Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201528684 nr. 442

28 684 Naar een veiliger samenleving

Nr. 442 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 8 juni 2015

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 9 april 2015 overleg gevoerd met Minister van der Steur van Veiligheid en Justitie over:

  • de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 18 november 2014 over de voortgang van de aanpak van criminele jeugdgroepen (Kamerstuk 28 684, nr. 423);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 21 januari 2015 over de wijkenaanpak en ondermijnende criminaliteit (Kamerstuk 30 995, nr. 96);

  • de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 7 april 2015 met een reactie op verzoek van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie over de gestanddoening van twee toezeggingen en het Landelijk beeld problematische jeugdgroepen 2014 (Kamerstuk 28 684, nr. 438).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Ypma

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Hessing-Puts

Voorzitter: Ypma

Griffier: Tielens-Tripels

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Berndsen-Jansen, Van der Burg, Helder, Kooiman, Marcouch, Oskam en Ypma,

en Minister van der Steur van Veiligheid en Justitie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 15.00 uur.

De voorzitter: Dames en heren, hartelijk welkom bij dit algemeen overleg over criminele jeugdgroepen. Ik heet mijn collega-Kamerleden graag welkom, de Minister en zijn ondersteuning en alle belangstellenden. We gaan werken met een spreektijd van vijf minuten en maximaal twee interrupties in eerste termijn.

Mevrouw Helder (PVV): Voorzitter. De meest recente cijfers laten zien dat er van de 150 criminele jeugdgroepen nog 33 zijn overgebleven. Dat is voor de Minister reden om door te gaan op de ingeslagen weg. Dat is ook hard nodig, want de toenmalige Minister – deze Minister heeft dat natuurlijk ook op zijn bordje gekregen – heeft beloofd dat ze allemaal «van de straat worden gehaald». De Minister is echter iets te enthousiast met het percentage waarmee de daling wordt aangegeven. Het is 25% en geen 27%, maar goed, het is een daling. Dat lijkt op het eerste gezicht positief.

De conclusie van de Minister in zijn derde brief, inhoudende dat dit «concreet betekent dat er minder slachtoffers en meer veiligheid is in buurten en wijken», kan mijn fractie echter zonder de context niet delen. Nergens blijkt namelijk uit wat de omvang van die groepen is. Die vraag is wel relevant, gezien het feit dat de Minister in zijn eerste brief schrijft dat soms sprake is van heel grote groepen en van wisselende samenstelling. Het kan dus zomaar zijn dat het aantal groepen wel is gedaald, maar dat de overgebleven groepen groter zijn. Meer leden betekent vrijwel zeker ook meer delicten.

Voor het landelijk deel van de strafrechtelijke interventies is onderzoek gedaan naar maar liefst 855 leden van de 37 criminele jeugdgroepen die eind 2013 aanwezig waren. Dan kom je uit op gemiddeld 2,6 zaken per persoon. Dat betekent dat in die periode, 1 januari 2012 tot 1 augustus 2013, deze jeugdige crimineeltjes in anderhalf jaar tijd gemiddeld drie keer een strafrechtelijke interventie aan hun broek hadden hangen. Dan spreek je dus gewoon van keiharde recidivisten. Driekwart van de zaken wordt, gelet op het belang van de zaak, aan de rechter voorgelegd. Dat betekent dus dat het niet gaat om het stelen van – daar is die weer – het bekende rolletje drop.

Als de PVV dan ook nog leest dat de strafrechtelijke interventies grotendeels taakstraffen en geldboetes zijn, dan gaat deze Minister die criminele jeugdgroepen echt niet allemaal tackelen. Ze betalen een boete met gemak, want ze verdienen met hun criminele activiteiten waarschijnlijk wel voldoende.

Puntje van kritiek is ook dat de vrijheidsstraffen niet zijn uitgesplitst in voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, dus de kans is ook nog groot dat die 38% van de vrijheidsstraffen grotendeels uit voorwaardelijke vrijheidsstraffen bestaat. Kan de Minister daar een splitsing in aangeven?

Hoe dan ook, de strafrechtelijke interventies weerhouden een bepaalde groep er blijkbaar niet van om gewoon verder te gaan op de ingeslagen criminele weg. Wat mijn fractie betreft – ik heb het al vaker gezegd – dienen zij dan langer opgesloten te zitten, want dan is het fysiek niet mogelijk om de samenleving lastig te vallen met criminaliteit/overlast. Is de Minister in dat kader bereid de isd-maatregel mogelijk te maken vanaf 12 jaar?

Verder wordt aangegeven dat het aantal minderjarige verdachten in de periode 2007–2013 met bijna 60% afnam, punt. Maar wat is hiervan de reden? Diplomatiek gezegd is de pakkans de laatste tijd niet toegenomen, dus stel ik maar de vraag: zijn ze de minderjarigheid ontgroeid ofwel inmiddels 18-plus?

In het laatste deel van de tweede brief gaat de Minister in op een toezegging aan de PVV. Het gaat over een interview dat door een gevlucht bendelid vanuit Marokko aan de krant was gegeven. Hij zei toen: ik heb de wijk genomen, want anders zou ik waarschijnlijk ook worden opgepakt. Weliswaar was deze persoon blijkbaar officieel geen verdachte, maar dat was de vraag van mijn fractie niet. De vraag was: is dat interview geen reden geweest om deze betreffende persoon eens aan de tand te voelen, gezien zijn eigen uitlatingen?

Een belangrijke conclusie in het onderzoeksrapport Wijkenaanpak en veiligheid is dat in de georganiseerde misdaad zeer veel crimineel geld wordt omgezet, honderden miljoenen euro's op jaarbasis. In sommige buurten en wijken is waarschijnlijk, zo staat in dat rapport, meer crimineel geld dan legaal geld aanwezig en dat leidt tot omkering van machtsverhoudingen. Daarnaast wordt door de onderzoekers aangegeven dat de ondermijnende misdaad een andere aanpak vergt en dat de bestaande persoonsgerichte en/of gebiedsgerichte aanpak geen greep op de criminele circuits krijgen. Wat gaat de Minister daaraan doen?

De Minister heeft het over het actieprogramma Risicojeugd en jeugdgroepen. Daarmee wordt ingezet op het stoppen van een criminele carrière en het voorkomen van een verdere doorgroei naar georganiseerde criminaliteit. In het door mij aangehaalde rapport wordt geconcludeerd dat veel inspanningen zijn gericht op de 39 klassieke problematische jeugdgroepen en dat aandacht en expertise ontbreekt ten aanzien van jeugdgroepen die doorgroeien naar de georganiseerde misdaad. Zij zijn blijkbaar de top-x-aanpak ontgroeid. Dat is dus problematisch, want strafrechtelijke interventies zijn lastig en duur met in dat stadium van een criminele loopbaan ongewisse effecten. De conclusie lijkt mij dan voor de hand te liggen dat het actieprogramma blijkbaar niet voldoende is. Wat gaat de Minister ondernemen om de doorgroei naar zo'n criminele «topfunctie» te voorkomen of aan te pakken?

Tot slot krijg ik graag een reactie van de Minister op de opmerking van politie-inspecteur Ziesemer in De Telegraaf van twee dagen geleden. Hij zegt: de politie moet zich richten op de sterkste jongeren en die losweken door ze te belonen. Probleemjongeren dien je niet los te weken door te belonen, want daarmee geef je juist een signaal aan de mensen die wat lager in de rangorde staan. Die denken: laat ik er eerder juist een tandje bij zetten. Ik hoor graag wat de Minister daarvan vindt.

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. Het is goed dat de aanpak van criminele jeugdgroepen al jaren zijn vruchten afwerpt. Het aantal problematische jeugdgroepen is in de periode 2009–2014 flink gedaald en dat is een goede zaak. Het is ook een goede zaak dat de Minister heeft gezegd dat hij de overgebleven groepen in 2015 verder gaat aanpakken. Hij schrijft in de brief van 18 november jl. dat de regie van het actieprogramma dat inzet op het vroegtijdig ingrijpen bij crimineel gedrag en het leveren van nazorg bij de gemeenten ligt. Niet toevallig zijn de gemeenten per 1 januari jl. ook verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdhulp. Dat is bij elkaar wel een zeer zware verantwoordelijkheid voor de gemeenten, zeker in tijden dat veel financiële kaders van gemeenten ontoereikend en/of nog onduidelijk zijn. Hoe gaat de Minister komend jaar zicht houden op de aanpak en begeleiding van criminele jongeren door de gemeenten, zodat die aanpak en begeleiding niet in de knel komen?

Ook wil de CDA-fractie weten of uit het overleg van de Minister met de VNG, de regioburgemeesters, het OM en de politie nog aanvullende acties zijn voortgekomen ten aanzien van de aanpak van criminele jeugdgroepen.

Een ander punt dat op de agenda staat, is het rapport van Tilburg University en de Politieacademie. Onderzocht is de wijze waarop kort gezegd criminaliteitsbestrijding in kwetsbare wijken plaatsvindt, meer specifiek de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Het betreft crimineel gedrag dat niet direct slachtoffers veroorzaakt, maar wel de legale en beoogde werking van de samenlevingssystemen aantast. Als voornaamste criminele bron komt naar voren de drugshandel in wijken als gevolg van onder meer illegale hennepteelt, maar het probleem is eigenlijk nog veel breder. Het betreft ook grootschalige fraude met toeslagen en regelingen. Het rapport is stellig over het jarenlang gevoerde beleid van «schoon, heel en veilig» ten aanzien van huisvesting, alsmede over projecten om probleemjongeren een betere kans op onderwijs en werk te bieden. Investeren in huisvesting, onderwijs en werkgelegenheid diende jarenlang ter bestrijding van zogeheten structurele verklaringen achter het ontstaan van achterstands- en probleemwijken, waar veel ondermijnende criminaliteit voorkomt. Ik weet het ook als kinderrechter: als kinderen een zinvolle dagbesteding hadden en het thuis goed hadden, dan gebeurde er verder weinig. Met deze strategie wordt door de onderzoekers korte metten gemaakt. Het volstaat niet om ondermijnende criminaliteit tegen te gaan. Deze blijkt hardnekkig in de onderzochte gebieden, dus er moet meer gebeuren. De onderzoekers schrijven treffend op dat op wijkniveau het onderscheid tussen de bovenwereld en de onderwereld vervaagt. Dat is voor onze fractie wel een zorg. Criminaliteit wordt onderdeel van het maatschappelijk verkeer en heeft een positie in de lokale economie. Ik zeg het maar zoals ik het vind: van louche winkeltjes, ondernemingen, sportscholen, juweliers, adviseurs en horeca. Het gaat hierbij niet om kleine bedragen. Sommige familiestructuren – het lijkt wel een beetje maffia-achtig – hebben in de loop der jaren al honderden miljoenen euro's verdiend, zo stellen de onderzoekers.

De vraag rijst dan ook hoe we grip krijgen op die situatie en hoe we de patronen kunnen doorbreken waarover de onderzoekers rapporteren. De Minister schrijft daarover in de kabinetsreactie dat al veel in gang is gezet, met name de geïntegreerde aanpak die ook het CDA aanspreekt met de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIECs), het Landelijk Informatie- en Expertisecentrum (LIEC), de Veiligheidshuizen, de gemeenten, het OM, de Belastingdienst en de Nationale Politie. Samen moeten ze dat voor elkaar boksen. De CDA-fractie spreekt haar waardering uit voor de pioniers die op dit terrein nu wel stappen maken, maar meent dat het een kwestie is van een lange adem, dat er toch nog heel veel te doen is en dat het extra stappen en intensivering vraagt om dit tot een goed einde te brengen. De onderzoekers doen daartoe een aantal nuttige aanbevelingen. De Minister neemt er een aantal over, maar helaas neemt hij niet alles over. Vandaar dat ik dit vandaag toch nog eens aan de orde wil stellen.

De meest concrete aanbeveling betrof namelijk die over het belang van het projectmatig opsporingsonderzoek door de politie naar criminele verbanden binnen probleemwijken. Treffend was het voorbeeld van een onderzocht gebied, dat Randstad I werd genoemd, waar drugscriminaliteit het grootste veiligheidsprobleem vormde. De politieleiding riep een drugsteam in het leven. Dit team boekte resultaten, maar liep ook tegen grenzen aan. We zijn vorige week in Tilburg geweest en de Minister is daar ook geweest. Ze willen wel, maar het lukt niet altijd omdat er onvoldoende capaciteit is. Dat is natuurlijk ook een kwestie van keuzes maken. Er is te weinig capaciteit om alles waar ze op stuiten uit te zoeken en door te rechercheren. Omdat het allemaal snel gaat en het vaak gaat om complexe netwerken, zeker bij drugscriminaliteit in het buitenland, is het heel lastig aan te pakken. Het wordt vaak te omvangrijk voor de districtsrecherche en moet naar een hoger niveau worden getild. Het zou natuurlijk de kracht van de Nationale Politie moeten zijn om tegengas te kunnen bieden aan de criminelen. Op basis van de omvang en de impact van het drugsvraagstuk zou het drugsteam uitgebreid moeten worden, zo erkent de lokale politietop in dat Randstad I-onderzoek, maar het team werd daarentegen verkleind. Je ziet vaak dat er toch keuzes gemaakt moeten worden. Het district dreigde zijn doelstellingen ten aanzien van de high-impact crime namelijk niet te halen en er werd weer geschoven met dienders.

