besluitvorming, om te voorkomen dat er disproportionele maatregelen worden getroffen op basis van onvolledige data?
In de kabinetsreactie wordt melding gemaakt van een sectorplan dat door de geitensector zelf is gepubliceerd. In hoeverre bent u bereid om dit sectorplan als leidraad te nemen voor vrijwillige emissie reducerende maatregelen, in plaats van het opleggen van een nationaal uniform moratorium of dwingende afstandsnormen?
Er wordt verwezen naar een onderzoek van de WUR naar emissiereductie dat in het eerste kwartaal van 2026 wordt verwacht. Bent u bereid om te wachten met het definitief vastleggen van een maatregelenpakket totdat de resultaten van dit onderzoek en de juridische analyse van de motie-Kostić volledig zijn afgerond en gedeeld met de Kamer?
Deze leden hechten aan maatwerk en proportionaliteit. Hoe voorkomt u dat algemene maatregelen, zoals een uitbreidingsverbod, ook boeren treffen die al fors hebben geïnvesteerd in emissiearme technieken of die gevestigd zijn in gebieden waar de incidentie van longontsteking niet verhoogd is?
Ook wordt er gesproken over het reduceren van emissies als meest aangewezen manier om risico’s te beperken. Kunt u bevestigen dat innovatie en stalmanagement de voorkeur genieten boven koude sanering of het gedwongen verplaatsen van bedrijven?
De Gezondheidsraad adviseert maatregelen op basis van het voorzorgsbeginsel omdat een oorzakelijk verband waarschijnlijk is, maar erkent tegelijkertijd dat de exacte bron of verwekker nog niet is geïdentificeerd. Kunt u uiteenzetten waar de grens ligt voor de toepassing van het voorzorgsprincipe? In hoeverre moet er sprake zijn van een bewezen risico voordat ingrijpende beperkingen op de uitoefening van eigendom en bedrijfsvoering (zoals een bouwstop) juridisch houdbaar zijn?
Erkent u dat het voorzorgsbeginsel volgens Europese richtlijnen ook inhoudt dat maatregelen proportioneel moeten zijn en dat de voordelen moeten opwegen tegen de sociaaleconomische kosten? Hoe is deze kosten-batenanalyse specifiek voor de geitensector uitgevoerd, en welke rol speelde de continuïteit van gezinsbedrijven hierin?
In de technische toelichting van de Gezondheidsraad wordt gesproken over een verhoogd risico tot 1 kilometer afstand. Bent u het ermee eens dat het toepassen van het voorzorgsprincipe via een landelijk uniform moratorium (zoals verzocht in de motie-Kostić) indruist tegen het principe van proportionaliteit, aangezien de risico’s lokaal sterk kunnen verschillen?
Hoe voorkomt u dat het voorzorgsprincipe wordt gebruikt als een instrument voor beleid op basis van angst, in plaats van beleid op basis van feiten?
De leden van de vaste commissies voor LNV en VWS zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 17 maart 2026.
Voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.J. Oplaat
Voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, G. Prins
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 maart 2026
Hierbij ontvangt u, mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de antwoorden op vragen van de leden van de vaste commissies voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vanuit de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA en de fractie Visseren-Hamakers gezamenlijk, en de leden van de fracties van de BBB en van de PVV gezamenlijk. Het betreft vragen naar aanleiding van deeladviezen I en II van de Gezondheidsraad inzake gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen en de kabinetsreactie op deze deeladviezen.5
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, S.Th.M. Hermans
1
Kan het nieuwe kabinet een reflectie geven hoe het invulling wil geven aan de in de Tweede Kamer aangenomen moties op dit onderwerp?
