Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201425764 nr. 84

25 764 Reisdocumenten

Nr. 84 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 augustus 2014

In haar brief van 3 juni jl. heeft de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken mijn aandacht gevraagd voor de mogelijkheden die zij ziet om de motie-Heijnen c.s. inzake het opslaan van vingerafdrukken in paspoorten (Kamerstuk 25 764, nr. 60) alsnog uit te voeren. Hierbij reageer ik graag op deze mogelijkheden en de verzoeken die de commissie in de brief aan mij doet.

Met de motie-Heijnen verzocht de Kamer de regering om nut en noodzaak en de effectiviteit van de Europese normen voor de veiligheidskenmerken en biometrische gegevens van paspoorten en reisdocumenten op Europees niveau aan de orde te stellen, omdat de veronderstelde effectiviteit van de eis tot het opnemen en opslaan van de vingerafdrukken ter discussie zou staan. Op ambtelijk niveau is daarop een rondgang langs enkele lidstaten gemaakt. Bovendien heb ik het onderwerp in een brief onder de aandacht gebracht van de verantwoordelijke EU-commissaris. De uitkomst van deze consultatie heb ik u op 9 april 2014 gemeld (Kamerstuk 25 764, nr. 77). Er bleek bij andere lidstaten geen steun te zijn voor de Nederlandse positie en ook de Europese Commissie zag geen aanleiding om nut en noodzaak en de effectiviteit van de Europese regelgeving ter discussie te stellen. Daarmee was de motie-Heijnen c.s. in feite uitgevoerd.

Nieuwe samenstelling Europees parlement

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken ziet in de recente verkiezing van het Europees parlement en de vorming van de nieuwe Europese Commissie mogelijkheden om de motie-Heijnen c.s. nogmaals uit te voeren, omdat in de toekomst alsnog de urgentie zou kunnen ontstaan om de Europese regelgeving aan te passen. Zij verzoekt mij daarom om mijn inspanningen om de motie uit te voeren niet stop te zetten, maar te intensiveren zodra zich een geschikt later moment voordoet. Ook doet de commissie mij de suggestie om de Nederlandse zorgen over dit onderdeel van de Europese regelgeving onder de aandacht te brengen van het nieuw gevormde Europees parlement. Overigens heb ik begrepen dat de vaste commissie zich ook zelf direct tot de Europese Commissie heeft gericht met diverse vragen over dit onderwerp.

Ik acht het niet waarschijnlijk dat de nieuwe samenstelling van het Europees parlement en van de Europese Commissie tot een wezenlijke verschuiving van opvattingen over dit onderwerp zal leiden. Een tweede consultatieronde zal mijns inziens dan ook niet tot een andere uitkomst leiden dan de eerste. Ik zeg u echter toe dat ik bij zich voordoende gelegenheden de positie van uw Kamer ten aanzien van de vingerafdrukken zal uitdragen en alert zal zijn op eventuele mogelijkheden om tot wijziging van het Europese beleid op dit onderwerp te komen.

Tegelijk ben ik echter genoodzaakt om een begin te maken met de uitvoering van de Europese verplichtingen die Nederland op dit terrein inmiddels heeft. De Europese Commissie heeft namelijk in september 2013 het gemeenschappelijk certificaatbeleid voor paspoorten en andere reisdocumenten vastgesteld. Dit beleid regelt de uitwisseling tussen EU-lidstaten van de certificaten die nodig zijn om toegang te krijgen tot de vingerafdrukgegevens in paspoorten en andere reisdocumenten. De Europese Commissie heeft hierin onder andere vastgelegd aan welke beveiligingseisen lidstaten moeten voldoen en via welke procedures certificaten moeten worden uitgewisseld. Nu de Europese Commissie dit gemeenschappelijk certificaatbeleid heeft vastgesteld, is ook Nederland gehouden dit na te leven.

Single Point of Contact

Een onderdeel van dit gemeenschappelijk certificaatbeleid is de aanwijzing van een zogenaamd «Single Point of Contact». Elke lidstaat moet één loket aanwijzen waarbij andere lidstaten kunnen aankloppen indien zij de vingerafdrukken uit de paspoorten en andere reisdocumenten van de betreffende lidstaat willen kunnen uitlezen ten behoeve van de verificatie van de identiteit bij grenstoezicht. Via dit Single Point of Contact worden de digitale certificaten uitgewisseld die nodig zijn om toegang tot de vingerafdrukgegevens in de chip te krijgen. Om aan deze verplichting invulling te geven, heb ik besloten de Justitiële Informatiedienst (JustID) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan te wijzen als Single Point of Contact voor de Nederlandse paspoorten; de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft deze dienst aangewezen als Single Point of Contact voor de vreemdelingendocumenten. JustID beschikt over de technische voorzieningen, de contacten en de expertise om certificaten met andere landen uit te wisselen en is daarmee een logische plek om de functie van Single Point of Contact te beleggen.

De aanwijzing van JustID als Single Point of Contact betekent niet dat JustID besluiten zal nemen over individuele verzoeken van andere lidstaten. JustID zal slechts als loket fungeren en verzoeken die betrekking hebben op de Nederlandse paspoorten doorgeleiden naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Daar zal worden getoetst of de betreffende lidstaat voldoet aan alle gestelde eisen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijft dus verantwoordelijk voor de uitgifte van autorisaties om de vingerafdrukken uit de Nederlandse paspoorten uit te lezen. Hij kan deze autorisaties ook intrekken, indien blijkt dat een lidstaat op een gegeven moment niet meer aan de gestelde eisen blijkt te voldoen of zich niet aan het doel van grenscontrole houdt.

Ik benadruk hierbij ten slotte dat de aanwijzing van een Single Point of Contact niet betekent dat er op korte termijn daadwerkelijk bij grenscontroles vingerafdrukken uit Nederlandse paspoorten uitgelezen zullen worden. Op dit moment wordt door enkele lidstaten getest hoe het uitleesproces in zijn werk moet gaan. Nederland volgt deze testen zeer alert, mede gezien de bezwaren van de vaste commissie. Bovendien zijn ook de andere lidstaten nog bezig met de implementatie van het gemeenschappelijk certificaatbeleid. Zij moeten kunnen aantonen dat zij aan de eisen uit dit beleid voldoen om voor een certificaat in aanmerking te komen. Eerder zullen er dus ook geen Nederlandse certificaten worden uitgewisseld.

Pas wanneer dit alles afgerond is en lidstaten aantoonbaar in staat zijn om op een veilige manier certificaten uit te wisselen, kan er sprake zijn van het uitlezen van de vingerafdrukken. Ik zal uw Kamer informeren zodra de eerste certificaten aan andere lidstaten zijn verstrekt.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk