Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 28741 nr. 133 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 28741 nr. 133 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 januari 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer over een aantal ontwikkelingen met betrekking tot justitiële jeugd. Dit zijn jeugdigen die in aanraking komen met justitie vanwege de verdenking van een strafbaar feit. De volgende onderwerpen komen in deze brief aan de orde:
1. Verhogen strafmaat 14- en 15-jarigen
2. Stimuleren ouderverantwoordelijkheid
3. Versterking jeugdstrafrechtketen en aanpak wachtlijsten
4. Preselect Recidive
5. Motie lid Mutluer (GroenLinks/PvdA) over toezicht op zedendelinquenten
In het regeerprogramma is opgenomen dat het jeugdstrafrecht wordt aangescherpt door de maximale straffen voor 14- en 15-jarigen te verhogen.1 Ik maak mij grote zorgen over de soms zeer ernstige delicten die door jongeren uit deze leeftijdscategorie worden gepleegd. Dit leidt tot maatschappelijke onrust. Het voornemen uit het regeerprogramma beoogt daarom meer ruimte te bieden om jeugdigen in deze leeftijdscategorie passend te straffen.
Het afgelopen jaar is onderzocht hoe deze opgave kan worden uitgewerkt en wat de gevolgen hiervan zijn voor de (jeugd)strafrechtketen. In de verzamelbrief Justitiële Jeugd van 20 mei 2025 is de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.2 In deze brief werd onder andere de wetssystematiek van het jeugdstrafrecht toegelicht, waarbij is opgemerkt dat het huidige jeugdstrafrecht 14- en 15-jarigen niet als aparte leeftijdsgroep kent. Deze groep maakt deel uit van de leeftijdsgroep 12 tot en met 15 jaar, waarvoor op dit moment een maximale jeugddetentieduur van één jaar geldt, terwijl voor de leeftijdsgroep van 16- en 17-jarigen een maximale jeugddetentieduur van twee jaar geldt. Aanpassingen van de strafmaat voor 14- en 15-jarigen raken de samenhang in het gehele strafstelsel voor minderjarigen. Daarom is aangegeven dat het verhogen van de maximale straffen naar verwachting zal leiden tot een verzwaring van alle (gevangenis)straffen voor deze doelgroep en daarmee een flinke impact zal hebben op de justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s), zowel financieel als wat betreft de capaciteit. De afgelopen periode heb ik in dit verband drie scenario’s nader verkend.
Het eerste scenario betreft het enkel verhogen van de maximale gevangenisstraf voor 14- en 15-jarigen, zoals voorgenomen in het regeerprogramma. Deze verhoging veroorzaakt een substantiële breuk met de bestaande systematiek van het jeugdstrafrecht. Het uitgangspunt dat een hogere leeftijd een hogere mate van verantwoordelijkheid met zich brengt, en daarmee een hogere straf rechtvaardigt, zou immers verregaand worden aangetast als voor een 14-jarige dezelfde maximale straf geldt als voor een 17-jarige (of zelfs een 18- tot 23-jarige die volgens het jeugdstrafrecht wordt berecht). Het tweede scenario betreft het verhogen van de strafmaat voor 14- en 15-jarigen voor slechts een aantal excessieve delicten. Dit scenario zou ook een breuk betekenen met de systematiek van het jeugdstrafrecht, zoals geschetst in scenario 1. Daarnaast zou tevens een kloof ontstaan als zou worden bepaald dat voor vrijwel alle zaken waarin een 14- of 15-jarige terechtstaat het bestaande strafmaximum van één jaar jeugddetentie volstaat, en dat alleen voor enkele – de meest ernstige – gevallen een hoger strafmaximum zou gelden.
Als laatste is een derde scenario verkend, namelijk de verhoging van de maximale straffen voor alle jeugdigen. Dit scenario zorgt ervoor dat het stelsel van strafmaxima binnen het jeugdstrafrecht in balans blijft. Het betreft echter een wijziging in het stelsel van het jeugdstrafrecht die groter is dan de opgave uit het regeerprogramma, met bovendien grote uitvoeringsconsequenties, in het bijzonder voor de JJI’s.
Samenvattend concludeer ik dat het verhogen van de strafmaat voor 14- en 15-jarigen leidt tot keuzes die vragen om een veel bredere beziening van het jeugdstrafrechtstelsel in zijn geheel. Dit is voor mij aanleiding geweest om een impactanalyse in gang te zetten, zodat in kaart kan worden gebracht wat de consequenties zijn als voor zeer ernstige misdrijven de maximale gevangenisstraffen van jeugdigen worden verhoogd. In deze impactanalyse worden de effecten en kosten van diverse varianten van strafmaatverhogingen in kaart gebracht. Zo kan mijn ambtsopvolger zonder vertraging en op basis van de impactanalyse bepalen op welke wijze de strafmaat het beste kan worden verhoogd. Voor de zomer van 2026 zal de Kamer nader worden geïnformeerd over de stand van zaken.
In het regeerprogramma is aangekondigd dat het kabinet werkt aan mogelijkheden om ouders aan te spreken op hun verantwoordelijkheid in geval van delicten gepleegd door hun kinderen.3 De mogelijkheden om ouderbetrokkenheid te stimuleren zijn onderzocht; daarover is uw Kamer middels de verzamelbrief Justitiële Jeugd van 20 mei 2025 geïnformeerd.4 Daarbij zijn drie acties aangekondigd waarover ik uw Kamer hierbij nader informeer. Vervolgens vat ik samen op welke manier ouders nu al worden betrokken in de jeugdstrafrechtketen. Ten slotte ga ik nog in op de motie van het lid Dral (VVD) inzake dwangmaatregelen ouders.
