27 017 Homo-emancipatiebeleid

Nr. 74 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 april 2011

Hierbij bied ik u namens het kabinet de hoofdlijnenbrief emancipatie: vrouwenemancipatie en homo-emancipatie 2011–2015 aan.

Hiermee geeft het kabinet uitwerking aan hetgeen in het regeerakkoord over emancipatie is aangekondigd.

In het regeerakkoord heeft het kabinet aangekondigd dat het kabinet de emancipatie bevordert en dat het kabinet daarbij ook borg staat voor de emancipatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders en daartoe concreet beleid zal ontwikkelen.

Met deze brief wordt tevens uitwerking gegeven aan de toezegging die door de minister-president is gedaan in antwoorden op Kamervragen (nr. 288) om in dit voorjaar te komen met een actieplan vrouwenemancipatie.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

Hoofdlijnen emancipatiebeleid: vrouwen- en homo-emancipatie 2015

1. Het kabinet bevordert de emancipatie

Kiezen in vrijheid en veiligheid

Emancipatie biedt mensen de kans het beste uit hun leven te halen en in vrijheid en veiligheid keuzes te maken. Daarom wil het kabinet de emancipatie bevorderen: de emancipatie van meisjes en vrouwen, en de emancipatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders (LHBT).1 Iedereen heeft recht op een leven zonder geweld en op een eerlijke kans tot participatie. Discriminatie wordt daarom bestreden en ook zwaarder bestraft. De gelijkheid voor de wet en de gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen, en van homoseksuelen en heteroseksuelen dient vanzelfsprekend te zijn. Daarbij hoort ook respect voor verschil en tolerantie voor andersdenkenden. De balans in grondrechten is een van de kernwaarden van de Nederlandse samenleving.

Eigen kracht en talent van mensen aanspreken

Het kabinet ziet vrouwenemancipatie en homo-emancipatie primair als de verantwoordelijkheid van mensen – vrouwen én mannen, homoseksuelen én heteroseksuelen –, bedrijven en maatschappelijke instellingen zelf. De overheid heeft een rol daar waar emancipatie geen kans krijgt en de veiligheid en participatie achterblijft. Het kabinet wil de eigen kracht en het talent van mensen zelf aanspreken en actief benutten om voortgang te boeken. Op eigen kracht en met hun talent kunnen mensen veel bereiken.

Vergroten van de veiligheid en participatie

Doel van het emancipatiebeleid is de veiligheid van vrouwen, homoseksuelen en transgenders te vergroten, en de participatie van vrouwen in alle lagen en sectoren van de arbeidsmarkt te bevorderen. Homoseksuele paren moeten veilig hand in hand over straat kunnen lopen en jongeren moeten veilig uit de kast kunnen komen. Meisjes moeten zich beschermd weten tegen seksuele intimidatie en geweld. Vrouwen moeten zich ondersteund en uitgedaagd voelen in hun ambitie om in alle sectoren van de arbeidsmarkt te participeren en door te groeien naar topfuncties.

Cultuurverandering

Het kabinet zal een aantal wettelijke maatregelen nemen om de gelijke rechten van homoseksuelen en transgenders te borgen, en wettelijke en fiscale belemmeringen wegnemen voor de doorgroei van de arbeidsparticipatie van vrouwen. Bovenal is een cultuurverandering nodig, vooral daar waar de emancipatie, veiligheid en participatie achterblijven. Een positieve houding en beeldvorming ten aanzien van homoseksuele relaties en vrouwen met ambitie dienen vanzelfsprekend te worden. Het kabinet zal die cultuurverandering in woord en daad steunen. Door burgers, bedrijven en instellingen op hun verantwoordelijkheid aan te spreken en hen ook om een actieve bijdrage te vragen in de emancipatie. Die actieve bijdrage vragen we van vrouwen zelf, maar zeker ook van mannen – zowel thuis als in de bestuurskamer. Ook bij de homo-emancipatie geldt dat actieve steun van heteroseksuelen onmisbaar is.

Om de gewenste cultuurverandering aan te jagen en te ondersteunen worden initiatieven in de samenleving ondersteund en verspreid die zichtbaar bijdragen aan het emancipatieproces, de veiligheid en participatie. Daarbij werkt de minister van OCW nauw samen met de vakdepartementen, die stelselverantwoordelijk zijn, en met gemeenten, bedrijven en maatschappelijke partners. Er wordt daarbij voortgebouwd op de ervaringen en samenwerkingsverbanden van de afgelopen jaren en een zwaarder accent gelegd op veiligheid en betaald werk voor iedereen.

Versterken van de emancipatie-infrastructuur

Het kabinet zal een aantal organisaties in de kennisinfrastructuur voor vrouwenemancipatie en homo-emancipatie ondersteunen. Het kabinet investeert in de periode 2011 t/m 2015 € 17,5 miljoen per jaar in de emancipatie-infrastructuur en de in deze hoofdlijnenbrief opgenomen programma’s en actielijnen. Het COC krijgt ondersteuning voor haar nationale en internationale werk op het terrein van homo-emancipatie. Op het terrein van de vrouwenemancipatie ondersteunt het kabinet de samenwerking tussen E-Quality en Aletta. In 2014 wordt één sterk instituut voor vrouwenemancipatie en vrouwengeschiedenis ondersteund.

De internationale voortrekkersrol van Nederland zichtbaar maken

De rechten en de fundamentele gelijkheid en gelijkwaardigheid van vrouwen liggen vast in het VN Vrouwenverdrag.2 De VN-lidstaten, waaronder Nederland, bespreken jaarlijks de voortgang. Die voortgang is niet vanzelfsprekend. Nederland zal zich daarom actief blijven inzetten voor de verbetering van de positie van meisjes en vrouwen in de wereld, in het bijzonder voor de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van meisjes en vrouwen. Ook zal Nederland een voorbeeldrol vervullen binnen de NAVO bij de versterking van de rol van vrouwen in vraagstukken van vrede en veiligheid.

Voor de rechten en veiligheid van homoseksuelen en transgenders bestaat nog geen internationaal verdrag. Nederland heeft, door als eerste land ter wereld het huwelijk tussen paren van gelijk geslacht juridisch mogelijk te maken, een belangrijke voortrekkersrol in de wereld. Het kabinet wil die positie gebruiken om samen met gelijkgestemde landen te komen tot een betere internationale bescherming van de rechten en veiligheid van homoseksuelen en transgenders. Ook zal Nederland actief bijdragen aan de veiligheid van homoseksuelen en transgenders in Europa.

