Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201828286 nr. 986

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 986 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juli 2018

Hierbij ontvangt u mijn reactie op het advies van de Wetenschappelijke Adviescommissie Zeehondenopvang dat ik op 13 maart jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 970) aan u heb toegezonden. Mijn reactie heb ik afgestemd met de provincies.

De inzet en expertise van de zeehondenopvangcentra en de vele betrokken vrijwilligers hebben bijgedragen aan het op de kaart zetten van de zeehondenopvang in Nederland. Het gaat ondertussen goed met de populatie van in het wild levende zeehonden in de Nederlandse kustwateren en de internationale Waddenzee. De populaties zijn de laatste jaren stabiel en er bevinden zich circa 14.000 gewone en grijze zeehonden in de Nederlandse wateren, waarvan ruim 90% in de Waddenzee. Tegen deze achtergrond is het goed om te kijken naar het huidige beleid en de praktijk van de zeehondenopvang.

In 2015 heeft de heer Eenhoorn verkennende gesprekken gevoerd met betrokkenen over de toekomst van de zeehondenopvang, waarover uw Kamer eerder is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 856). Er bleek op veel punten verschil van mening te zijn waardoor het niet mogelijk was om te komen tot een gemeenschappelijke strategie. Wel was er overeenstemming om wetenschappers een advies te vragen over het opvangbeleid. Betrokken partijen hebben destijds de bereidheid uitgesproken om zich te conformeren aan de wetenschappelijke adviezen. Tevens is aangegeven op welke vragen het advies diende in te gaan. Die vragen luidden:

  • 1. In welke situaties is opvang toelaatbaar en wanneer wordt opvang ontraden?

  • 2. Hoe moet er gehandeld worden in situaties waarbij opvang wordt ontraden?

  • 3. Waar dient de opvang aan te voldoen, welke behandeling en verzorging maakt deel uit van de opvang en wat zijn de grenzen van opvang wanneer wordt besloten tot opvang?

  • 4. Welke voorwaarden dienen er gesteld te worden aan het opnieuw in het wild terugzetten van de dieren?

Advies van de Wetenschappelijke Adviescommissie Zeehondenopvang

De internationaal samengestelde Wetenschappelijke Adviescommissie Zeehondenopvang (WAZ) heeft gedurende zes maanden gewerkt aan haar advies waarin zij antwoord heeft gegeven op de bovenstaande vier vragen. Relevante wetenschappelijke literatuur is onderzocht en internationale experts zijn geraadpleegd. Tevens heeft de commissie drie opvangcentra bezocht om te horen en te zien hoe de opvang in de centra, en de afweging om tot opvang over te gaan, plaatsvindt. De stakeholders konden schriftelijk reageren op het conceptadvies. Eveneens kregen zij de gelegenheid om hun reactie mondeling toe te lichten tijdens een apart daartoe georganiseerde bijeenkomst met de leden van de WAZ.

Het advies wordt gekenmerkt door twee belangrijke pijlers: (1) zeehonden in beginsel niet meer op te vangen, maar alleen onder voorwaarden en (2) de opvang van zeehonden verder te professionaliseren.

De WAZ constateert dat het goed gaat met de gewone en de grijze zeehond. De populaties van beide soorten zijn de afgelopen veertig jaar aanmerkelijk toegenomen. De populatie gewone zeehonden telde circa 9000 exemplaren en het aantal grijze zeehonden is gestegen tot circa 5100 in 2016.