Bredere inzet instrument «Ouders aan zet»
In de brief van 20 mei 2025 is aangekondigd in gesprek te gaan met de jeugdstrafrechtketenpartners over bredere inzet van het instrument «Ouders aan zet». Dit instrument wordt momenteel bij stichting Halt toegepast als vast onderdeel van hun werkwijze. Met de inzet van het hulpmiddel worden ouders betrokken bij de uitvoering of naleving van de aan hun kind opgelegde interventie, waarbij tegelijkertijd wordt ingezet op versterking van hun opvoedvaardigheden.
Ik heb onderzocht of er geschikte mogelijkheden zijn voor doorontwikkeling van «Ouders aan zet» voor toepassing binnen de jeugdreclassering. Hierbij kwam naar voren dat de jeugdreclassering het belang van ouderlijke betrokkenheid bij het strafrechtelijke traject van hun kind van harte onderschrijft. De ouders worden daarom, ook nu al, nadrukkelijk betrokken als hun kind een traject van toezicht en begeleiding in gaat.
Op dit moment wordt gewerkt aan de implementatie van de nieuwe landelijk uniforme methodiek Jeugdreclassering in Verbinding (JRiV). Een van de kernelementen van JRiV is het bereiken van een goede samenwerking met ouders. Voor implementatie ontbreken nu echter de middelen. Met Jeugdzorg Nederland wordt gekeken op welke wijze op korte termijn JRiV wél kan worden beproefd. Daarbij kan ook worden bezien welke aanvullingen op de methodiek eventueel nuttig zijn, zoals «Ouders aan zet». Ik blijf hierover met Jeugdzorg Nederland in gesprek.
Rol ouders bij de aan het kind gestelde bijzondere voorwaarden
Daarnaast is in de brief van 20 mei 2025 aangegeven dat wordt verkend of ouders nadrukkelijker kunnen worden betrokken in bijzondere voorwaarden die door de rechter aan een jeugdige worden opgelegd in het vonnis. Momenteel beperkt de mogelijke rol van ouders in bijzondere voorwaarden zich tot gevraagde medewerking aan gezinsgerichte therapie die als bijzondere voorwaarde aan de jeugdige kan worden opgelegd.5 Uit de verkenning is duidelijk geworden dat de wet geen ruimte biedt om voorwaarden op te leggen aan ouders in het kader van de veroordeling van hun kind, aangezien de op te leggen bijzondere voorwaarden gericht moeten zijn op het gedrag van de verdachte zelf. Dit volgt uit het individueel schuldbeginsel, dat inhoudt dat strafrechtelijke consequenties alleen voor rekening kunnen komen van de dader zelf. Het is daarom niet mogelijk om ouders een verdergaande of meer nadrukkelijke rol te geven in de bijzondere voorwaarden die aan een jeugdige kunnen worden opgelegd.
Vaststellen civielrechtelijke aansprakelijkheid van ouders in strafzaken
Ten slotte is in de brief van 20 mei 2025 aangekondigd dat wordt bekeken of de civielrechtelijke schuldaansprakelijkheid van ouders van 14- en 15-jarigen ook in strafzaken zou kunnen worden vastgesteld. Momenteel wordt – in gevallen waarbij een schadeclaim in een strafzaak is gevoegd – doorgaans alleen over de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte zelf geoordeeld. Bij verdachten onder de 14 jaar wordt een vordering tot schadevergoeding «geacht te zijn gericht tegen de ouders» (artikel 496, vierde lid, en artikel 51g, vierde lid, WvSV), omdat van kinderen tot die leeftijd wordt aangenomen dat zij de gevolgen van hun handelen niet altijd kunnen overzien. De ouderaansprakelijkheid voor de schade veroorzaakt door kinderen onder de 14 jaar is civielrechtelijk een risicoaansprakelijkheid en daarmee een gegeven (artikel 6:169, lid 1 BW). Dit vraagt dus geen nadere beoordeling van de strafrechter.
Een nadere verkenning leert dat het aansprakelijk stellen van ouders van kinderen van 14 of 15 jaar in strafzaken niet mogelijk is. Dat hangt samen met het feit dat de aansprakelijkheid van ouders met gezag met betrekking tot schade veroorzaakt door hun 14- en 15-jarige kinderen een schuldaansprakelijkheid is.6 Anders dan bij civiele vorderingen tegen ouders van verdachten onder de 14 jaar staat de aansprakelijkheid van de ouders in deze zaken niet vast. De vraag naar de schuldaansprakelijkheid van de ouders valt dan ook buiten het beoordelingskader van de strafrechter. Daarnaast is de beoordeling van de vraag of ouders aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade die hun kind heeft veroorzaakt belastend voor het strafproces, omdat het veelal complex en tijdrovend zal zijn. Een beoordeling van de schuldaansprakelijkheid van de ouders vraagt bovendien om aanvullende waarborgen, waaronder de mogelijkheid voor ouders om rechtsbijstand in te schakelen. Dit zou het strafproces en de doorlooptijden van zaken dermate belasten dat de tijdige afdoening van jeugdstrafzaken, die veelal toch al onder druk staat, in het gedrang komt. Ouders van 14- en 15-jarigen kunnen daarom alleen middels een afzonderlijke civiele procedure aansprakelijk worden gesteld voor schade die hun kind veroorzaakt heeft.
Huidige betrokkenheid ouders in de jeugdstrafrechtketen
Ondanks het feit dat ouders aldus in het strafrechtelijke traject niet explicieter of vaker kunnen worden aangesproken op de misdragingen van hun kind, wil ik erop wijzen dat ouders in de huidige situatie al intensief betrokken worden bij de strafrechtelijke vervolging van hun kind. Hieronder licht ik graag toe hoe ouders momenteel in verschillende fasen van het strafproces worden betrokken.