Toezeggingen aan de Kamer

Olievlekwerking

De Kamer heeft gevraagd te rapporteren over de olievlekwerking van emancipatieprojecten om meer inzicht te krijgen in de effectiviteit van het emancipatiebeleid. In de afgelopen jaren zijn emancipatieprojecten gefinancierd vanuit de subsidieregeling emancipatie 2006–2010. Deze projecten zijn in twee delen geëvalueerd.3 Over het bereik en de effectiviteit van een deel van deze projecten bent u eerder geïnformeerd (Kamerstuk 2007–2008, 30 420, nr. 119). Uit de eerste evaluatie zijn 18 projecten geselecteerd voor verdere verspreiding (zgn. Troeven). Meer dan twintig grotere gemeenten hebben de bewezen goede emancipatieprojecten overgenomen. Ook de evaluatie van de overige projecten is afgerond. Met in totaal ruim 150 projecten zijn naar schatting ruim 160 000 personen bereikt. De regeling wordt niet in deze vorm voortgezet. Het aantal subsidies wordt beperkt. De focus zal komen te liggen op een beperkt aantal programma’s en actielijnen. Daarin krijgen bewezen goede praktijken een plaats.

Aanbevelingen van CEDAW

Het Committee on the Elimination of Discrimination of Women (CEDAW) beoordeelt of lidstaten het VN Vrouwenverdrag voldoende toepassen. De kabinetsreactie op de aanbevelingen van dit Comité is door het vorige kabinet naar Uw Kamer toegezonden bij brief van 5 juli 2010 (Kamerstukken 2009–2010, 30 420, nr. 154). De commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verzocht per brief (kenmerk 2010D35244) een nieuw kabinet een beleidsreactie te geven op de aanbevelingen, aangezien de toegezonden reactie geen voorstellen voor nieuw beleid bevat.

Het kabinet doet haar voordeel met de aanbevelingen van het comité, betrekt deze bij de beleidsvorming en zal kennis over het VN Vrouwenverdrag actief verspreiden o.a. naar de advocatuur en de rechterlijke macht. Het kabinet is voorts van oordeel dat de reactie van 5 juli 2010 al een uitvoerige inhoudelijke reactie op de aanbevelingen bevat.

Leeswijzer

Hieronder volgen per paragraaf de beschrijvingen van zes beleidsprogramma’s van de minister van OCW. Het gaat om de beleidsprogramma’s gelijke rechten homoseksuelen en transgenders (paragraaf 2), veiligheid en weerbaarheid homoseksuelen, transgenders en vrouwen (paragraaf 3), sociale acceptatie van homoseksuelen en transgenders (paragraaf 4), arbeidsparticipatie vrouwen en talent (paragraaf 5), arbeidsparticipatie vrouwen en eigen kracht laagopgeleide vrouwen (paragraaf 5) en internationaal emancipatiebeleid (paragraaf 6). Per programma worden de stand van zaken, het streefbeeld voor 2015 en de actielijnen beschreven.

2. Gelijke rechten van homoseksuelen en transgenders

Stand van zaken

De laatste decennia is de situatie voor homoseksuelen en transgenders in Nederland sterk verbeterd. Homodiscriminatie is bij Algemene wet gelijke behandeling verboden. Ook voor paren van gelijk geslacht zijn het wettelijk huwelijk, het geregistreerd partnerschap en de adoptie van kinderen mogelijk geworden. Op een aantal terreinen is echter nog steeds, in juridische zin of in de praktijk, sprake van discriminatie en ongelijke behandeling van homoseksuelen en transgenders op grond van hun seksuele gerichtheid. Het kabinet doet hiertoe een aantal voorstellen ter verbetering.

Streefbeeld 2015

In 2015 is de juridische ongelijkheid tussen homoseksuelen en transgenders enerzijds en heteroseksuelen anderzijds op de belangrijkste punten opgeheven en is de (nog) bestaande kloof tussen «de jure» en «de facto» gelijke behandeling op grond van seksuele gerichtheid en genderidentiteit verder gedicht.

Artikel 1 van de Grondwet verbiedt discriminatie «op welke grond dan ook». Het kabinet beschouwt het verbod op discriminatie vanwege seksuele gerichtheid dan ook als een van de kernwaarden van de samenleving en onderstreept daarom het belang van een toereikende wettelijke bescherming tegen discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en zet in op een verscherpte aanpak van die discriminatie in de praktijk. Gewelddaden die het gevolg zijn van discriminatie worden voortaan dubbel hard bestraft en krijgen voorrang van de politie. Het openbaar ministerie (OM) gaat per 1 juni dubbele straffen eisen bij geweldsincidenten die het gevolg zijn van discriminatie. Daarnaast geeft het kabinet op korte termijn prioriteit aan de effectieve uitvoering van de actielijnen die in deze brief zijn opgenomen.

Het kabinet komt met een standpunt over de vervanging van de zogenaamde enkele-feitconstructie in de Algemene wet gelijke behandeling, mede naar aanleiding van concrete voorstellen die hiertoe zijn gedaan.

Actielijnen

Om het streefbeeld te bereiken, zijn twee actielijnen ontwikkeld:

1. Actielijn «Juridisch ouderschap en de rechten van paren van gelijk geslacht»

In ons land groeien minstens 25 000 kinderen op in een «roze gezin». Het kabinet wil dat deze kinderen eenzelfde juridische positie krijgen als kinderen geboren in heteroseksuele relaties. Het kabinet heeft hiertoe een wetsvoorstel Lesbisch ouderschap voor advies voorgelegd bij de Raad van State. Het voorstel houdt onder meer in dat lesbische paren niet meer naar de rechter hoeven voor het tot stand brengen van het juridisch ouderschap van de duomoeder. Het kabinet verwacht in de zomer van 2011 een wetsontwerp aan de Kamer te kunnen aanbieden (en de motie uit te voeren van Azough/Teeven/Arib 32 123 VI, 5 november 2009).

In het belang van een vrij verkeer van personen zal het kabinet aandringen op erkenning van geregistreerde partnerschappen en huwelijken tussen personen van gelijk geslacht in de Europese Unie. Wat betreft landen buiten de EU zal het kabinet zich inspannen om te komen tot vergelijkbare afspraken.

In het regeerakkoord is opgenomen dat gezinsmigratie alleen nog toegestaan is voor gehuwde en geregistreerde partners en de minderjarige kinderen. Het kabinet beoogt hiermee geen barrières op te werpen voor de uitoefening van gezinsleven door homoseksuelen en is zich ervan bewust dat het voor hen in veel landen niet mogelijk is om te trouwen respectievelijk een geregistreerd partnerschap aan te gaan. Het kabinet zoekt naar een oplossing waarmee benadeling van homoseksuelen door de strengere regels bij gezinsvorming- en hereniging wordt voorkomen.

