27 428 Beleidsnota Biotechnologie

Nr. 299 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 14 januari 2015

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over de brieven van 8 en 12 december 2014 over de stand van zaken in de EU over het voorstel voor nationale teeltbevoegdheid van genetisch gemodificeerde (gg) gewassen (Kamerstuk 27 428, nr. 296) en over de stand van zaken voorstel nationale teeltbevoegdheid genetisch gemodificeerde organismen (Kamerstuk 27 428, nr. 297).

De vragen en opmerkingen zijn op 22 december 2014 aan de taatssecretaris van Infrastructuur en Milieu voorgelegd. Bij brief van 12 januari 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

De adjunct-griffier van commissie, Koerselman

Inhoudsopgave

blz.

       

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

2

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

3

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

4

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

5

       

II

Antwoord / Reactie van de Staatssecretaris

7

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu inzake de stand van zaken in de EU inzake het voorstel voor nationale teeltbevoegdheid van genetisch gemodificeerde (gg) gewassen. De leden van de VVD-fractie hebben hier enkele vragen over.

Algemene vragen

De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de eerste versie van het voorstel in 2010 is ingediend. Op 12 juni 2014 is er door de Raad een flinke klap gegeven op de onderhandelingen. De Raad kwam met een voorstel om lidstaten de mogelijkheid te geven de teelt van gg-gewassen op hun grondgebied te verbieden nadat er een EU-markttoelating was gegeven. Dit voorstel is in eerste lezing aangeboden aan het Europees parlement (EP). De tweede lezing vond plaats in oktober in de Milieucommissie van het EP. Deze commissie heeft een aantal amendementen op het voorstel aangenomen.

De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat de amendementen die door de Milieucommissie van het EP zijn aangenomen en het compromisvoorstel van de Raad uiteenlopen. De Staatssecretaris schrijft dat met deze amendementen het bereikte compromis in de Raad opnieuw ter discussie komt te staan. Kan de Staatssecretaris een inhoudelijke toelichting op deze uitspraak geven? Welke wijzigingen zijn door de Milieucommissie van het EP aangebracht? Op welke punten verschillen de amendementen van het EP van het compromis uit de Raad? Kan de Staatssecretaris van deze wijzigingsvoorstellen een inhoudelijk overzicht sturen aan de Kamer?

Verder vragen de leden van de VVD-fractie wat de consequenties zijn van het aangepaste voorstel. In welke gewijzigde punten kan Nederland zich vinden en in welke niet, en waarom? Wat zijn de grootste overgebleven vraagstukken van het voorstel? Welke verschillen tussen het EP en Raad wegen het zwaarst, en waarom? Kan de Staatssecretaris een situatieschets geven van het krachtenveld tussen de lidstaten, en tussen Raad en EP?

De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de Raad en het EP inzetten op een akkoord in tweede lezing in januari 2015. Als er geen akkoord wordt bereikt, zal er volgens de Staatssecretaris een bemiddelingscomité aan de slag gaan. Wie nemen er deel aan dit bemiddelingscomité? Is er nog ruimte voor inbreng vanuit de nationale lidstaten? Wat wordt het tijdpad dan?

Kan de Staatssecretaris in het vervolg in haar brieven meer ingaan op de inhoudelijke ontwikkelingen van voorstellen en van behandelingsprocessen in de EU? De leden van de VVD-fractie hechten eraan kennis te hebben van de inhoudelijke veranderingen, de consequenties van deze voorstellen en het standpunt dat de bewindspersoon namens Nederland inneemt.

Inhoudelijk

De leden van de VVD-fractie vragen of de Staatssecretaris per onderwerp dat zij in haar brief van 8 december 2014 (Kamerstuk 27 428, nr. 296) aan de Kamer heeft gestuurd, kan toelichten welke amendementen wel en welke niet in het nieuwe compromisvoorstel zijn opgenomen. Blijkens de hierboven genoemde brief zijn de Nederlandse bezwaren tegen de voorgestelde amendementen van het EP de volgende:

  • het veranderen van de juridische grondslag voor het voorstel van de interne markt;

  • het opnemen van milieuveiligheidsaspecten als grond voor een nationaal verbod;

  • uitbreiding van de reikwijdte van het voorstel;

  • het schrappen van de verplichting om eerst een verzoek in te dienen tot beperking van de geografische scope van de aanvraag (fase I), voordat een nationaal teeltverbod mogelijk wordt (fase II);

  • zodanige wijziging van de procedure van fase I, dat de aanvrager een verzoek (eis) van een lidstaat niet kan weigeren;

  • het verplicht stellen voor lidstaten om wettelijke voorzieningen te treffen inzake co-existentie.

De leden van de VVD-fractie vragen welke van deze voorstellen in het nieuwe compromisvoorstel zijn opgenomen. Wat zullen de consequenties van deze voorstellen zijn, indien deze in de huidige vorm worden opgenomen en in werking treden? Hoe veranderen deze amendementen de ruimte voor het nog te ontwikkelen nationale afwegingskader ten opzichte van het compromisvoorstel van de Raad uit juni 2014?

Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de aanpassing in het voorstel dat het mogelijk is twee keer een veiligheidstoets voor gg-gewassen uit te voeren? De eerste toets wordt uitgevoerd door de European Food Safety Authority (EFSA) om te bepalen of een gewas toegelaten kan worden tot de markt. De tweede toets kan, indien dit gewas door EFSA veilig is bevonden voor mens, dier en milieu, nogmaals door een lidstaat worden uitgevoerd en gebruikt worden als reden om teelt op het eigen grondgebied te verbieden. Deelt de Staatssecretaris de mening dat het uitvoeren van één veiligheidstoets op Europees niveau door de EFSA voldoende en afdoende is? Deelt de Staatssecretaris de mening dat aan het oorspronkelijke voorstel vastgehouden moet worden en dat veiligheid geen nationale reden kan worden? Zo nee, waarom niet? Welke lidstaten zijn voorstanders van het toevoegen van veiligheidsredenen aan de opties voor lidstaten om gg-gewassen op nationaal grondgebied te weren?

De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris hoe zij de mogelijkheid apprecieert om gg-gewassen als soort geheel uit te sluiten voor teelt op nationaal grondgebied. Deze leden vragen of het niet beter is per concreet geval te bepalen of teelt toegestaan kan worden of niet. Kan de Staatssecretaris hierop ingaan?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu inzake de stand van zaken in de EU inzake het voorstel voor nationale teeltbevoegdheid van genetisch gemodificeerde (gg) gewassen. De leden hebben hierover enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat de Raad en het EP inzetten op een akkoord in tweede lezing in januari 2015. Op welk moment zal dit in een van de Raden aan de orde komen? Kunt u de Kamer tijdig hierover informeren zodat, ook als het in een andere dan de L&V-raad, de regeringsvertegenwoordiger het oordeel van de Kamer mee kan nemen?

De leden van de fractie van de PvdA ondersteunen het amendement vanuit het EP om milieugrondslagen toe te laten als grond voor een nationaal verbod.