De onderzoekers doen de aanbeveling om tijdelijke teams van ongeveer tien fte met rechercheurs en basispolitiemensen in te stellen. Dit behoort nu niet tot de mogelijkheden voor de politieleiding. Veel tijd en mankracht gaan ook zitten in de grootschalige onderzoeken, de moordzaken meestal. Het zijn lastige afwegingen, zo beseft ook de CDA-fractie, omdat juist bij de opsporing van delicten met een grote maatschappelijke impact logischerwijs ook veel van de politie wordt gevraagd. Wij hebben het er net in het algemeen overleg over de politie over gehad. Desalniettemin vraagt mijn fractie de Minister om samen met de Nationale Politie toch nog eens te kijken naar het instellen van die flexibele teams en tijdelijke teams om in de wijken flink huis te kunnen houden.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. Minder problematische jeugdgroepen in Nederland: dat is altijd goed om te horen, zeker als het goed gaat zoals dat nu wordt geschetst. Complimenten voor de professionals, zou ik daarbij willen zeggen. Toch is er ook nog veel werk te doen, zo blijkt uit het onderzoek van Tilburg University en de Politieacademie, vooral veel werk in kwetsbare wijken. Het mooie vind ik wel dat zij als hoofdconclusie aangeven dat de aanpak van ondermijnende criminaliteit en de wijkenaanpak erbij gebaat zijn om meer dan nu met elkaar verbonden te worden. Zij geven aan dat het twee kanten van dezelfde medaille zijn. Verbetering van de leefomgeving in deze gebieden kan niet duurzaam succesvol zijn als niet tegelijkertijd de ondermijnende criminaliteit wordt teruggedrongen. Die criminaliteitsbestrijding kan niet duurzaam succesvol zijn als niet tegelijkertijd nieuwe sociaaleconomische en maatschappelijke perspectieven worden geboden. Je zou kunnen zeggen: hier worden preventie en repressie met elkaar verbonden. Ik denk dat dat een heel goede aanpak zou kunnen zijn.

Het is vandaag een algemeen overleg met niet zo ontzettend veel agendapunten en wat summiere brieven van de Minister. Ik mis echter een aantal gegevens dat eerder wel bekend werd of bekend werd gemaakt. Om een goed beeld te krijgen van de stand van zaken van de problematische jeugdgroepen zou ik graag van de Minister nog de volgende informatie krijgen: het aantal leden van de problematische jeugdgroepen, tenminste van criminele jeugdgroepen, het aantal verdachten, strafbare feiten en strafzaken van de criminele jeugdgroepen en het aantal Halt-straffen die wel of niet zijn afgerond. Alleen op deze manier kunnen we weten of de aanpak goed werkt en kunnen we dit goed vergelijken met andere jaren. Ook ben ik benieuwd naar de concrete doelstellingen van deze Minister. Zijn voorganger heeft ze eerder wel genoemd, maar heeft zijn doelstelling niet gehaald om binnen twee jaar de eind 2010 geregistreerde 89 criminele jeugdbendes van de straat te halen. Is de Minister van plan om ook zijn eigen doelstellingen opnieuw te formuleren?

De huidige problematische jongeren zijn vaak als kind bij zorg en/of politie in beeld gekomen. Het is belangrijk om te voorkomen dat probleemgedrag van kinderen en jongeren leidt tot crimineel gedrag. Politieagenten, jeugdzorgmedewerkers, docenten, buurtbewoners; iedereen heeft een rol om de problemen met en van jongeren op te lossen. Samenwerking tussen instanties en vroegtijdige signalering zijn hierbij van cruciaal belang. Het lijkt er echter op dat er nog knelpunten zijn. Er ontbreekt ook aandacht en expertise ten aanzien van jeugdgroepen die doorgroeien naar de georganiseerde misdaad. Kan de Minister aangeven op welke manier deze problematiek wordt aangepakt?

Het kabinet wil de gezamenlijke inspanning op lokaal niveau versterken. Kan de Minister vertellen wat zijn ministerie en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gaan doen om dit te versterken? Hoeveel geld, capaciteit en expertise worden geleverd aan de lokale overheid? Of blijft het bij gesprekken voeren? Hoe zit het met de rol van de Veiligheidshuizen? Tot mijn verbazing zie ik die rol namelijk nergens terug. Vroegtijdige signalering en een op de persoon gerichte aanpak kunnen buitengewoon goed binnen de Veiligheidshuizen plaatsvinden.

Mijn pleidooi voor de schoolwijkagent kent de Minister al. De rol van agenten bij vroegsignalering is cruciaal, maar het lijkt erop dat wijkagenten in de praktijk niet altijd voldoende ruimte en tijd hebben om deze rol goed in te vullen. Wij hebben dat vanmorgen ook al gewisseld in het algemeen overleg Politie. Agenten die toegewezen zijn aan een school, kunnen sneller ingrijpen bij problemen met jongeren. Enkele gemeenten werken al met schoolwijkagenten, maar dat gebeurt nog niet overal in Nederland. Is de Minister bereid om te inventariseren op welke wijze door scholen en politie wordt samengewerkt? Als het nodig blijkt, is hij dan bereid om de vroegsignalering en samenwerking tussen de politie, het onderwijs en de jeugdzorg aan te scherpen, zodat kinderen tijdig en adequaat worden geholpen voordat ze een crimineel worden?

Het probleem van jeugdbendes is complex en valt niet samen te vatten in leeftijd of afkomst. Vaak is het een combinatie van factoren met oververtegenwoordiging van voortijdig schoolverlaters, werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden. Dit vraagt ook om een combinatie van oplossingen. D66 ziet daarom een aantal belangrijke punten in de juiste aanpak: onderwijs, werk, opvoeding, een samenspel van preventie en repressie, een actieve positie van de Veiligheidshuizen en lokaal maatwerk door de politie en door burgerparticipatie.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. Ik feliciteer de heer Van der Steur graag met zijn benoeming tot Minister van Veiligheid en Justitie. Dit is mijn eerste debat met hem. Ik wens hem heel veel succes.

De aanpak van de criminele jeugdgroepen, maar breder eigenlijk van de overlastgevende, hinderlijke jeugdgroepen, verloopt goed. Sinds 2009 is twee derde van deze groepen weg, dus er is nog een derde te gaan en er komen natuurlijk elke keer nieuwe bij. Dat betekent elke keer weer een nieuwe uitdaging. Met de aanpak van de jeugdcriminaliteit gaat het ook goed, dus dat is een heel goede zaak. Je ziet dat de aanpak van deze groepen zich concentreert op jongvolwassenen van 18 tot 24 jaar. Daar zit het grootste deel dat ook vervolgd wordt, veel meer dan bij de 18-min. De cijfers over de vervolging geven aan dat er serieus werk van wordt gemaakt om deze groepen daadwerkelijk van de straat te krijgen. Dat is heel belangrijk, niet alleen voor de veiligheid in de wijken, maar ook voor het gevoel van slachtoffers dat er recht wordt gedaan.

Een compliment aan de ambtsvoorganger van deze Minister is ook op zijn plaats, want hij heeft dit in gang gezet. Hij heeft ambitieuze doelstellingen geformuleerd voor het Rijk zelf, met de gemeenten en alle organisaties die hierbij betrokken zijn. Ik denk dat het tot dusver tot een mooi resultaat heeft geleid. Uiteraard is mijn fractie ook zeer tevreden over het feit dat het prioriteit blijft houden van alle bestuurslagen en betrokken partijen, in elk geval het komende jaar, maar volgens mij de komende jaren. Graag krijg ik een bevestiging daarvan van deze Minister.

Dat wil niet zeggen dat mijn fractie geen extra aandachtspunten heeft, temeer omdat we die daling verder voortgezet willen zien. Dat zien wij na gesprekken, ook met mensen uit de praktijk die hier veel mee te maken hebben, op twee vlakken. We zien het aan de voorkant bij de zogenaamde 12-minners. Ik heb hier al vaker aandacht voor gevraagd. Je ziet steeds dat eigenlijk alle mensen die met kinderen te maken hebben, of dat nu op school is, de sportleraar of de politie, bij 8 à 9 jaar vaak al weten: dit kind loopt een verhoogd risico om het verkeerde pad op te gaan. Er wordt gezegd: we willen geen registratie via de politie, maar we hebben wel een Verwijsindex risicojongeren. Ik wil graag van deze Minister weten hoe goed dat wordt ingevuld, zodat we die kinderen kunnen volgen. Volgens mij gaat dat niet zo heel goed, zoals mijn buurvrouw al zegt. Dat zou de plek zijn waar we de samenwerking extra goed vorm kunnen geven. Dat doen we door de decentralisatie op het hele jeugdterrein, waarbij we ook de jeugdgeestelijke gezondheidszorg hebben betrokken. Daardoor kunnen kinderen met een psychiatrische stoornis die nu vaak een risico lopen en die we vaak later tegenkomen veel eerder gesignaleerd, ondersteund en behandeld worden, zodat we erger kunnen voorkomen. Ik wil dat dit beter met elkaar wordt gedeeld en geregistreerd in die verwijsindex. Graag krijg ik een toezegging dat de Minister daarvan werk gaat maken met die partijen en dat hij ook de kans grijpt die de decentralisatie biedt om al deze verschillende terreinen met elkaar te verbinden en te laten samenwerken. We zien de eerste signalen en vruchten daarvan al.

Ik kom bij een ander punt dat mijn fractie heel belangrijk vindt en waarvoor ik al eerder heb gepleit. 12-minners vallen onder het civiel recht als er iets niet goed gaat in hun opgroeifase. De civiele rechter legt echter geen gerichte maatregelen op. We hebben in het strafrecht een toolkit voor gedragsinterventies. Die blijken goed te werken, bijvoorbeeld agressiereguleringstrainingen et cetera. Ik heb niet de illusie dat ik de werkwijze van de civiele rechter direct zal veranderen, maar misschien zouden we wel iets slims kunnen bedenken. Als de civiele rechter iets oplegt en de jeugdbeschermer dat moet uitvoeren, kan dan niet ook iemand die de toolkit uit het strafrecht kent erbij betrokken worden zodat bijvoorbeeld een heel agressieve jongere geen algemene maatregel opgelegd krijgt, maar zo'n gerichte maatregel op dat gedrag waardoor erger kan worden voorkomen? Ik krijg daarop graag een toezegging.

Dan de ondermijning. Collega Oskam heeft een breed palet aangereikt, dus ik kan het kort houden. Wij constateren dat een deel van de jeugdigen toch ontsnapt richting zware criminaliteit. Dat is ernstig, want we willen niet dat de Holleeders van de toekomst doorstromen vanuit de groep van 18 tot 24. Hoe kan de Minister ervoor zorgen dat we genoeg prioriteit zetten op die jongeren die dreigen door te groeien, zodat zij in beeld zijn en aangepakt worden? We moeten voorkomen dat ze ondergesneeuwd raken omdat de groep waarin ze terechtkomen zo crimineel is dat die alle aandacht krijgt, maar dat we na een paar jaar zien dat deze groep zich daarbij aansluit.

Ik sluit af. Laten we voorkomen dat we op die manier de Holleeders van de toekomst creëren en laten we verder gaan met het terugdringen van de criminaliteit onder jongeren in onze wijken en buurten.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. We hebben ongeveer een keer per jaar een debat over criminele jeugdgroepen. Meestal roepen wij: de cijfers kloppen niet, er was weer een jubelstemming, er komen weer criminele jeugdgroepen bij en het moet allemaal in perspectief zijn. In die discussie wil ik vandaag echter niet treden. Ik zie de Minister al blij reageren. Dat is heel mooi. Ik wil eigenlijk teruggaan naar het punt dat ik de vorige keer heb gemaakt met destijds Minister Opstelten. Ik was op werkbezoek geweest bij agenten, die aangaven dat ze een up-to-date shortlistmethodiek misten. Op het moment dat je een criminele jeugdgroep in beeld hebt, scan je of een jongere al dan niet valt onder die criminele jeugdgroep. Zij zeggen: die zijn eigenlijk niet meer up-to-date. Bijvoorbeeld blowen zou een groot aspect zijn om iemand aan te merken als lid van zo'n criminele jeugdgroep of het feit dat zo'n groep alleen maar in die wijk opereert, terwijl de meeste groepen zich ontzettend vaak verplaatsen. Ik begreep ook nu uit het werkveld dat ze al bezig zijn met die nieuwe shortlistmethodiek. Ik wil heel graag weten van de Minister hoe het daar precies mee staat.

Op de agenda van vandaag staat ook het rapport Wijkenaanpak en ondermijnende criminaliteit van Tilburg University. Diverse collega's hebben daar ook al op gewezen. Eigenlijk gaat dit rapport niet enkel over de criminele jeugdgroepen, bij uitstek niet, want het gaat met name over de ondermijnende criminaliteit. Op basis van dit rapport zijn de teams ondermijning gekomen, die zich voornamelijk richten op de outlawbikers, de criminele brommerclubs zoals ik ze weleens noem, en op de drugsproblematiek in het zuiden. Uit het rapport en de aanpak van criminele jeugdgroepen kunnen we wel leren dat het vooral lokaal en met de lokale driehoek gebeurt. Je ziet dat er lokaal veel succes wordt geboekt met de aanpak van criminele jeugdgroepen, omdat ze heel creatief zijn en werken met nieuwe methoden. Iedere gemeente heeft een eigen lokale aanpak. Ik weet dat er door het ministerie hard wordt gewerkt om dat af en toe aan elkaar te verbinden. In dit rapport wordt aangedrongen op een platform of een kenniscentrum. Kan de Minister daar iets meer op ingaan? Als er heel veel goede initiatieven zijn, is het natuurlijk zonde om ze niet uit te wisselen.

Ik sluit mij aan bij mijn buurvrouw van de VVD-fractie. Zij noemt voornamelijk het civiel recht en het niet opleggen van maatregelen. Ik kan mij voorstellen dat vanuit het civiel recht een gezinsvoogd bijvoorbeeld zaken kan aanwijzen: ik wil dat je bijvoorbeeld een agressieregulatietraining doet en als je je daar niet houdt, kan ik een schriftelijke aanwijzing bij de rechter indienen. Er zijn wel mogelijkheden voor, maar mijn collega van de VVD heeft er eerder ook op gewezen dat het van belang is om te werken met bewezen effectieve methoden, die dan worden ingezet om juist erger te voorkomen. Aangezien de verdere ontwikkeling daarvan bij de gemeenten nu in de kinderschoenen staat, is het misschien goed om gemeenten erop te wijzen dat het van belang is dat die bewezen effectieve methoden worden ingezet, juist bij deze soms crimineeltjes in de dop. Ik hoor ook weleens uit gemeenten dat er heel leuke initiatieven zijn met vrijwilligers, maar dat die net niet aansluiten bij deze groep. Kan de Minister hierop reageren?

