Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201928684 nr. 541

28 684 Naar een veiliger samenleving

29 628 Politie

Nr. 541 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 november 2018

Conform de eerdere toezegging in de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 24 november 2017,1 de vraag van de vaste Commissie voor Justitie en Veiligheid van 24 januari jl. en mijn toezegging tijdens het plenair debat van 20 juni 2018 over het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de risico’s rondom de jaarwisseling2 informeer ik u over de afhandeling van inbeslaggenomen vuurwerk.

De afgelopen tijd hebben politie en mijn departement constructief gewerkt aan het zoeken van een goede oplossing voor het veilig en wetsconform afhandelen van inbeslaggenomen vuurwerk van de zwaarste categorie (ADR klasse 1.1G). Uitgangspunten daarbij waren dat oplossing veilig moet zijn voor werknemers en de omgeving, moet voldoen aan wet- en regelgeving en dat de kosten maatschappelijk aanvaardbaar moeten zijn. Daarnaast is ervan uitgegaan dat de noodhulpdienst die onverwacht vuurwerk aantreft zoveel mogelijk beschikbaar blijft voor de noodhulp en dat de bewijsfunctie van het in beslag genomen vuurwerk (chain of evidence) is gewaarborgd.

Er is een structurele oplossing gevonden die deels dit jaar te implementeren is. Dit betreft de afvoer van vuurwerk bij voorzienbare inbeslagnames. Voor de voorzienbare inbeslagnames heeft de politie een procedure ingeregeld waarbij de ADR-vervoerder meegaat als er inbeslagnames van vuurwerk te voorzien zijn. Voor de afhandeling van inbeslaggenomen vuurwerk waaraan is geknutseld («geïmproviseerd vuurwerk») of die in slechte staat is al geruime tijd voorzien in een aparte procedure die voldoet aan de eisen. Voor de overige onvoorzienbare inbeslagnames is er ook een structurele oplossing, zij het dat het implementeren ervan nog tijd vergt in verband met de noodzakelijke aanbestedingen en vergunningen. Daarom zal voor zo lang als dat nodig is en in ieder geval nog voor dit vuurwerkseizoen gewerkt worden met aanvullende maatregelen en een tijdelijke werkwijze. Deze bestaat uit het ophalen van het vuurwerk door een ADR-vervoerder als standaard en het inzetten van beveiligers waar nodig. Dit zorgt ervoor dat het onvoorzien aangetroffen, illegale vuurwerk niet meer door operationele politieagenten vervoerd hoeft te worden onder omstandigheden die niet veilig genoeg bevonden worden en het zorgt er ook voor dat er geen onwettige tussentijdse opslag van dat type vuurwerk hoeft plaats te vinden. Tevens is daarmee geborgd dat de wachttijd voor de operationele politie wordt teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau (half uur tot een uur). Alleen bij hoge uitzondering, namelijk ingeval van dringende operationele noodzaak, kan hiervan worden afgeweken. Voor Oudjaarsnacht zal politie ervoor zorgen dat door het hele land het gespecialiseerde ADR-vervoer bij het ophalen van illegaal vuurwerk politiebewaking krijgt. Deze tijdelijke oplossing is duur en niet geschikt als structurele oplossing. Voor de kosten van deze aanvullende maatregelen is incidentele dekking gevonden in de begrotingen van de politie en mijn departement.

De structurele oplossing voor onvoorziene inbeslagnames houdt in dat de politie voor de afvoer van inbeslaggenomen vuurwerk van ADR-klasse 1.1G gebruik gaat maken van vergunde tijdelijke opslagvoorzieningen en een fijnmazig gespecialiseerd vervoer waarbij de veiligheid maximaal gewaarborgd is. De voorbereiding van de implementatie is gestart. Deze oplossing zal leiden tot een duurzame en wetsconforme afvoer en een aanvaardbare wachttijd voor de politie.

Tot slot kan ik u berichten dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat artikel 8 Wet Economische Delicten geen wettelijke basis biedt voor het in het kader van de strafrechtelijke vervolging verhalen van de vernietigingskosten van het beslag op de dader.3 In overleg met het openbaar ministerie (OM) wordt het arrest bestudeerd en ik zal de opties verkennen om op een andere wijze een verhaalsmogelijkheid te creëren.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Kamerstuk 28 684, nr. 511.

X Noot
2

Handelingen II 2017/18, nr. 96, item 8, p. 7.

X Noot
3

Hoge Raad, 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1134 en ECLI:NL:HR:2018:1135.