Antwoord:
Naar aanleiding van het tweeminutendebat Zoönnosen en Dierziekten op 29 januari jl. zijn de motie Grinwis c.s. over initiatieven mogelijk maken om geiten te verplaatsen naar verder weg van de bebouwde kom en/of locaties met kwetsbare bewoners (29 683-321) en de motie Kostic over woningbouw en volksgezondheid prioriteren boven intensieve geitenhouderij (29 683-320) aangenomen door de Tweede Kamer. Beide moties zullen worden meegenomen in de uitwerking van het maatregelenpakket om de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen zoveel mogelijk te beperken, waarbij proportionaliteit een belangrijk uitgangspunt is. Er wordt ingezet op het uitwerken van een pakket dat zowel maatregelen bij nieuwvestiging (zoals een afstandsnorm) als maatregelen bij bestaande bedrijven (emissiereductie en prioritaire locaties) kan omvatten. De invulling werken mijn collega’s van de Ministeries van LVVN, BZK, IenW en ik nader uit op basis van een brede impactanalyse. Daarin is specifiek aandacht voor het belang van de woningbouwopgave. Bij de uitwerking zullen we provincies, gemeenten, omgevingsdiensten, GGD’en, sector en onderzoeksinstanties betrekken. Voor de zomer is een meer uitgewerkt voorstel gereed.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de BBB en PVV
Deze leden zijn bezorgd over de ontwikkelingen rondom de geitenhouderij. Zij wensen u daarom de volgende vragen te stellen en zien de antwoorden graag tegemoet.
2
In de kabinetsreactie op de deeladviezen van 9 januari 2026 wordt gesproken over de noodzaak van een zorgvuldige, integrale belangenafweging in overeenstemming met de Omgevingswet. Op welke wijze borgt u dat de sociaaleconomische belangen van de geitenhouders en de vitaliteit van het platteland een gelijkwaardige plaats krijgen in deze afweging ten opzichte van de waarschijnlijk oorzakelijke gezondheidsrisico’s?
Antwoord:
Zoals in de kabinetsreactie6 is aangegeven, is de ruimte in Nederland schaars, en komen er veel opgaven samen op dezelfde plek. Dat vergt dat een balans moet worden gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Het uitgangspunt is dat volksgezondheid voorop staat, en dat maatregelen geschikt, noodzakelijk en proportioneel zijn. Daarin wordt een zorgvuldige en integrale belangenafweging gemaakt, waaronder naast de volksgezondheid ook de sociaaleconomische belangen van geitenhouders en bijvoorbeeld ook woningbouw zullen worden meegenomen. Hiertoe wordt een brede impactanalyse uitgevoerd, zodat integrale bespreking, weging en besluitvorming kan plaatsvinden.
3
U geeft aan dat de Gezondheidsraad adviseert om op basis van het voorzorgsbeginsel maatregelen te nemen. Kunt u nader specificeren hoe dit voorzorgsbeginsel zich verhoudt tot de wetenschappelijke onzekerheid die nog steeds bestaat, aangezien er niet één specifieke bron of direct oorzakelijk verband is gevonden voor de 23 geïdentificeerde bacteriesoorten?
Antwoord:
Voorzorg betekent dat het feit dat er op basis van objectief wetenschappelijk onderzoek gerede aanwijzingen zijn dat er een verband is tussen een bron en een risico, maar er (nog) geen wetenschappelijke zekerheid is, voor de overheid geen reden mag zijn om in afwachting van nader onderzoek niets te doen. Ook in die situatie moet de overheid kijken of en zo ja welke maatregelen nodig zijn om risico’s te beperken.