2. Actielijn «Gelijke behandeling van homoseksuelen en transgenders»

In Nederland kunnen mannen die seks hebben gehad met andere mannen op grond van hun seksuele gedrag geen bloed doneren. In een aantal Europese landen kan dit onder voorwaarden wel (Zweden, Spanje, Portugal en Italië). Het kabinet gaat, in overleg met Bloedbank Sanquin, bezien of, en zo ja, welke mogelijkheden er zijn om de regels rondom bloeddonatie zodanig aan te passen dat het als man hebben van seksueel contact met een andere man niet langer zonder meer leidt tot levenslange uitsluiting van het bloeddonorschap. Hierbij staat uiteraard de veiligheid van ontvangers van bloedproducten voorop. Het kabinet zal bij deze afweging de aanbevelingen van de Raad van Europa ten aanzien van het donorselectiebeleid aangaande mannen die seks hebben gehad met mannen betrekken, evenals de Europese regelgeving ten aanzien van het uitsluiten van risicogroepen.

Het kabinet geeft met onderstaande maatregelen uitvoering aan de aanbevelingen van de Raad van Europa over maatregelen om discriminatie te bestrijden op basis van seksuele gerichtheid of genderidentiteit.4

Het kabinet schrapt de zogenoemde sterilisatie-eis voor het wijzigen van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte. Het concept-wetsvoorstel transseksualiteit (waarin de zogenoemde «sterilisatie-eis» voor transgenders wordt geschrapt) is in voorbereiding en wordt voor de zomer 2011 in consultatie gegeven. Tevens regelt het kabinet het op eenvoudige wijze kunnen wijzigen van de geslachtsaanduiding op diploma’s. Hiertoe wijzigt het kabinet artikel 1:28 BW en het inrichtingsbesluit VO.

3. Veiligheid en weerbaarheid van homoseksuelen, transgenders en vrouwen

Stand van zaken

De meeste Nederlanders accepteren homoseksualiteit en de sociale acceptatie is de laatste jaren toegenomen (zie hieronder paragraaf 4 over sociale acceptatie van homoseksualiteit). Toch voelen veel homoseksuelen zich nog onveilig. Dit komt door berichten in de media over geweldsincidenten tegen homoseksuelen, maar ook door eigen ervaringen. In 2009 werd 1 op de 10 homo- en biseksuele mannen in een periode van 6 maanden uitgescholden, geïntimideerd of gepest vanwege de seksuele voorkeur. Bij de lesbische en biseksuele vrouwen is dit cijfer nog ongunstiger, namelijk 4 op de 10.5

De helft van de leerlingen vindt dat je op school beter niet voor je homoseksualiteit uit kunt komen.6 Van de homoseksuele jongeren heeft 12% daadwerkelijk ooit een zelfmoordpoging gedaan. 66% van de homoseksuele jongeren heeft behoefte aan steun en hulp, vooral bij het uit de kast komen.7

Ook veel meisjes en vrouwen hebben te maken met onveiligheidsgevoelens en geweld. Het seksuele en relationele geweld wordt niet altijd door vrouwen gemeld en bij eergerelateerd geweld en genitale verminking ook niet systematisch geregistreerd. Desondanks is wel duidelijk dat vrouwen een veel groter risico lopen dan mannen om slachtoffer te worden van geweld. Van alle vrouwen in Nederland is 12% ooit verkracht (vergeleken met 3% van de mannen).8 Meisjes op het vmbo hebben vijf keer vaker dan meisjes op de havo en het vwo te maken met ongewenste seksuele handelingen.9Machtsverschillen en stereotiepe denkbeelden hangen hiermee samen.10

Streefbeeld 2015

In 2015 is de onveiligheid en zijn de onveiligheidsgevoelens van homoseksuelen en transgenders en van vrouwen en meisjes afgenomen. Het kabinet zal daartoe de aangiftebereidheid, registratie en opvolging van discriminatiemeldingen actief bevorderen en geweld met een discriminatoir motief zwaarder straffen. Voorts werken de Ministers van VenJ, BZK, VWS en OCW nauw samen bij het bevorderen van een veilig leefklimaat en de weerbaarheid van vrouwen, homoseksuelen en transgenders. Daarbij ligt de focus op gebieden waar de veiligheid achterblijft en op kwetsbare groepen.

1. Actielijn jongeren: de kracht van social media en jongerennetwerken

Het is belangrijk dat meisjes en jongens voor zichzelf kunnen opkomen, hun eigen grenzen bewaken en de grenzen van anderen respecteren. De minister van OCW zal daarom vanuit het emancipatiebeleid de (seksuele) weerbaarheid actief bevorderen en ondersteunen. Hiervoor zal een aanpak worden ontwikkeld voor en door jongeren zelf, die aansluit bij de wijze waarop jongeren met elkaar communiceren via «social media» en bestaande jongerennetwerken. Jongeren zoeken immers vaak hulp en steun via vrienden en internet. Deze aanpak sluit daarbij aan. Doel van de aanpak is om machtsmisbruik en seksueel geweld onder jongeren te voorkomen en weerbaarheid en gevoel van eigenwaarde te bevorderen. Naast de belangrijke rol die ouders, opvoeders en professionals hebben wil het kabinet hiermee gebruik maken van de eigen kracht van jongerennetwerken.

Het kabinet zal ook interventies ondernemen gericht op de weerbaarheid van homoseksuele jongeren. Homoseksuele jongeren hebben behoefte om elkaar te ontmoeten via vriendenclubs, internet en media en hebben ook behoefte aan rolmodellen. Lokale homojongerennetwerken krijgen een impuls om activiteiten te organiseren waarbij homoseksuele jongeren elkaar kunnen ontmoeten zoals weekendkampen en huiskamerbijeenkomsten. Ontmoetingen met heteroseksuele jongeren zal daar ook onderdeel van uit kunnen maken. Ook zullen de veilige, virtuele ontmoetingsplaatsen, zoals  www.jongenout.nl en www.18min.eu., worden voortgezet. De homoseksuele jongeren hebben ook aangegeven dat zij zich storen aan de stereotypen die bestaan over homoseksuelen en willen deze doorbreken en vervangen door een gewoon beeld van de homopopulatie. Social media worden ingezet om de zichtbaarheid van homoseksuelen te vergroten.

De minister van OCW zal daarbij namens het kabinet zelf actief in gesprek en dialoog gaan over (on)veiligheid en weerbaarheid – samen met rolmodellen – om zo de eigen kracht van jongeren zichtbaar te maken en bij te dragen aan een veilig leefklimaat voor homojongeren en meisjes.

Deze aanpak vanuit de minister van OCW sluit aan bij beleid van het ministerie van VWS gericht op seksuele gezondheid, waarvan seksuele weerbaarheid van jongeren een belangrijk onderdeel vormt. Ook wordt samengewerkt met het ministerie van VenJ en de Task Force Aanpak mensenhandel, die de aanpak van (digitale) loverboys tot prioriteit heeft. Voorts bouwt deze aanpak voort op de positieve ervaringen met het stimuleren van mediawijsheid bij jongeren door het ministerie van OCW.