Allereerst heeft de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) contact met de ouders direct na een inverzekeringstelling op het politiebureau, in het kader van «vroeghulp». Als er vervolgens een opsporingsonderzoek volgt, vinden in het kader daarvan ook gesprekken plaats met de ouders apart en met het kind samen. Het doel hiervan is om meer te weten te komen over de persoonlijke omstandigheden van het kind en het gezin. Hierbij wordt ook gecontroleerd of er sprake is van een zorgelijke thuissituatie, wat er zo nodig ook toe zou kunnen leiden dat de RvdK een beschermingsonderzoek start dat kan leiden tot bijvoorbeeld een civielrechtelijke ondertoezichtstelling. Daarbij kunnen aan ouders verplichtingen ten aanzien van de opvoeding worden opgelegd, zolang hun kind minderjarig is. Dit kan opgelegd worden als ouders structureel geen betrokkenheid en medewerking tonen bij gedragsinterventies van hun kind, in situaties waarbij het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
Wanneer na aanhouding wordt gekozen voor een buitenstrafrechtelijke afdoening door Halt in het geval van een licht vergrijp, wordt door Halt aan ouders gevraagd om mee werken aan het vormgeven van een passende strafmaatregel en deze samen met hun kind uit te voeren middels het hierboven genoemde instrument «Ouders aan zet».
Sinds 2011 geldt verder een wettelijke verschijningsplicht voor ouders bij de terechtzitting in een strafzaak tegen hun minderjarige kind (artikel 496, eerste lid, WvSv). De aanwezigheid van ouders tijdens de terechtzitting geeft de officier van justitie en rechters de mogelijkheid om ouders over hun kind te bevragen en hen bij het strafproces en de sanctionering te betrekken. Ouders worden tijdens de zitting gevraagd om hun beeld van de situatie te schetsen en een reactie te geven op het (delict)gedrag van hun kind (artikel 496, vierde lid, WvSv). Indien de ouders niet op de terechtzitting verschijnen, kan de rechter beslissen tot aanhouding van de zaak en daarbij een bevel medebrenging van de ouders geven voor de volgende zittingsdag (artikel 496a WvSv).
Als er zorgen zijn over de opvoedvaardigheid van de ouders of in het algemeen over het functioneren van het gezinssysteem, kan de rechter als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling aan de jeugdige een vorm van jeugdhulp opleggen die gericht is op het functioneren van het gezinssysteem. Deze voorwaarde is gericht op het gedrag van de verdachte, maar tegelijkertijd worden ook de ouders actief betrokken. Voorbeelden daarvan zijn Multi Systeem Therapie, waarbij nadrukkelijk aandacht is voor de opvoedingsrol van de ouders, en Multi Dimensionele Familie Therapie. De jeugdreclassering voert de regie op de uitvoering hiervan, in het kader van toezicht en begeleiding.
Bij aanvang van een traject van toezicht en begeleiding wordt een plan opgesteld waarin altijd ook de gezinssituatie in beeld wordt gebracht, hierbij worden de ouders nadrukkelijk betrokken.
Daarnaast heeft het betrekken van ouders en het verstevigen van hun rol, zoals hierboven aangegeven, een belangrijke rol in de nieuw ontwikkelde methodiek van de jeugdreclassering.
Ten slotte worden in het geval van jeugddetentie in een justitiële jeugdinrichting (JJI) ouders actief betrokken tijdens de detentie van hun kind. De JJI’s werken met de basismethodiek Youturn, waarbij ouders nauw betrokken worden doordat ze samen met hun kind systeemgerichte gedragsinterventies doorlopen.
Motie lid Dral (VVD) inzake dwangmaatregelen ouders
Op 8 september 2025 is een motie aangenomen van het lid Dral (VVD) «om te verkennen welke effectieve dwangmiddelen [jegens ouders] mogelijk zijn en bij welke instanties deze bevoegdheid moet worden belegd».7 In reactie op deze motie bericht ik uw Kamer als volgt. De gevraagde verkenning viel samen met het in de brief van 20 mei 2025 aangekondigde onderzoek naar aanvullende mogelijkheden binnen het strafrecht om ouders niet-vrijblijvend te kunnen aanspreken op het gedrag van hun kind. Daarover heb ik hierboven aangegeven geen aanvullende mogelijkheden te zien. Er zijn echter wel mogelijkheden voor de burgemeester om – zij het soms indirect – in bepaalde gevallen dwang uit te oefenen op ouders, door middel van bestuurlijke handhaving op lokale verbodsbepalingen met betrekking tot de openbare orde en veiligheid. Daartoe kan de gemeenteraad bijvoorbeeld een verbod op hinderlijk gedrag en/of een verbod op het dragen van messen in de openbare ruimte opnemen in de algemene plaatselijke verordening (APV).8 Ten aanzien van ouders of gezagsdragers van kinderen onder de 12 jaar heeft de burgemeester daarnaast de bevoegdheid om hen het bevel te geven ervoor te zorgen dat kun kind zich niet onbegeleid op bepaalde plaatsen bevindt of ’s nachts op straat rondhangt (artikel 172b van de Gemeentewet).
De burgemeester kan in geval van overtreding van de APV een last onder dwangsom opleggen ter voorkoming van herhaalde overtreding. Hoewel de last onder dwangsom wordt opgelegd aan de overtreder, zal dit in geval van minderjarigheid van de overtreder naar verwachting ook voor de ouders als dwangmaatregel ervaren worden, aangezien zij een eventuele dwangsom in praktijk vermoedelijk voor hun rekening zullen nemen.