De VGO-onderzoeken hebben consistent een verband aangetoond tussen geitenhouderijen en longontstekingen bij omwonenden, gedurende 11 jaar. De exacte oorzaak van de longontsteking is niet vastgesteld, maar er is een lijst van bacteriën opgesteld als meest waarschijnlijke kandidaten. De Gezondheidsraad, de commissie van relevante multidisciplinaire experts, heeft in het eerste deeladvies de beschikbare wetenschappelijke publicaties (waaronder VGO-III) beoordeeld op hoe sterk de bewijskracht is. De experts komen tot de conclusie dat op basis van wetenschappelijk onderzoek het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen waarschijnlijk oorzakelijk is. Dat is de een na hoogste categorie van bewijs. De Gezondheidsraad concludeert op basis daarvan dat er voldoende bewijs is (algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten) voor een verhoogd risico op longontsteking onder direct omwonenden van geitenhouderijen. De vaststelling dat er waarschijnlijk sprake is van een oorzakelijk verband vormt volgens de Gezondheidsraad voldoende aanleiding om op basis van het voorzorgbeginsel maatregelen te nemen. De Raad benoemt ook een plausibel werkingsmechanisme, waarbij meerdere factoren een rol spelen, niet alleen micro-organismen maar ook fijnstof en endotoxinen die vanuit de stal naar de omgeving worden verspreid kunnen bijdragen aan het verhoogde risico op longontsteking bij omwonenden.
Het kabinet heeft dus voldoende wetenschappelijke onderbouwing om op grond daarvan te besluiten dat uit voorzorg maatregelen nodig zijn. In de eerdergenoemde kabinetsreactie7 is een maatregelenpakket opgenomen, langs meerdere sporen: het uitwerken van een afstandsnorm, emissiereductie op bedrijven, een maatwerkaanpak voor prioritaire locaties en monitoring van gezondheidseffecten en emissies. De komende maanden worden deze maatregelen, parallel aan elkaar, nader uitgewerkt. Op basis van een afweging van belangen zal het kabinet vervolgens een besluit over maatregelen nemen met het oog op een gezonde leefomgeving. Omdat de maatregelen deels gebaseerd zullen zijn op voorzorg, worden de risico’s en effecten van de maatregelen ook in de toekomst gevolgd en geëvalueerd.
4
Hoe weegt u kritische wetenschappelijke geluiden mee in de uiteindelijke besluitvorming, om te voorkomen dat er disproportionele maatregelen worden getroffen op basis van onvolledige data?
Antwoord:
In het algemeen zijn kritische wetenschappelijke geluiden zeer waardevol. In dat verband draagt wetenschappelijke peer review bij aan kritische toetsing en validatie van wetenschappelijk onderzoek,. De resultaten van het VGO-onderzoek zijn meermaals (internationaal) peer reviewed en intercollegiaal getoetst. De resultaten zijn positief beoordeeld en gepubliceerd in (internationale) vaktijdschriften (zie Aanhangsel van de Handelingen TK 2024–2025, nr. 1957). De Gezondheidsraad heeft de bewijskracht in deeladvies I beoordeeld. Er is nauwkeurig gekeken naar de resultaten van het onderzoek.
Voor de invulling van mogelijke beleidsmaatregelen kijkt het kabinet nauwkeurig naar het Gezondheidsraadadvies.
5
In de kabinetsreactie wordt melding gemaakt van een sectorplan dat door de geitensector zelf is gepubliceerd. In hoeverre bent u bereid om dit sectorplan als leidraad te nemen voor vrijwillige emissiereducerende maatregelen, in plaats van het opleggen van een nationaal uniform moratorium of dwingende afstandsnormen?
Antwoord:
In de eerdergenoemde kabinetsreactie is een maatregelenpakket opgenomen, langs meerdere sporen: het uitwerken van een afstandsnorm, emissiereductie op bedrijven, een maatwerkaanpak voor prioritaire locaties en monitoring van gezondheidseffecten en emissies. De komende maanden worden deze maatregelen, parallel aan elkaar, nader uitgewerkt. Zowel het onderzoek van de WUR8 als het sectorplan zullen worden meegenomen in het verder uitwerken van de mogelijkheden voor emissiereductie op bedrijfsniveau. Op basis van het onderzoek van WUR en het sectorplan zullen in gesprek met de sector eventuele vrijwillige maatregelen worden besproken die de sector op korte termijn kan nemen. Aangezien nog niet duidelijk is wat de effecten van dergelijke maatregelen op het risico voor de volksgezondheid zijn, kan niet op voorhand worden besloten dat deze in plaats van een afstandsnorm kunnen komen.