2. Actielijn gemeenten: veilige wijken

Geweld tegen homoseksuelen en transgenders vindt vooral plaats in de directe woonomgeving van de slachtoffers en op homo-ontmoetingsplaatsen of in homo-uitgaansgebieden11. Om dit geweld te voorkomen en de sociale acceptatie van homoseksualiteit te bevorderen maakt het kabinet afspraken met de gemeenten. De ervaringen van de 18 koplopers op het terrein van homo-emancipatie, onder meer met het geven van voorlichting en het trainen van jongerenwerkers, het creëren van veilige ontmoetingsplaatsen voor homoseksuele jongeren (bijv. huiskamersessies) en het bevorderen van aangiftebereidheid, dienen daarbij als voorbeeld. De koploperstrategie heeft ook een positieve uitstraling naar de actiebereidheid van veel meer gemeenten in Nederland, zoals blijkt uit de toename van het aantal actieve gemeenten in de afgelopen kabinetsperiode. Het kabinet zal in de komende periode deze succesvolle aanpak doorzetten, maar het accent meer verschuiven naar veiligheid op straat en in wijken en daarbij naast aandacht voor homoseksuelen ook aandacht vragen voor de veiligheid van meisjes en vrouwen in wijken.

3. Actielijn veilige scholen

Een veilig schoolklimaat is de basis van waaruit leerlingen zich ontwikkelen en van waaruit leraren hun onderwijs vormgeven. Alle scholen dienen de kernwaarden van de rechtstaat actief uit te dragen en dat kan en mag op een wijze die past bij de eigen identiteit. Homoseksuele leerlingen en docenten moeten veilig uit de kast kunnen komen. Jongeren moeten zich beschermd voelen tegen ongewenste seksuele handelingen, pesten en intimidatie. De veiligheid op school is een noodzakelijke voorwaarde voor kwalitatief goed onderwijs en goede leerprestaties en draagt bij aan de kabinetsambitie van «de basis op orde, de lat omhoog».

De veiligheid kan worden bevorderd door burgerschapsvorming en sociale integratie binnen en rond de school. De inspectie van het onderwijs houdt er toezicht op dat scholen hier invulling aan geven. Buiten de school hebben ook anderen een verantwoordelijkheid. Dit kabinet zal daarom de samenwerking tussen scholen en ouders, gemeenten, politie, maatschappelijk werk en jeugdzorg stimuleren. Dit kan onder meer door het aangaan van onderlinge cont(r)acten.

Het kabinet zal de ondersteuning van scholen bij hun verantwoordelijkheid voor een veilige school voortzetten, onder meer via incidentenregistratie op scholen, de zorgadviesteams en het beschikbaar stellen van informatie over homoseksualiteit en weerbaarheid via het Centrum School en Veiligheid (CSV). In nauwe samenwerking met VWS zal de invoering van de meldcode voor kindermishandeling en huiselijk geweld in het onderwijs worden gerealiseerd.

De eigen kracht van leerlingen en leraren zal worden ondersteund door Gay and Straight allianties en voorlichting op scholen.

4. Actielijn versterken eigen kracht bij huiselijk en eergerelateerd geweld

Bij preventie van huiselijk- en eergerelateerd geweld is het belangrijk de eigen kracht van vrouwen te benutten. Om dit te realiseren is een cultuurverandering nodig. Het taboe rond huiselijk, seksueel en eergerelateerd geweld moet doorbroken en besproken worden. De Nederlandse Vrouwen Raad (NVR) heeft met steun van het ministerie van VenJ goede stappen gezet in verschillende provincies met het bespreekbaar maken van huiselijk geweld. Dit initiatief en vergelijkbare initiatieven verdienen een steun in de rug. Effectieve methoden ter preventie van eergerelateerd geweld dienen breder te worden toegepast. De minister van OCW, de minister van VenJ, de staatssecretaris van VWS en de minister van BZK zullen hierbij nauw samenwerken.

(Centrum)gemeenten hebben in het kader van de WMO een taak en budget voor de vrouwenopvang. Om de eigen kracht van vrouwen te vergroten zal de minister van OCW onder meer in samenwerking met gemeenten en bedrijfsleven onderzoeken hoe de toeleiding naar werk van slachtoffers van ernstige vormen van partnergeweld kan worden versterkt. De staatsecretaris van VWS en de minister van VenJ komen met een brief over de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Daarbij wordt het rapport van de commissie «Stelsel vrouwenopvang» betrokken.

4. Sociale acceptatie van homoseksuelen en transgenders12

Stand van zaken sociale acceptatie

De sociale acceptatie van homoseksuelen en transgenders is de afgelopen jaren toegenomen.13 Tegelijkertijd is duidelijk dat de acceptatie van homoseksualiteit bij grote groepen nog problematisch is. De houding onder jongeren, bij etnische minderheden en in orthodox-religieuze gemeenschappen is duidelijk negatiever dan bij andere Nederlanders. Een derde van de homoseksuelen en transgenders voelt zich niet veilig genoeg om op het werk uit de kast te komen. In andere omgevingen (school, buurt, sport, ouderenzorg) is dat percentage nog hoger.

Het gebrek aan sociale acceptatie van transgenders14 blijkt vooral uit hun hoge werkloosheid, ervaringen met geweld, en ernstige psychosociale problemen. De lange en ingewikkelde procedures voor geslachtsverandering en wachtlijsten in de zorg verergeren hun problemen vaak nog.15

Het vorige kabinet heeft een start gemaakt met transgenderbeleid16. Dit heeft meer inzicht gegeven in de knelpunten en mogelijke oplossingen. Nederland loopt bijvoorbeeld voorop waar het gaat om de behandeling van genderdysfore17 jongeren. Recent onderzoek naar deze behandeling18 laat zien dat deze aanpak effect heeft en veel problemen op latere leeftijd voorkomt.

Streefbeeld 2015

Dit kabinet wil de sociale acceptatie van homoseksuele, lesbische, biseksuele en transgender personen verder vergroten en verdiepen. Daarbij ligt de focus op de domeinen school, werk, sport en ouderenzorg, en op de kringen waar de sociale acceptatie nu nog relatief laag is. Dat zijn vooral etnische minderheden, orthodox-religieuze groepen en jongeren. Homoseksuelen moeten op straat, in de wijk en in de sport veilig voor hun homoseksualiteit kunnen uitkomen. Jongeren moeten veilig uit de kast kunnen komen. Het kabinet beoogt daarnaast de kwetsbare positie van transgenders te verbeteren.

Actielijnen

1. Actielijn «Gay-Straight Allianties (GSA)»

De vier bestaande landelijke gay-straightallianties (werk, onderwijs, ouderen en sport) zullen worden gecontinueerd, verbreed en verdiept. Vanwege de specifieke problematiek zal daarbinnen ook extra aandacht zijn voor lesbische vrouwen, biseksuelen en transgenders. De staatssecretaris van VWS zal conform de motie Dijkstra (d.d. 30 november 2010) een extra impuls geven aan de zorg voor roze ouderen door het ondersteunen van het Masterplan 50+ te continueren. De partners van de GSA ouderen zijn uitvoerder van dit plan. Daarnaast zal het kabinet een nieuwe GSA op het terrein van «wonen» ondersteunen. Dat moet leiden tot grotere bescherming van homoseksuelen en transgenders in hun directe leefomgeving en helpen voorkomen dat zij worden weggepest uit hun wijk.

