25 268 Zelfstandige bestuursorganen

Nr. 98 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 oktober 2014

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 13 maart 2014 inzake het functioneren van de NZa in 2012 (Kamerstuk 25 268, nr. 80).

De vragen en opmerkingen zijn op 28 april 2014 aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 2 oktober 2014 zijn ze door hem, voorzien van een inleiding, beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Neppérus

Adjunct-griffier van de commissie, Clemens

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over het functioneren van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in 2012.

De NZa zal gelijktijdig met de Wet marktordening gezondheidszorg geëvalueerd worden in 2014. De Minister heeft naar aanleiding van onthullingen in de NRC al een breed onafhankelijk onderzoek naar het functioneren van de NZa in gang gezet (de commissie Borstlap). Hoe is de verhouding tussen het door de Minister geïnitieerde brede onderzoek naar het functioneren van de NZa en de evaluatie van de NZa die eveneens dit jaar plaatsvindt? Op welke manier kunnen eventuele bevindingen uit het onderzoek van de commissie Borstlap meegenomen worden in de evaluatie, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het oordeel van de Minister over het functioneren van de NZa in 2012 en hebben hierover nog enige vragen.

Nederlandse Zorgautoriteit in 2012

De leden van de fractie van de PvdA vragen allereerst wat dit oordeel waard is. Genoemde leden merken op dat het oordeel net geen jaar na het verschijnen van het jaarverslag is toegezonden. Deze leden vragen waarom dit oordeel niet eerder is verschenen zodat er eerder gereflecteerd kon worden op het functioneren van de NZa in 2012. In hoeverre is de Minister van mening dat dit late oordeel afbreuk doet aan de zeggingskracht van dit oordeel? Wanneer kan de Kamer het oordeel over het functioneren van de NZa in 2013 tegemoetzien?

De leden van de PvdA-fractie vragen wat dit oordeel nu precies zegt. Genoemde leden hadden liever een oordeel met daarin per beheersmatig aspect een afzonderlijke beoordeling en eventuele verbeterpunten voor het komende jaar. Zij zouden alsnog graag willen weten waar de Minister verbeterruimte in het functioneren van de NZa ziet. Daarbij merken deze leden op dat van de genoemde beheersmatige aspecten, de doeltreffendheid en doelmatigheid het meeste zegt over de mate waarin de NZa haar publieke doelstelling heeft gediend. Echter, hiermee lijkt geen rekening te worden gehouden in het oordeel van de Minister. Dit zwaarwegende aspect lijkt nu gelijkgeschakeld te worden met de andere beheersmatige aspecten zoals financiën en bedrijfsvoering. Genoemde leden zouden graag op dit specifieke aspect een uitgebreider oordeel van de Minister willen zien met daarin aangegeven hoe de doeltreffendheid en doelmatigheid van de NZa voor de komende jaren kunnen worden vergroot. Staat de Minister, gezien de recente berichtgeving over het functioneren van de NZa, nog steeds achter het oordeel dat de NZa op alle beheersmatige aspecten goed heeft gefunctioneerd in 2012?

De leden van de PvdA-fractie plaatsen vraagtekens bij de goedkeuring op het punt van de bedrijfsvoering. Gezien de recente berichtgeving kunnen deze leden zich niet voorstellen dat er een goedkeuring is verleend voor de ICT-vormgeving en het beheer van gevoelige gegevens. Genoemde leden vragen hoe het positieve oordeel over dit beheersmatige aspect te rijmen valt met de recente berichtgeving hierover. Zij vragen dan ook waarop dit positieve oordeel gebaseerd is en wat dat zegt over de kwaliteit van de informatie die hieraan ten grondslag ligt. Deze leden merken op dat er geen kritische blik aanwezig leek te zijn op het moment dat deze beheersmatige aspecten van een positief oordeel werden voorzien. Wat zegt dat over het positieve oordeel over de rest van deze beheersmatige aspecten? Welke verbeteringen ziet de Minister voor de komende jaren rondom deze oordeelsvorming voor zich, zo vragen genoemde leden.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de marktscan 2012 van de NZa een onvolledig beeld geeft van de werkelijkheid. Genoemde leden vragen hoe de verschillen tussen de voorspelling en verantwoording van de NZa en de feiten zijn te verklaren. Welke lessen trekt de Minister uit deze constatering? Deze leden vragen verder hoe deze rapportages tot stand komen en wat dit zegt over de kwaliteit van deze rapportages.

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat de NZa zich niet verantwoordt over haar toezicht op de zorgverzekeraars. Genoemde leden vragen dan ook hoe de NZa dit toezicht uitoefent en welke eisen zij voor zichzelf hieromtrent stelt.

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe de NZa oordeelt over de wijze waarop zorgverzekeraars duidelijk communiceren naar de patiënt. Hoewel de NZa op pagina 12 in haar publicatie «Van fabels naar feiten, de stand van de zorgmarkten 2012» opmerkt dat tijdige informatie een conditio sine qua non is bij het kiezen van een polis, gaat zij verder niet in op de wijze waarop zij deze transparantie bij zorgverzekeraars en zorgaanbieders heeft afgedwongen. Dat op dit soort belangrijke aspecten van het functioneren van de NZa geen kritische toets plaats lijkt te vinden verbaast genoemde leden. Is de Minister van mening dat de NZa op dit punt tekort schiet?