In reactie op een voorstel daartoe uit de initiatiefnota van het lid Verkuijlen (VVD) «Opvoeden die handel»9, heeft toenmalig Minister voor Rechtsbescherming Weerwind vorig jaar een handreiking voor gemeenten beschikbaar gesteld met afwegingskaders voor prudent gebruik van de last onder dwangsom, te vinden op de website van het Centrum voor Criminaliteitsbestrijding en Veiligheid (CCV).10
De Inspectie Justitie en Veiligheid concludeerde in haar rapport uit 2024 over wachtlijsten in de jeugdstrafrechtketen(hierna: het Inspectierapport) dat jeugdigen nog te lang moeten wachten op een straf of maatregel.11 Zij signaleerde dat het pedagogische uitgangspunt van het jeugdstrafrecht daardoor onder druk staat. In de verzamelbrief Justitiële Jeugd van 20 mei 2025 is hierop een beleidsreactie gegeven en toegezegd uw Kamer eind 2025 over de voortgang te informeren.12 Ter versterking van de jeugdstrafrechtketen en aanpak van de wachtlijsten zijn diverse ontwikkelingen in gang gezet, die ik hieronder toelicht.
Duurzame aanpak van doorlooptijden en wachtlijsten
Om een duurzame aanpak van doorlooptijden en wachtlijsten in de jeugdstrafrechtketen te realiseren wordt aangesloten bij bestaande verbetertrajecten binnen de strafrechtketen. Een voorbeeld is de aanstelling van ketencoördinatoren in de regio’s om de regionale samenwerking binnen strafrechtorganisaties te verbeteren. Daarvan hebben er zes specifiek de opdracht gekregen om jeugdzaken te versnellen. Zoals aangekondigd in de voortgangsbrief strafrechtketen van 5 juni 2025,wordt er naast de bestaande verbetertrajecten gewerkt aan een meerjarenagenda ter verbetering van de doorlooptijden.13 Jeugd is hierin een van de drie geprioriteerde zaakstromen. In de meerjarenagenda stellen de strafrechtketenorganisaties zich tot doel in 2026 in 70% en in 2028 in 80% van alle jeugdzaken de afgesproken doorlooptijden en normen voor tijdige advisering te halen. De maatregelen uit de meerjarenagenda zijn opgenomen in de voortgangsbrief Strafrechtketen van december 2025.14
Inzet op capaciteitsverbetering
Aan het terugdringen van wachtlijsten in de jeugdstrafrechtketen wordt ook gewerkt door inzet op capaciteitsverbetering. Het ministerie maakt in zijn rol van opdrachtgever afspraken over benodigde middelen met de organisaties en onderzoekt samen met hen mogelijke acties ter verbetering van capaciteit.
Bij de politie wordt gewerkt aan het aanvullen van de politiecapaciteit. Er wordt bijvoorbeeld ingezet op gedifferentieerde instroom van opsporingsmedewerkers, zodat nieuwe medewerkers met een andere studie- of arbeidsachtergrond eenvoudiger kunnen instromen zonder de gehele politieopleiding te hoeven volgen.
Voor een duurzame aanpak van de capaciteitsproblemen binnen de JJI’s is een nieuwe balans tussen kwaliteit (zorg en veiligheid) en randvoorwaarden voor de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) nodig. Zoals aangegeven in de brief van 23 september 2025 werk ik momenteel in gezamenlijkheid met de DJI en de andere relevante partijen en departementen aan een herbezinning die moet leiden tot een uitvoerbare opdracht voor JJI’s gelet op de beschikbaarheid van personeel, capaciteit en financiën.15 Uw Kamer wordt in het voorjaar van 2026 nader geïnformeerd over deze herbezinning.
Inzet op jeugdspecialisme, verbeterde informatieoverdracht en routering
Naar aanleiding van de aanbevelingen in het Inspectierapport is in het voorjaar van 2025 een werkgroep opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de jeugdstrafrechtketenorganisaties. Deze werkgroep, voorgezeten door mijn ministerie, onderzoekt verbeteringen op het gebied van jeugdspecialisme, informatieoverdracht en routering van jeugdstrafzaken, met als doel de wachtlijsten te verminderen. De organisaties rapporteren de volgende voortgang op genoemde aanbevelingen:
− Binnen de politie is er een vernieuwde opleiding Zorg en Veiligheid – als onderdeel van het basispolitieonderwijs en vakspecialisme – met specifieke aandacht voor jeugd.
− Bij Halt voldoen de wachttijden aan de normtijden en verloopt de samenwerking en informatieoverdracht tussen ketenpartners goed.
− De RvdK heeft per definitie veel aandacht voor bevordering van het jeugdspecialisme onder medewerkers en heeft de taak om de samenwerking in de keten op jeugd te bevorderen. De RvdK ontwikkelt momenteel een nieuwe leerlijn voor casusregisseurs.
− Het Openbaar Ministerie bevordert jeugdspecialisme onder medewerkers met cursussen, themadagen, nieuwsbrieven en gerichte kennisdeling.
− Het OM, de RvdK en de jeugdreclassering werken samen aan het verbeteren van de onderlinge samenwerkingsafspraken en informatieoverdracht.
− Het Centraal Justitieel Incassobureau zal per 2026 persoonsgericht in plaats van zaakgericht werken, wat moet leiden tot verbeterde kwaliteit doordat daarbij een volledig overzicht van strafzaken en sancties voorhanden is en gekozen kan worden voor een optimale volgorde van tenuitvoerlegging voor de betrokkene.
