Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 maart 2026
Op 9 januari jl. is de Kamer geïnformeerd over de kabinetsreactie op het tweede deeladvies
van de Gezondheidsraad (GR) over gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen.1, 2 In deze brief is aangegeven dat het advies een aantal vragen opriep, die ter beantwoording
zijn neergelegd bij de VGO-onderzoekers.3 Bij deze stuur ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur, de antwoorden op deze vragen.
De eerste vraag gaat over het verhoogde risico op een longontsteking binnen een woonafstand
van 500–1.000 meter van geitenhouderijen. Achtergrond van deze vraag is dat in het
tweede deeladvies van de GR staat dat het risico op longontsteking het sterkst verhoogd
is binnen een woonafstand van 0–500 meter van een geitenhouderij (73%). Binnen een
woonafstand van 0–1.000 meter is dat minder (19%). Omdat het gezondheidsrisico afneemt
met een grotere woonafstand van een geitenhouderij is van belang te weten hoe groot
het risico is op een woonafstand tussen 500–1.000 meter van geitenbedrijven, naast
een risico-inschatting over de gehele kilometer. Over het risico binnen een woonafstand
van 500–1.000 meter kon de GR geen aparte schatting maken, omdat deze afstand niet
is opgenomen in de gepubliceerde resultaten van het VGO-onderzoek. Aan de VGO-onderzoekers
is gevraagd om deze schatting alsnog te maken, op basis van de oorspronkelijke data.
Het antwoord wordt als bijlage bij deze brief naar de Kamer gestuurd (bijlage 1).
De VGO-onderzoekers geven daarin aan dat tussen 500–1.000 meter vanaf een geitenhouderij
14% meer gevallen van longontsteking worden gevonden dan op grotere afstand (op meer
dan 1.000 meter). Omdat de patiënten binnen 500 meter niet meegenomen worden in deze
groep, is het risico tussen 500–1.000 meter lager (14% t.o.v. 19%) en, volgens de
analyse van de onderzoekers, niet meer statistisch significant.
De GR gaf in zijn advies aan dat op basis van de beschikbare resultaten niet duidelijk
is of naast de aanwezigheid van geitenhouderijen ook het
aantal geiten een effect heeft op het risico op longontsteking bij omwonenden. De
tweede vraag gaat dan ook over het in beeld brengen van de relatie tussen omvang van
geitenbedrijven en het risico voor omwonenden, in relatie tot emissiereducerende maatregelen
in de bedrijfsvoering. Het antwoord hierop staat in de tweede bijlage bij deze brief.
De VGO-onderzoekers concluderen dat zij op basis van het VGO-onderzoek geen onderbouwde
uitspraken kunnen doen over de invloed van bedrijfsgrootte op het gezondheidsrisico
(longontsteking) voor omwonenden. Dat wil niet zeggen dat die invloed er niet is,
maar uit de beschikbare data kan deze invloed niet worden aangetoond.
Beide antwoorden worden meegenomen in de uitwerking van het maatregelenpakket, waarover
de Kamer zoals toegezegd voor de zomer verder wordt geïnformeerd.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.Th.M. Hermans