De WAZ concludeert dat de opvang van zeehonden vanuit het oogpunt van de populatie niet noodzakelijk is en (vanuit dit perspectief) moet worden ontraden in situaties waarin opvang negatieve effecten heeft op de populatie wilde zeehonden. Een standpunt dat ook al in genomen werd in het protocol van 2003 («Leidraad opvang gewone en grijze zeehond»). Vanuit dierenwelzijnsaspect adviseert de WAZ alleen tot opvang over te gaan als een zeehond in problemen komt door direct menselijk handelen of in situaties waar opvang geen negatieve effecten heeft op het welzijn van de zeehond zelf of andere zeehonden in de wilde populatie. De huidige leidraad met daarin opgenomen het opvangprotocol is verouderd. De WAZ adviseert om deze te vernieuwen en doet concrete voorstellen daartoe. Verder adviseert de WAZ om op basis van een nieuwe leidraad, een nieuw protocol en een nieuw systeem van zeehondenwachters, een meerjarig voorlichtingstraject gericht op het publiek in gang te zetten.

Reactie op het wetenschappelijk advies

Ik onderschrijf de conclusies uit het advies. Het advies biedt een wetenschappelijk onderbouwde oplossingsrichting voor het vraagstuk van de zeehondenopvang. Het advies geeft antwoord op de door mij gestelde vragen. Ik onderschrijf de uitgangspunten die de WAZ hanteert, die uitgaan van het belang van de zeehond in zijn natuurlijke omgeving. Zij adviseert om niet op te vangen, omdat opvang een negatieve impact kan hebben op de wilde populatie.

Het advies is in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving inzake de bescherming van in het wild levende dieren. In het algemeen geldt ten aanzien van in het wild levende dieren het «handen af principe». Dit principe gaat uit van zo min mogelijk verstoring door menselijke bemoeienis. Met het verlenen van zorg aan in het wild levende zeehonden, die hulpbehoevend zijn ten gevolge van menselijke bemoeienis, wordt invulling gegeven aan de zorgplicht conform de Wet dieren en de Wet natuurbescherming.

Het voorstel van de commissie om in de toekomst anders te gaan kijken naar de werkwijze en de opvang op een andere wijze te organiseren spreekt mij aan. De WAZ concludeert dat het essentieel is voor alle centra om te werken met experts – zeehondenwachters – die op basis van gemeenschappelijke normen zijn opgeleid en gekwalificeerd.

De uitvoering van de aanbevelingen uit het advies van de WAZ vraagt van alle partijen die betrokken zijn bij de opvang van zeehonden een verandering in gedrag en handelen. Het gaat in de eerste plaats om de zeehondenopvangcentra en de vrijwilligersorganisaties. In de tweede plaats om de terreinbeherende organisaties, natuurorganisaties, overheden (Rijk, provincies en gemeenten). Ik vind het van belang dat mensen die betrokken zijn bij de zeehondenopvang meewerken aan de totstandkoming van een breed gedragen akkoord volgens de uitgangspunten en aanbevelingen van het advies. Zij beschikken immers over kennis en kunde als het gaat over de bescherming en het vangen en de opvang van gestrande zieke en gewonde zeehonden.

Zeehondenakkoord

Ik nodig daarom al deze hiervoor genoemde partijen uit om mee te werken aan de totstandkoming van een zeehondenakkoord conform de aanbeveling van de WAZ en daarmee mede uitwerking te geven aan de andere adviezen. De nadere uitwerking van de (deel)adviezen, waarin ook de herziening van de «Leidraad opvang gewone en grijze zeehond», met daarin opgenomen het opvangprotocol gewone en grijze zeehonden, zal daarin worden meegenomen. Het voorstel van de commissie voor aanpassing van de Leidraad en het protocol, gebaseerd op haar advies, dient als uitgangspunt te worden genomen. Ik vind het van belang dat het systeem van zeehondenopvang verder wordt geprofessionaliseerd, onder meer door het aanstellen van zeehondenwachten. Daarnaast hecht ik eraan dat uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling om een meerjarig communicatietraject in te zetten om de veranderingen in de opvang van zeehonden vorm te geven.

In overleg met gedeputeerde Staghouwer van de provincie Groningen namens de provincies, heb ik mevrouw C. Schokker, burgemeester van Vlieland, bereid gevonden om met partijen een zeehondenakkoord op te stellen en de nadere uitwerking van het advies te begeleiden. Ik ben voornemens om het traject met ingang van 1 september a.s. van start te laten gaan. Mijn streven is om binnen een half jaar een akkoord te sluiten.