Ze zijn zeer verheugd met het schrappen van de verplichting om eerst een verzoek in te dienen tot beperking van de geografische scope van de aanvraag (fase I), voordat een nationaal teeltverbod mogelijk wordt (fase II) en dat de aanvrager een verzoek (eis) van een lidstaat niet kan weigeren. De leden hechten er immers aan dat als pas jaren nadat een gewas is toegelaten tot de Unie iemand op het idee komt ook in Nederland te gaan planten alsnog een nationaal verbod kan worden besloten. Dat zou niet mogelijk zijn als bij aanvang geen regionale beperking zou zijn aangevraagd. Zou dit niet zo gewijzigd worden dan zou bij elke toelating preventief een regionale uitsluiting gevraagd moeten worden, ook al gaat het over bijvoorbeeld soja, een gewas dat -vooralsnog- niet in Nederland geteeld kan worden. Zo’n verzoek zou ook niet door de aanvrager geweigerd mogen worden.

De leden zijn benieuwd op welke wijze nu is voorzien in het toepassen van een nationaal verbod bij reeds in de Unie toegelaten ggo-gewassen en in procedure zijnde gewassen zoals Mais 1507?

De leden vragen de regering bij toekomstige aanvragen de Kamer tijdig te informeren opdat besloten kan worden tot het vragen van een regionale beperking in de aanvraag zelf.

Tot slot zien de leden uit naar een voorstel voor nationale criteria op basis waarvan besloten zou kunnen worden tot een nationaal verbod zoals gevraagd bij motie de Liefde-van Dekken.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie zijn ontevreden over de uitvoering van de aangenomen motie-Ouwehand c.s. (Kamerstuk 21 501-08, nr. 502) inzake de niet-limitatieve lijst van gronden. Graag horen deze leden welke exacte stappen gezet zijn om deze motie tot uitvoering te brengen. De inzet van de brief van 8 december 2014 (Kamerstuk 27 428, nr. 296) is niet conform de motie-Ouwehand c.s. In de brief staat namelijk: «Het opnemen van milieuveiligheidsaspecten als grond voor een nationaal verbod is ongewenst, omdat milieuveiligheidsaspecten reeds worden beoordeeld in de EU-milieurisicobeoordeling.» Voorts staat daarin: «Uitbreiding van de reikwijdte van het voorstel is ongewenst, omdat het voorstel uitsluitend is bedoeld om lidstaten de bevoegdheid te geven om teelt van EU-toegelaten ggo’s op het eigen grondgebied te beperken of verbieden.» In de motie staat echter: «van mening dat gegronde redenen om de teelt van gentechgewassen te willen verbieden onder andere bestaan uit: sociaaleconomische en ethische overwegingen, aanvullende milieugronden, het toepassen van het voorzorgsbeginsel, het willen vrijwaren van conventionele en biologische landbouw van besmetting met ggo's; verzoekt de regering, in te zetten op een teeltvoorstel dat aan bovenstaande overwegingen tegemoetkomt en niet met minder genoegen te nemen». De leden van de SP-fractie vragen waarom er met minder genoegen genomen wordt, waarom aanvullende milieugronden niet zijn bepleit en waarom sociaaleconomische en ethische overwegingen niet zijn bepleit.

De leden van de SP-fractie vragen voorts hoe uitvoering gegeven is aan de motie-Van Gerven (Kamerstuk 27 428, nr. 276), waarin wordt gevraagd «om de sociaaleconomische gronden voor weigering van nationale gentechteelt breed te houden en niet onnodig te beperken, om de gronden waarop teelt van een gentechgewas nationaal geweigerd kan worden zo breed mogelijk te houden, waarbij deze ook ethische gronden en publieke moraal kunnen omvatten». De inzet van bovengenoemde brief is niet conform deze motie. Graag krijgen deze leden een gedetailleerde uitleg hoe conform deze motie de inzet is geweest in Europa en waarom de Kamer niet geïnformeerd is over het niet-uitvoeren van deze moties. Graag horen deze leden hoe vorm is gegeven aan de verzoeken uit de genoemde motie-Van Gerven dat een land dat de teelt van een gentechgewas wil weigeren op zijn grondgebied, niet overruled kan worden door de Europese Commissie en dat landen niet eenmalig maar permanent het recht krijgen om teelt van een gentechgewas te weigeren, waarbij de tweede fase dus niet afhankelijk is van de eerste.

De leden van de SP-fractie willen ook graag weten hoe er uitvoering wordt gegeven aan de motie-Van Gerven (Kamerstuk 27 428, nr. 275), waarin wordt gevraagd om te pleiten voor een labelingsplicht voor cisgenese. Garandeert de Staatssecretaris dat zij in Europa een labelingsplicht voor cisgenese zal bepleiten en dat zij niet zal pleiten voor een versoepeling betreffende de categorie-indeling van cisgenese zonder dat hierbij een labelplicht wordt bepleit?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van het compromis dat is bereikt tussen de Raad, het EP en de Europese Commissie over de nationale bevoegdheid om teelt van gg-gewassen te beperken of te verbieden, en ook van de kabinetsappreciatie daarvan. Zij willen graag nog enkele vragen daarover stellen.

Voor de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren is het van groot belang dat landen zelf kunnen bepalen of zij teelt van gentechgewassen op hun grondgebied wel of niet willen toestaan. Op dit moment worden landen door de Europese Commissie gedwongen om akkoord te gaan met dit soort teelten. Dat, terwijl de teelt van gg-gewassen risico’s met zich meebrengt. Vermenging van gentechteelten met wilde planten en met gewassen van biologische en gangbare boeren is bijna niet te voorkomen, terwijl heel veel consumenten terecht geen gentech in hun voedsel willen. Deze leden vinden het dus een goede zaak dat er nieuwe regelgeving in de maak is waardoor landen de teelt van gentech in hun land kunnen beperken of verbieden. De juridische houdbaarheid van deze regels, de procedure om te komen tot een beperking of een verbod en de gronden waarop landen dat wel en niet mogen doen, zijn echter lastige punten in de discussie over deze nieuwe regels. Deze leden vrezen dat het huidige compromisvoorstel landen te weinig ruimte en juridische zekerheid biedt om te komen tot verboden op de teelt van gentechgewassen. Om deze reden hebben zij begin dit jaar een motie (Kamerstuk 21 501-08, nr. 502) ingediend om de inzet van Nederland voor deze nieuwe regels aan te scherpen. In de motie, die werd aangenomen door een meerderheid van de Kamer, wordt de regering gevraagd om extra gronden voor een verbod op gentechgewassen in te brengen in het voorstel dat op dat moment werd bediscussieerd door de lidstaten. De Kamer vindt dat sociaaleconomische en ethische overwegingen, aanvullende milieugronden zoals de effecten van extra bestrijdingsmiddelengebruik bij gengewassen, het toepassen van het voorzorgsbeginsel, het willen vrijwaren van conventionele en biologische landbouw van besmetting met ggo’s en het willen garanderen van keuzevrijheid van consumenten, alle als reden moeten kunnen gelden om een verbod op gentechgewassen te kunnen instellen. Vindt de Staatssecretaris al deze redenen terug in het huidige compromisvoorstel, waar zij van plan is om mee in te stemmen? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zouden het op prijs stellen als de Staatssecretaris in haar antwoord op elk van de genoemde gronden in zou gaan, en zou willen aangeven in welke mate en op welke wijze het huidige voorstel aan de motie tegemoetkomt.

Een groot aantal van de aanvullingen op het voorstel waarom in de motie van de fractie van de Partij voor de Dieren is verzocht, is later ook ingebracht als amendement door het EP. Deze amendementen zijn besproken in een triloog tussen de Europese Commissie, de Raad en het EP. Uit het compromisvoorstel dat nu voorligt blijkt dat een zeer groot aantal amendementen gewoonweg is afgeschoten door de Raad, en dus niet terugkomt in het voorstel dat nu naar alle waarschijnlijkheid zal worden aangenomen en omgezet zal worden in wetgeving. Hoe kijkt de Staatssecretaris terug op deze triloog? Wat is de inzet geweest van Nederland? Op welke manier heeft ze de wens van de Kamer, om bijvoorbeeld aanvullende milieucriteria mee te nemen als grond voor een verbod, geprobeerd uit te voeren? En als ze dat inderdaad heeft geprobeerd, welke landen lagen dan dwars in het omarmen van deze wens van het EP en de Kamer?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren merken op dat een van de belangrijkste discussies over welke gronden wel en niet mogen worden gebruikt om over te gaan tot een verbod op een specifiek gewas, gaat over de aanvullende milieudoelen, die dus nog niet aan de orde zijn geweest in de risicobeoordeling van de EFSA, zoals het effect dat een bepaald gengewas kan hebben op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het effect van herbicidetolerante gentechgewassen blijkt immers te zijn dat er veel meer landbouwgif gebruikt wordt dan bij andere gewassen. Deze leden vinden het van groot belang dat een lidstaat dit gegeven kan gebruiken om een verbod op gengewassen te rechtvaardigen.

Een andere belangrijke reden om een nationaal verbod op gentech te willen afkondigen, kan het beschermen van de biologische en gangbare landbouw zijn tegen onbedoelde vermenging met gengewassen. Deze grond was eerder onderdeel van het voorstel zoals dat besproken werd in de Europese Raad. Kan de Staatssecretaris aangeven in hoeverre deze grond nog deel uitmaakt van het compromisvoorstel? Deze grond was ook expliciet opgenomen in de aangenomen motie over aanvullende voorwaarden aan het teeltvoorstel. Toch lezen deze leden in kabinetsbrieven over dit voorstel dat de Staatssecretaris zich verzet tegen opname van «landbouwdoeleinden» als grond voor een nationaal verbod of beperking. Is de Staatssecretaris bereid dit verzet te staken en gewoon de gehele motie goed uit te voeren?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben tevens grote moeite met het verzet van de Staatssecretaris tegen het opnemen van een passage over het instellen van wettelijke voorzieningen over co-existentie. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat co-existentiemaatregelen absoluut noodzakelijk zijn om gangbare en biologische teelten te beschermen tegen besmetting met gentechgewassen? De Staatssecretaris zegt dat dit aspect in Nederland al goed geregeld is, en dat wetgeving op dit punt overbodig zou zijn. Deze leden betwijfelen of het in Nederland wel zo goed geregeld is, en of boeren die toch besmet zijn geraakt wel afdoende gecompenseerd zullen worden. Maar de discussie hier is natuurlijk breder. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat er op dit punt niet in elk land al afspraken zijn gemaakt? De grensoverschrijdende co-existentie, om het risico af te dekken dat bijvoorbeeld Belgische gentechteelten Nederlandse oogsten besmetten zonder dat de Nederlandse boeren dan in aanmerking komen voor schadevergoedingen, lijkt deze leden bij uitstek een punt om Europees te regelen. Waarom verzet de Staatssecretaris zich daartegen? Is zij bereid haar voorbehoud op dit punt te laten varen?

Volgens de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben de gentechfabrikanten met deze nieuwe regels nog steeds een veel te grote invloed op het beleid van de lidstaten. Voordat een land een verbod of beperking kan instellen, moet het aan de aanvrager van de toelating van een specifiek gentechgewas vragen of dit land, of een gedeelte ervan, buiten de toelatingsaanvraag gehouden mag worden. Dat vinden deze leden niet acceptabel. Zij vinden dat de bedrijven hiermee veel te veel macht krijgen. Deelt de Staatssecretaris deze mening? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het ook van groot belang dat een regering op elk moment een toelating kan heroverwegen. Met andere woorden, als er al een gentechgewas is goedgekeurd voor teelt in een land, en er zijn redenen om deze toelating te beperken of in het geheel in te trekken, moet dat mogelijk zijn. Deze leden wijzen bijvoorbeeld op de mogelijkheid dat veranderde politieke omstandigheden de belangenafweging meer in het voordeel van milieubescherming en keuzevrijheid zullen doen uitvallen. Het voorstel zoals dat tot nu toe werd besproken, creëerde deze mogelijkheden niet. Een toelating werd daarin als het ware onherroepbaar, tenzij er wetenschappelijk onderbouwde nieuwe feiten zouden zijn van onaanvaardbare milieurisico’s. En zelfs dan, werd de bevoegdheid om een toelating in te trekken, beperkt door de welwillendheid van de Europese Commissie, die een eindoordeel over de aangevoerde redenen en hun wetenschappelijke onderbouwing zou geven. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dit onverteerbaar, en niet in lijn met de geest van het voorstel, waarin de bevoegdheden voor het al dan niet toestaan van gentechteelt op hun grondgebied juist weer bij de lidstaten zou komen te liggen. Op welke manier wordt er in het huidige voorstel omgegaan met reeds afgegeven toelatingen voor teelt van gentech in een land? En hoe ziet de Staatssecretaris dat in het licht van de bezwaren die deze leden daarbij hebben?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren horen graag hoe de planning van dit voorstel, en de later omzetting ervan in wetgeving, er ongeveer uit zal zien. De nieuwe Eurocommissaris heeft ook aangekondigd aan de slag te willen gaan met een algehele herziening van de gentechregelgeving, waarbij ook de toelatingsprocedure voor import van gentechgewassen uit andere landen op de schop zal worden genomen. Op welke termijn zal dit traject ingezet worden? Wat zal de inzet van de Eurocommissaris hierbij zijn, en hoe staat de Staatssecretaris daarin? Graag krijgen deze leden hierop een reactie.

II Antwoord / Reactie van de Staatssecretaris

Mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken doe ik u onderstaand de beantwoording toekomen van de gestelde vragen, in vervolg op mijn brieven van 8 en 12 december 20141.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Vraag

De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat de amendementen die door de Milieucommissie van het EP zijn aangenomen en het compromisvoorstel van de Raad uiteenlopen. De Staatssecretaris schrijft dat met deze amendementen het bereikte compromis in de Raad opnieuw ter discussie komt te staan. Kan de Staatssecretaris een inhoudelijke toelichting op deze uitspraak geven? Welke wijzigingen zijn door de Milieucommissie van het EP aangebracht? Op welke punten verschillen de amendementen van het EP van het compromis uit de Raad? Kan de Staatssecretaris van deze wijzigingsvoorstellen een inhoudelijk overzicht sturen aan de Kamer?

Verder vragen de leden van de VVD-fractie wat de consequenties zijn van het aangepaste voorstel. In welke gewijzigde punten kan Nederland zich vinden en in welke niet, en waarom? Wat zijn de grootste overgebleven vraagstukken van het voorstel? Welke verschillen tussen het EP en Raad wegen het zwaarst, en waarom? Kan de Staatssecretaris een situatieschets geven van het krachtenveld tussen de lidstaten, en tussen Raad en EP?

De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de Raad en het EP inzetten op een akkoord in tweede lezing in januari 2015. Als er geen akkoord wordt bereikt, zal er volgens de Staatssecretaris een bemiddelingscomité aan de slag gaan. Wie nemen er deel aan dit bemiddelingscomité? Is er nog ruimte voor inbreng vanuit de nationale lidstaten? Wat wordt het tijdpad dan?