In november heeft mijn SP-collega Van Nispen een voorstel gedaan om jongvolwassen veelplegers onder financieel toezicht, een soort curatele, te stellen. Destijds reageerde Staatssecretaris Teeven erg enthousiast. Hij vond het een buitengewoon goed plan van mijn collega Van Nispen. Die moest toen zelf toegeven dat hij het idee ook maar had gepikt van hoogleraar Ido Weijers – eerlijk is eerlijk – die onderzoek heeft gedaan naar de jonge veelplegers. Hij oppert om jonge draaideurcriminelen na vijf vermogensdelicten voor twee jaar een financiële ondertoezichtstelling door de rechter op te leggen. Dat is net zoiets als wat mijn buurvrouw van de VVD heeft voorgesteld. Hierdoor kan er toezicht en controle zijn op hun bezittingen. Als zij niet kunnen aantonen via welke legale weg zij aan dit geld, die nieuwe auto of die nieuwe scooter komen, wordt dat direct afgepakt. De Staatssecretaris heeft toen toegezegd om dit te onderzoeken en verder uit te werken. Ik vraag aan de Minister wat hij daarmee gaat doen.

De heer Marcouch (PvdA): Voorzitter. Ook mijn felicitaties voor de benoeming van de Minister. Dat had ik nog niet eerder publiekelijk gedaan, dus bij dezen. Ik wens hem veel succes en wijsheid toe.

Wij bespreken vandaag een succes. Complimenten voor de daling van de jeugdcriminaliteit en ook van het aantal jeugdgroepen. Dat is zeker iets wat deze commissie mag vieren. Tegelijkertijd heb ik ook een aantal kritische kanttekeningen, want het is nog niet helemaal klaar. Ik wil drie punten maken: de 12-minners, de 23-plussers en de ondermijnende criminaliteit.

Ik zeg het maar zoals het is. Ik maak een compliment en dat wil ik ook overtuigd maken, maar tegelijkertijd voelt het ergens niet goed. Bij mij blijft de vraag hangen: waar blijven deze jongens dan? Ik heb de brief van de Minister goed gelezen. Er staan cijfers in over veroordelingen, maar waar blijven deze jongeren? Afgelopen tweede paasdag werd de familie Heo in Amsterdam-Noord overvallen. Het zijn mensen van 61 jaar. De conclusie van die mensen was: we stoppen ermee. Zij werden overvallen door drie man, van wie de jongste waarschijnlijk 12 was en de oudste waarschijnlijk 14. Ik heb het vermoeden dat ik bij een bezoek een week daarvoor deze jongens heb ontmoet. Die zaten gewoon in een kring van mensen. Deelt de Minister met mij dat het doel is dat we de familie Heo beschermen tegen dit soort overvallertjes en dat het doel niet kan zijn dat we groepen aan het tellen zijn? Ik heb toch een beetje het gevoel dat er iets subjectiefs zit in de manier waarop wijkagenten de wijk in worden gestuurd om te tellen, om vervolgens na een paar weken weer te tellen en te concluderen dat er minder groepen zijn. Ik heb daar vragen bij, zeker ook omdat ik niet weet waar deze jongeren gebleven zijn.

De jeugdcriminaliteit daalt overal in Nederland, terwijl we het in Nederland eigenlijk overal anders doen. Kan de Minister aangeven wat de verklaring daarvoor precies is? Jongerenwerkers zeggen tegen mij dat het er bijvoorbeeld mee te maken heeft dat leerplichtambtenaren veel strenger zijn geworden. De jongeren zijn vaker in de klas dan op straat. Dat zou kunnen verklaren waarom zij minder in beeld zijn. Ik lees ook niet of er een causaal verband is tussen het ontmantelen van deze groepen en de daling van de jeugdcriminaliteit. Kan de Minister er iets over zeggen? We moeten reëel blijven. Het kan niet zo zijn – dat heb ik in andere AO's al aangegeven – dat we hier elkaar bezighouden met de wijkagenten de wijk insturen, groepen in kaart brengen en vervolgens tellen hoeveel er meer of minder zijn. Uiteindelijk gaat het erom dat we ondernemers en buurtbewoners beschermen tegen de criminaliteit die deze jongeren plegen.

Het tweede punt was de screening, de 12-minners. Amsterdam heeft een screening van 12-minners. Dat gaat via allerlei onderzoeken waardoor gedrag voorspeld kan worden, waardoor dus ook op tijd een interventie kan plaatsvinden. Kent de Minister dit soort screenings? Wat vindt hij daarvan? Wil hij daarin investeren? Ik heb de afgelopen weken in persberichten gelezen dat deze Minister preventie een warm hart toedraagt.

In lijn met wat de gemeente Amsterdam doet, heeft de politie een systeem ontwikkeld genaamd ProKid, waardoor aan de hand van data en informatie bijna kan worden voorspeld wie die 12-jarige jongen is die de familie van de snackbar overviel. Daardoor kunnen de politie en vooral de hulpverlening veel preciezer worden ingezet inzetten en kan dit soort delicten worden voorkomen. Kent de Minister ProKid Politie? Is hij bereid daarin te investeren? Onderschrijft hij het belang van dergelijke onderzoeken en interventies?

Een aantal collega's heeft al gesproken over de 23-plussers. Ik heb het idee dat er minder 12-minners zijn en dat we meer 23-plussers hebben. Dan kun je al heel snel een aantal groepen afstrepen. Deelt de Minister deze constatering met mij? We zien dat die 23-plussers vervolgens met kalasjnikovs als huurmoordenaar met dure Audi's de wijken intrekken en op klaarlichte dag met een hoop cash op zak elkaar afschieten.

Mevrouw Helder (PVV): Ik heb een interruptie op het vorige punt. Collega Marcouch haalde twee keer een voorbeeld aan met jongeren van 12 jaar en een keer 14 jaar. Dat was voor mijn fractie al reden om meerdere keren te pleiten dat de teller voor de isd-maatregel gaat lopen vanaf 12 jaar. Het gaat er niet om dat ze vanaf 12 jaar die maatregel opgelegd kunnen krijgen, maar dat de teller dan wel gaat lopen. Als je dan binnen drie jaar meerdere keren met de politie in aanraking bent gekomen voor een overval of een woninginbraak, ga je een keer twee jaar achter slot en grendel, waarbij je ter plekke ook die hulpverlening krijgt. Laat daar geen misverstand over bestaan. Ik ben benieuwd hoe de collega van de PvdA-fractie daar nu over denkt.

De heer Marcouch (PvdA): Collega Helder weet dat ik al eerder een motie heb ingediend met een soortgelijke strekking, de terbeschikkingstelling aan het onderwijs, gesteund door de hele Kamer. Ik vraag de Minister om tempo te maken met die wetgeving. Ook ik heb al eerder gepleit voor jeugd-isd. Wat mij betreft moeten we gewoon interventies doen die nodig zijn om deze jongeren op het rechte pad te krijgen, maar zeker ook om mensen zoals de familie Heo te beschermen.

Mevrouw Helder (PVV): Dat is een hoopgevend antwoord. Dat was ook de reden waarom mijn fractie die motie heeft ondersteund. Wij zijn niet zo voor die maatregel op zich, maar daaruit bleek dat je ze achter slot en grendel krijgt, zoals wij graag zien. Dat klinkt wel wat negatief voor 12-jarigen en iets ouder, maar je kunt daar ook verder aan je onderwijskwaliteiten werken. Ik vind het een hoopgevend antwoord, ik neem het mee naar de toekomst en misschien ga ik er een motie over maken.

De heer Marcouch (PvdA): Ik sprak zojuist over de 23-plussers. Wat ik mis en ook niet teruglees in de brieven, is het kaalplukken van deze criminelen, de patseraanpak. Hoe kom je als snotneus van 18 aan die heel dure auto als je geen baan hebt? De inzet van het RIEC, meer inzet van de Belastingdienst; dat soort creatieve aanpakken van criminelen zou ik graag terugzien in de manier waarop we met deze criminele groepen omgaan.

Collega's hebben net iets gezegd over de onderzoekers. Wij ondersteunen het idee en ik heb ook de ervaring dat als je wijken wilt «opkrikken», dat niet kan zonder dat je ook de veiligheid goed organiseert. Het is belangrijk om te investeren in nieuwe woningen en mooie straten, maar dat moet hand in hand gaan met goed onderwijs, goede hulpverlening en een goed en effectief optredende politie tegen dit soort ondermijnende criminaliteit. Ik zie steeds vaker dat burgemeesters worstelen met zaken zoals massagesalons. Je sluit er een in straat X en een paar straten verderop komt er weer een. Kan de Minister daarop reflecteren? Kan hij aangeven hoe hij tegen die ontwikkelingen aankijkt en welke mogelijkheden hij heeft om op te treden?

De vergadering wordt van 15.42 uur tot 15.48 uur geschorst.

Minister Van der Steur: Voorzitter. Laat ik allereerst de leden van de Kamer danken die mij gefeliciteerd hebben met mijn benoeming tot Minister. Ik probeer vol te houden en vast te houden en zit inmiddels in de derde week. Het is een buitengewoon genoegen om vandaag mogelijkerwijs zes à zeven uur met de Kamer inhoudelijk van gedachten te wisselen over dossiers die ik zoals in dit geval eerder nog niet, ook niet in mijn vorige hoedanigheid, mocht behandelen. Ik stel wel vast op basis van wat ik in het verleden heb gezien en ook op basis van wat ik nu tot mij heb genomen ter voorbereiding op dit algemeen overleg, dat de complimenten aan het adres van mijn ambtsvoorganger terecht zijn gedaan. Wij moeten ons goed realiseren dat vierenhalf jaar geleden de criminele jeugdgroepen een soort alleenheersers waren op straat, dat men in Nederland eigenlijk niet goed wist hoe je ze moest aanpakken en dat mijn ambtsvoorganger met een gewaagde stellingname dat er een radicale wijziging moest komen het hele proces in gang heeft gezet waarmee we dat terrein voor een heel groot deel behoorlijk onder controle hebben gebracht. Het is dan ook een genoegen om met de Kamer van gedachten te wisselen over de aanpak van criminele jeugdgroepen. Dat is een goede traditie die ik dan ook graag voortzet. Ik kan meteen antwoord geven op een vraag van mevrouw Van der Burg, namelijk dat ik de prioritering voortzet die mijn voorganger eraan heeft gegeven. Ik zal laten zien dat we daarin gaan innoveren en evolueren, omdat dat nodig is. Daarmee geef ik meteen antwoord op de vraag van mevrouw Helder hoe we nu verder gaan met die scanlijsten en de aanpak. Ik heb een korte inleidende tekst, waarna ik aan de hand van zeven onderwerpen de vragen van de leden zal beantwoorden.

We kunnen vaststellen dat de aanpak van jeugdgroepen succesvol is geweest, nog steeds succesvol is en wat mij betreft succesvol moet blijven. Dat is met name te danken aan bijvoorbeeld de regiocoördinatoren, die heel actief hiermee bezig zijn. Twee van hen zitten hier in de zaal en heb ik net ontmoet. Ik vind het heel plezierig dat zij kunnen meedelen in de complimenten die de Kamer vanwege deze aanpak heeft overgedragen, ook aan hen en aan alle mensen die hierbij betrokken zijn.

De cijfers zijn duidelijk; het is ook al gezegd. Vanaf 2009 hebben we in vijf jaar tijd een daling van in totaal meer dan 60% van het aantal jeugdgroepen kunnen realiseren. Het aantal hinderlijke jeugdgroepen, wat we vroeger de hangjongeren noemden, is met bijna 70% teruggebracht en het aantal overlastgevende jongeren met 50%. Het aantal criminele jeugdgroepen is ook met meer dan 60% teruggebracht. Dat is de club waar we ons het meest zorgen over maken, voor zover overigens het een niet leidt tot het ander. Diezelfde daling zien we ook in andere cijfers. Het aantal door mijn voorganger zo mooi genoemd high-impact crimes is gedaald met 20% en het aantal geregistreerde verdachten is gedaald met 30%. Dat betekent concreet dat er minder slachtoffers vallen en dat er meer veiligheid is in buurten en wijken.

Betekent dit dat gevallen zoals de familie Heo niet meer zullen voorkomen? Nee, dat betekent het niet. Ook deze Minister kan niet garanderen dat we leven in een risicoloze samenleving. We zullen er nooit in slagen om alle criminele jeugdgroepen en sowieso alle criminaliteit uit onze samenleving te weren. Dat wil niet zeggen dat we daardoor ontmoedigd moeten raken. We moeten gewoon de kracht vinden om door te gaan op de ingeslagen weg, die goed is.

Uit de Veiligheidsmonitor 2014 blijkt dat ook onze inwoners ervaren dat de daadwerkelijke overlast van jongeren daalt. De perceptie is heel belangrijk. Je kunt wel cijfers laten zien, maar merken mensen op de straten en in de wijken nu ook dat er minder jongerengroepen zijn? Het antwoord daarop is ja. Zijn ze weg? Nee, natuurlijk niet, want jongeren zullen we gelukkig altijd hebben. Ze zullen zich misschien ook nog altijd in een groep formeren, maar het is absoluut minder dan het was.

Zitten we dan rustig achterover en kijken we met tevredenheid op ons werk terug? Ja, we kijken wel met tevredenheid terug, maar we zitten niet achterover. De aanpak van criminele jeugdgroepen en ondermijnende en georganiseerde criminaliteit blijft een prioriteit van dit kabinet en van mij en staat om die reden hoog op de Veiligheidsagenda 2015–2018.