− De drie reclasseringsorganisaties (3RO) brengen extra focus aan op adolescenten en jongvolwassenen door het prioriteren van adolescentenstrafrechtzaken en het ontwikkelen van een nieuw wegingskader voor deze doelgroep. Ook is een vernieuwde methodiek voor jongvolwassenen geïntroduceerd.
Overige ontwikkelingen ter versterking van de jeugdstrafrechtketen
Tot slot benoem ik kort drie overige ontwikkelingen in reactie op de aanbevelingen in het Inspectierapport.
Samen met de jeugdstrafrechtorganisaties ga ik meer mogelijkheden onderzoeken voor het buitenstrafrechtelijk afdoen van lichte zaken, om zo tevens de jeugdstrafrechtketen te ontlasten. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming heeft over buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor jeugd onlangs een rapport gepubliceerd.16 Daarop volgt een aparte beleidsreactie voor de zomer van 2026.
Met betrekking tot het tekort aan jeugdhulp in strafrechtelijk kader (JiSK) is een stap gezet tot verbetering met de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg waarin de verplichting voor gemeenten is opgenomen om vormen van specialistische jeugdhulp, zoals JiSK, minimaal regionaal in te kopen. Bovendien is door de Algemene Ledenvergadering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ingestemd met de landelijke inkoop van hoogspecialistische jeugdhulp in strafrechtelijk kader. De VNG bereidt momenteel de landelijke aanbesteding hiervan voor. Na de consultatiefase zal in het voorjaar van 2026 een besluit worden genomen over het vervolg van het inkoopproces. Daarnaast heb ik opdracht gegeven tot verdiepingsonderzoeken in de regio’s, conform het eerder uitgevoerde onderzoek in Oost Nederland, op grond waarvan duidelijker wordt welke specifieke hulp ontbreekt en gemeenten gericht daarmee aan de slag kunnen gaan. Ik verwacht in januari 2026 de rapportages hiervan. Een reactie op het RSJ-advies over knelpunten in de uitstroom van de PIJ-maatregel, dat deels ook betrekking heeft op JiSK, volgt in het voorjaar van 2026.17
Verder wordt toepassing van de kinderrechtentoets binnen het beleidskompas verkend. Hierdoor worden belangen van jeugdigen bij nieuw beleid sterker centraal gesteld. Dit is opgenomen in de agenda Wetgevingskwaliteit, waarover uw Kamer op 6 juni 2025 is geïnformeerd.18 Daarnaast is op 3 november 2025 de Discriminatietoets gelanceerd.19 Dit is een instrument waarmee overheidsorganisaties zelf proactief risico’s op discriminatie in hun dienstverlening kunnen opsporen en aanpakken. De RvdK is een van de vijf pioniers die hiermee aan de slag gaat.
In dit onderdeel van deze brief voldoe ik allereerst aan de toezegging uit de beantwoording van schriftelijke Kamervragen van 6 maart 2025 en het commissiedebat Justitiële Jeugd van 22 mei 2025 (Kamerstuk 28 741, nr. 127) om de Tweede Kamer nader te informeren over het risicotaxatie-instrument Preselect Recidive (hierna: PSR).20 Tevens informeer ik uw Kamer over de wijze waarop ik uitvoering geef aan de motie van 8 september 2025 van het lid Lahlah (GroenLinks/PvdA) c.s. over ditzelfde onderwerp.21
Doel PSR
Met de brief van de toenmalige Staatssecretaris Rechtsbescherming van 6 maart 2025, is de Kamer geïnformeerd over de werking van de PSR en de inbedding van dit instrument in de jeugdstrafrechtketen.22 Het doel van de PSR zet ik hier nogmaals kort uiteen.
Het jeugdstrafrecht heeft een pedagogisch uitgangspunt met als een van de doelen het voorkomen van recidive. Om bij jeugdige verdachten de kans op recidive te verkleinen is een passende aanpak nodig. Een adequate inschatting van het recidiverisico kan ondersteunen in het kiezen van deze aanpak. Met het risicotaxatie-instrument PSR wordt van jongeren die door de politie als verdachte worden verhoord een eerste inschatting gemaakt van dit recidiverisico.23 Aan deze inschatting is een advies verbonden of verdere risicotaxatie wenselijk is. Dit advies wordt, samen met andere informatie zoals aard en ernst van het verdachte feit, gebruikt bij de afweging op het ZSM-overleg over een passend vervolgtraject voor de jongere.24 Dit besluit wordt genomen onder leiding van de officier van justitie, daarbij geadviseerd door professionals van onder andere de RvdK en Halt. De PSR draagt bij aan dit besluit door het professioneel oordeel te ondersteunen met aanvullende informatie: het gestructureerd professioneel oordeel.25 Betekenisvolle menselijke tussenkomst is daarmee een essentieel onderdeel van de werkwijze van de PSR.
Stand van zaken PSR
In het commissiedebat Justitiële Jeugd van 22 mei 2025 en in de beantwoording van Kamervragen van de leden Kathmann en Mutluer (beiden GroenLinks/PvdA) is toegezegd uw Kamer te informeren over de voortgang van de PSR. Het instrument PSR is toe aan herziening en daarom is besloten het gebruik van de oude PSR eind 2025 te stoppen; zie ook de eerdergenoemde brief van 6 maart 2025. Het streven was om de PSR dan direct te vervangen door een herzien instrument. Echter, om een empirisch onderbouwd, nauwkeurig en ethisch verantwoord instrument te ontwikkelen bleek meer tijd nodig. Daarnaast vraagt de inrichting van een herziene PSR in relatie tot de in ontwikkeling zijnde wettelijke kaders rond «artificial intelligence» (AI) en algoritmen en de implementatie hiervan meer tijd.