Kan de Staatssecretaris in het vervolg in haar brieven meer ingaan op de inhoudelijke ontwikkelingen van voorstellen en van behandelingsprocessen in de EU? De leden van de VVD-fractie hechten eraan kennis te hebben van de inhoudelijke veranderingen, de consequenties van deze voorstellen en het standpunt dat de bewindspersoon namens Nederland inneemt.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts of de Staatssecretaris per onderwerp dat zij in haar brief van 8 december 2014 (Kamerstuk 27 428, nr. 296) aan de Kamer heeft gestuurd, kan toelichten welke amendementen wel en welke niet in het nieuwe compromisvoorstel zijn opgenomen.

De leden van de VVD-fractie vragen welke van deze voorstellen in het nieuwe compromisvoorstel zijn opgenomen. Wat zullen de consequenties van deze voorstellen zijn, indien deze in de huidige vorm worden opgenomen en in werking treden? Hoe veranderen deze amendementen de ruimte voor het nog te ontwikkelen nationale afwegingskader ten opzichte van het compromisvoorstel van de Raad uit juni 2014?

Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de aanpassing in het voorstel dat het mogelijk is twee keer een veiligheidstoets voor gg-gewassen uit te voeren? De eerste toets wordt uitgevoerd door de European Food Safety Authority (EFSA) om te bepalen of een gewas toegelaten kan worden tot de markt. De tweede toets kan, indien dit gewas door EFSA veilig is bevonden voor mens, dier en milieu, nogmaals door een lidstaat worden uitgevoerd en gebruikt worden als reden om teelt op het eigen grondgebied te verbieden. Deelt de Staatssecretaris de mening dat het uitvoeren van één veiligheidstoets op Europees niveau door de EFSA voldoende en afdoende is? Deelt de Staatssecretaris de mening dat aan het oorspronkelijke voorstel vastgehouden moet worden en dat veiligheid geen nationale reden kan worden? Zo nee, waarom niet? Welke lidstaten zijn voorstanders van het toevoegen van veiligheidsredenen aan de opties voor lidstaten om gg-gewassen op nationaal grondgebied te weren?

De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris hoe zij de mogelijkheid apprecieert om gg-gewassen als soort geheel uit te sluiten voor teelt op nationaal grondgebied. Deze leden vragen of het niet beter is per concreet geval te bepalen of teelt toegestaan kan worden of niet. Kan de Staatssecretaris hierop ingaan?

Antwoord

De leden van de fractie van de VVD hebben een aantal vragen gesteld over de amendementen van het EP naar aanleiding van het voorstel nationale teeltbevoegdheid2.

De amendementen die uiteindelijk door de Milieucommissie van het EP zijn aangenomen, bevatten wijzigingen op het standpunt van de Raad in eerste lezing van 23 juli 2014. In de brief van 8 december 2014 is de toenmalige stand van zaken beschreven waarbij is aangegeven dat een aantal van de oorspronkelijk door de Milieucommissie van EP voorgestelde amendementen zodanig ingrijpende wijzigingen bevatten, dat daarmee het in de Raad bereikte compromis, en daarmee het voorstel zelf, opnieuw ter discussie zou komen te staan. Met andere woorden, van alle oorspronkelijk door het EP voorgestelde amendementen was een aantal amendementen dermate ingrijpend dat mijn inschatting was dat de Raad daarmee niet zou kunnen instemmen.

In de trilogen is de aanvaardbaarheid van alle voorgestelde amendementen besproken. Uw Kamer beschikt over de thans nog vertrouwelijke tekst van het in de trilogen bereikte principeakkoord3.

Als het EP plenair instemt met het in de trilogen bereikte akkoord, zal dit akkoord vervolgens voor instemming aan de Raad worden voorgelegd. Na instemming zal de tekst in het Publicatieblad van de Europese Unie worden gepubliceerd en treedt het in werking op de twintigste dag volgend op de datum van publicatie. De consequentie van het aangepaste voorstel is dat daarmee de lidstaten van de EU de mogelijkheid krijgen om de nationale teelt van een gewas dat op Europees niveau is toegelaten voor teelt in de EU, te verbieden of te beperken.

Nederland kan zich vinden in het bereikte principeakkoord. Het akkoord is in samenspraak tussen het EP, de Commissie en de Raad tot stand gekomen. Daarom wordt ervan uitgegaan dat zowel het EP (plenair) als de Raad formeel zal instemmen met het akkoord. Een bemiddelingscomité en derde lezing4, waaraan ik in mijn brief van 8 december jl. refereerde, zijn geen reële optie meer, nu er in de trilogen een principeakkoord is bereikt.

De Tweede Kamer wordt bij het verschijnen van een voorstel van de Europese Commissie uitvoerig geïnformeerd over de positie die het kabinet vanuit Nederland zal innemen in de onderhandelingen. Met de leden van de VVD-fractie ben ik van mening dat het belangrijk is om hierbij voldoende in te gaan op de inhoud van de voorstellen en op het proces. De Tweede Kamer geeft vervolgens een mandaat aan de regering waarbij de voorgenomen positie al of niet wordt aangepast. Ook in onderhavig traject is uw Kamer met brieven en mondeling geïnformeerd over de voortgang. Het behandelingsproces van een voorstel kent een vaste volgorde maar vooraf is niet te voorzien welk tijdspad hierbij hoort. De inhoudelijke ontwikkeling van voorstellen voor EU-regelgeving is meestal bijzonder dynamisch, technisch gedetailleerd en sommige fasen in de onderhandelingen vinden in een zeer kort tijdsbestek plaats. Achteraf wordt verantwoording afgelegd over de bereikte resultaten.

In de brief van 8 december 2014 is aangegeven dat Nederland bezwaren had tegen bepaalde amendementen die de Milieucommissie van het EP had voorgesteld. Hieronder zal ik aangeven of die amendementen in het uiteindelijke akkoord zijn opgenomen.

  • In het bereikte principeakkoord is de juridische grondslag ongewijzigd de internemarktgrondslag gebleven, conform de Nederlandse inzet.

  • Het bereikte akkoord voorziet niet in het opnemen van milieuveiligheidsaspecten als grond voor een nationaal verbod, in overeenstemming met het standpunt van de Raad in eerste lezing. Immers: de beoordeling van de milieuveiligheid van gg-gewassen vindt plaats op Europees niveau in het kader van een Europese toelating van ggo’s. Lidstaten kunnen eigen expertise daarbij inbrengen. Alle relevante milieuveiligheidsaspecten worden dus bij Europese beoordeling meegenomen. Wel voorziet het bereikte akkoord erin dat binnen twee jaar de eisen aan de EU-milieurisicobeoordeling worden herzien en zo nodig worden aangepast.

  • Ik heb eerder aangegeven bezwaren te hebben tegen het voorstel van het EP voor uitbreiding van de reikwijdte van het voorstel. De reikwijdte van het principeakkoord is ten opzichte van het akkoord van de Raad in eerste lezing uitgebreid. De uitbreiding betreft met name de verplichting om voorzieningen te treffen op het gebied van co-existentie (zie ook hieronder).