2. Actielijn »Levensbeschouwing en Etniciteit»

Het kabinet streeft naar samenwerking met geloofsgemeenschappen en migrantenorganisaties die zich via dialoog en confrontatie inzetten voor de sociale acceptatie van homoseksualiteit in hun gemeenschap en daarbij samenwerken met organisaties als het COC en homoseksuelen en transgenders uit eigen kring. De nog lopende projecten op het terrein van levensbeschouwing en etniciteit zullen overgaan in een aantal nieuwe GSA’s. Het kabinet streeft naar een Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse en christelijke Gay-Straight Alliantie.

3. Actielijn «Bespreekbaar maken in Caribisch Nederland»

Het kabinet wil in samenwerking met de bestuurders van de eilanden, rekening houdend met de gemaakte afspraken, actief bijdragen aan het bevorderen van een cultuur van tolerantie en openheid ten aanzien van homoseksuele mannen, lesbische vrouwen, biseksuelen en transgenders. Hiertoe zullen activiteiten gericht op het bevorderen van de sociale acceptatie en veiligheid van homoseksuelen en transgenders worden ondersteund, o.a. via (digitale) ontmoetingsplaatsen en dialoogbijeenkomsten. De samenwerking tussen de Antilliaanse gemeenschap in het Europese en het Caribisch deel van het Koninkrijk zal worden ondersteund via een Twinning-project. Wettelijk is de integrale erkenning in Caribisch Nederland van in Nederland gesloten huwelijken tussen personen van gelijk geslacht al geregeld. Uiterlijk 10 oktober 2012 wordt het verder mogelijk voor paren van gelijk geslacht om in Caribisch Nederland te trouwen.

4. Actielijn «Transgenders»

Het kabinet zet het transgenderbeleid voort en verankert dit zoveel mogelijk in het reguliere beleid van de vakdepartementen. Transgenders zullen verder worden ondersteund op het terrein van arbeid, zorg en onderwijs. De subsidie aan het Transgendernetwerk Nederland zal daartoe worden gecontinueerd. De Stichting Health Management Forum, VUmc en Transvisie hebben vorig jaar met subsidie van VWS een visie op toekomstbestendige transgenderzorg ontwikkeld. Het ministerie van OCW zal samen met het ministerie van VWS de ontwikkelde visie onder de aandacht brengen van partijen die een bijdrage kunnen leveren aan het tot stand komen van deze toekomstbestendige transgenderzorg, zoals de VNG, Zorgverzekeraars Nederland en GGZ Nederland.

5. Arbeidsparticipatie vrouwen

Stand van zaken

In de afgelopen decennia heeft in de arbeidsdeelname van vrouwen de vanzelfsprekendheid van niet-werken plaats gemaakt voor de vanzelfsprekendheid van werken. Dat is een positieve ontwikkeling, die nog steeds doorzet. De afgelopen tien jaar is bij de jongere generatie vrouwen van 25 tot 35 jaar het aandeel moeders dat werkt gestegen van 55% naar 71%. Het aantal vrouwen dat zich vanwege de komst van kinderen terugtrekt van de arbeidsmarkt is gehalveerd van 30% in 2001 naar 15% in 2009.19

Toch blijft de arbeidsdeelname op onderdelen nog achter.

Veel Nederlandse vrouwen werken in deeltijd en maken onvoldoende uren om financieel zelfstandig te kunnen zijn. Vrouwen stromen nog steeds slechts mondjesmaat door naar de top van bedrijven. En de arbeidsdeelname van laagopgeleide vrouwen blijft achter. Ongeveer één miljoen laagopgeleide vrouwen tussen de 15 en 65 jaar participeren nu niet op de arbeidsmarkt.20 Het kabinet vindt dat hier verandering in moet komen. Het talent van vrouwen op de arbeidsmarkt is onmisbaar, mede gelet op de vergrijzing en de arbeidsmarkttekorten.

Streefbeeld 2015

Het kabinet wil de arbeidsparticipatie van vrouwen verhogen. Dat maakt hen minder financieel afhankelijk van een partner of een uitkering en biedt kans op ontplooiing. Een grotere arbeidsdeelname is ook noodzakelijk vanwege de vergrijzing en verwachte structurele tekorten op de arbeidsmarkt. De minister van SZW heeft tijdens het algemeen overleg arbeid en zorg, van 10 november 2010, dan ook als visie geformuleerd dat Nederland van een anderhalf- naar een tweeverdienersamenleving moet overstappen en een andere opvatting moet ontwikkelen over de betekenis van werk en inkomen voor vrouwen. Hiervoor is een cultuurverandering in het bedrijfsleven en bij vrouwen én mannen zelf nodig. Het kabinet wil het signaal afgeven dat de verzorging van jonge kinderen gecombineerd kan worden met betaalde arbeid en de ambitie om door te groeien.

In het regeerakkoord is daarom aangekondigd dat de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting wordt afgeschaft, ook voor gezinnen met kinderen jonger dan 5 jaar. Ook verlaagt het kabinet de leeftijdsgrens voor de groep voor wie, als overgangsrecht, de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting ongewijzigd blijft. Met deze maatregelen wordt financiële afhankelijkheid van een partner niet langer ondersteund.

Het kabinet hecht aan goede en betaalbare kinderopvang. De overheidsuitgaven aan kinderopvang zijn sinds de invoering van de wet kinderopvang in 2005 meer dan verdriedubbeld. Het kabinet moet fors bezuinigen om de overheidsfinanciën weer in het gareel te krijgen. De kinderopvang kan daarbij niet buiten beeld blijven. Ook na de bezuiniging op de kinderopvang draagt de overheid nog steeds een substantieel deel van de kosten van kinderopvang. Het kabinet betrekt bij het uitwerken van de bezuiniging op de kinderopvang de mogelijkheden om samenhang, transparantie en effectiviteit van de kindregelingen te verbeteren. Dit voorjaar zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de vormgeving van de bezuiniging op de kinderopvang.

De combinatie van arbeid en zorg zal door het kabinet worden ondersteund, via de mogelijkheden die flexibel werken biedt. Werkgevers kunnen hier nog meer ruimte bieden voor werkende moeders en vaders. Daarnaast blijft het kabinet de ontwikkeling stimuleren van brede scholen, die een sluitend dagarrangement aanbieden. Hiermee is er een kwalitatief goed aanbod voor kinderen op de basisschool beschikbaar dat tegelijk de ouders helpt arbeid en zorg te combineren. Daarnaast zal een aantal programma’s worden ontwikkeld om de talenten van vrouwen op alle niveaus en in alle sectoren van de economie beter te kunnen benutten. Dit kabinet wil dat Nederland zich blijft onderscheiden als een innovatieve en veerkrachtige economie en zet daarom in op deelname van al het vrouwelijk talent op de arbeidsmarkt.

