Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 maart 2018
Hierbij ga ik in op uw verzoek van 25 januari 2018 (Handelingen II 2017/18, nr. 44, item 8), waarin u naar aanleiding van het NRC-artikel «Rechten jongeren in geding bij voorlopige
hechtenis» (NRC.nl, 25 januari 2018) vraagt om een reactie op het proefschrift van
de heer Y.N. van den Brink getiteld «Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht».1
Promotieonderzoek «Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht»
Het proefschrift beziet hoe de voorlopige hechtenispraktijk in het Nederlandse jeugdstrafrecht
zich verhoudt tot internationale en Europese kinder- en mensenrechtenverdragen en
-richtlijnen. Uit het promotieonderzoek komt naar voren dat terughoudend moet worden
omgegaan met voorlopige hechtenis bij jeugdigen en dat deze slechts als uiterste maatregel
en voor de kortst mogelijke duur dient worden toegepast. In het promotieonderzoek
wordt geconcludeerd dat in de Nederlandse praktijk de voorlopige hechtenis soms wordt
bevolen met als doel te kunnen schorsen en aan die schorsing bijzondere voorwaarden
te verbinden. De onderzoeker stelt dat de bescherming van minderjarige verdachten
tegen onrechtmatige en willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis in het huidige
systeem niet optimaal is gewaarborgd, en geeft een aanzet tot het ontwikkelen van
een model van «voorlopige preventieve maatregelen» om het schorsingsmodel te vervangen.
Voorlopige hechtenis als uiterste maatregel
Het is en blijft aan de rechter om per individuele zaak te bepalen of de toepassing
van voorlopige hechtenis gegeven de omstandigheden van het geval noodzakelijk is.
In het jeugdstrafprocesrecht geldt ten aanzien van de voorlopige hechtenis het uitgangspunt
«schorsen, tenzij». Dit komt tot uiting in artikel 493, eerste lid, van het Wetboek
van Strafvordering, dat voorschrijft dat de rechter die de voorlopige hechtenis beveelt,
ambtshalve moet nagaan of deze onmiddellijk of op een later moment kan worden geschorst.
Ik meen dat ook daarin het uitgangspunt dat vrijheidsbeneming een uiterste maatregel
is, krachtig tot uitdrukking komt. Uit het WODC-onderzoeksrapport «Voorlopige hechtenis
van jeugdigen in uitvoering», uitgevoerd door dezelfde onderzoeker, blijkt dat veelvuldig
gebruik wordt gemaakt van de schorsing onder voorwaarden als alternatief voor de vrijheidsbeneming:
gedurende het strafproces wordt 55 procent van de bevelen tot voorlopige hechtenis
direct geschorst.2 In mijn brief d.d. 20 december 2017 betreffende justitiële jeugd ben ik ingegaan
op de bevindingen van het WODC-onderzoek.3
Recente ontwikkelingen
Uiteraard dient bij de toepassing van de voorlopige hechtenis te worden gestreefd
naar de optimale waarborging van de rechten van de minderjarige verdachte. Dit heeft
mijn aandacht en in dit kader wil ik hier enkele ontwikkelingen aanhalen.
Momenteel wordt de EU-richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die
verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (2016/800/EU) geïmplementeerd. De
richtlijn dient uiterlijk in juni 2019 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Het
wetsvoorstel tot implementatie verkeert in de fase van de consultatie. In het wetsvoorstel
komt, met de voorgenomen wijzigingen van artikel 493 Sv, tot uitdrukking dat vrijheidsbeneming
een uiterste maatregel is en slechts voor een zo kort mogelijke en passende duur toepassing
kan vinden.
Ook komen de voorlopige hechtenis en alternatieven daarvoor aan bod in het kader van
de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Bij brief van 20 december 2017
is de Kamer geïnformeerd over de planning van het wetgevingsprogramma ter zake van
de modernisering.4 Daarnaast is in 2015 de verkenning invulling justitiële jeugd (VIV JJ) gestart om te komen tot een toekomstig stelsel van vrijheidsbeneming van justitiële
jongeren. Hierin onderzoek ik onder meer de mogelijkheden voor alternatieven voor
de vrijheidsbeneming in de justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s). Onderliggend aan
dit traject is de wens voor meer differentiatie in zorg en beveiligingsniveau, gericht
op een persoonsgerichte aanpak binnen de kaders van het jeugdstrafrecht.
Het proefschrift geeft een belangrijk signaal af. Met de toepassing van vrijheidsbeneming
bij jeugdigen dient terughoudend te worden omgegaan.
Ik onderstreep het belang dat zowel tijdens het strafproces als bij de tenuitvoerlegging
van sancties voldoende alternatieven voor de vrijheidsbeneming beschikbaar zijn en
dat er waarborgen bestaan voor de bescherming van de rechten van minderjarigen. Met
eerder genoemde ontwikkelingen draag ik bij aan een zorgvuldige invulling van vrijheidsbeneming
als uiterste maatregel.
De Minister voor Rechtsbescherming,
S. Dekker