Ik heb veel leden horen spreken over de methodiek die we hebben toegepast. Het zo veel mogelijk verbinden van kennis en kunde, het zo veel mogelijk integraal kijken naar de aanpak van die groepen, samenwerking zoeken met het lokaal gezag, met de regioburgemeesters en met de Veiligheidshuizen, samenwerken met de Belastingdienst met het oog op het kaalplukken van criminelen; dat is iets wat we echt geleerd hebben in de afgelopen jaren en waar we heel tevreden over zijn. Die samenwerking wordt voortgezet. Ik merk ook hier op dat het heel belangrijk is dat de zogenoemde kaderwet samenwerkingsverbanden wordt aangenomen door de Kamer, omdat die kaderwet het mogelijk maakt om op een heel transparante manier gegevens onderling uit te wisselen. Juist die gegevensuitwisseling is een van de succesfactoren van de Veiligheidsagenda.

Waar zetten we in 2015 op in? In proeftuinen worden de criminele jeugdgroepen die er nog zijn in beeld gebracht met de zogenaamde groepsscan. Dat is de opvolger van de shortlistmethodiek. Waarom is dat nodig? Het is een evolutie en tegelijkertijd een innovatie. Dat is nodig omdat we zien dat die groepsvorming aan het veranderen is. Dat heb ik net nog even geverifieerd bij de hier aanwezige regiocoördinatoren. We zien dat er veel meer gelegenheidscoalities ontstaan. De ouderwetse groepen zoals de outlawbikers, de criminele bromfietsclubs, zien we verdwijnen, vervagen en daar komen gelegenheidscoalities voor terug. Dat betekent dat wij ons beleid moeten aanpassen en dat gaan we dan ook doen. We gaan veel meer zoeken naar systeeminformatie en ook naar informatie aan de voorkant, bijvoorbeeld door via sociale media in kaart te brengen hoe leden van groepen met elkaar communiceren. Ze komen veel minder bij elkaar, maar wisselen virtueel gegevens met elkaar uit en hebben zo ook overleg.

Ook in de gemeentelijk kolommen moeten we veel meer verbindingen leggen om juist dat soort aspecten naar voren te kunnen brengen. Daarbij is de lokale driehoek van essentieel belang. Ook daar zal weer gelden dat ook de lokale driehoek, misschien wel meer dan in het verleden, een rol krijgt om aan de voorkant integraal beleid te voeren, zodat we op die manier die groepen vroegtijdig in kaart kunnen brengen, op de individuen kunnen rechercheren en ze kunnen aanpakken. Dat zijn ook de punten die ik in het artikel 19-overleg met de regioburgemeesters bespreek. Die pilots zijn heel belangrijk om die innovatie te testen en om te zien of het werkt, of die aanpak succesvol is en of we daardoor veel meer aan de voorkant komen van die groepsvorming. Daarmee ontstaat dan ook een completer beeld van de aard, de omvang en de classificatie van die nieuwe vorm van jeugdgroepen op zowel lokaal en regionaal als landelijk niveau.

We gaan dan ook door met het versterken van de meersporenaanpak. Ik heb veel leden daarover horen spreken. Het is goed dat de Kamer erkent en herkent dat we niet alleen kijken naar straffen. Dat is op zichzelf heel belangrijk: als mensen over de schreef gaan, moet er gestraft worden. We kijken ook naar hulp, werk of opleiding, waarover mevrouw Berndsen heeft gesproken. Ook richten we de aanpak op het gezin en het sociaal netwerk. Daar zijn allerlei projecten voor, bijvoorbeeld het broertjesproject in Breda, waarbij heel bewust wordt gekeken naar de ring rondom. Dat geldt ook voor de Top 600-aanpak in Amsterdam, waar heel goed wordt gekeken: wat gebeurt er in zo'n gezin, wat gebeurt met de overige leden van dat gezin en kunnen we vroegtijdig door middel van de Veiligheidshuizen, door middel van onderwijs, in goed overleg met het lokaal gezag maar ook met woningcorporaties, die mensen in beeld krijgen en voorkomen dat men crimineel, hinderlijk of op een andere manier actief wordt?

Natuurlijk is het daarnaast, zeg ik in reactie op de vragen van de heer Marcouch, van belang dat we hinderlijk en vooral zichtbaar blijven verstoren en dat we crimineel vermogen afpakken. Ik ben het geheel met de heer Marcouch dat dat de manier is waarop je criminelen hard treft. Criminele jeugdgroepen worden dus aangepakt en blijven aangepakt worden met alle beschikbare middelen, zowel strafrechtelijk als bestuurlijk en financieel, maar ook met zorginterventies wanneer die nodig zijn.

De heer Marcouch (PvdA): Ik onderschrijf natuurlijk de uitgangspunten van de Minister. Mijn punt is dat we een gigantische daling van het aantal groepen zien, maar dat we lang niet overal een daling zien van bijvoorbeeld high-impact criminaliteit. Het is met criminaliteit net als met armoede. We hebben het net gehad over wijken. Het zit in bepaalde buurten en wijken in bepaalde steden. We zien dat de 23-plussers uiteindelijk heel heftige delicten plegen. Wat is de praktische vertaling om dat soort misdaden tegen te gaan door het ontmantelen van deze groepen? Ik krijg dat inzicht niet uit de brieven die we hebben ontvangen. Ik zie wel dat de delicten plaatsvinden. Een voorbeeld is Amsterdam Nieuw-West: volop criminaliteit, inbraken, liquidaties en overvallen. Statistisch daalt de criminaliteit over het hele land, maar daar niet. Daar zitten wel die groepen en daar is het aantal groepen ook afgenomen, dus ik begrijp dat niet.

Minister Van der Steur: Het onbegrip van de heer Marcouch kan ik op dit moment niet ondersteunen, omdat ik niet weet of het aantal high-impact crimes in die wijken niet daalt. Het landelijke beeld is in ieder geval dat de landelijke aanpak van jeugdgroepen zich vertaalt in een daling van het aantal high-impact crimes. Dat is gewoon een feit. Over de hele linie zien we op het gebied van de high-impact crimes, waarop we actief beleid hebben ingezet, met name dankzij mijn voorganger, een enorme daling daarvan. Dat is ook de reden waarom we proberen om met al die middelen ervoor te zorgen dat de doorgroei waar de heer Marcouch bang voor is en die natuurlijk her en der plaatsgevonden heeft – dat kan niet anders, want anders zouden we geen criminaliteit meer overhouden – vroegtijdig wordt gestopt. Dan valt dat vervolgens in de aanpak op het gebied van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit, die in heel veel gevallen gemeentegrenzen overstijgt, dus buiten de lokale driehoek valt en landelijk wordt aangepakt.

De heer Marcouch (PvdA): Ik hoef niet onmiddellijk een antwoord te krijgen op deze vraag, maar ik zou wel graag zien dat de Minister bekijkt of met de ontmanteling van een criminele groep ook het aantal delicten afneemt. Dat causale verband lijkt mij heel belangrijk. Natuurlijk, criminelen zijn niet gek. Op het moment dat je ze een aantal keren lastig valt, zorgen ze er wel voor dat de wijkagent ze niet meer ziet. Ik mis in de informatie die we hebben gekregen de relatie met de delicten, de misdaden en de afname daarvan. Dan ben je pas effectief bezig. Het kan toch niet zo zijn dat we alleen maar met getallen bezig zijn?

Minister Van der Steur: Ik begrijp de zorg van de heer Marcouch; daar wil ik ook niets aan afdoen. We zien dat we criminele jeugdgroepen effectief aanpakken. We zien dat die niet meer terugkeren in onze statistieken. We zien ook dat er ondertussen natuurlijk criminaliteit is en blijft. Daar doe ik niets aan af. Ik kan hier niet zeggen – de heer Marcouch verwacht ook niet dat ik hier zeg – dat die criminaliteit over een paar jaar helemaal verdwenen zal zijn, want dat is natuurlijk niet zo. Om een antwoord te geven op de vraag van de heer Marcouch: als je het echt wilt weten, zul je per onderwerp en per persoon moeten bekijken hoe zich dat in een reeks van jaren voortzet. Dat lijkt mij een vrij grote opgave. Een ding is zeker: op het moment dat we de groepen en de mensen in beeld hebben, weten we natuurlijk heel veel van die mensen. We zien een hoop van die mensen verdwijnen en we zien een aantal van die mensen niet verdwijnen. Die zien we terugkeren en die eindigen uiteindelijk in de criminaliteit, maar daar kunnen we niet zo heel veel aan veranderen, vrees ik. We kunnen alleen maar doen wat we doen en wat we al heel succesvol doen.

Ik kom bij mijn eerste punt, het beleid. Mevrouw Berndsen, mevrouw Helder en mevrouw Van der Burg hebben gevraagd: leg nog eens even uit wat die Veiligheidsagenda 2015–2018 beoogt en wat de doelstellingen voor de komende jaren zijn. Een ding is zeker: we hebben met de aanpak van criminele jeugdgroepen heel veel bereikt. Tegelijkertijd betekent dit dat die aanpak stevig wordt voortgezet, omdat de problematiek dat absoluut rechtvaardigt. De heer Marcouch vraagt daar ook terecht aandacht voor. Doelstelling is de criminele jeugdgroepen, gelegenheidscoalities en criminele jeugdnetwerken aan te pakken zoals is afgesproken in de Veiligheidsagenda. Dat doen we op een innovatieve manier. Daarvoor werken we met die pilots, maar we blijven dat ook gewoon doen op de manier die we al met succes hebben uitgevoerd.

De heer Oskam heeft gevraagd of er overleg is met de VNG, de regioburgemeesters, de Nationale Politie en het Openbaar Ministerie. In de brief van mijn voorganger is aangegeven dat wij die kwesties allemaal bespreken. De heer Oskam vroeg heel concreet naar de uitkomst van die gesprekken. We hebben met al die partijen gesproken. Iedereen erkent dat de aanpak van jeugdgroepen succesvol is en dat die moet worden voortgezet. Heel veel gemeenten en lokale driehoeken hebben dat dan ook ieder voor zich als een topprioriteit geformuleerd. Daarnaast hebben we afgesproken dat we inzetten op de doorontwikkeling van de shortlistmethodiek zoals ik al heb toegelicht, het sterker verbinden van het veiligheidsdomein aan het sociaal domein en ondersteuning van de lokale partijen, die we op een slimme manier bijeenbrengen en van de benodigde informatie voorzien om op die manier een integraal plan van aanpak te krijgen dat we kunnen uitvoeren.

Mevrouw Berndsen heeft gevraagd naar de ondersteuning van de lokale initiatieven, ook in financiële zin. Hoeveel geld en expertise wordt aan de gemeenten gegeven om de jeugdgroepen effectief aan te pakken? Wij geven geld als er een innovatieve aanpak wordt ontwikkeld, maar dan moet natuurlijk wel aan allerlei voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van cofinanciering, er moet een deugdelijke evaluatie zijn en er moet concreet resultaat worden behaald. Het zijn relatief geringe bedragen, tussen de € 5.000 en € 20.000, maar dat kan net het verschil zijn om bijvoorbeeld de lokale driehoek in staat te stellen om die activiteiten te ontwikkelen.

Voor expertise is het makkelijker, want daarvoor hebben we de regiocoördinatoren. Die bieden hulp op maat waar dat nodig is en zorgen ervoor dat er communicatie is tussen de regiocoördinatoren, zodat men leert van elkaars successen. Daarnaast hebben we het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid; ik heb weer een afkorting ontdekt waar ik nog even aan moet wennen. Het CCV heeft een kennisbank met die goede voorbeelden. Daar brengen we die goede resultaten bij elkaar. Het is heel goed om te zien dat gemeenten elkaar opzoeken om elkaar hulp te verlenen en van advies te dienen.

De heer Marcouch heeft gevraagd of de aandacht niet te veel gericht is op het tellen van de groepen en of we weten waar die jeugdigen blijven. We weten zeker wat onze doelen zijn. Dat is niet alleen maar percentages aan de Kamer rapporteren, hoe belangrijk dat overigens op zichzelf ook is, want door meten kom je tot weten zoals de goede Kamerlingh Onnes al zei. Doel blijft natuurlijk het stoppen van de overlast en de criminaliteit, bescherming van slachtoffers en burgers, het weer op het rechte pad brengen van jongeren, want bij hen kan dat vaak nog, en uiteindelijk het veiliger maken van Nederland, maar dan zeg ik natuurlijk niks nieuws. Het tellen van die groepen geeft wel inzicht in de opgave voor de lokale driehoek. Als jij als burgemeester weet dat je te maken hebt met een x-aantal criminele jeugdgroepen, dan kun je daar vervolgens je beleid op baseren. Het tellen op zichzelf heeft wel een belangrijke functie. Het tellen is wel interessant, maar daarnaast moet je natuurlijk weten hoe die groep is samengesteld. Dat kun je nu nog vrij eenvoudig doen, maar we voorzien al dat het in de toekomst veel ingewikkelder zal worden en dat we veel meer gebruik zullen maken van sociale media en internet. Daarmee krijgen wij allemaal een totaalbeeld van die groepen. Lokaal weet men dan hoe het met die jongeren gaat en waar ze zijn. We volgen ze niet tot in de eeuwigheid, maar wel zo lang als dat nodig is.

Mijnheer Marcouch vroeg hoe ik de daling van de jeugdcriminaliteit verklaar. Daar heb ik al wat over gezegd. De jeugdcriminaliteit daalt gelukkig sowieso. We weten dat dit verschillende oorzaken heeft. Sommige kennen we, sommige kennen we niet, maar het is wel zeker dat de aanpak van problematische jeugdgroepen als zodanig daaraan bijdraagt. Uit onderzoek blijkt namelijk dat 75% van de jeugdcriminaliteit plaatsvindt in groepsverband. Ik zeg het nog maar een keer: degenen die het Algemeen Dagblad van het afgelopen weekend hebben gelezen, weten dat ik daar persoonlijk ervaring mee heb. De aanpak werkt, want reageren met straf en het toepassen van zorg voorkomen echt probleemgedrag.

