Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201927926 nr. 310

27 926 Huurbeleid

Nr. 310 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 maart 2019

Op 22 februari jl. heb ik uw Kamer de brief Maatregelen huurmarkt en evaluatie herziene woningwet1 gestuurd. In deze brief heb ik u onder andere geïnformeerd over de wijze waarop ik de afspraken uit het Sociaal Huurakkoord in wet- en regelgeving wil faciliteren. Aedes en de Woonbond hebben de wens geuit voor een spoedige inwerkingtreding van de afspraken uit het Sociaal Huurakkoord. Ik ben daarom reeds met hen in overleg getreden over de uitwerking.

In het Sociaal Huurakkoord worden onder meer afspraken gemaakt over de maximale jaarlijkse huursomstijging van woningcorporaties. Deze afspraken vragen om een technische wetswijziging waarbij de wijze waarop de maximale huursomstijging wordt berekend wordt aangepast. Ook wordt de mogelijkheid geïntroduceerd om lokaal af te wijken van de maximale huursomstijging. De maximale jaarlijkse huursomstijging wordt berekend per kalenderjaar. Het is daarom van belang dat de wet wordt gewijzigd vóór 1 januari 2020. Dit legt tijdsdruk op het traject voor de wetswijziging. Hoewel ik uw Kamer nog niet heb kunnen spreken over dit beleidsvoornemen breng ik, gezien de wens voor een spoedige inwerkingtreding, deze gewenste wetswijziging alvast in internetconsultatie in de periode 29 maart tot en met 26 april. De overige afspraken uit het Sociaal Huurakkoord waarvan ik in bovengenoemde brief aangegeven heb dat ik die (al dan niet gewijzigd) overneem, zullen in een separaat wetsvoorstel worden uitgewerkt. In dit wetsvoorstel wordt de door uw Kamer aangenomen motie over het systeem van inkomensafhankelijke huurverhogingen en de voorstellen voor DAEB-inkomensgrenzen meegenomen (Kamerstuk 27 926, nr. 294).

Ik ga graag nog met uw Kamer het gesprek aan over de beleidsvoornemens uit de bovengenoemde brief.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Kamerstukken 32 847 en 27 926, nr. 470