6
Er wordt verwezen naar een onderzoek van de WUR naar emissiereductie dat in het eerste kwartaal van 2026 wordt verwacht. Bent u bereid om te wachten met het definitief vastleggen van een maatregelenpakket totdat de resultaten van dit onderzoek en de juridische analyse van de motie-Kostić volledig zijn afgerond en gedeeld met de Kamer?
Antwoord:
De juridische analyse van de motie Kostic (TK 29 683, nr. 305) is op 17 oktober 2025 naar de Kamer gestuurd.9 Het onderzoek van de WUR is op 18 februari gedeeld met de Kamer.10 Indien uw vraag gaat over de uitvoer van de nieuwe motie Kostic (TK 29 683, nr. 320) van 29 januari 2026, zie het antwoord op vraag 1.
7
Deze leden hechten aan maatwerk en proportionaliteit. Hoe voorkomt u dat algemene maatregelen, zoals een uitbreidingsverbod, ook boeren treffen die al fors hebben geïnvesteerd in emissiearme technieken of die gevestigd zijn in gebieden waar de incidentie van longontsteking niet verhoogd is?
Antwoord:
Het maatregelenpakket dat in de kabinetsreactie is aangekondigd zal de komende maanden nader worden uitgewerkt. Ook wordt een brede impactanalyse uitgevoerd, zodat integrale bespreking, weging en besluitvorming kan plaatsvinden. Zoals eerder genoemd zullen daarbij verschillende belangen worden meegewogen, waaronder sociaaleconomische belangen van geitenhouders. Het uitgangspunt is dat maatregelen proportioneel, geschikt en noodzakelijk zijn.
8
Ook wordt er gesproken over het reduceren van emissies als meest aangewezen manier om risico’s te beperken. Kunt u bevestigen dat innovatie en stalmanagement de voorkeur genieten boven koude sanering of het gedwongen verplaatsen van bedrijven?
Antwoord:
Het heeft altijd de voorkeur om het gezondheidsrisico zo gericht mogelijk aan te pakken, met zo min mogelijk negatieve maatschappelijke en economische neveneffecten. Een vereiste is wel dat maatregelen bewezen effectief zijn. Er zijn op dit moment nog geen bewezen effectieve bedrijfsmaatregelen om het gezondheidsrisico te reduceren. Daarvoor is nader onderzoek nodig dat momenteel in gang wordt gezet en waarover de Kamer is geïnformeerd in de brief van 18 februari jl. Zolang er nog geen bewezen effectieve bedrijfsmaatregelen zijn, moet worden teruggevallen op meer generieke maatregelen, zoals een uit te werken afstandsnorm, om het gezondheidsrisico te reduceren. Het kabinet heeft dan ook een breed maatregelenpakket aangekondigd, dat nu nader wordt uitgewerkt.
9
De Gezondheidsraad adviseert maatregelen op basis van het voorzorgsbeginsel omdat een oorzakelijk verband waarschijnlijk is, maar erkent tegelijkertijd dat de exacte bron of verwekker nog niet is geïdentificeerd. Kunt u uiteenzetten waar de grens ligt voor de toepassing van het voorzorgsprincipe? In hoeverre moet er sprake zijn van een bewezen risico voordat ingrijpende beperkingen op de uitoefening van eigendom en bedrijfsvoering (zoals een bouwstop) juridisch houdbaar zijn?
Antwoord:
Gesteund door het advies van de Gezondheidsraad kan worden geconcludeerd dat er op basis van objectief wetenschappelijk onderzoek gerede aanwijzingen zijn dat er een verband is tussen het verhoogd risico op longontsteking onder direct omwonenden van geitenhouderijen en de aanwezigheid van die geitenhouderijen. Hoewel de exacte bron nog niet onomstotelijk is geïdentificeerd, bieden deze gerede aanwijzingen, zoals hiervoor uiteengezet, de overheid een basis om onder het voorzorgsbeginsel maatregelen te treffen. Voor zover deze maatregelen verboden of verplichtingen inhouden, is een specifieke wettelijke grondslag vereist. Ontbreekt deze, dan dient hiertoe eerst wetgeving te worden voorbereid. Bij de keuze en vormgeving van de maatregelen staan geschiktheid, noodzaak en proportionaliteit centraal, waarbij de aard en zwaarte van de maatregel in redelijke verhouding moeten staan tot de aard van de onzekerheid en de ernst van de dreigende schade. Die eisen vormen dus een begrenzing voor de toepassing van het voorzorgsprincipe.