Mevrouw Berndsen heeft gevraagd wat de rol van de Veiligheidshuizen is bij de huidige aanpak. Op lokaal niveau bepalen de Veiligheidshuizen natuurlijk zelf hoe men problemen aanpakt en of men in het Veiligheidshuis een jeugdgroep bespreekt. Toen ik mij in mijn vorige rol in de Veiligheidshuizen inwerkte, heb ik gezien dat ook juist daar vroegsignalering van ontsporende jongeren heel vaak plaatsvindt, en dat is ongelooflijk belangrijk. Maar ik zeg dus wel nadrukkelijk dat het aan het Veiligheidshuis zelf is om daarin keuzes te maken, want daar ga ik als Minister niet over. Ik kan hier wel zeggen dat ik hen adviseer om het te doen, want ik denk dat de Veiligheidshuizen de goede plek zijn om dat te doen. Overigens zal de door mij al eerder genoemde kaderwet daarbij helpen. Het is verder natuurlijk ook verstandig om de belangrijkste partners hierbij te betrekken. Soms hebben gemeenten ervoor gekozen om de aanpak in een apart overleg met elkaar te bespreken. Dat is prima als er maar goed wordt samengewerkt aan één integraal plan en één integrale aanpak waarover iedereen het eens is.

De heer Marcouch (PvdA): Het is winst dat de aanpak van jeugdgroepen ons geleerd heeft wat effectief is tegen criminaliteit. Ik hoor de Minister echter niet duidelijk aangeven wat de echte reden is voor de daling. Ik ben dan ook nog steeds benieuwd naar de reactie op mijn stelling dat er gewoon minder 12-jarigen zijn en meer 23-plussers en dat die laatsten niet in de cijfers over de jeugdgroepen terechtkomen. Als dat de daling verklaart, weten we nog niks, althans: we weten dan dat het niet aan onze aanpak heeft gelegen.

Minister Van der Steur: De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we dat niet precies weten, want anders had ik dat al wel in de brief geschreven. Ik ben net als mijn voorganger op zoek naar de mededeling: Minister, het beleid dat u de afgelopen jaren hebt gevoerd, heeft dit allemaal veroorzaakt. Het goede nieuws voor de heer Marcouch is wel dat de daling die we zien, ook relatief is: er zijn minder jongeren, maar ook binnen die relatief kleinere groep daalt de criminaliteit nog steeds. Dat er minder jongeren zijn, is dus niet de enige verklaring, gelukkig maar, want daaruit blijkt dat het beleid zijn functie heeft.

De heer Marcouch moet verder ook niet vergeten dat we nu veel meer aan preventie doen dan vier, vijf jaar geleden, doordat we meer inzicht hebben gekregen in die jongeren. We doen natuurlijk veel meer dan tien jaar geleden en dat laat wel zien dat we, onder andere in de Veiligheidshuizen, door vroegtijdige signalering van de problemen beter beleid kunnen maken voor de preventie. Dat leidt ertoe dat steeds meer criminele carrières in de knop worden gebroken. Ook dat wordt dus veroorzaakt door de aandacht die we hebben voor de criminele jeugdgroepen op het moment dat het fout gaat.

De heer Marcouch (PvdA): Dat betekent dus dat we bij het wegstrepen van de groepen ook de verjaardagen van deze criminele jongeren aan het vieren zijn. Wanneer die jongeren 24 of 25 geworden zijn, horen ze immers niet meer bij zo'n groep. Met het oog hierop is het zo belangrijk dat we inzicht hebben in wat er met die jongens gebeurt. Als we dat inzicht hebben, kunnen we beter beoordelen wat effectief is. Collega's van mij spraken al over de doorlopende lijnen als een mogelijke verklaring voor de oudere overvallers en inbrekers en de liquidatiegolven.

Minister Van der Steur: Ik ben blij dat de heer Marcouch dit punt opwerpt. We doen daar overigens ook onderzoek naar. Een van de problemen daarbij is natuurlijk wel dat we stuiten op zaken als de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Als ik naar de leden van de commissie kijk, zie ik niet bij iedereen evenveel enthousiasme om de huidige mogelijkheden op te rekken, maar één ding is zeker en dat is dat we hiernaar onderzoek doen. Verder zullen we daarover binnen de kaders van de huidige wet rapporteren. Als we dat gedaan hebben, komt deze informatie naar de Kamer.

Voorzitter. Mevrouw Kooiman vroeg mij in te gaan op de vorming van platforms et cetera om ervaringen te delen. Daarover heb ik al het een en ander gezegd en dat zal ik nog even snel herhalen. We hebben de databank van het CCV, we hebben de regiokantoren en de gemeenten ondernemen onderling ook actie op dit punt. Mijn departement heeft al een keer de belangrijke elementen van de succesvolle aanpak beschreven en onder gemeenten verspreid, juist om onze kennis te delen. Dat heet de ebookaanpak jeugdgroepen. Dit ebook wordt als dat nodig is periodiek aangepast. Zo zorgen wij ervoor dat er actuele informatie beschikbaar is over de effectiviteit van ons beleid.

De heer Oskam heeft gevraagd of ik zijn naam wat meer wil noemen. Dat zal ik doen: de heer Oskam heeft gevraagd … Dat is een goede vraag van de heer Oskam, zo zeg ik met mijn voorganger. Hoe wordt er gemonitord en gerapporteerd? Zo vroeg de heer Oskam. De aanpak wordt lokaal gemonitord. De lokale driehoek doet dat op basis van diezelfde shortlistmethodiek. Daaruit volgt vervolgens een landelijk beeld. De voorzitter van het overleg van regioburgemeesters, de korpschef en de voorzitter van het College van procureurs-generaal geven mij één keer per jaar een uitgebreid landelijk beeld van alle soorten problematische jeugdgroepen. Tot en met vorig jaar kwamen zij ook tweemaal per jaar met een apart rapport over de aanpak van criminele jeugdgroepen. Vanaf dit jaar, 2015, loopt het anders: de rapportages volgen nu in het kader van de Veiligheidsagenda 2015–2018. Ik spreek hierover dus twee keer per jaar in het overleg met de regioburgemeesters, de korpschef en het Openbaar Ministerie. De stand van de aanpak van de problematische jeugdgroepen nemen we mee in de brief waarin ik de Kamer informeer over alle afspraken uit de Veiligheidsagenda.

Ik heb mevrouw Kooiman al antwoord gegeven op de vraag over de opvolging van de shortlistmethodiek.

Mevrouw Berndsen stelde een aantal feitelijke vragen, onder meer of ik kan aangeven wat het aantal leden van zo'n criminele jeugdgroep is, welke strafbare feiten zij plegen en welke straffen hiervoor worden uitgereikt, onder andere in het kader van Halt. Omdat de lokale driehoeken de inventarisatie van de problematische en criminele jeugdgroepen doen, is de omvang daarvan niet statisch. Het varieert van tien jongeren tot een veel groter aantal. Soms kunnen het groepen zijn van meer dan 30 leden. Er zitten grote verschillen tussen en daardoor kunnen we niet een algemene deler vaststellen. De gepleegde strafbare feiten, de Halt-sancties en andere interventies worden op dit moment niet uitgebreid gemonitord of geadministreerd, voornamelijk omdat het heel veel tijd kost en we de keuze hebben gemaakt om die tijd te steken in het uitvoeren van het programma. Ik hoop dat mevrouw Berndsen die keuze kan begrijpen. Belangrijk is dat professionals ook zonder die kennis weten wat werkt. Dat is de meersporenaanpak waarvan het succes vaststaat.

Mevrouw Kooiman heeft gevraagd welke ervaringen er zijn opgedaan met de pilots. De eerste ervaringen met de pilots rond de groepsscan zijn overwegend goed. Er lopen nu in 25 gemeenten pilots met de groepsscan. De groepsscan levert meer informatie op dan de shortlistmethodiek. We zien dus nu al een verbetering in de methodiek. Er wordt ook veel meer informatie uit de systemen van politie en gemeenten gebruikt en daardoor is het beeld dat we krijgen completer dan in eerdere jaren. Eind 2015, begin 2016 hopen we zover te zijn met de groepsscan en het werkproces dat het lokaal gezag met de politie en het Openbaar Ministerie er volledig mee kan werken.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Over 2013 heeft het Minister wel een persbericht uit laten gaan over het aantal leden van problematische jeugdgroepen en het aantal delicten dat door criminele jongeren wordt gepleegd. Mijn vraag ziet dus op 2014. Ik wil weten of er over dit jaar cijfers bekend zijn, omdat dit ook weer inzicht biedt in de omvang en het aantal leden van die problematische en criminele jeugdgroepen.

Minister Van der Steur: Ik weet dat dit in 2013 is gedaan. Daar kwam toen het angstaanjagende cijfer uit over de top-600 in Amsterdam. Die 600 jongeren zouden goed zijn voor 15.000 delicten!

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): 1.500 voor 10.000 strafbare feiten!

Minister Van der Steur: Nee, het was echt 600 op 15.000. Die analyse is in 2014 niet gemaakt, omdat er toen voor is gekozen om onze energie te richten op de aanpak in plaats van op de registratie.

Mevrouw Helder heeft gevraagd of ik een splitsing kan aanbrengen tussen het aantal voorwaardelijke en het aantal onvoorwaardelijke straffen. Mijn antwoord daarop is misschien enigszins teleurstellend voor mevrouw Helder, want zoals ik nu ben geïnformeerd door het Openbaar Ministerie, word ik al sinds 2011 geïnformeerd. Ik heb die informatie dus niet beschikbaar. Ik geef wel graag inzicht in de strafrechtelijke interventies. Ik doe dat op basis van de afspraken die hierover eerder met de Kamer zijn gemaakt. Ik kan dus geen onderscheid maken tussen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk. Ook op dit punt geldt dat ik het Openbaar Ministerie niet onnodig wil belasten. Ik maak wel van de gelegenheid gebruik om mevrouw Helder erop te wijzen dat we naast die strafrechtelijke aanpak ook een bestuurlijke aanpak en een zorgaanpak hebben. Zij weet dat en zij weet dus ook dat er niet altijd wordt gekozen voor het strafrecht.

Mevrouw Helder heeft gevraagd of ik bereid ben om de isd-maatregel vanaf 12 jaar mogelijk te maken. Daar kan ik twee antwoorden op geven. Het jeugdstrafrecht en het adolescentenstrafrecht bieden voldoende mogelijkheden voor de aanpak van criminaliteit van jeugdigen, zo is mijn overtuiging. Vanaf 16-jarige leeftijd kan het strafrecht voor volwassenen worden toegepast. Ik heb verder begrepen dat delicten die na het twaalfde jaar worden gepleegd, wel kunnen meedoen voor het in aanmerking komen voor de isd-maatregel. Op zichzelf is het beleid er dus al.

Misschien is het wel interessant om in dit verband op te merken dat Nederland internationaal gezien met die leeftijd van 12 jaar al in de strenge categorie zit. Eén land heeft een zwaardere norm. In Engeland begint men namelijk al op 10 jaar, maar dat is natuurlijk speciaal gedaan naar aanleiding van de moord op James Bulger. Nederland zit daar heel kort achter en alle andere landen hanteren een veel hogere grens voor jeugdcriminaliteit. Deze landen kiezen ervoor om geen kinderen van 12 en 13 jaar strafrechtelijk aan te pakken. Het is zelfs zo dat Nederland door de VN met enige regelmaat wordt aangesproken omdat wij daarmee in overtreding zouden zijn van het internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Ik dacht dat het misschien ook goed was om deze informatie te verstrekken.

Mevrouw Helder (PVV): Die informatie was me al bekend. Nederland is overigens op een ander punt op de vingers getikt, namelijk het punt dat in Nederland jeugdigen met voorlopige hechtenis ook in de cel verblijven. Daarover ging mijn vraag echter niet.

Of het buitenland wat minder hard is – ik weet niet of je het zo moet noemen – vind ik minder belangrijk, want je kunt ook vooroplopen met een goede maatregel. Mijn fractie meent gewoon dat de isd-maatregel voor jeugdigen wel degelijk een goede maatregel kan zijn. Mijn fractie is niet overtuigd van het nut van de mogelijke omweg via het volwassenenstrafrecht, want dat gebeurt gewoon niet. Ik kan me daar echt helemaal niets bij voorstellen, want er moet echt heel wat gebeurd zijn, voordat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast op een dader die 18-min is, zeker nu er adolescentenstrafrecht is. In het Wetboek van Strafrecht wordt het ook uitgezonderd, want daarin staat dat de isd-maatregel voor meerderjarigen geldt. Ik vind het dus een wat teleurstellend antwoord van de Minister, maar misschien vindt hij het toch wel een goed idee en is hij bereid om er nog eens wat beter naar te kijken.

Minister Van der Steur: Mevrouw Helder heeft zich in het vorige debat van vandaag ook al teleurgesteld getoond over mijn reacties op haar vragen. In dit specifieke geval begrijp ik haar punt goed. Omdat ik ook graag zelf wil weten hoe het precies zit, zeg ik haar toe dat ik hiernaar zal laten kijken. Dat zal geen heel omvangrijk onderzoek worden, maar wel zodanig dat ik de Kamer daarna nader kan informeren over de omgang met delicten die worden gepleegd door jeugdigen vanaf 12 jaar en het in aanmerking komen voor de isd-maatregel.

