Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 december 2012
Hierbij doe ik u, mede namens de Staatsecretaris van EZ en de Staatsecretaris van
IenM, mijn reactie op de motie van Ouwehand en Van Bemmel (27 428, nr. 221) toekomen. Deze motie vraagt de regering een onafhankelijk onderzoek naar de onafhankelijkheid
van de EFSA in te stellen. Ik kan u meedelen dat onlangs een dergelijk onderzoek is
verricht door de Ernst & Young en door de Europese Rekenkamer (ECA). Uit de resultaten
van deze onderzoeken blijkt dat de EFSA goed beleid voert op dit gebied. EFSA heeft
haar beleid recent aangescherpt.
Artikel 61 van Verordening (EG) nr. 178/2002 tot oprichting van de EFSA stelt de EFSA
wettelijk verplicht om elke 6 jaar een volledige, externe evaluatie te laten uitvoeren.
In 2011 heeft het consultancybureau Ernst & Young deze verplichte evaluatie uitgevoerd
voor de jaren 2006–2011. Dit rapport is september 2012 gepubliceerd. Dit onderzoek
besteedt uitgebreid aandacht aan de onafhankelijkheid van de organisatie. In deze
brief ga ik uitsluitend in op dit deelaspect van de evaluatie. Ernst & Young concludeert
dat de EFSA voldoende maatregelen treft om de onafhankelijkheid te waarborgen1:
«EFSA has fulfilled its obligation to operate in an independent manner, having one
of the most advanced and robust systems in place for ensuring the independence. Despite
criticisms, no major changes in EFSA’s structure, governance and procedures are needed
and the current situation is considered as a satisfying infrastructure also if compared
with other European Agencies and relevant international standards, like OECD ones.
More transparency and an improved communication are needed in relation to:
-
–
EFSA’s links with industry and industry-affiliated bodies
-
–
Screening procedures and decisions on conflicts of interests
-
–
Mitigation of criticisms towards EFSA’s experts independence.»
Volgens deze evaluatie heeft de EFSA in de afgelopen 10 jaar een hoogwaardige organisatie
opgebouwd en is zij goed omgegaan met het complexe landschap van betrokken partijen.
Wel moet de organisatie transparanter en beter communiceren over de maatregelen om
dit te blijven garanderen. Zo kan het bijvoorbeeld overwegen om panelvergaderingen
openbaar te maken.
De Europese Rekenkamer (ECA) heeft deze maand ook een onderzoek gepubliceerd over
de manier waarop meerdere Europese agentschappen omgaan met belangenverstrengeling2. Volgens het rapport besteedt de EFSA reeds aandacht aan verklaringen van mogelijke
belangenverstrengeling en het betrekken van externen in de evaluatie van de onafhankelijkheid.
De ECA beveelt bovendien aan om verbeteringen door te voeren om belangenverstrengeling
nog effectiever aan te pakken.
De EFSA heeft in reacties op beide rapporten laten weten de komende jaren te werken
aan de gerichte aanbevelingen en de nodige stappen te ondernemen om de organisatie
te blijven verbeteren. Ik wijs u erop dat de EFSA haar uitvoeringsregels ten behoeve
van haar onafhankelijkheid dit jaar al heeft aangescherpt3, waardoor het merendeel van de ECA aanbevelingen, die betrekking hebben tot de stand
van zaken in 2011, al worden uitgevoerd. Dit betreft bijvoorbeeld de beoordeling van
de verplichte belangenverklaringen voor allen die betrokken zijn bij de werkzaamheden
van de EFSA (werkgroepen, panels, wetenschappelijk comité, adviesraad en Raad van
Bestuur). Daarbij heeft EFSA aangescherpte procedures vastgesteld voor gevallen waar
er misbruik wordt gemaakt van vertrouwen. In die gevallen waarbij daadwerkelijk belangenverstrengeling
is opgetreden, voorzien deze regels in het ergste geval in het ontheffen van leden
uit hun functie.
Ik ben tevreden met de uitkomsten van deze onderzoeken en ondersteun de EFSA in de
uitvoering van haar verantwoordelijkheid om onafhankelijk te zijn. Het kabinet hecht
aan onafhankelijkheid en heeft het volste vertrouwen in de EFSA, zoals reeds in eerdere
brieven aan uw Kamer gecommuniceerd (brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Milieu die op 9 november 2011 (TK 27 428, nr. 208) en brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 4 april 2012 (TK 27 428, nr. 220)).
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.I. Schippers