Vaak worden gezondheidsproblemen genoemd door vrouwen als reden waarom zij geen baan hebben.21 Het Sociaal en Cultureel Planbureau concludeert in onderzoek22 dat er ook een positieve wisselwerking tussen de gezondheid en arbeidsdeelname van vrouwen kan zijn. Vrouwen met een grotere focus op werk hebben gemiddeld genomen een betere ervaren gezondheid. Dit onderzoek is gedaan in kader van het VN-Vrouwenverdrag en bestond uit een inventarisatie van de gezondheidssituatie van allochtone vrouwen in relatie tot hun arbeidsdeelname. Gekeken wordt hoe de bevindingen van het SCP-onderzoek onder de aandacht van professionals in de omgeving van allochtone vrouwen gebracht kunnen worden.

Er worden twee programma’s ontwikkeld: het programma Talent en het programma Eigen kracht.

Het programma «Talent» richt zich op de deelname van vrouwen op alle niveaus en in alle sectoren van de arbeidsmarkt en kent 3 actielijnen:

1. Actielijn «Meer vrouwen naar de top»

In bedrijven, maatschappelijke organisaties en de publieke sector moeten meer vrouwen topfuncties gaan vervullen. Een divers samengestelde top leidt tot betere resultaten. Het benoemingsbeleid is de verantwoordelijkheid van organisaties en instellingen zelf. Organisaties kunnen zelf hun ambities bepalen en een beroep doen op de ervaring en kennis van andere organisaties. Het kabinet ondersteunt hen hierbij via het Charter Talent naar de Top en volgt de ontwikkeling van het aantal vrouwen in topfuncties via een jaarlijkse monitor. Het kabinet zal het gesprek aangaan met sectoren waar het aantal vrouwen aan de top achterblijft.

2. Actielijn «Flexibel werken»

Mannen en vrouwen moeten hun werk kunnen combineren met zorgtaken, vrijwilligerswerk, scholing en vrije tijd. Dat is in loondienst nog niet altijd mogelijk. Daarom kiezen relatief veel vrouwen voor het zelfstandig ondernemerschap en dat is een belangrijke en positieve ontwikkeling, die steun verdient. Sinds 2008 hebben zelfstandigen recht op een uitkering bij zwangerschap en bevalling. Het kabinet heeft in reactie op het recente SER-advies over de positie van zzp’ers aangekondigd onderzoek te doen naar de oorzaken van de gebrekkige pensioenopbouw door zelfstandigen. Ook wordt de fiscale facilitering van de vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling van zelfstandigen die eerst in loondienst waren verlengd van drie naar tien jaar. Dit kabinet wil verder de toegang van kleine ondernemers bij aanbestedingen verbeteren en de administratieve lasten verminderen.

Uiteraard is flexibiliteit om arbeid en zorg goed met elkaar te combineren ook in loondienst gewenst. Daarom komt het kabinet dit voorjaar met een doorlichting van arbeidswetgeving die flexibel werken belemmert. Ook komt de SER in het voorjaar met een advies over de «Tijden van de samenleving» waarin aanbevelingen worden gedaan om de tijd en plaats van arbeid en dienstverlening beter te organiseren waardoor de combinatie van arbeid en zorg wordt vergemakkelijkt. Samen met het bedrijfsleven neemt het kabinet maatregelen ter bestrijding van files, zoals via parkeer- en reisvoorzieningen, transferia, carpooling, goede fietsvoorzieningen, incidentenmanagement en de intensivering van telewerken. De minister van I&M geeft vervolg aan de Taskforce mobiliteitsmanagement in een nieuw te vormen Platform waar 50 beeldbepalende werkgevers zich aan hebben gecommitteerd.

Het Nieuwe Werken is een middel dat goede mogelijkheden biedt om aanvullend daarop, in het kader van goed werkgeverschap, de combinatie van arbeid en zorg te vergemakkelijken. De vakcentrales FNV en CNV ondersteunen de ontwikkeling naar het nieuwe werken.

Het kabinet onderzoekt de mogelijkheid rijksbreed de krachten te bundelen in een programma, waarin aandacht is voor slimmer werken, slimmer reizen en slimmer leven. In dit programma is ook expliciet aandacht voor het combineren van arbeid- en zorgtaken voor mannen. Wanneer binnen bedrijven meer aandacht is voor de wederzijdse belangen van werkgever en werknemer bij het combineren van verschillende taken is voor alle partijen winst te behalen. Het kabinet wil bedrijven die actief werk maken van de combinatie van arbeid en zorg voor vrouwen en mannen zichtbaarheid geven door de introductie van een erkenning voor «modern werkgeverschap».

3. Actielijn «Ambities van jongeren»

Om de talenten van meisjes en jongens tot volle bloei te laten komen is het van groot belang dat jongeren al op vroege leeftijd leren hun talenten te herkennen en leren om op basis van die talenten hun ambities vorm te geven en keuzes te maken. Daarom krijgt excellentie en het stimuleren van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) in het onderwijs ruim baan. Binnen LOB zal aandacht worden gevraagd voor verschillen in keuzegedrag tussen meisjes en jongens. Jongens en meisjes kiezen niet altijd op basis van hun talent. Er werken daardoor bijvoorbeeld weinig meisjes in de techniek en weinig jongens in het onderwijs.23 Het kabinet stimuleert dat meer meisjes kiezen voor een technische opleiding en meer jongens gaan werken in het onderwijs (primair onderwijs en pabo’s). De rol van decanen, het zichtbaar maken van reële beroepsbeelden en rolmodellen waar meisjes als jongens zich mee kunnen identificeren zijn daarbij aangrijpingspunten. Ook is van belang dat ouders meer betrokken worden zodat zij hun kinderen bij deze belangrijke keuzes kunnen stimuleren en begeleiden.

Het programma Eigen kracht richt zich op de scholing en arbeidsdeelname van laagopgeleide vrouwen en kent twee actielijnen.

1. Actielijn «Minder vrouwen die laaggeletterd zijn»

Het nieuwe actieplan Laaggeletterdheid dat medio 2011 verschijnt, richt zich op de brede aanpak van laaggeletterdheid in Nederland. Onderdeel van dit actieplan wordt een «sluitende aanpak» voor laagopgeleide, laaggeletterde vrouwen met jonge kinderen. Hiermee worden twee vliegen in één klap geslagen: de vrouwen vergroten hun kansen op participatie en economische zelfstandigheid, en de effectiviteit van de voor- en vroegschoolse educatie voor de kinderen wordt vergroot wanneer moeder en kind tegelijk werken aan een betere taalbeheersing.