Voorzitter. Ik ga verder met wederom een vraag van mevrouw Helder van de PVV. Naar aanleiding van het interview met de politiefunctionaris van een paar dagen geleden – een interview dat ik ook heb gelezen – vroeg zij om een reactie op het beleid dat daar wordt gevoerd. In het interview werd de suggestie gewekt dat het belonen van de kopstukken effectief zou zijn. Eén ding is zeker en dat is dat de aanpak van jeugdcriminaliteit maatwerk vereist. Het zal niemand verbazen dat een harde aanpak voor mij en voor mijn voorganger vooropstaat. Jeugd die uit de criminaliteit wil stappen, bieden we natuurlijk wel perspectief. Ik denk dat dit de verklaring is voor de opmerkingen die in dat interview gemaakt zijn. In sommige gevallen moet je jongeren die aan het ontsporen zijn of ontspoord zijn, helpen om hun plek in de samenleving weer te vinden.

Misschien is het in dat kader goed dat ik nog even opmerk hoe het in Delfshaven gaat. Ik nodig de leden graag uit om bij de wijkagenten daar te gaan kijken. Zij hebben een «koffieproject» opgericht voor jongeren die op geen enkele manier aan werk kunnen komen omdat ze geen verklaring omtrent het gedrag kunnen krijgen. Zeker in de Rotterdamse haven is zo'n verklaring nodig om aan het werk te kunnen. In dat koffieproject met de naam Heilige Rotterdamse Boontjes Koffie proberen deze wijkagenten deze heilige boontjes met een fiks strafrechtelijk verleden de gelegenheid te geven om langs de weg van de koffiebar onder begeleiding van wijkagenten terug te keren in de samenleving. Ik ga daar zo mogelijk binnenkort heen om met eigen ogen te zien hoe dat gaat.

Mevrouw Kooiman vroeg of de inzet van bewezen effectieve methodes wordt bevorderd. Het antwoord daarop is ja. Ik heb dat al gezegd, maar ik wil daar nu nog wel aan toevoegen dat ik de suggesties van mevrouw Van der Burg en mevrouw Kooiman zeker zal meenemen en bespreken met mijn collega van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de VNG.

Mevrouw Kooiman heeft gevraagd naar het idee van haar collega Van Nispen om criminele jongeren onder curatele te stellen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik bedank de Minister voor de toezegging dat hij het met zijn collega's zal bespreken, maar het lijkt mij ook belangrijk om met de rechterlijke macht te bespreken hoe wij ervoor kunnen zorgen dat er over de 12-minners, die onder het civiel recht vallen, een soort algemene uitspraak wordt gedaan. Misschien kan dat niet bij de rechter neergelegd worden, maar we zullen die groep wel moeten afbakenen. De strafrechtelijke interventies die effectief blijken te zijn bij jongeren die wat ouder zijn en gericht zijn op het gedrag en niet op de straf, zouden we ook op jongere kinderen moeten kunnen toepassen. Ik zeg dat, juist omdat ik wil voorkomen dat die jongeren het criminele pad opgaan. Ik zou hierover graag een stevige toezegging krijgen, want volgens mij vergt het wat creatief denkwerk om deze combinatie te maken.

Minister Van der Steur: Ik heb goed geluisterd naar het voorstel van mevrouw Van der Burg. Ze zegt eigenlijk dat ze bij die 12-minners het strafrecht niet wil toepassen. Ze vraagt mij of ik niet op de een of andere manier iets wat lijkt op de interventies die in het strafrecht zitten, via het civiel recht kan toepassen. Dat is eigenlijk wat mevrouw Van der Burg zegt en ik ben bereid om haar toe te zeggen dat ik dat in dezelfde brief meeneem waarin ik de vragen van mevrouw Helder over de isd zal beantwoorden. Ik zal daarvoor bekijken wat er nu al gebeurt, wat er nu al mogelijk is en wat we eventueel kunnen verbeteren.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Dank voor deze toezegging. Op welke termijn krijgen we deze brief? Nog voor de zomer?

Minister Van der Steur: Ik hecht eraan om termijnen te noemen, maar ik wijs er wel op dat we de komende maanden nog een klein ander klusje hebben liggen, namelijk de herijking van de Nationale Politie. Daarin gaat heel veel van energie zitten, maar ik zal toch mijn best doen om die beantwoording voor het zomerreces gereed te hebben.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik heb gevraagd naar de bewezen effectieve methodes die vaak wel door de reclassering worden ingezet. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de multisysteem therapie (MST). Kunnen dit soort methodes vaker worden ingezet binnen het vrijwillig kader of bij een ondertoezichtstelling?

Minister Van der Steur: Mijn indruk is dat dit eigenlijk allemaal al wordt gedaan, maar misschien moet ik mevrouw Kooiman zo begrijpen dat zij mij vraagt om het te intensiveren, omdat het haar indruk is dat het onvoldoende gebeurt?

Mevrouw Kooiman (SP): Het was eigenlijk net heel goed op gang gekomen, maar na de transitie van de jeugdzorg zie je dat gemeenten soms weer opnieuw het wiel uit moeten vinden en dat heeft soms tot gevolg dat ze precies de verkeerde hulp inkopen. Gemeenten zijn heel vaak van goede wil, maar gaan dan toch in zee met een vrijwilligersproject terwijl er juist MST ingezet zou moeten worden.

Minister Van der Steur: Ik begrijp haar punt en ik doe mevrouw Kooiman graag een toezegging, maar het probleem is dat dit valt onder de portefeuilles van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ik kan dus alleen maar toezeggen dat ik het met hen zal opnemen. Ik ben er verder van overtuigd dat er nog andere discussies zullen komen waarin mevrouw Kooiman het rechtstreeks met de betreffende bewindspersonen kan delen. Ik zeg haar dus in ieder geval toe dat ik het zal opbrengen.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik stel deze vraag nu aan de Minister, omdat het mooi ter sprake gebracht kan worden in een discussie over criminele jeugdgroepen. Ik zou daarom graag in de al toegezegde brief terugzien wat die terugkoppeling van de Minister heeft opgeleverd.

Minister Van der Steur: Dat is prima. Het wordt dan een soort verzamelbrief criminele jeugdgroepen. Het wordt steeds ingewikkelder om die brief nog voor het zomerreces naar de Kamer te sturen, maar ik zal daarvoor mijn best blijven doen. Ik zie aan de leden dat zij het mij niet euvel duiden dat het na het zomerreces wordt als ik daarvoor een goede verklaring kan geven.

Voorzitter. Mevrouw Kooiman heeft mij gevraagd wat er is gebeurd met het idee dat de SP-fractie met zo veel enthousiasme heeft gestolen van prof. Weijers. De vorige Staatssecretaris heeft in het algemeen overleg op 5 november inderdaad aangekondigd dat hij de mogelijkheden van de financiële curatele wil bezien in relatie tot de recidive na een verblijf in een justitiële jeugdinrichting. Natuurlijk moet de zogenoemde financiële curatele ook worden afgezet tegen de al bestaande mogelijkheden van afpakken als ontneming, verbeurdverklaring, conservatoir beslag enzovoorts, enzovoorts. We hebben natuurlijk al heel veel middelen. Er wordt op dit moment naar gekeken en ik kan daarom met enthousiasme toezeggen dat mijn nieuwe Staatssecretaris nog dit voorjaar de Kamer nader zal informeren over zijn plannen. Verder heb ik ook zelf de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming gevraagd om een verkennend advies over de financiële curatele. Dat advies is op 16 februari jongstleden openbaar gemaakt en zal bij de verdere gedachtegang worden betrokken.

Mevrouw Berndsen heeft gevraagd of de Minister bereid is om onderzoek te doen naar de vraag hoe scholen en politie samenwerken. Ik ken dit punt, want het is een bekend punt van mevrouw Berndsen; zij heeft het al vaker aangedragen in bijeenkomsten deze week. Eerlijk gezegd vind ik dat we die aanpak in principe voldoende hebben onderzocht. Schoolveiligheid is een van de prioriteiten van het jeugdbeleid van de politie en de samenwerking tussen onderwijs en politie is over het algemeen erg goed. Er wordt veel informatie uitgewisseld en naar mijn indruk wordt er ook heel goed tussen de politie en het onderwijs samengewerkt.

Voor de zogenoemde doorgroei heeft niet alleen mevrouw Helder, maar hebben ook mevrouw Berndsen en anderen aandacht gevraagd. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat we grip krijgen en houden op jongeren die doorgroeien naar criminele topfuncties? Mevrouw Helder vroeg het als eerste, maar ook de heer Marcouch heeft ernaar gevraagd. Ik heb al gezegd dat politie en Openbaar Ministerie daarvoor veel aandacht hebben, want we weten dat het risico op doorgroei bestaat. Samen met de RIECs en de Belastingdienst wordt die aanpak opgesteld en uitgevoerd. Georganiseerde criminaliteit – daar hebben we het over, want dat is de bedrijfstak waarnaar dit soort mensen doorgroeit – is topprioriteit, zoals mijn voorganger dat altijd zei. Verder is het onderdeel van de Veiligheidsagenda, die wij met de Kamer hebben afgesproken. Jeugdgroepen, netwerken, individuen en samenwerkingsverbanden: het maakt niet uit in welke vorm het zich voordoet, want het is en blijft onze intentie om ze allemaal op te pakken, te vervolgen en te berechten.

Mevrouw Berndsen wees er net als de heer Marcouch en anderen op dat uit het rapport over de wijkenaanpak blijkt dat er nog steeds criminelen gemist worden binnen onze aanpak en dat deze jongeren doorgroeien naar zwaardere criminaliteit. Hun vraag is vervolgens natuurlijk hoe dat komt. We zien in ieder geval dat het aantal problematische jeugdgroepen echt daalt. Dat is het gevolg van de lokale aanpak. Ik zei al dat het niet alleen een absolute maar ook een relatieve daling is. Er zullen altijd jongeren zijn die niet reageren op de lokale interventies en inventarisaties. Verder zullen sommige jongeren zich niet aansluiten bij een jeugdgroep en toch topcrimineel worden.

Volgens onderzoekers – het werd al geciteerd – is in kwetsbare wijken ondermijning door georganiseerde criminaliteit echt een serieus maatschappelijk probleem. Deze zware vorm van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit wordt aangepakt binnen het bestaande beleid. We doen dat met de RIECs en de gebiedsgerichte wijkaanpak. Daarvoor werken mijn departement en dat van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nauw samen. Zo organiseren wij in 2015 leerbijeenkomsten, waarin de partijen die betrokken zijn bij de wijkaanpak en de RIEC-partijen bij elkaar worden gebracht, wederom onder het motto dat ze op dit punt heel veel van elkaar kunnen leren.

Mevrouw Van der Burg (VVD): We kunnen natuurlijk niet helemaal voorkomen dat jeugdigen doorgroeien naar die zwaardere groep. Die illusie zullen we geen van allen koesteren. Ik had dan ook een vraag gesteld over wat de experts die hier dagelijks mee te maken hebben, tegen mij hebben gezegd, namelijk dat ze een tijdje onder de radar verdwijnen, maar in die tijd wel doorgroeien naar de zwaarste groep. Ze verdwijnen onder de radar, omdat ze in die nieuwe groep wat minder zwaar zijn dan anderen. Ik vind dit heel onwenselijk, want het betekent dat we ze pas weer tegenkomen als ze in de zwaarste categorie zitten. Dan worden ze weer topprioriteit, maar je bent dan eigenlijk te laat, omdat het dan zover is geëscaleerd dat het eigenlijk de Holleeders van de toekomst zijn. Is de Minister bereid om te kijken of het mogelijk is om de jongeren binnen deze groepen eerder prioriteit te geven? Dat vraagt natuurlijk wat inzet, maar we voorkomen daar wellicht wel mee dat deze jongeren in de zwaarste groep terechtkomen.

Minister Van der Steur: Ik begrijp dit sympathieke punt van mevrouw Van der Burg heel goed. Juist bij georganiseerde criminaliteit hebben wij de keuze gemaakt om de top zo snel mogelijk weg te halen, omdat je daarmee de organisatie onthoofdt en een onthoofde organisatie is niet meer effectief. Ik wil best eerst de kleine vissen, de loopjongens, aanpakken, maar niet als dat ertoe leidt dat we de top niet meer kunnen aanpakken. Als mevrouw Van der Burg dat met mij eens is, denk ik dat wij het erover eens zijn dat idealiter de hele groep wordt gepakt als er sprake is van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Maar als ik de keuze moet maken tussen het uitschakelen van de leiders of de loopjongens, dan houd ik vast aan de prioriteit om eerst de top aan te pakken. Dat is overigens ook wat de Kamer mij heeft gevraagd in het algemeen overleg over georganiseerde criminaliteit. Ik kan daar niet aankomen met de mededeling dat ik het naar aanleiding van dit algemeen overleg opeens heel anders ga doen, want dan krijg ik daar geheel terecht gedonder over met de Kamer. Die vormen van criminaliteit moeten namelijk echt kei- en keihard worden aangepakt.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Daar bestaat geen misverstand over. Ik begrijp ook dat de capaciteit schaars is, maar misschien kan er in het kader van de innovatieve aanpak van jeugdgroepen en doorgroei nog eens gekeken worden of er binnen de bestaande capaciteit iets meer aandacht voor kan komen. Ik heb natuurlijk begrip voor de prioriteiten van de Minister, want dat zijn prioriteiten die mijn partij volledig ondersteunt.

Minister Van der Steur: Dan zijn we het eens. Daar waar we kunnen, doen we het, want we willen dit geen van allen. Als je een georganiseerde criminaliteitsgroep ziet als een soort universiteit voor misdaad, is het handig om ook de eersteklassers aan te pakken en niet alleen degenen die op weg zijn naar hun promotie. De impact van de promovendi op de maatschappij is natuurlijk wel groter dan van degenen die nog moeten leren hoe ze het moeten doen, maar dat laat onverlet dat we ze het liefst allemaal aanpakken.