  • Het bereikte akkoord houdt de mogelijkheid in stand dat een lidstaat eerst een verzoek kan indienen tot beperking van de geografische scope van de aanvraag (fase I). De aanvrager van een toelating voor de teelt van een gg-gewas kan een verzoek (eis) van een lidstaat tot beperking van de geografische scope weigeren. Een lidstaat die nationaal de teelt van een toegelaten gg-gewas wil verbieden of beperken, kan desondanks overgaan tot het instellen van een nationale maatregel (fase II). De lidstaat is echter niet verplicht eerst een verzoek aan de aanvrager te doen, maar kan ook direct een nationale maatregel nemen.

  • Het verplicht stellen voor lidstaten om wettelijke voorzieningen te treffen inzake co-existentie zoals dat aanvankelijk in de amendementen van het EP was voorgesteld, zou een uitbreiding van de reikwijdte van het voorstel betekenen en zou vergaande consequenties hebben voor de lidstaten. Deze verplichting is daarom niet onverkort in het bereikte akkoord overgenomen. Wel is een verplichting opgenomen voor lidstaten waar gg-teelt plaatsvindt, om binnen twee jaar na inwerkingtreding van het voorstel nationaal gepaste co-existentiemaatregelen te treffen in grensgebieden met andere lidstaten, teneinde te voorkomen dat teelt van een bepaald gg-gewas kan leiden tot vermenging in buurlanden die de nationale teelt van het betreffende gewas verboden hebben. Ik acht deze aanpassingen aanvaardbaar in het licht van het bereiken van een compromis en omdat Nederland al nationaal beleid voor co-existentie voert.

Het principeakkoord brengt geen verandering in de ruimte voor het nog te ontwikkelen nationale afwegingskader voor eventuele nationale teeltverboden ten opzichte van het standpunt in eerste lezing van de Raad van 23 juli 2014.

Ten aanzien van de zorgen van de leden van de VVD-fractie of er tweemaal een milieuveiligheidsbeoordeling plaatsvindt, geldt dat er slechts één milieuveiligheidsbeoordeling plaatsvindt, ook op grond van het bereikte akkoord, en wel op Europees niveau in het kader van een aanvraag om toelating van een gg-gewas. Die beoordeling acht ik afdoende en de procedure daarvoor biedt voldoende ruimte aan lidstaten om eigen expertise in te brengen. Een eventueel nationaal verbod of een nationale beperking van gg-gewassen die in Europa zijn toegelaten kan dan ook nooit gebaseerd zijn op milieuveiligheidsaspecten maar uitsluitend op andere gronden.

Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie naar mijn mening over de mogelijkheid om met één besluit meerdere gg-gewassen uit te sluiten van teelt op grondgebied van een lidstaat. Lidstaten krijgen volgens het principeakkoord de mogelijkheid voor beperking of verbod van teelt op basis van een specifieke aanvraag, op basis van soort gewas of op basis van een bepaalde eigenschap die door modificatie is aangebracht. Hiermee worden de mogelijkheden van lidstaten om op eigen grondgebied te beslissen over de teelt van gg-gewassen verruimd ten opzichte van het compromis in eerste lezing. Na de instemming van EP en Raad met het principeakkoord zal in het kader van de implementatie in Nederland worden bezien hoe de regering hiermee voor Nederlands grondgebied zal omgaan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

Vraag

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat de Raad en het EP inzetten op een akkoord in tweede lezing in januari 2015. Op welk moment zal dit in een van de Raden aan de orde komen? Kunt u de Kamer tijdig hierover informeren zodat, ook als het in een andere dan de L&V-raad, de regeringsvertegenwoordiger het oordeel van de Kamer mee kan nemen?

De leden van de fractie van de PvdA vragen op welke wijze nu is voorzien in het toepassen van een nationaal verbod bij reeds in de Unie toegelaten ggo-gewassen en in procedure zijnde gewassen zoals Maïs 1507?

De leden vragen de regering bij toekomstige aanvragen de Kamer tijdig te informeren opdat besloten kan worden tot het vragen van een regionale beperking in de aanvraag zelf.

Tot slot zien de leden uit naar een voorstel voor nationale criteria op basis waarvan besloten zou kunnen worden tot een nationaal verbod zoals gevraagd bij motie de Liefde-van Dekken.

Antwoord

Naar verwachting zal het EP (plenair) medio januari formeel instemmen met het principeakkoord, waarna het akkoord voor formele instemming aan de Raad wordt voorgelegd. Naar verwachting zullen EP en Raad met een voldoende grote meerderheid formele instemming kunnen verlenen aan het bereikte akkoord. Zoals te doen gebruikelijk wordt uw Kamer voorafgaand aan een Raadsvergadering met een geannoteerde agenda geïnformeerd over de onderwerpen van die Raad zodat uw Kamer op die wijze wordt geïnformeerd in welke Raad het principeakkoord is geagendeerd. De leden van de Raad kunnen over het bereikte akkoord uitsluitend instemming of afwijzing uitspreken, dan wel zich van stemming onthouden. Raadsbehandeling biedt in deze fase geen mogelijkheid tot inhoudelijke wijziging van het akkoord.

In de brieven van 8 en 12 december 2014 is aangegeven dat Nederland voornemens is in de Raad in te stemmen met het akkoord. Zoals hierboven aangegeven, is het akkoord in lijn met het Nederlandse standpunt dat met inbreng en instemming van uw Kamer tot stand is gekomen.

Reeds in het voorstel waarmee de Raad in juli 2014 heeft ingestemd, werden aanvullende milieubeleidsdoelen als mogelijke grond voor een nationaal verbod genoemd. Het EP heeft voorgesteld deze mogelijke grond (evenals andere) verder uit te werken. Dit is echter uiteindelijk niet gebeurd in het akkoord dat tijdens de trilogen is bereikt. Milieubeleidsdoelen behoren in het principeakkoord nog steeds tot de mogelijke gronden voor een nationaal verbod, voor zover deze niet overlappen met de Europese milieuveiligheidsbeoordeling.

Voor wat betreft de fasen in de procedure om een nationale teeltbeperking of -verbod te realiseren, heb ik in antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie reeds aangegeven dat fase I in stand is gebleven, zodat de lidstaat de keuze heeft om deze wel of niet te doorlopen. Hoewel de aanvrager een verzoek van een lidstaat kan weigeren, kan de lidstaat vervolgens alsnog een verbod of beperking instellen door middel van een nationaal besluit.

Met betrekking tot de bestaande EU-toelating en de gewassen waarvoor een aanvraag voor teelt in de EU zich in de procedure bevindt, bevat het principeakkoord een overgangsclausule. Deze geeft lidstaten dezelfde twee mogelijkheden voor een nationaal verbod op de teelt als voor nieuwe aanvragen. Een lidstaat kan te allen tijde gedurende de geldigheidsduur van het EU-toelatingsbesluit een nationaal besluit nemen waarbij er in dit opzicht dus geen verschil is met nieuwe aanvragen. Een lidstaat kan er ook voor kiezen om een verzoek in te dienen bij de aanvrager of vergunninghouder. Voor bestaande toelatingen en gewassen waarvoor een aanvraag zich in de procedure bevindt, moet een eventueel verzoek worden ingediend binnen zes maanden na inwerkingtreding van het voorstel nationale teeltbevoegdheid. Hiervoor geldt, net als bij nieuwe aanvragen, dat bij een weigering van de aanvrager de lidstaat alsnog een nationaal besluit kan nemen. Het principeakkoord biedt lidstaten dus voldoende ruimte om ook voor deze gg-gewassen de teelt op het eigen grondgebied eventueel te weren. Als EP en Raad instemmen met het principeakkoord zult u nog dit voorjaar worden geïnformeerd over de implementatie hiervan voor wat betreft de gg-gewassen waarvoor reeds een toelating is verleend, dan wel die waarvoor een aanvraag in procedure is, zoals in de brief van 8 december 2014 is aangekondigd.

Met het oog op toekomstige nieuwe aanvragen heb ik u in juni 20145 een afwegingskader toegezegd voor het nemen van beslissingen over teelt van gg-gewassen op Nederlands grondgebied. Uw Kamer heeft met de motie De Liefde en Van Dekken6 laten weten actief betrokken te willen zijn bij het ontwikkelen van dat afwegingskader voor besluitvorming. Een voorstel daartoe ben ik voornemens u vóór het zomerreces te doen toekomen. Daarbij zal tevens worden ingegaan op de wijze waarop uw Kamer betrokken zal worden bij de besluitvorming over het eventueel vragen van een nationale beperking bij toekomstige nieuwe aanvragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

Vraag

De leden van de SP-fractie vragen welke exacte stappen gezet zijn om de motie Ouwehand c.s (Kamerstuk 27 428, nr. 502) tot uitvoering te brengen. De leden van de SP-fractie vragen waarom er met minder genoegen genomen wordt, waarom aanvullende milieugronden niet zijn bepleit en waarom sociaaleconomische en ethische overwegingen niet zijn bepleit.

De leden van de SP-fractie vragen voorts hoe uitvoering gegeven is aan de motie-Van Gerven (Kamerstuk 27 428, nr. 276), waarin wordt gevraagd «om de sociaaleconomische gronden voor weigering van nationale gentechteelt breed te houden en niet onnodig te beperken, om de gronden waarop teelt van een gentechgewas nationaal geweigerd kan worden zo breed mogelijk te houden, waarbij deze ook ethische gronden en publieke moraal kunnen omvatten». Graag krijgen deze leden een gedetailleerde uitleg hoe conform deze motie de inzet is geweest in Europa en waarom de Kamer niet geïnformeerd is over het niet-uitvoeren van deze moties. Graag horen deze leden hoe vorm is gegeven aan de verzoeken uit de genoemde motie-Van Gerven dat een land dat de teelt van een gentechgewas wil weigeren op zijn grondgebied, niet overruled kan worden door de Europese Commissie en dat landen niet eenmalig maar permanent het recht krijgen om teelt van een gentechgewas te weigeren, waarbij de tweede fase dus niet afhankelijk is van de eerste.

De leden van de SP-fractie willen ook graag weten hoe er uitvoering wordt gegeven aan de motie-Van Gerven (Kamerstuk 27 428, nr. 275), waarin wordt gevraagd om te pleiten voor een labelingsplicht voor cisgenese. Garandeert de Staatssecretaris dat zij in Europa een labelingsplicht voor cisgenese zal bepleiten en dat zij niet zal pleiten voor een versoepeling betreffende de categorie-indeling van cisgenese zonder dat hierbij een labelplicht wordt bepleit?

Antwoord

Over de uitvoering van de aangenomen motie Ouwehand c.s. inzake de niet-limitatieve lijst van gronden verwijs ik naar de brief van 27 mei 20147. Het akkoord, dat is bereikt in de trilogen, komt naar mijn oordeel tegemoet aan de motie zoals ik die tijdens het VAO Milieuraad (AO d.d. 19 februari 2014) heb geduid. Immers, het principeakkoord voorziet in een niet-limitatieve en naar mijn mening toereikende lijst van gronden aan de hand waarvan lidstaten kunnen besluiten tot een verbod op de teelt van toegelaten gg-gewassen op hun grondgebied, zonder dat de aanvrager van de toelating daarmee akkoord hoeft te gaan.

Ten aanzien van de gronden voor een nationaal verbod verwijs ik voorts naar de antwoorden op vragen van de leden van de VVD-fractie, waarin is aangegeven dat op grond van het bereikte akkoord slechts één milieuveiligheidsbeoordeling plaatsvindt, en wel op Europees niveau in het kader van een aanvraag om Europese toelating van een gg-gewas. Die beoordeling acht ik afdoende en de procedure daarvoor biedt voldoende ruimte aan lidstaten om eigen expertise in te brengen. Alle relevante milieuveiligheidsaspecten dienen bij deze Europese milieuveiligheidsbeoordeling mee te worden genomen.

Hoewel de leden van de SP-fractie menen dat er onvoldoende tegemoet wordt gekomen aan de motie Ouwehand, ben ik van mening dat het bereikte akkoord juist uitdrukkelijk aan de motie tegemoet komt. Het bereikte akkoord voorziet, zoals gezegd, in een niet-limitatieve lijst aan gronden die een lidstaat kan benutten voor een beperking of verbod. Milieubeleidsdoelen en sociaaleconomische aspecten worden in het principeakkoord expliciet benoemd als mogelijke gronden, evenals het vrijwaren van (producten van) conventionele en biologische landbouw van vermenging met ggo’s. Ethische gronden zijn weliswaar niet expliciet genoemd maar zijn, gelet op het niet-limitatieve karakter van de lijst van gronden, geenszins uitgesloten. Het door een lidstaat toepassen van het voorzorgbeginsel voor genetisch gemodificeerde organismen maakt reeds onderdeel uit van de Europese regelgeving en behoeft daarom geen vermelding in het principeakkoord voor de nationale teeltbevoegdheid.

Overeenkomstig het verzoek van uw Kamer zal de Minister van VWS u een dezer dagen separaat informeren hoe uitvoering wordt gegeven aan de motie-Van Gerven (Kamerstuk 27 428, nr. 275), waarin wordt gevraagd om te pleiten voor een labelingplicht voor cisgenese.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

Vraag

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vrezen dat het huidige compromisvoorstel landen te weinig ruimte en juridische zekerheid biedt om te komen tot verboden op de teelt van gentechgewassen. Om deze reden hebben zij begin dit jaar een motie (Kamerstuk 21 501-08, nr. 502) ingediend om de inzet van Nederland voor deze nieuwe regels aan te scherpen. In de motie, die werd aangenomen door een meerderheid van de Kamer, wordt de regering gevraagd om extra gronden voor een verbod op gentechgewassen in te brengen in het voorstel dat op dat moment werd bediscussieerd door de lidstaten. De Kamer vindt dat sociaaleconomische en ethische overwegingen, aanvullende milieugronden zoals de effecten van extra bestrijdingsmiddelengebruik bij gengewassen, het toepassen van het voorzorgsbeginsel, het willen vrijwaren van conventionele en biologische landbouw van besmetting met ggo’s en het willen garanderen van keuzevrijheid van consumenten, alle als reden moeten kunnen gelden om een verbod op gentechgewassen te kunnen instellen. Vindt de Staatssecretaris al deze redenen terug in het huidige compromisvoorstel, waar zij van plan is om mee in te stemmen? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zouden het op prijs stellen als de Staatssecretaris in haar antwoord op elk van de genoemde gronden in zou gaan, en zou willen aangeven in welke mate en op welke wijze het huidige voorstel aan de motie tegemoetkomt.