Omdat ik wel hecht aan het doel van de PSR, namelijk het ondersteunen van het professioneel oordeel met aanvullende informatie, is ter overbrugging in overleg met betrokken ketenpartners vanaf december 2025 een tijdelijke werkwijze ingericht. Op het ZSM-overleg krijgen professionals het totaal aantal delicten te zien waarvan de jongere in de afgelopen vijf jaar als verdachte is aangemerkt, met daarbij het advies of dit aanleiding geeft om verdere risicotaxatie toe te passen. Dit gegeven kunnen professionals meewegen in hun besluit over een passende aanpak voor de jongere. Indien een jongere meerdere strafbare feiten heeft begaan, is de kans op herhaling aanzienlijk hoger. Het aantal registraties van eerdere delictpleging is daarmee een van de beste indicatoren van toekomstig crimineel gedrag.26
Motie PSR
Naar aanleiding van het tweeminutendebat Justitiële Jeugd van 4 september 2025 is op 8 september 2025 een motie aangenomen van het lid Lahlah (GroenLinks/PvdA) c.s. over de PSR. Ik licht hieronder toe op welke wijze ik uitvoering geef aan de drie in deze motie genoemde punten.
Onderzoeken hoeveel jongeren ten onrechte een vals positieve score opgelegd hebben gekregen
Vals positieven zijn een goede maat om de nauwkeurigheid van diagnostische instrumenten te bepalen, maar zijn minder geschikt voor risicotaxatie-instrumenten zoals de PSR. Een betere indicatie van de nauwkeurigheid en validiteit van risicotaxatie-instrumenten is de predictieve validiteit. Voor de oude PSR was deze acceptabel in de laatste meting, waar deze eerder als goed geclassificeerd werd volgens internationale standaarden. De daling van goed naar acceptabel is ook de reden om de PSR te herzien en het gebruik ervan eind 2025 te beëindigen.
Vals positieven zijn een minder passende maat, omdat de PSR een inschatting geeft van de kans op recidive in de toekomst. Als iemand met een hoog recidiverisico niet recidiveert, betekent dit niet dat het risico verkeerd is ingeschat. Omdat het recidiverisico een inschatting in de toekomst is, kunnen er ook factoren zijn die het gedrag van de jongere (positief) beïnvloeden, waardoor het risico zich niet voordoet. Zo kan er een interventie (binnen of buiten het strafrecht) ingezet worden om, in lijn met het pedagogisch uitgangspunt van het jeugdstrafrecht, recidive bij de jongere te voorkomen. Juist ook bij jongeren waarvan het recidiverisico op hoog is geschat door de PSR.
Deze kanttekening over het rapporteren van vals positieven bij de PSR inachtnemend, blijkt dat bij 13% van de jongeren waarbij de PSR wordt afgenomen, géén sprake is van geregistreerde recidive binnen een periode van drie jaar, terwijl deze jongeren een midden tot hoog recidiverisico kregen volgens de PSR. De recidivecijfers laten overigens alleen de jongeren zien die opnieuw zijn opgepakt, terwijl veel strafbaar gedrag van jongeren onontdekt blijft. Hierdoor is het geregistreerde recidivecijfer een onderschatting.27 Daarmee is het werkelijke percentage vals positieven waarschijnlijk lager.
Bij de ontwikkeling van de herziene PSR wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke nauwkeurigheid. Alleen een instrument waarvan de prestatiestatistieken aan internationale standaarden voor risicotaxatie-instrumenten binnen de criminologie voldoen zal geïmplementeerd worden.
In gesprek te gaan met de Autoriteit Persoonsgegevens over de risico’s van PSR
Omdat het gebruik van de oude PSR in december 2025 is gestopt, ga ik hier in op de risico’s voor de herziene PSR. De PSR heeft als doel om, door middel van het ondersteunen van het professioneel oordeel, de rechtsgelijkheid voor jeugdige verdachten te vergroten. Instrumenten zoals de PSR hebben echter ook het risico dat zij stigmatiserende neveneffecten hebben, zoals een discriminerende uitkomst. Om dit te ondervangen worden in de ontwikkeling van de herziene PSR diverse maatregelen genomen. Allereerst wordt, zodra de ontwikkeling weer hervat wordt, voor de herziene PSR een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (hierna: GEB (vertaling van DPIA)) uitgevoerd door politie in samenwerking met ketenpartners. Daarbij wordt niet alleen in kaart gebracht of de verwerking van persoonsgegevens rondom de PSR risico’s met zich brengt voor het grondrecht op gegevensbescherming, maar wordt ook de impact van PSR op andere grondrechten van betrokkenen onderzocht. In samenwerking met politie worden hiervoor verschillende ethiektafels georganiseerd waarbij met professionals en experts op het gebied van bijvoorbeeld risicotaxatie, statistiek, en (stigmatisering in het) jeugdstrafrecht wordt stilgestaan bij de risico’s van het instrument PSR en het gebruik hiervan. Voor de gesignaleerde risico’s in de GEB en ethiektafels zullen in de verdere ontwikkeling en toepassing van de PSR passende maatregelen genomen worden. Hierbij wordt rekening gehouden met de vereisten zoals gesteld door de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en een van deze maatregelen kan dan ook zijn om in gesprek te gaan met de AP; zie ook de Kamerbrief van 6 maart 2025.
Alleen wanneer uit bovenbeschreven toetsing, inclusief genomen mitigerende maatregelen op geconstateerde risico’s, blijkt dat de PSR op (ethisch) verantwoorde wijze ingezet kan worden, zal het instrument worden geïmplementeerd.