De heer Oskam (CDA): De Minister noemde het RIEC. Een van de aanbevelingen van Tilburg University en de Politieacademie is om dat RIEC een extra rol te geven. Zij willen namelijk dat het RIEC in elke regio één keer per jaar met de andere partners een diepteanalyse uitvoert en dat men komt met extra interventies. Wat vindt de Minister daarvan?

Minister Van der Steur: Of een diepteanalyse nodig en belangrijk is, weet ik niet. Ik weet wel – dat is ook wat ik zojuist zei – dat het belangrijk is dat die RIECs regelmatig met elkaar praten en van elkaar leren. Ik denk dat dat het punt is dat de heer Oskam bedoelt.

De heer Oskam (CDA): Dat bedoel ik niet, want dat gaat meer om het LIEC-verband. De RIECs kunnen natuurlijk in dat verband van elkaar leren, maar wat ik bedoelde is dat zich in bepaalde regio's problemen voordoen die zich ervoor lenen dat het RIEC op een bepaald thema de diepte ingaat om met interventies te kunnen komen. Uiteraard kunnen andere RIECs daarvan leren, maar het zou zo goed zijn om in een bepaald gebied op een bepaald onderwerp de diepte in te gaan.

Minister Van der Steur: Dat snap ik, maar dat is een punt dat de RIECs zelf moeten oppakken. We kunnen hier wel samen vaststellen dat we dat belangrijk vinden. Wat binnen mijn verantwoordelijkheid valt, zijn de leerbijeenkomsten die het Ministerie van BZK en mijn departement in 2015 organiseren. Daar worden de partijen die betrokken zijn bij de wijkaanpak en de RIEC-partijen bij elkaar gebracht, zodat zij kunnen werken aan verdieping of anderszins de aanpak met elkaar kunnen evalueren en intensiveren. Ik denk dat dit tegemoetkomt aan de behoefte van de heer Oskam, een behoefte die ik overigens wel herken. Zoals hij weet, vallen de RIECS ook niet onder mijn directe verantwoordelijkheid.

De heer Oskam (CDA): Het ging mij alleen om de zienswijze. De Minister deelt die en dat is prima.

Minister Van der Steur: Voorzitter. De heer Marcouch en mevrouw Van der Burg hebben in het kader van de 12-minners gevraagd naar het signaleringsinstrument ProKid Politie. Zoals mij voorganger zou zeggen: dat was een goede vraag. De heer Marcouch noemde ProKid expliciet en ik kan hem zeggen dat hij gelijk heeft dat de politie daarmee begonnen is en dat mijn departement het al heel snel heeft overgenomen. Al zijn complimenten over de effectiviteit van de aanpak van ProKid en de uitrol daarvan, aanvaard ik dan ook graag, mede namens de betrokken ambtenaren van mijn departement. Alles wat hij daarover zegt, is iets wat wij zelf hebben georganiseerd.

In het kader van ProKid kan de politie een zorgmelding doen bij de jeugdzorg. Zoals de Kamer weet, zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het integrale hulpaanbod aan jeugdigen en hun gezinnen. Ik merk daarbij op dat in het kader van ProKid vooral de vroegtijdige risicosignalering van belang is en dat daar ook het aanspreken en verantwoordelijk stellen van ouders bij hoort. Burgemeesters hebben ten slotte de bevoegdheid om 12-minners die overlast veroorzaken, stelselmatig aan te pakken. Als dat nog niet genoeg blijkt te zijn, is er de mogelijkheid van opvoedingsondersteuning en uiteindelijk de methodiek van het Jeugd Preventie Team 12-min onder het motto «BASTA!». Velen van de commissieleden kennen dit team ongetwijfeld beter dan ik, want ik hoor er nu voor het eerst over.

Mevrouw Van der Burg heeft in het kader van de 12-minners gevraagd hoe goed de verwijsindex wordt ingevuld. Daarop kan ik geen antwoord geven, want gemeenten vullen, samen met de verschillende partners, de verwijsindex in. Ik hoor wel – ik geef dat mevrouw Van der Burg onmiddellijk toe – dat die index in verschillende gemeenten wisselend wordt gebruikt. Mij gaat het uiteindelijk om het resultaat: het delen van informatie om een goede aanpak uit te voeren. Daar is die verwijsindex een instrument voor, maar het is niet noodzakelijkerwijs het enige instrument. Desondanks is het wel van belang dat die informatiedeling in een zo vroeg mogelijk stadium plaatsvindt. Mevrouw Van der Burg heeft dus ook zeker gelijk als zij zegt dat het van belang is.

De heer Oskam heeft gevraagd of de Minister samen met de Nationale Politie wil kijken naar de inzet van gezamenlijke teams van politie, Belastingdienst, Openbaar Ministerie en gemeenten. Het is een van de belangrijke doelstellingen van de Nationale Politie om juist dat soort samenwerkingsverbanden tot stand te brengen. Ook daarvoor zal de al eerder door mij genoemde kaderwet van belang zijn. Er wordt op dit moment goed samengewerkt met allerlei partners, waaronder de Belastingdienst, de RIECs en de jeugdboa's. Ik zie op zichzelf dan ook geen gaten die door nieuwe teams gevuld zouden moeten worden, maar misschien is dat ook helemaal niet de bedoeling van de heer Oskam.

De heer Oskam (CDA): De Minister heeft mij verkeerd begrepen. Ik wilde zeggen dat de politie zou moeten kunnen optreden. Als er een thema als de synthetische drugs speelt, raakt dat vaak ondergesneeuwd door allerlei andere onderwerpen. Als je een flexibel team hebt dat tijdelijk een kort project kan doen in een bepaalde wijk, zou dat helpen om de misdaad in die wijk te bestrijden. Mijn vraag was eigenlijk of de Minister bereid is om met de korpschef van gedachten te wisselen over zo'n flexibel team dat op verschillende plaatsen een tijdje kan worden ingezet.

Minister Van der Steur: Dan begrijp ik uw vraag beter; excuus dat ik de vraag niet meteen goed heb begrepen. Laat ik vooropstellen dat het voor de wijkaanpak essentieel is dat de agenten die daar actief zijn, de wijk kennen. Een flexibel team dat in diverse wijken actief is, is daarvoor minder handig dan een of twee deugdelijke wijkagenten die hun pappenheimers kennen. Als er een probleem in een wijk wordt gesignaleerd, kan een team natuurlijk wel worden opgeschaald. Ik denk dat dit tegemoetkomt aan de wens van de heer Oskam. Als er een probleem is dat een wijkagent niet alleen aankan, wordt er natuurlijk een team op gezet, zeker als het gaat om criminele jeugdgroepen die je integraal wilt aanpakken.

De heer Oskam (CDA): We zitten toch niet helemaal op dezelfde lijn. Natuurlijk moet je weten wat er in je wijk speelt. Bijvoorbeeld in Tilburg willen ze graag de synthetische drugs aanpakken. Twee mensen doen dat nu, maar die kunnen dat natuurlijk niet alleen. Daarvoor heb je een man of tien nodig. Soms lukt het wel en soms lukt het niet om die mensen bij elkaar te krijgen, omdat die andere acht rechercheurs bijvoorbeeld bezig zijn met een moordzaak. Daarom zou het mooi zijn om binnen de regio's of binnen de Nationale Politie een aantal flexibele teams te hebben, omdat zo'n team bijvoorbeeld in Tilburg kan helpen om de laboratoria daar op te rollen. Dat team is dan ondersteunend aan de mensen die de wijk kennen en weten wat daar speelt. Mijn doel met zo'n team is dus eigenlijk het vergroten van de slagkracht van de politie.

Minister Van der Steur: Ik begrijp het punt. Op zichzelf is wat de heer Oskam voorstelt een wijziging ten opzichte van de werkmethode van de Nationale Politie en dan niet zozeer voor jeugdgroepen als wel in algemene zin. In feite doen we het natuurlijk ook al zo. De heer Oskam geeft het voorbeeld van de drugs en er zijn 125 mensen flexibel ingezet om op dat gebied activiteiten te ondernemen. Ik denk dat het voorstel van de heer Oskam op dit moment niet nodig is voor de aanpak van de criminele jeugdgroepen waarover we het nu hebben. Als hij het niet erg vindt dat ik op dit punt geen toezegging doe, praat ik graag bij een volgende gelegenheid door over deze gedachte. Ik wijs er al wel op dat we het bij de taskforce voor Zuid-Nederland al op die manier hebben gedaan.

Voorzitter. Mevrouw Helder vroeg waarom ik geen aanleiding heb gezien om te praten met de jongeman die zij noemde en om hem over zijn opmerkingen in dat interview aan de tand te voelen. Mevrouw Helder weet natuurlijk dat dit in eerste instantie een keuze is van de politie en het Openbaar Ministerie. Daar kan ik zelf als Minister niet zo heel veel aan doen. Bovendien is het ook een individuele zaak en ik vrees dat ik niet op die individuele zaak in het openbaar kan en mag ingaan.

Voorzitter. Daarmee ben ik gekomen aan het einde van de beantwoording van de vragen, in de hoop dat ik dat ook volledig en naar believen van de Kamer heb gedaan.

De voorzitter: Ik zie dat mijn collega's behoefte hebben aan een korte tweede termijn. Ik hoop dat de leden zichzelf weten te beperken.

Mevrouw Helder (PVV): Voorzitter. Ik bedank de Minister voor zijn beantwoording en de toezegging dat hij goed zal kijken naar de isd-maatregel. Wat mijn fractie betreft staat zorgvuldigheid daarbij voorop en als het niet voor het zomerreces mogelijk is, dan vind ik dat prima. Ik ben vooralsnog heel blij dat ernaar wordt gekeken.

Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag waar het aan ligt dat het aantal minderjarige verdachten in de periode 2007–2013 met bijna 60% is afgenomen. Ik kan het antwoord gemist hebben, maar als dat niet zo is, krijg ik graag alsnog een reactie.

Ik heb wel antwoord gekregen van de Minister op mijn vraag over de constatering in het door mij genoemde rapport dat het Actieprogramma Risicojeugd en Jeugdgroepen blijkbaar niet voldoende is. De Minister reageert daarop met: er is veel aandacht voor bij politie, Openbaar Ministerie, RIECs en de andere betrokken organisaties en dat het de intentie is om op te sporen, op te pakken en te berechten. De conclusie was nu juist dat dit blijkbaar niet voldoende is. De vraag wat de Minister meer gaat doen om dit te tackelen, blijft daarom staan.

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. Het kan kort, want ik heb alleen maar twee suggesties voor de Minister.

Je ziet dat in de probleemwijken in bepaalde buurten door specifieke families subculturen ontstaan waarin criminele activiteiten normaal zijn. Je moet die subculturen afzwakken en dat gebeurt deels door crimineel geld af te pakken. Een ander belangrijk punt dat door de onderzoekers wordt geconstateerd, is dat die mensen op status gaan. Ze vinden het mooi dat de politie en mensen op straat bang van ze zijn, zeg maar hun onaantastbaarheidsimago. Ziet de Minister kansen om daar samen met zijn veldpartners meer tegen te doen?

Mijn tweede suggestie is vergelijkbaar en betreft het bewustzijn in ondernemingen en het maatschappelijk middenveld dat men criminele activiteiten moet melden. Een heel mooi voorbeeld daarvan zijn de tuin- en bouwcentra die bij de politie melden dat mensen bij hen spullen hebben gekocht voor hennepkwekerijen. Je zou daarbij echter ook kunnen denken aan keukencentra en badkamercentra, want het zou natuurlijk nuttig zijn dat zij melden dat mensen met een heel eenvoudige woning een peperdure keuken of badkamer kopen. Ook dan zou je moeten kijken hoe het met dat geld zit. Is het geen witwasoperatie? Fiscale en juridische adviseurs blijken later vaak deel uit te hebben gemaakt van een crimineel netwerk. Ik hoor dan ook graag van de Minister hoe hij deze mensen, net als notarissen, bewust denkt te maken van de risico's die zij lopen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. Ik heb de Minister gevraagd of hij ook een concrete doelstelling heeft, omdat zijn voorganger nadrukkelijk een eigen doelstelling heeft geformuleerd over het terugbrengen van het aantal criminele jeugdgroepen. Ik ben benieuwd of hij ook zo'n doelstelling heeft.

Een ander punt dat ik in tweede termijn nog een keer wil noemen, zijn de schoolwijkagenten. Ik vind het erg jammer dat de Minister daarover zo terughoudend is, omdat het met name een wens van de politie is om hier veel meer mee te gaan werken. Het zou erg helpen als de Minister daarover wat enthousiaster zou zijn. Natuurlijk is het aan de lokale driehoek om te bepalen of men daarvoor meer wijkagenten wil inzetten. De Minister zei van de week dat dit niet kon, maar achteraf bleek dat het wél kon. Dat wil ik hier toch ook even gemarkeerd hebben.

Voorzitter. De Minister kan die kaderwet heel vaak noemen, maar dat zal bij mij echt niet leiden tot meer enthousiasme.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. Ik begin met mijn dank uit te spreken voor de toezeggingen van de Minister. Ik heb nog wel een punt over die jeugdigen.

