Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201528684 nr. 438

28 684 Naar een veiliger samenleving

Nr. 438 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 april 2015

In deze brief informeer ik uw Kamer over het landelijk beeld van problematische jeugdgroepen 2014 en over het verzoek van de Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie van 5 maart 2015 over de gestanddoening van twee toezeggingen.

Landelijk beeld problematische jeugdgroepen 2014

Het rapport met het landelijk beeld problematische jeugdgroepen1 wordt elk jaar opgesteld in samenwerking met de vertegenwoordigers van de gezagen, de regioburgemeesters en de voorzitter van het college van procureurs-generaal, en met de nationale politie. Uit het rapport blijkt dat het aantal hinderlijke jeugdgroepen in 2014 ten opzichte van 2013 is gedaald met 20% (427), het aantal overlastgevende met 11% (163) en het aantal criminele jeugdgroepen met 27% (33). In totaal is het aantal problematische jeugdgroepen ten opzichte van 2013 dus gedaald met ruim 18% (623).

 

Hinderlijk

Overlastgevend

Crimineel

Totaal

2009

1.341

327

92

1.760

2010

1.154

284

89

1.527

2011

878

222

65

1.165

2012

731

186

59

976

2013

536

183

45

764

2014

427

163

33

623

Dit is een goed resultaat. Ten opzichte van het eerste landelijk beeld uit 2009 is – in vijf jaar tijd – sprake van een daling van 64% waarbij de daling zich manifesteert bij zowel de hinderlijke, overlastgevende als criminele jeugdgroepen (met resp. ongeveer 68%, 50% en 64%). Dat betekent concreet minder slachtoffers en meer veiligheid in buurten en wijken.

De aanpak van problematische jeugdgroepen verloopt succesvol. Dat is te danken aan de goede samenwerking tussen gemeenten, de politie en het OM die tot uitdrukking komt in de inzet van wijkagenten, jongerenwerk, scholen en leerplichtambtenaren, woningbouwcorporaties, officieren van justitie, de gemeenten en zorginstellingen.

Twee toezeggingen

Op 5 maart 2015 heeft u verzocht twee toezeggingen gestand te doen voorafgaande aan het algemeen overleg over criminele jeugdgroepen op 9 april 2015. Het betreft toezeggingen die de voormalige Minister in het algemeen overleg over criminele jeugdgroepen op 17 juni 2014 heeft gedaan:

  • 1. na te gaan of het Openbaar Ministerie feitenmateriaal kan verzamelen over het zwaarder straffen bij delicten die in groepsverband worden gepleegd;

  • 2. een impressie te geven van hoe het met leden van criminele jeugdgroepen gaat nadat zij zijn aangepakt, ook in termen van recidive.

In de brief van 18 november 20142 is reeds aangegeven dat over de wijze waarop deze toezeggingen worden uitgevoerd, overleg zou worden gevoerd met betrokken partners en dat u daarover in de brief over het landelijk beeld 2014 zou worden geïnformeerd. Dat doe ik hierbij.

Ten aanzien van toezegging 1:

Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat gegevens over het zwaarder straffen van delicten die in groepsverband worden gepleegd, niet apart worden vastgelegd. Het verzamelen van die gegevens kan alleen door handmatig en dus arbeidsintensief dossieronderzoek. In het algemeen overleg van 17 juni 2014 en de brief van 18 november 2014 heeft mijn ambtsvoorganger als voorwaarde gesteld dat de uitvoering van deze toezegging niet mag leiden tot een onevenredige belasting van het OM. Dit blijkt wel het geval te zijn. Daarom verwijs ik naar de eerdere reactie3 van de Raad voor de rechtspraak op de vraag of het lid zijn van een criminele jeugdgroep en het aanzetten tot criminaliteit van minderjarige door meerderjarige leden strafverzwarende omstandigheden zijn die in de praktijk tot zwaardere straffen hebben geleid. De Raad gaf toen aan (evenals het OM nu) dat deze zaken niet apart worden geregistreerd, maar dat het aanzetten van anderen tot het plegen van strafbare feiten een relevante omstandigheid is die, indien bewezen, in de regel leidt tot een zwaardere straf.

Ten aanzien van toezegging 2:

De meersporenaanpak van leden van jeugdgroepen bestaat uit een combinatie van strafrechtelijke, bestuurlijke, financiële en zorggerelateerde maatregelen, interventies en sancties. Met die aanpak worden jeugdgroepen ontmanteld, hun leden gestraft, maar wordt ook perspectief geboden. In opdracht van Politie en Wetenschap wordt een casusonderzoek uitgevoerd naar de criminele carrière, het stopproces van lichte tot zware criminele jeugdgroepleden en de rol hierin van de politie- en justitieaanpak. Ook de rol van jeugdzorg, reclassering en hulpverlening wordt belicht vanuit het perspectief van betreffende jongeren. Dit onderzoek is al begin 2014 gestart. Ik verwacht dat dit onderzoek in de tweede helft van 2015 gereed zal zijn. In de onderzoeksgroep zijn geen jeugdgroepleden vertegenwoordigd die nog steeds actief deel uitmaken van een criminele jeugdgroep. Op basis van de uitkomsten zal ik bepalen of het onderzoek kan worden uitgebreid.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Kamerstuk 28 684, nr. 423.

X Noot
3

Kamerstuk 28 684, nr. 397.