Het gebruik van PSR te evalueren
De PSR is onderdeel van het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (LIJ). Alle instrumenten van het LIJ worden periodiek geëvalueerd. Zo is dat ook bij de oude PSR gebeurd in 2023/2024 en voor de herziene PSR zal dit na implementatie ook periodiek gebeuren. Daarnaast wordt voor de herziene PSR doorlopende interne monitoring ingericht bij politie. Hierover zal ik periodiek overleg voeren met politie. Waar nodig wordt de PSR op basis van deze uitkomsten aangepast. Deze evaluatiecyclus wordt vastgelegd in samenwerkingsafspraken tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de politie.
In de motie van het lid Mutluer (GroenLinks/PvdA) – aangenomen op 12 november 2024 – wordt geconstateerd dat het aantal geregistreerde incidenten met minderjarige slachtoffers van zedendelinquenten is gestegen. In de motie verzoekt zij om regelgeving te verruimen zodat minderjarige zedendelinquenten eventueel langdurig gevolgd kunnen worden, door verlenging van toezichttermijnen, door de inzet van gedragsbeïnvloedende maatregelen zoals therapie, locatieverboden en elektronische monitoring, en door versterking van de samenwerking tussen instanties voor effectieve monitoring en begeleiding, dit om recidive te voorkomen.28
Ik deel de zorg over de stijging van geregistreerde incidenten met minderjarige slachtoffers van zedendelicten. Uit cijfers van het CBS blijkt echter dat het aantal registraties van minderjarige daders van zedendelicten de afgelopen jaren is gedaald. Tevens is bekend dat zij slechts sporadisch recidiveren op zedendelicten. Desalniettemin denk ik dat het goed is om te kijken welke verbeteringen nog kunnen worden doorgevoerd om de aantallen verder omlaag te brengen.
Het toezicht (met daarbij begeleiding) wordt uitgevoerd door de (jeugd)reclassering. Er worden afspraken gemaakt die passen bij de situatie van de betreffende jongere. De rechter kan daarvoor ook bijzondere voorwaarden opleggen, zoals een locatieverbod, elektronische monitoring en/of therapie en/of andere hulpverlening die nodig is. Vaak krijgen zedendelinquenten een behandelverplichting opgelegd. Afhankelijk van de ernst van de problematiek kan dit ambulant of klinisch zijn. De (jeugd)reclassering houdt toezicht op de voorwaarden.
Ik heb naar aanleiding van de motie een nadere analyse gedaan door de ketenpartners te vragen of de situatie gewijzigd is sinds maart 2023. Dat bleek niet het geval, zij gaven opnieuw aan dat een langere begeleiding door de (jeugd)reclassering niet als van toegevoegde waarde wordt gezien. Ook werd aangegeven dat de inzet van door Mutluer benoemde specifieke punten binnen de begeleiding, locatieverboden, elektronische monitoring en gedragsbeïnvloedende hulp, voldoende mogelijk zijn binnen de huidige regelgeving en dat daar ook gebruik van wordt gemaakt. Deze informatie leidt tot de conclusie dat een verruiming van de regelgeving niet nodig is en er dus geen grond is om de huidige motie uit te voeren.
Het grote knelpunt is het gebrek aan de (tijdige) beschikbaarheid van specifieke jeugdhulp voor deze doelgroep. Soms gaat dat om behandeling maar in de meeste gevallen is het probleem het gebrek aan kleinschalige residentiële opvangplekken met een hoge mate van toezicht, structuur én hoog specialistische begeleiding. Het gaat om hulp, die moet starten binnen het gedwongen justitiële kader en ook daarna vaak nog langere tijd nodig is. In het decentrale stelsel ligt de verantwoordelijkheid voor het organiseren en financieren van deze hulp bij de gemeenten.
Het sentiment over risico’s bij (jeugdige) zedendelinquenten zorgt er mede voor dat een deel van de aanbieders geen aanbod durft te doen voor een verblijfsplek. Verwijzers die met dit soort casuïstiek te maken krijgen, moeten zich gesteund voelen in de keten en in het aanbod voor deze doelgroep. De betrokken professionals, gemeenten, beleidsmakers en politici moeten de bestaande spanning tussen het recht op re-integratie en een tweede kans enerzijds en het risico op recidive anderzijds erkennen en met elkaar bespreken. Dit is een punt dat ook onder de aandacht is in diverse overleggremia over jeugdhulp in strafrechtelijk kader binnen de Hervormingsagenda en binnen de werkagenda Aansluiting forensische en reguliere zorg, waarbij ik samen met mijn collega van VWS en de veldpartijen werk aan maatregelen om aan specifieke doelgroepen noodzakelijke passende zorg, ondersteuning en – waar nodig – beveiliging te bieden. De voortgangsbrief over deze werkagenda ontvangt u een dezer dagen.
In eerdere brieven heb ik u geïnformeerd over de voortgang op de opgave van beschikbaarheid van jeugdhulp in strafrechtelijk kader uit de Hervormingsagenda Jeugd, namelijk dat kwetsbare jeugdigen die (hoog)specialistische jeugdhulp nodig hebben moeten kunnen rekenen op tijdige en passende hulp. In paragraaf 3 van deze brief leest u de stand van zaken hierover.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte
Bij een jeugdreclasseringstoezicht, dat deel uitmaakt van de algemene voorwaarden bij een vonnis, worden ouders overigens wel standaard betrokken. Zie verder de paragraaf «Huidige betrokkenheid ouders in de jeugdstrafrechtketen».