De Minister heeft daarstraks kort geantwoord op mijn vraag over de verwijsindexen. Hij zei dat het een manier is. Het is uiteraard een manier, maar het is nu juist zo belangrijk dat de verschillende professionals bij dit soort jonge kinderen van elkaar weten wat zij doen. De Minister overlegt in zijn hoedanigheid met de lokale driehoek en daarom zou ik graag van hem horen of hij bereid is om daar op het belang te wijzen van registratie en informatie-uitwisseling via de Verwijsindex Risicojongeren en ervoor te zorgen dat die indexen beter gevuld worden. Bijna alle professionals kunnen daar melden, maar het gebeurt lang niet altijd en daardoor missen we nu juist deze groep. Door hiervan gebruik te maken zouden we die groep veel eerder kunnen bereiken. Ik vind dit een heel belangrijk punt, want als we die informatie niet hebben, gebeurt er niets en glippen deze jongeren erdoorheen. We komen ze dan weer tegen in de krantenberichten die we afgelopen week konden lezen: een 12-jarige die een familie overvalt. Dit is een voorbeeld van de heer Marcouch, maar ik kwam deze week zelf een ander bericht tegen over een 12-jarige die een heel ernstig delict had gepleegd. We zijn dan te laat en daarom zou ik ervoor willen pleiten om juist de jongeren aan te pakken aan wie we nog het meest kunnen doen. Laten we dan gelijk ook kijken of de ouders niet ook zelf heel crimineel zijn. Ik wijs daarop, omdat ik in die «ondermijningsverhalen» soms hoor dat families van generatie op generatie crimineel zijn. Daarvoor moeten we een aparte aanpak ontwikkelen, want als we de kinderen in die families laten blijven en niets doen aan die families om ze op het rechte pad te krijgen, verandert er echt niets.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Het komt niet vaak voor, maar dit keer dan toch: ik bedank de Minister! De Minister heeft mij namelijk uitgelegd dat we niet meer gaan werken met een shortlistmethodiek, maar met een groepsscan. Ik ben heel benieuwd naar de uitkomsten daarvan op termijn. Ik hoop dat we die uitkomsten ook krijgen van de Minister. Dat komt dus goed, want ik zie hem knikken. Daar ben ik blij om, net zoals ik blij ben dat hij de Kamer heeft bijgepraat over de trajecten die er nu al lopen voor informatie-uitwisseling tussen gemeenten. Ik zie namelijk dat gemeenten, politie en burgemeesters vaak heel creatief zijn en met veel enthousiasme deze groepen aanpakken. Dat mag ook wel eens een keer gezegd worden!

Ik ben blij dat de Minister in ieder geval in gesprek gaat met zijn collega van VWS en met zijn Staatssecretaris, omdat er best veel heel goede methodieken zijn voor die multiprobleemgezinnen die niet bij alle gemeenten op het netvlies staan. We zijn het er allemaal over eens dat carrière maken ontzettend goed is, maar niet een criminele carrière en dat we dan ook moeten proberen om daar een stokje voor te steken. Als we gemeenten daarbij kunnen helpen, moeten we dat vooral ook doen.

Tot slot wil ik zeggen dat ik erg blij ben met de toezegging dat we dit voorjaar wat meer te horen krijgen over de implementatie van het goede idee van mijn collega Van Nispen. Hij heeft natuurlijk altijd heel goede ideeën, maar dit idee heeft hij goed gejat van Ido Weijers. Wij zeggen altijd: beter goed gejat, dan slecht bedacht. We geven dan natuurlijk wel altijd eerlijk toe van wie het idee afkomstig is. Ik wacht met spanning af wat hiervan terecht gaat komen!

De heer Marcouch (PvdA): Voorzitter. Ook ik bedank de Minister voor de beantwoording van de vragen. Ik ben blij dat de Minister onderschrijft wat de onderzoekers Kop en Tops stellen in hun onderzoek, namelijk dat de kunst van criminaliteitsbestrijding gecombineerd moet worden met het verbeteren van de woonomgeving, het onderwijs, de opvoeding en de werkgelegenheid. Eigenlijk pleiten ze in hun onderzoek voor een nationaal actieplan waarin de wijkaanpak en de criminaliteitsbestrijding gecombineerd worden. Wat mij betreft wordt de groepsaanpak van criminaliteit daaraan toegevoegd. Ziet de Minister het zitten om dat idee met zijn collega van BZK aan te zwengelen?

Minister Van der Steur: Voorzitter. Ik bedank de leden voor de complimenten die ik van de zijde van de Kamer mocht ontvangen.

Mevrouw Helder vroeg naar een verklaring voor de afname van het aantal verdachten tussen 2007 en 2013. In zekere zin heeft de heer Marcouch daar ook al naar gevraagd. Die daling kan worden verklaard uit de inzet op preventie en uit de vroegsignalering, die door een aantal ook is geroemd. Over de stevige aanpak van het schoolverzuim is in dit verband ook terecht een opmerking gemaakt door mevrouw Van der Burg. Andere oorzaken zijn de inzet van effectieve interventies, de combinatie van straf en zorg en vooral ook het niet loslaten van die potentiële verdachten: je moet betrokken blijven, niet alleen bij de individuen zelf, maar ook bij de gezinnen, hun omgeving en uiteindelijk zelfs bij de familie en de wijk.

Mevrouw Helder heeft gevraagd wat ik vind van de constatering van de onderzoekers dat het actieprogramma Jeugd en Jeugdgroepen niet afdoende is. Het antwoord is dat we juist daarom de samenwerking tussen de veiligheidsregio's en de RIECs intensiveren en faciliteren door dit jaar nog leerdagen te organiseren. We zien dat we succesvol zijn, maar ook dat de coördinatie en de samenwerking nog steeds kunnen worden verbeterd. Gezien de onderzoeken ben ik overigens heel optimistisch en positief over wat we allemaal hebben bereikt. Ik wil dan ook zeker langs deze lijn doorgaan.

De heer Oskam heeft aandacht gevraagd voor een aantal criminele jeugdgroepen overstijgende aspecten. Zo vroeg hij of het goed zou zijn dat ondernemingen en het maatschappelijk middenveld meer meldingen zouden maken. Het antwoord daarop is ja. Dat heb ik vanmorgen ook gezegd in het algemeen overleg over de politie. Toen gaf ik namelijk aan dat we gaan kijken naar de redenen waarom de aangiftebereidheid daalt en daarbij komt dit aspect natuurlijk ook aan de orde. Ik zal de Kamer hierover informeren.

Wat doen we aan het onaantastbaarheidsimago? Het antwoord daarop is dat we juist om die reden het beslagrecht hebben vereenvoudigd. Dat maakt het mogelijk om die auto's, die mobiele telefoons, die juwelen en al die andere statussymbolen effectief aan te pakken. De heer Oskam herinnert zich misschien nog de toezegging die de heer Van der Steur heeft gekregen van de toenmalige Staatssecretaris dat juist hierom het beslagrecht zal worden toegepast, ook als dat meer geld kost. Die toezegging is inmiddels onderdeel van het beleid.

Wat doen we met de onaantastbare families? Ik kan de heer Oskam daarop antwoorden dat dit een onderdeel van de aanpak is. Soms overstijgt het deze aanpak echter en valt het meer onder de aanpak van georganiseerde criminaliteit, want sommige families vallen in beide categorieën. We richten ons daarom op het gezin, de familie, de straat of de wijk. De heer Oskam heeft misschien wel gehoord van de Mammoetaanpak in Den Haag, want dat is hiervan een aansprekend voorbeeld. Als hij deze aanpak niet kent, nodig ik hem graag uit om zich daarover te laten informeren.

Mevrouw Berndsen vroeg wat de concrete doelstelling is van deze Minister. Deze Minister doet hetzelfde als de vorige Minister, want deze Minister is ook gecommitteerd aan de Veiligheidsagenda die met de Kamer is afgesproken. Ik heb vanmorgen gezegd dat ik huiverig ben voor het opleggen van nieuwe taakstellingen, afspraken, aandachtspunten of topprioriteiten om mijn eigen dadendrang te bevredigen. Ik zeg het maar, want ook daar heb ik mevrouw Berndsen in het verleden wel eens iets over horen zeggen. Duidelijk is wel dat ik met de regioburgemeesters, het Openbaar Ministerie en de politie heb afgesproken dat we alle criminele jeugdgroepen blijven aanpakken en niet alleen de 33 jeugdgroepen die we nu overhebben. Dat betekent dat we eventuele nieuwe groepen zullen aanpakken, ook als ze zich openbaren in nieuwe vormen als coalities en netwerken. Ik wijs op die nieuwe vormen, want die criminele jeugdgroepen staan ook op dit punt zeker niet stil.

Ik bedank mevrouw Berndsen voor haar opmerking over de kaderwet. Ik zal nijver doorgaan met het noemen van die kaderwet, zodat mevrouw Berndsen precies weet waarom die kaderwet zo belangrijk is, wanneer die kaderwet op tafel komt en waarom ik tegen die tijd op haar enthousiasme reken.

Mevrouw Van der Burg vroeg mij nog een keer te kijken naar de relatie tussen de verwijsindex en het delen van informatie door de professionals. Dat doen we natuurlijk, want dat maakt onderdeel uit van onze aanpak. Maar ik hoef mevrouw Van der Burg ook niet te vertellen dat dit ook een van de doelstellingen is van de decentralisatie van de jeugdzorg. Die decentralisatie is immers juist ingezet, omdat er veel meer op lokaal niveau maatwerk moet worden geleverd, omdat men daar over de benodigde kennis beschikt. We moeten daar niet weer allerlei dingen tegenaan gaan zetten. De zaken worden besproken in de zorg- en wijkteams, de ouders worden erbij betrokken en één gezin één plan in plaats van 27 zorgverleners rond een gezin. De verwijsindex valt overigens onder de verantwoordelijkheid van mijn collega van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Mijn Staatssecretaris zal ik vragen om dit te betrekken in het al door mij toegezegde overleg.

De cri de coeur van mevrouw Van der Burg deel ik volledig, want door de integrale aanpak kunnen we deze successen boeken. We moeten dus niet naar symptoombestrijding kijken, maar de oorzaken van de criminaliteit wegnemen.

Mevrouw Kooiman wil ik bijzonder hartelijk danken voor haar vriendelijke woorden in mijn richting, maar ook voor haar vriendelijke woorden in de richting van al die mensen die dit succes mogelijk hebben gemaakt. Er is inderdaad sprake van heel veel creativiteit en heel veel enthousiasme en dat wordt alleen maar versterkt doordat iedereen ziet dat het echt werkt. Het is geen papieren werkelijkheid, want het werkt echt. Zij gaf het voorbeeld van multiprobleemgezinnen en dat is precies wat in de jeugdzorg aangepakt moet worden.

En ja, carrière maken is goed, maar in dit geval zeker niet. Mevrouw Kooiman zei het SP-motto is «goed gejat, is beter dan slecht bedacht», maar ik denk dat dit niet iets is wat we de jongeren willen voorhouden. Ik volg op dit punt de SP-fractie toch maar niet.

De heer Marcouch vroeg of het een goed idee is om er een nationaal actieplan van te maken om op die manier samen met BZK een extra inspanning te leveren. Ik waardeer deze suggestie zeer en ik waardeer zijn betrokkenheid zeer, maar ik ga hem teleurstellen, want ik ga geen nieuwe plannen ontwikkelen. Ik ken zijn betrokkenheid uit het verleden, want als de heer Marcouch iets over dit onderwerp zegt, doet hij dat niet omdat hij een rapport heeft gelezen, maar omdat hij zelf met zijn poten in de modder heeft gestaan, om het maar eens plat te zeggen. Ik ga dus niet weer een nieuw initiatief ontwikkelen daar waar we zo succesvol zijn op dit terrein. Er wordt op alle niveaus samengewerkt: nationaal, regionaal en lokaal. We werken samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan die leerbijeenkomsten. Verder is mijn Veiligheidsagenda 2015–2018 leidend en daar staat dit nieuwe plan niet in. Ik nodig de heer Marcouch graag uit om bij de volgende kabinetsformatie in 2017/2018 dit punt nog een keer op te brengen of anders bij de discussie over de Veiligheidsagenda 2018–2024.

Voorzitter. Ik heb één nagekomen punt. Hoe houden we hier zicht op? Dat is een vraag van de heer Marcouch, waar ik nog geen helder antwoord op heb gegeven. Op dit moment wordt door Politie & Wetenschap een onderzoek gedaan naar de oorzaken waarom de leden van een criminele jeugdgroep zijn gestopt en welke rol onze meersporenaanpak daarbij speelt. Dat zal een verkennend beeld opleveren van het perspectief van deze jongeren en van wat wel en niet werkt. Ik verwacht dat dit onderzoek in de tweede helft van dit jaar gereed zal zijn. Ik zal hier dan ook na de zomer op terugkomen.

Ten slotte bedank ik de Kamer bijzonder hartelijk voor het brede enthousiasme en de steun die ik voel voor het goede werk dat regionaal, lokaal en landelijk wordt verricht. Ik ben erg blij dat we ook een onderwerp hebben waarover we in precies twee uur tijd kunnen vaststellen dat we er samen in zijn geslaagd om een succesvol programma te maken waarmee we Nederland veiliger hebben gemaakt.

De voorzitter: Dank u wel, Minister.

Ik noteer drie toezeggingen:

  • De Minister doet onderzoek naar de 23-plussers en stuurt de rapportage naar de Kamer.

Minister, kunt u aan dat onderzoek naar de 23-plussers ook een termijn hangen?

Minister Van der Steur: Voorzitter, daar zullen we voor Prinsjesdag op terugkomen.

De voorzitter: Oké, voor september.

De tweede toezegging:

  • De Minister zal voor de zomer een verzamelbrief criminele jeugdgroepen naar de Kamer sturen. Daarin komen drie punten aan de orde: 1. de mogelijkheden voor de toepassing van de isd-maatregel vanaf 12 jaar, 2. de mogelijkheden om gerichte maatregelen uit het strafrecht toe te passen in het civiel recht, bijvoorbeeld voor agressieregulering door jeugdbeschermers en 3. het contact met de staatssecretarissen van VWS en Veiligheid en Justitie over de bewezen effectieve methoden en de verwijsindex.

Minister Van der Steur: Voorzitter, ik probeer die brief voor de zomer naar de Kamer te sturen, maar ik weet niet of dat lukt.

De voorzitter: Dat hebben we genoteerd.

De derde toezegging:

  • De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zal nog dit voorjaar de Kamer informeren over het onder financieel toezicht stellen van jongvolwassenen.

Ik bedank alle collega's voor hun bijdrage, de Minister en zijn ondersteuning voor hun aanwezigheid en het publiek voor zijn belangstelling.

Sluiting 17.02 uur.