Een tweede groep die extra aandacht nodig heeft is een grote groep laagopgeleide vrouwen die in de zorg werkt, in het bijzonder in de ouderenzorg. Het verminderen van laaggeletterdheid bij deze vrouwen komt hun inzetbaarheid ten goede.

2. Actielijn «Meer vrouwen aan de slag»

Deze actielijn richt zich op laagopgeleide vrouwen zonder baan en zonder uitkering. Met lokale partners zal de eigen kracht van de niet-werkende laag opgeleide vrouwen aangesproken worden om hun motivatie en ambitie voor arbeidsdeelname en ondernemerschap te vergroten.

Het kabinet bouwt voort op de resultaten van 1001-kracht waarbij de aandacht verlegd wordt van vrijwilligerswerk naar relevante stappen richting betaald werk. Speciale aandacht zal er zijn voor arbeidstoeleiding naar de zorgsector, een sector waar in de komende jaren grote arbeidstekorten worden verwacht.24 De emancipatie en eigen kracht van individuele vrouwen staat in de aanpak voorop. Daarnaast zal het kabinet onder meer via de inzet van rolmodellen en het creëren van media aandacht bijdragen aan de gewenste cultuurverandering om meer laagopgeleide vrouwen aan de slag te krijgen.

6. Internationaal emancipatiebeleid

Stand van zaken

In veel landen zijn de rechten en veiligheid van homoseksuelen en transgenders niet vanzelfsprekend. Er is nog veel geweld tegen homoseksuelen en transgenders, ook in Europa. In 85 landen kunnen homoseksuelen strafrechtelijk worden vervolgd op grond van hun (homo)seksualiteit. In zeven landen bestaat zelfs de doodstraf op homoseksualiteit25. Waar binnen de Europese Unie afspraken zijn gemaakt die toezien op hun veiligheid en bescherming, ontbreken deze buiten de Unie. Hier is dus actieve internationale inzet zeer noodzakelijk.

Over de rechten en veiligheid van meisjes en vrouwen zijn wereldwijd afspraken gemaakt26. Deze rechten zijn in 1995 door de Europese Unie onderschreven. Sinds de toetreding van nieuwe lidstaten is er in de Unie echter minder eenstemmigheid over seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Ook wereldwijd is de voortgang ten aanzien van seksuele en reproductieve rechten van meisjes en vrouwen moeizaam. De in de VN overeengekomen Millennium Ontwikkelingsdoelen ten aanzien van de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen worden niet gehaald. Een actieve inzet blijft ook hier noodzakelijk.

De Nederlandse inzet is uiteengezet in de Basisbrief Ontwikkelingssamenwerking. De minister van Buitenlandse Zaken zal in aanvulling hierop in april een actieplan mensenrechten presenteren waarin ook nadrukkelijk aandacht is voor vrouwenrechten en voor de rechten voor homoseksuelen en transgenders.

Streefbeeld 2015

Nederland behoort in 2015 tot de wereldtop qua sociale acceptatie en rechtsbescherming van homoseksuelen en transgenders. Nederland heeft daarbij een voorbeeldfunctie binnen en buiten Europa en zet zich actief in voor gelijke rechten en behandeling en wederzijdse erkenning van geregistreerde partnerschappen en «homohuwelijken».

Nederland heeft in de VN een belangrijke bijdrage geleverd aan de erkenning van rechten van homoseksuelen en transgenders en het dichterbij brengen van de wereldwijde afschaffing van strafbaarheid van homoseksualiteit.

Op initiatief van Nederland zijn binnen de EU afspraken gemaakt over een gemeenschappelijke lijn rond seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Hierdoor spreekt de EU opnieuw eensgezind over bovenstaande onderwerpen binnen de Raad van Europa en de VN.

1. Actielijn «Rechten van homoseksuelen en transgenders in buitenlandbeleid»

Het Nederlands-Franse initiatief om binnen de Verenigde Naties te komen tot afschaffing van de strafbaarstelling van homoseksualiteit wordt actief voorgezet. Dit geldt ook voor de steun aan maatschappelijke organisaties die opkomen voor de rechten van homoseksuelen en transgenders. Binnen de VN neemt Nederland het initiatief om te komen tot een internationaal verbindend document samen met gelijkgestemde VN-lidstaten in andere continenten.

In 2008 werd door 66 (nu 68) landen in de AVVN een verklaring afgelegd waarin wordt opgeroepen tot afschaffing van strafbaarstelling van homoseksualiteit. In 2011 zal Nederland samen met gelijkgezinde landen aanvullende steun proberen te verkrijgen voor een vervolgverklaring in de Mensenrechtenraad. Als daarvoor voldoende steun bestaat zal worden bezien of ook een resolutie in de Mensenrechtenraad haalbaar is. Het uiteindelijke doel is om te komen tot een internationaal verbindend document over de rechten en veiligheid van homoseksuelen en transgenders.

Nederland zal toezien op een actief gebruik van de in 2010 aangenomen EU-toolkit ter bevordering van rechten van homoseksuelen en transgenders in derde landen. Nederlandse ambassades zullen lokale LHBT-organisaties moreel en financieel ondersteunen en zullen hun EU-collega’s aansporen hetzelfde te doen. Waar verdedigers van gelijke rechten gevaar lopen, zal bescherming worden geboden. Nederland zal daarnaast mogelijkheden onderzoeken om specifieke expertise verder te verankeren binnen de diplomatieke dienst van de EU (EDEO). Het ministerie van Defensie onderhoudt een samenwerkingsverband met een aantal NAVO lidstaten waarin gewerkt wordt aan verbetering van de positie en sociale veiligheid van homoseksuelen binnen de krijgsmacht.

2. Actielijn «Gelijke rechten LHBT’s in Europa»

Het Europese netwerk van zgn. National Focal Points op het terrein van gelijke rechten voor LHBT’s, waartoe Nederland ter gelegenheid van het Nederlands EU voorzitterschap (2004) het initiatief heeft genomen, zal verder worden uitgebreid. In dit netwerk zal Nederland, naast aandacht voor de openstelling en erkenning van het huwelijk van paren van gelijk geslacht, vooral aandacht vragen voor de rechten en veiligheid van homoseksuele en transgenders in Europa en stimuleren dat ervaringen worden uitgewisseld over de aanpak van homovijandig geweld. Nederland zal actief stimuleren dat de aanbevelingen van de Raad van Europa27 in praktijk worden gebracht, een Voluntary Contribution leveren voor expertise binnen de Raad van Europa en de Europese uitwisseling van aanpak van homovijandig geweld tussen politiekorpsen in Europa en de LHBT-beweging stimuleren (ILGA-Europe-project).

Het kabinet wil de homo-emancipatie verder brengen in Europa door te zorgen dat de eigen kracht van LHBT-organisaties een impuls krijgt en de aanbevelingen van de Raad van Europa in praktijk gebracht gaan worden. Het gaat dan vooral om de steun aan de verbetering van de positie van homoseksuelen en transgenders in de niet-EU-landen van de Raad van Europa.