Bij een schuldaansprakelijkheid zijn (in dit geval) de ouders aansprakelijk voor de schade die hun kind heeft veroorzaakt, tenzij ze kunnen aantonen zich redelijkerwijs voldoende te hebben ingespannen om het betreffende gedrag van hun kind te voorkomen.
In deze initiatiefnota uit 2022 over de preventie van jeugdcriminaliteit stonden al concrete voorstellen over het vergroten van ouderbetrokkenheid; Kamerstukken II 2022–2023, 36 261, nr. 2.
De handreiking is te vinden op https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/documenten/handreiking-last-onder-dwangsom/
Inspectierapport «Pedagogisch uitgangspunt onder druk. Een onderzoek naar wachtlijsten in de jeugdstrafrechtketen» van 10 september 2024, Kamerstukken II, 2023/24, 28 741, nr. 121.
Voortgangsbrief Strafrechtketen en reactie Verantwoordingsonderzoek Algemene Rekenkamer van 5 juni 2025, Kamerstukken II, 2024/25, 29 279, nr. 974; Brief van de Ministers voor Justitie en Veiligheid en voor Rechtsbescherming van 29 januari 2024, Kamerstukken II, 2023/24, 29 279, nr. 836.
Verzamelbrief Justitiële Jeugd van 23 september 2025, Kamerstukken II, 2025/26, 28 741, nr. 131.
RSJ-advies «Een nieuw perspectief op buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor jeugdigen» van 8 september 2025, Kamerstukken II, 2024/25, 28 741, nr. 130.
RSJ-advies «Problemen in de PIJ: Advies over de door- en uitstroom van jeugdigen met een PIJ-maatregel» van 25 september 2025, Kamerstukken II, 2025/26, 24 587, nr. 1069.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van een wetenschappelijk gevalideerd analysemodel. In dit model zitten variabelen als eerdere politiecontacten, gepleegde delict(en) en leeftijd en geslacht van de jongere.
Uit onderzoek blijkt dat een inschatting op basis van een gestructureerd professioneel oordeel beter is dan een inschatting op basis van een ongestructureerde professionele blik. Zie: De Vries, G. M., Bijlsma, e.a. (2021). AI-risicotaxatie: nieuwe kansen en risico’s voor statistische voorspellingen van recidive. Boom Strafblad. Blaauw, E., Spreen, M., & Bogaerts, S. (2019). Risicotaxatie in de Nederlandse rechtspraktijk: op naar een best practice. Expertise en recht.
Boschman, S.E., Piersma, e.a. (2022). Verschil in recidivetrends onder jeugdige. Inzicht in ontwikkelingen in recidive onder verschillende groepen jeugdige justitiabelen. WODC.
Bij een jeugdreclasseringstoezicht, dat deel uitmaakt van de algemene voorwaarden bij een vonnis, worden ouders overigens wel standaard betrokken. Zie verder de paragraaf «Huidige betrokkenheid ouders in de jeugdstrafrechtketen».
Bij een schuldaansprakelijkheid zijn (in dit geval) de ouders aansprakelijk voor de schade die hun kind heeft veroorzaakt, tenzij ze kunnen aantonen zich redelijkerwijs voldoende te hebben ingespannen om het betreffende gedrag van hun kind te voorkomen.
In deze initiatiefnota uit 2022 over de preventie van jeugdcriminaliteit stonden al concrete voorstellen over het vergroten van ouderbetrokkenheid; Kamerstukken II 2022–2023, 36 261, nr. 2.
De handreiking is te vinden op https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/documenten/handreiking-last-onder-dwangsom/
Inspectierapport «Pedagogisch uitgangspunt onder druk. Een onderzoek naar wachtlijsten in de jeugdstrafrechtketen» van 10 september 2024, Kamerstukken II, 2023/24, 28 741, nr. 121.
Voortgangsbrief Strafrechtketen en reactie Verantwoordingsonderzoek Algemene Rekenkamer van 5 juni 2025, Kamerstukken II, 2024/25, 29 279, nr. 974; Brief van de Ministers voor Justitie en Veiligheid en voor Rechtsbescherming van 29 januari 2024, Kamerstukken II, 2023/24, 29 279, nr. 836.
Verzamelbrief Justitiële Jeugd van 23 september 2025, Kamerstukken II, 2025/26, 28 741, nr. 131.
RSJ-advies «Een nieuw perspectief op buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor jeugdigen» van 8 september 2025, Kamerstukken II, 2024/25, 28 741, nr. 130.
RSJ-advies «Problemen in de PIJ: Advies over de door- en uitstroom van jeugdigen met een PIJ-maatregel» van 25 september 2025, Kamerstukken II, 2025/26, 24 587, nr. 1069.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van een wetenschappelijk gevalideerd analysemodel. In dit model zitten variabelen als eerdere politiecontacten, gepleegde delict(en) en leeftijd en geslacht van de jongere.
Uit onderzoek blijkt dat een inschatting op basis van een gestructureerd professioneel oordeel beter is dan een inschatting op basis van een ongestructureerde professionele blik. Zie: De Vries, G. M., Bijlsma, e.a. (2021). AI-risicotaxatie: nieuwe kansen en risico’s voor statistische voorspellingen van recidive. Boom Strafblad. Blaauw, E., Spreen, M., & Bogaerts, S. (2019). Risicotaxatie in de Nederlandse rechtspraktijk: op naar een best practice. Expertise en recht.
Boschman, S.E., Piersma, e.a. (2022). Verschil in recidivetrends onder jeugdige. Inzicht in ontwikkelingen in recidive onder verschillende groepen jeugdige justitiabelen. WODC.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28741-133.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.