Een groot aantal van de aanvullingen op het voorstel waarom in de motie van de fractie van de Partij voor de Dieren is verzocht, is later ook ingebracht als amendement door het EP. Deze amendementen zijn besproken in een triloog tussen de Europese Commissie, de Raad en het EP. Uit het compromisvoorstel dat nu voorligt, blijkt dat een zeer groot aantal amendementen gewoonweg is afgeschoten door de Raad, en dus niet terugkomt in het voorstel dat nu naar alle waarschijnlijkheid zal worden aangenomen en omgezet zal worden in wetgeving. Hoe kijkt de Staatssecretaris terug op deze triloog? Wat is de inzet geweest van Nederland? Op welke manier heeft ze de wens van de Kamer, om bijvoorbeeld aanvullende milieucriteria mee te nemen als grond voor een verbod, geprobeerd uit te voeren? En als ze dat inderdaad heeft geprobeerd, welke landen lagen dan dwars in het omarmen van deze wens van het EP en de Kamer?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren merken op dat een van de belangrijkste discussies over welke gronden wel en niet mogen worden gebruikt om over te gaan tot een verbod op een specifiek gewas, gaat over de aanvullende milieudoelen, die dus nog niet aan de orde zijn geweest in de risicobeoordeling van de EFSA, zoals het effect dat een bepaald gengewas kan hebben op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het effect van herbicidetolerante gentechgewassen blijkt immers te zijn dat er veel meer landbouwgif gebruikt wordt dan bij andere gewassen. Deze leden vinden het van groot belang dat een lidstaat dit gegeven kan gebruiken om een verbod op gengewassen te rechtvaardigen.

Een andere belangrijke reden om een nationaal verbod op gentech te willen afkondigen, kan het beschermen van de biologische en gangbare landbouw zijn tegen onbedoelde vermenging met gengewassen. Deze grond was eerder onderdeel van het voorstel zoals dat besproken werd in de Europese Raad. Kan de Staatssecretaris aangeven in hoeverre deze grond nog deel uitmaakt van het compromisvoorstel? Deze grond was ook expliciet opgenomen in de aangenomen motie over aanvullende voorwaarden aan het teeltvoorstel. Toch lezen deze leden in kabinetsbrieven over dit voorstel dat de Staatssecretaris zich verzet tegen opname van «landbouwdoeleinden» als grond voor een nationaal verbod of beperking. Is de Staatssecretaris bereid dit verzet te staken en gewoon de gehele motie goed uit te voeren?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben tevens grote moeite met het verzet van de Staatssecretaris tegen het opnemen van een passage over het instellen van wettelijke voorzieningen over co-existentie. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat co-existentiemaatregelen absoluut noodzakelijk zijn om gangbare en biologische teelten te beschermen tegen besmetting met gentechgewassen? De Staatssecretaris zegt dat dit aspect in Nederland al goed geregeld is, en dat wetgeving op dit punt overbodig zou zijn. Deze leden betwijfelen of het in Nederland wel zo goed geregeld is, en of boeren die toch besmet zijn geraakt wel afdoende gecompenseerd zullen worden. Maar de discussie hier is natuurlijk breder. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat er op dit punt niet in elk land al afspraken zijn gemaakt? De grensoverschrijdende co-existentie, om het risico af te dekken dat bijvoorbeeld Belgische gentechteelten Nederlandse oogsten besmetten zonder dat de Nederlandse boeren dan in aanmerking komen voor schadevergoedingen, lijkt deze leden bij uitstek een punt om Europees te regelen. Waarom verzet de Staatssecretaris zich daartegen? Is zij bereid haar voorbehoud op dit punt te laten varen?

Volgens de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben de gentechfabrikanten met deze nieuwe regels nog steeds een veel te grote invloed op het beleid van de lidstaten. Voordat een land een verbod of beperking kan instellen, moet het aan de aanvrager van de toelating van een specifiek gentechgewas vragen of dit land, of een gedeelte ervan, buiten de toelatingsaanvraag gehouden mag worden. Dat vinden deze leden niet acceptabel. Zij vinden dat de bedrijven hiermee veel te veel macht krijgen. Deelt de Staatssecretaris deze mening? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het ook van groot belang dat een regering op elk moment een toelating kan heroverwegen. Met andere woorden, als er al een gentechgewas is goedgekeurd voor teelt in een land, en er zijn redenen om deze toelating te beperken of in het geheel in te trekken, moet dat mogelijk zijn. Deze leden wijzen bijvoorbeeld op de mogelijkheid dat veranderde politieke omstandigheden de belangenafweging meer in het voordeel van milieubescherming en keuzevrijheid zullen doen uitvallen. Het voorstel zoals dat tot nu toe werd besproken, creëerde deze mogelijkheden niet. Een toelating werd daarin als het ware onherroepbaar, tenzij er wetenschappelijk onderbouwde nieuwe feiten zouden zijn van onaanvaardbare milieurisico’s. En zelfs dan, werd de bevoegdheid om een toelating in te trekken, beperkt door de welwillendheid van de Europese Commissie, die een eindoordeel over de aangevoerde redenen en hun wetenschappelijke onderbouwing zou geven. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dit onverteerbaar, en niet in lijn met de geest van het voorstel, waarin de bevoegdheden voor het al dan niet toestaan van gentechteelt op hun grondgebied juist weer bij de lidstaten zou komen te liggen. Op welke manier wordt er in het huidige voorstel omgegaan met reeds afgegeven toelatingen voor teelt van gentech in een land? En hoe ziet de Staatssecretaris dat in het licht van de bezwaren die deze leden daarbij hebben?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren horen graag hoe de planning van dit voorstel, en de later omzetting ervan in wetgeving, er ongeveer uit zal zien. De nieuwe Eurocommissaris heeft ook aangekondigd aan de slag te willen gaan met een algehele herziening van de gentechregelgeving, waarbij ook de toelatingsprocedure voor import van gentechgewassen uit andere landen op de schop zal worden genomen. Op welke termijn zal dit traject ingezet worden? Wat zal de inzet van de Eurocommissaris hierbij zijn, en hoe staat de Staatssecretaris daarin? Graag krijgen deze leden hierop een reactie.

Antwoord

De leden van de fractie van de PvdD verzoeken om voor elk van de genoemde gronden uit de motie Ouwehand c.s. aan te geven in welke mate en op welke wijze het huidige voorstel aan de motie tegemoetkomt. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op de vragen van de leden van de SP-fractie. Op de vraag hoe Nederland heeft geprobeerd aanvullende milieucriteria in het voorstel in te brengen, luidt het antwoord dat van meet af aan de Nederlandse inzet, die ook met uw Kamer is gedeeld, gericht is geweest op het in stand houden van één milieuveiligheidsbeoordeling op Europees niveau waarbij lidstaten hun inbreng kunnen geven. Deze beoordeling behelst naar mijn oordeel een volledige beoordeling van de veiligheid van het ggo voor mens, dier en milieu. Nederland heeft zich daarom niet beijverd voor aanvullende milieugronden als basis voor een nationaal verbod op teelt van gg-gewassen. Wel heb ik ingestemd met een herziening van de eisen aan deze milieuveiligheidsbeoordeling binnen twee jaar na inwerkingtreding van het voorstel.

Ik ben van mening dat de niet-limitatieve lijst van gronden voor een nationaal teeltverbod afdoende ruimte biedt voor het eventueel verbieden van nationale teelt van gg-gewassen die in Europees verband veilig zijn bevonden maar waartegen op andere gronden eventueel nationale bezwaren kunnen bestaan.