10
Erkent u dat het voorzorgsbeginsel volgens Europese richtlijnen ook inhoudt dat maatregelen proportioneel moeten zijn en dat de voordelen moeten opwegen tegen de sociaaleconomische kosten?
Antwoord:
Het kabinet neemt proportionaliteit uiteraard mee in de afwegingen rondom maatregelen en daarom is een brede impactanalyse onderdeel van het traject.
11
Hoe is deze kosten-batenanalyse specifiek voor de geitensector uitgevoerd, en welke rol speelde de continuïteit van gezinsbedrijven hierin?
Antwoord:
Het uitgangspunt is dat maatregelen proportioneel, geschikt en noodzakelijk zijn. De komende maanden wordt het maatregelenpakket nader uitgewerkt en zal een brede impactanalyse worden uitgevoerd, waarin ook de sociaaleconomische impact op de geitensector wordt meegenomen. Daarmee kan een integrale bespreking, weging en besluitvorming plaatsvinden.
12
In de technische toelichting van de Gezondheidsraad wordt gesproken over een verhoogd risico tot 1 kilometer afstand. Bent u het ermee eens dat het toepassen van het voorzorgsprincipe via een landelijk uniform moratorium (zoals verzocht in de motie-Kostić) indruist tegen het principe van proportionaliteit, aangezien de risico’s lokaal sterk kunnen verschillen?
Antwoord:
Het kabinet werkt aan een maatregelenpakket, waar een afstandsnorm (voor nieuwbouw en mogelijk ook uitbreiding), emissie reducerende bedrijfsmaatregelen en lokaal maatwerk op prioritaire locaties onderdeel van uitmaken. Een afstandsnorm is een meer gericht instrument dan een moratorium omdat deze alleen zou gelden op die locaties waar het risico voor de volksgezondheid aanwezig is.
13
Hoe voorkomt u dat het voorzorgsprincipe wordt gebruikt als een instrument voor beleid op basis van angst, in plaats van beleid op basis van feiten?
Antwoord:
Het beleid wordt gebaseerd op geobjectiveerd onderzoek, feiten en een transparante belangenafweging. Hierbij wordt uiteraard acht geslagen op de maatschappelijke zorgen over de risico’s en wordt mogelijk beleid altijd getoetst aan de stand van de wetenschap, de ernst en waarschijnlijkheid van mogelijke schade. Als op basis van objectief wetenschappelijk onderzoek gerede aanwijzingen zijn dat er een verband is tussen een bron en een risico, maar er (nog) geen wetenschappelijke zekerheid is, is dit voor de overheid geen reden om in afwachting van nader onderzoek niets te doen (zie ook het antwoord op vraag 3).
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Knapen (BBB), Van der Linden (VVD), Van Meenen (D66), Nicolaï (PvdD), Oplaat (BBB) (voorzitter), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Rietkerk (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Straus (VVD), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Bakker-Klein (CDA), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Kaljouw (VVD), Kemperman (FVD), Van Knapen (BBB), Koffeman (PvdD), Van der Linden (VVD), Moonen (D66), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Knapen (BBB), Van der Linden (VVD), Van Meenen (D66), Nicolaï (PvdD), Oplaat (BBB) (voorzitter), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Rietkerk (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Straus (VVD), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Bakker-Klein (CDA), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Kaljouw (VVD), Kemperman (FVD), Van Knapen (BBB), Koffeman (PvdD), Van der Linden (VVD), Moonen (D66), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28973-Y.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.