Wanneer EU-lidstaten wetgeving voorbereiden die discriminerend is voor homoseksuelen en transgenders, zal Nederland daartegen bezwaar maken.

3. Actielijn «Vrouwenemancipatie internationaal»

Het MDG3 fonds28, dat in juni 2011 afloopt, gaat een tweede fase in met de focus op veiligheid (bestrijding geweld tegen vrouwen en vrouwen, vrede en veiligheid), economische zelfredzaamheid (voedselzekerheid, bedrijfsleven, water) en participatie in politiek en bestuur. Andere bilaterale donoren zullen het fonds financieel steunen.

Nederland verhoogt zijn bijdrage aan vrouwenemancipatie in de VN en consolideert deze in één bijdrage aan UN Women.

De ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie, Veiligheid en Justitie stellen samen met maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen een nieuw actieplan 1325 op. In dit plan is meer aandacht voor de empowerment van de vrouw in vredesprocessen.29 Nederland draagt bij aan de uitwerking en uitvoering van actieplannen voor vrouwen, vrede en veiligheid van de EU, NAVO en VN en diverse andere landen als Spanje, de VS en Afghanistan.30

De rol van vrouwen in voedselzekerheid, water en energie is zichtbaar opgenomen in beleid, beleidsinstrumenten en uitvoering met meetbare resultaten.

Nederland neemt initiatieven binnen de EU om tot een gemeenschappelijke opstelling te komen in internationale fora over seksuele en reproductieve rechten, zodat Malta, Polen en/of Ierland minder vaak kiezen voor een eigen koers.

Het Verdrag tegen Geweld tegen Vrouwen en huiselijk geweld (CAHVIO) is aangenomen bij de Raad van Europa (met inbegrip van lesbische, biseksuele en transgendervrouwen).

De roep om het geweld tegen vrouwen een halt toe te roepen is sterker geworden bij overheden, maatschappelijke organisaties en religieuze instituties, met nadruk op een aantal partnerlanden van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid.


X Noot
1

In deze notitie gebruiken we verder voor de leesbaarheid de aanduiding «homoseksuelen en transgenders» voor de gehele populatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders (LHBT).

X Noot
2

Dit verdrag kent drie doelstellingen: (a) volledige gelijkheid voor de wet en in het openbaar bestuur. Tijdelijke maatregelen van positieve actie zijn geoorloofd, (b) positieverbetering van vrouwen. Dit houdt mede in de bestrijding van alle vormen van discriminatie in de samenleving (ook door anderen dan de overheid) en (c) Bestrijding van de dominante gender-ideologie en sekse-specifieke stereotiepen. Zie verder www.vrouwenverdrag.nl.

X Noot
3

Ecorys (2010) Eindevaluatie subsidieregeling emancipatieprojecten

X Noot
4

Aanbevelingen van het Comité van ministers aan Lidstaten van de Raad van Europa. Rec (2010)5, 31 maart 2010, chapters 20–22.

X Noot
5

SCP-monitor 2010: «Steeds gewoner, nooit gewoon».

X Noot
6

TK 2008–2009, 27 017, nr. 50.

X Noot
7

SCP-monitor 2010: ‘Steeds gewoner, nooit gewoon.

X Noot
8

Rapport seksuele gezondheid in Nederland, 2010.

X Noot
9

Health Behaviour in School-aged Children (HBSC), 2009.

X Noot
10

Prevalentieonderzoek huiselijk geweld 2010.

X Noot
11

TK 2008–2009, nr 30 950, nr. 15 (rapportage homofoob geweld van de politie).

X Noot
12

Transgender is een verzamelnaam voor personen waarvan de gender identiteit niet overeenkomt met het geboortegeslacht. Dat wil zeggen: je bent geboren als man of vrouw, maar je voelt of gedraagt je niet zo. Onder deze groep vallen travestieten, transseksuelen en transgenderisten. Naar schatting 0,5% van de Nederlandse mannen en vrouwen voelt zich meer van het andere geslacht dan van het eigen geslacht. De kans voor Nederland dat een kind later transseksueel blijkt te zijn is echter lager; voor jongens naar schatting 1:3500 (0.029%) en voor meisjes 1: 6700 (0,015%) (Olyslager&Conway, 2007, bron onderzoek Paul Vennix).

X Noot
13

SCP, homo-emancipatiemonitor, 2010.

X Noot
14

Movisie, 2006; 2010, Rutgers Nissogroep, 2010.

X Noot
15

«Homophobia and Discrimination on Grounds of Sexual Orientation and Gender Identity in the EU Member States, Part II – Social Situation. European Union Agency for Fundamental Rights», 2009. en «Human Rights and Gender Identity» Issue paper, Commissioner for Human Rights, Council of Europe 2009.

X Noot
16

Beleidsbrief transgenders 1 oktober 2009, kamerstukken 2009–2010, kenmerk 27 017, nr. 56.

X Noot
17

Genderdysforie komt voort uit een gevoel van onbehagen over iemands biologische geslacht. Vaak gaat het samen met de wens om van het andere geslacht te willen zijn.

X Noot
18

A. de Vries; «Genderdysforie bij Adolescenten: psychische gezondheid en behandelevaluatie», r 2010.

X Noot
19

SCP, Emancipatiemonitor 2010.

X Noot
20

Research voor beleid (te verschijnen in 2011), Laagopgeleide vrouwen aan het werk.

X Noot
21

Research voor beleid (te verschijnen in 2011), Laagopgeleide vrouwen aan het werk.

X Noot
22

SCP (februari 2011) Moeilijk werken: Gezondheid en de arbeidsdeelname van vrouwen.

X Noot
23

SCP, Emancipatiemonitor 2010 en kerncijfers 2005–2009 Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

X Noot
24

Zorginnovatieplatform (2009) Zorg voor mensen, mensen voor de zorg: Arbeidsmarktbeleid voor de zorgsector richting 2025.

X Noot
25

Iran, Saoedi Arabië, Mauretanië, Soedan, Nigeria, Somalië en Jemen; bron: ILGA-world 2010.

X Noot
26

Beijing Declaration and Platform for Action, 15 september 1995, Strategische doelstelling en actiepunt D. (Geweld tegen vrouwen) en I. (Mensenrechten van vrouwen).

X Noot
27

Recommendation CM/Rec(2010)5 on measures to combat discrimination on grounds of sexual orientation or gender identity; 31 maart 2010.

X Noot
28

Voor de zomer 2011 ontvangt de Tweede Kamer in een brief van M.BZ over ontwikkelingssamenwerking nadere informatie over de hoogte van het budget.

X Noot
29

Uitvoering motie Ferrier.

X Noot
30

Uitvoering motie Hachchi/El Fassed en motie Ferrier.

Naar boven