Ontheffingen en vrijstellingen

In de brief van 8 maart 2016 aan uw Kamer (Kamerstuk 28 286, nr. 856) is aangekondigd dat het advies van de WAZ richtinggevend zal zijn voor het beleid, de praktijk, de regels en de aard van de opvang van zeehonden. Vooruitlopend op de nadere uitwerking van het advies met alle partijen streef ik een terughoudend beleid na met betrekking tot de opvang van zeehonden. Thans ben ik bevoegd voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor het opvangen van zieke of gewonde dieren van beschermde mariene soorten. Tevens ben ik bevoegd voor wetenschappelijk onderzoek naar deze soorten, om aan te sluiten bij de verantwoordelijkheid van het Rijk voor het beheer van mariene wateren en de rol van het Rijk in het beheer van de Waddenzee (artikel 1.5 van het Besluit natuurbescherming).

Zoals afgesproken met de provincies (Bestuurlijk overleg EZ-IPO, 7 december 2016) zal de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor het opvangen van beschermde marine soorten waaronder zieke of gewonde zeehonden gedecentraliseerd worden van het Rijk naar de provincies (streefdatum is 1 januari 2020). Dit in het licht van de verantwoordelijkheid die gedeputeerde staten en provinciale staten op grond van de Wet natuurbescherming al hebben voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor het vangen en onder zich hebben van gewonde of zieke vogels en dieren van beschermde soorten. Dat gaat dus ook gelden voor de gewone en grijze zeehond. Bij de decentralisatie van deze taak zullen de internationale verplichtingen en voorschriften inzake de bescherming van diersoorten als voorzien in het Verdrag van Bonn1, en de Overeenkomst inzake de bescherming van zeehonden in de Waddenzee2 bepalend zijn.

Totdat de nadere uitwerking van het toekomstige beleid ten aanzien van de zeehondenopvang in samenwerking met alle partijen die betrokken zijn bij de opvang, en de besluitvorming in overleg met de provincies over de decentralisatie van taken heeft plaatsgevonden, wil ik de instanties die zeehonden mogen opvangen beperken tot de opvangcentra, die reeds in het verleden van mij een ontheffing hebben ontvangen voor het opzettelijk vangen, en derhalve opvangen, van gewone en grijze zeehonden. Ik zal daarom uitsluitend vrijstelling verlenen om gewone en grijze zeehonden te vangen, mits de zeehonden binnen 12 uur worden overgedragen aan één van de volgende opvangcentra: A Seal te Stellendam, Stichting Ecomare op Texel, Zeehondencentrum Pieterburen te Pieterburen, Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Termunterzijl en Zeehondenopvang Terschelling op Terschelling. De Regeling natuurbescherming wordt op dit punt aangepast.

Met de voorgestelde werkwijze wil ik samen met de betrokken partijen en andere overheden werken aan de totstandkoming van een gedragen maatschappelijk zeehondenopvangbeleid, waarbij het belang van de zeehond, de omvang van de populatie en terughoudendheid in de opvang uitgangspunt zijn.

Leidraad aanwijzing artikel 20 Natuurbeschermingswet 1998 Waddengebied

Tot slot meld ik u dat de «Leidraad aanwijzing artikel 20 Natuurbeschermingswet 1998 Waddengebied» (Aanhangsel Handelingen II 2009/10, nr. 791) zal worden herzien.

Ik zal partijen betrekken bij de herziening van deze leidraad die de procedure en het kader aangeeft waarlangs gebieden in de Waddenzee (al dan niet tijdelijk) te sluiten ter bescherming van onder meer zeehonden. Gedurende de herziening van deze leidraad zullen er geen nieuwe voorstellen voor aanwijzing worden gedaan.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, 23 juni 1979 (Trb. 1980, nr. 145 en Trb. 1981, nr. 6).