Over de vragen van de leden van de fractie van de PvdD over de mogelijkheden voor een lidstaat om het effect dat een bepaald gg-gewas kan hebben op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, in geval van herbicidentolerante gewassen, als grond te kunnen gebruiken voor een nationaal teeltverbod, kan ik het volgende opmerken. Elk nationaal verbod, ongeacht de grond ervan, moet in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht, moet deugdelijk gemotiveerd worden, en moet proportioneel en niet-discriminatoir van aard zijn. Van belang is dat de milieurisico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden beoordeeld in het kader van de toelatingsaanvragen voor die middelen op grond van de daarvoor bestaande Europese en nationale wetgeving. Dus als een middel in het kader van die regelgeving toegelaten wordt en wordt toegepast onder de voor die toelating geldende gebruikscondities, dan is er geen sprake van onaanvaardbare milieurisico’s. De gebruikte hoeveelheid van die middelen, binnen de daarvoor geldende wettelijke normen en gebruikscondities, is een vraagstuk dat los staat van de milieuveiligheidsbeoordeling in het kader van de toelating van de teelt van gg-gewassen. Zoals aangegeven in antwoord op de vragen van de fracties van de VVD, de PvdA en de SP, stuur ik uw Kamer voor het zomerreces een voorstel voor een nationaal afwegingskader voor het nemen van beslissingen over de teelt van gg-gewassen op Nederlands grondgebied, vooropgesteld dat EP en Raad instemmen met het principeakkoord.

Terugkijkend naar de trilogen en de inzet van Nederland, zoals verwoord in de brieven aan uw Kamer van 27 mei en 8 december 2014, ben ik tevreden dat er een akkoord is bereikt. De essentie van het compromisvoorstel van de Raad van 23 juli 2014 is niet aangetast.

Zoals in het antwoord op vragen van de leden van de SP-fractie is aangegeven, wordt het vrijwaren van conventionele en biologische landbouw van vermenging met ggo’s in het bereikte akkoord nog steeds als grond erkend voor een nationale verbodsmaatregel voor zover de noodzaak daartoe niet op milieuveiligheid is gebaseerd. Voor dit vrijwaren van vermenging met ggo’s en landbouwbeleidsdoelstellingen geldt dat deze gronden reeds in het compromis van de Raad in eerste lezing zaten en thans ongewijzigd in het principeakkoord zijn opgenomen.

Co-existentiemaatregelen zijn noodzakelijk om gangbare en biologische teelten te beschermen tegen vermenging met gg-gewassen. In de brief van 8 december 2014 is aangegeven dat Nederland het verplicht stellen van lidstaten om wettelijke voorzieningen te treffen inzake co-existentie ongewenst acht omdat dit de reikwijdte van het onderhavige voorstel te buiten gaat. Er bestaat reeds een Commissie-aanbeveling op dit gebied8 en Nederland kent nationaal co-existentieafspraken op basis van deze Europese richtsnoeren. Deze nationale afspraken zijn specifiek toegesneden op de Nederlandse situatie.

Waar Nederland zich, evenals een groot aantal andere lidstaten, tijdens de trilogen tegen verzette, was dat sommige amendementen van het EP gericht waren op het verplicht stellen van co-existentiemaatregelen die zien op co-existentie over de landsgrenzen heen, dus het opstellen van gezamenlijke afspraken. Zoals aangegeven in antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie is in het principeakkoord een verplichting opgenomen voor lidstaten om binnen twee jaar na inwerkingtreding van het voorstel nationaal gepaste co-existentiemaatregelen te treffen in grensgebieden met lidstaten die de teelt van gg-gewassen nationaal verboden hebben. Hiermee wordt naar mijn mening voldoende geborgd dat vermenging met gewassen in een buurland wordt voorkomen en dat er sprake is van schadevergoeding wanneer eventuele vermenging toch optreedt.

De leden van de fractie van de PvdD vragen of een lidstaat enkel een verbod of beperking kan instellen nadat zij aan de aanvrager van de toelating van een specifiek gg-gewas heeft verzocht om dat land, of een gedeelte ervan, buiten de scope van de toelatingsaanvraag te houden. In het principeakkoord is deze voorwaarde veranderd in een optie voor de lidstaat. De lidstaat kan kiezen om ofwel eerst een verzoek in te dienen bij de aanvrager, ofwel direct een nationaal besluit te nemen (beperking of verbod). Indien de lidstaat ervoor kiest om eerst een verzoek in te dienen en de aanvrager weigert daaraan gevolg te geven, dan kan de lidstaat alsnog een nationaal besluit nemen.

In het akkoord van de Raad in eerste lezing was de mogelijkheid voor lidstaten om een nationaal besluit te nemen tot beperking of verbod van de teelt van het betreffende gg-gewas beperkt tot een duur van twee jaar na het nemen van het EU-toelatingsbesluit. Het principeakkoord geeft lidstaten de mogelijkheid om gedurende de gehele geldigheidsduur van het EU-toelatingsbesluit voor een gg-gewas een nationaal besluit te nemen tot beperking of verbod van de teelt van dat gewas. Een regering die een aantal jaren na de EU-toelating door bijvoorbeeld een verandering van beleid alsnog een nationale teeltbeperking wenst, kan hier invulling aan geven met een nationaal besluit. Voor wat betreft de bestaande EU-toelating en de gewassen waarvoor een aanvraag voor teelt in de EU zich in de procedure bevindt, bevat het principeakkoord een overgangsclausule die ik in antwoord op de vragen van de leden van de PvdA-fractie heb toegelicht.

Zoals hierboven al aangegeven, zal ik u na formele instemming door EP en Raad met het akkoord informeren hoe ik voornemens ben om te gaan met de gg-gewassen waarvoor reeds een toelating is verleend, dan wel die waarvoor een aanvraag in procedure is.

Zoals aangegeven in de brieven van 27 mei en 8 december 2014 zal ik uw Kamer, na formele instemming door Raad en EP met het akkoord, informeren over de wijze waarop het voorstel in de Nederlandse wet- en regelgeving zal worden geïmplementeerd, inclusief de planning daarvoor.

In de appreciatie door het kabinet van het werkprogramma van de Europese Commissie voor 20159 zal het kabinet schriftelijk ingaan op de aankondiging van de Commissie om het besluitvormingsproces voor genetisch gemodificeerde organismen zodanig te herzien dat de Commissie meer ruimte krijgt om rekening te houden met de opvattingen van een meerderheid van lidstaten bij het nemen van besluiten over de toelating van ggo’s in de EU.


X Noot
1

Kamerstuk 27 428, nrs. 296 en 297.

X Noot
2

Standpunt 9/2014, PbEU 2014, C 349/01.

X Noot
3

De leden van de Tweede Kamer kunnen in het Raads-Extranet de niet-openbare tekst raadplegen onder nummer 16811/14.

X Noot
4

Zie hiervoor art. 294, Werkingsverdrag EU.

X Noot
5

AO Milieuraad van 3 juni 2014 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 522).

X Noot
6

Motie De Liefde en Van Dekken, 10 juni 2014 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 517).

X Noot
7

Kamerstuk 27 428, nr. 282.

X Noot
8

Aanbeveling van de Commissie van 13 juli 2010 inzake richtsnoeren voor de ontwikkeling van nationale coëxistentiemaatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo's in conventionele en biologische gewassen te vermijden (PB C 200 van 22.7.2010, blz. 1).

X Noot
9

Commissie Werkprogramma 2015, 16 december 2014, COM (2014) 910 final.

Naar boven