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in het Verantwoordingsdocument Jaarverslag NZa 2012 slechts in zeer algemene termen is aangegeven welke signalen over ongewenste situaties in de zorg in 2012 zijn binnengekomen. Deze leden vragen waarom dit slechts zo algemeen is beschreven en waarom niet gekozen is voor een meer uitgebreide toelichting op dit punt. Ook vragen zij waarom er niet wordt ingegaan op de acties die vervolgens zijn ondernomen op deze signalen. Ook zouden deze leden graag willen weten hoe signalen uit een eerder jaar gebruikt worden bij de vormgeving van het toezicht in een later jaar. Genoemde leden vragen in hoeverre dezelfde klachten in opeenvolgende jaren zijn gehoord, hoe de toezichthouder hiertegen is opgetreden, welk effect dit heeft gehad en hoe dit van invloed is geweest op de herhaling van soortgelijke klachten in een volgend jaar. Zij vragen verder of deze verschillende signalen ook gebruikt worden bij de vaststelling van de toezichtprioriteiten van de NZa. Genoemde leden vragen waar zij deze toezichtprioriteiten terug kunnen vinden en waarom dit niet is opgenomen in het Verantwoordingsdocument Jaarverslag NZa 2012. Eenzelfde vraag stellen deze leden omtrent signalen die duiden op risicoselectie door zorgverzekeraars. Ondanks signalen dat dit wel degelijk plaatsvindt, rapporteert de NZa niet over de wijze waarop zij hierop heeft toegezien. De leden van de PvdA-fractie vragen dan ook wat de waarde is van deze rapportages en hoe zij het oordeel hierover dienen uit te leggen. Genoemde leden geven aan dat de NZa alleen lijkt te kijken naar de strikt verboden vormen van risicoselectie, terwijl een breder perspectief zou opleveren dat er ook niet verboden, maar wel onwenselijke vormen van risicoselectie plaatsvinden. Is de Minister met genoemde leden van mening dat een breder perspectief en signalering hiervan het toezicht kan verbeteren? Deze leden vragen de Minister wanneer de NZa kan rapporteren over deze signalen in brede zin die wijzen op risicoselectie.

De leden van de PvdA-fractie vragen verder in hoeverre organisaties, zorgaanbieders en burgers de NZa weten te vinden met klachten, signalen en wensen. Deze leden merken op dat uit het signalenoverzicht zoals dat nu terug te vinden is in het Verantwoordingsdocument Jaarverslag NZa 2012 naar voren komt dat slechts weinigen de NZa weten te vinden. Hoe verklaart de Minister dat en hoe wenselijk acht zij dit? Is de Minister met genoemde leden van mening dat de NZa verdere acties dient te ondernemen om de NZa herkenbaar, dienstbaar en doortastend te maken wil zij haar missie waarmaken en zo goed mogelijk de belangen van de consument dienen?

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het staat met de uitvoering van de motie betreffende een overzicht van de instrumenten die de NZa en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) ter beschikking staan in het kader van het toezicht op de uitvoering van de Zorgverzekeringswet en de Wet marktordening gezondheidszorg1. Genoemde leden geven aan dat zij van een goede toezichthouder verwachten dat hij dit paraat heeft en zij begrijpen dan ook niet waarom zij tot dusver niet dit overzicht hebben mogen ontvangen. Graag verkrijgen deze leden zo snel mogelijk het in deze motie gevraagde overzicht van deze toezichtinstrumenten, alsook het aantal malen dat deze zijn ingezet en welke norm daarbij wordt gehanteerd.

De leden van de fractie van de PvdA merken op dat de Minister aangeeft dat de NZa verdere stappen heeft gezet om een transitie te maken van regulering naar toezicht. Waaruit blijkt deze transitie, hoe is dat te zien in de organisatiestructuur en welk effect is bereikt? Wanneer is deze transitie afgerond?

De leden van de PvdA-fractie zouden graag een gedetailleerd overzicht krijgen van de rolverdeling tussen de NZa en het Ministerie van VWS. In het licht van de recente berichtgeving over de wijze waarop het Ministerie van VWS contacten onderhouden zou hebben met de NZa, zouden zij graag een eenduidig overzicht krijgen van de wijze waarop de rollen tussen de NZa en het ministerie zijn verdeeld. Genoemde leden willen daarbij helder aangegeven hebben op welke wijze het ministerie en de NZa contacten onderhouden, tot hoever deze contacten mogen gaan, en hoe over deze eventuele contacten verslag wordt gedaan en verantwoording wordt afgelegd. Hoe wordt daarbij gewaakt voor rolvervaging tussen het ministerie en de NZa en hoe wordt de positie van de NZa als onafhankelijk toezichthouder zowel ten opzichte van zorgaanbieders als het ministerie geborgd? Graag zouden deze leden willen weten hoe de Minister tegenover deze eventuele rolvervaging staat, hoe zij deze tegengaat in de relatie tussen het ministerie en de NZa en hoe zij genoemde leden gerust kan stellen dat er geen onoorbare vermenging van rollen bestaat tussen het Ministerie van VWS en de NZa.

Evaluatie NZa in 2014 en functioneren NZa in 2013

De leden van de PvdA-fractie merken op dat zij, ook op basis van de recente berichten in de media over het functioneren van de NZa, het idee hebben dat wat er niet in dit oordeel en de achterliggende stukken staat, belangrijker is dan wat er wel in staat. Recente berichten over het bestuur van de NZa die hebben geleid tot het instellen van de commissie Borstlap, lijken afbreuk te doen aan het oordeel zoals dat er nu ligt. Hoe wil de Minister deze leden geruststellen dat dit positieve oordeel nog steeds geldt, ondanks de recente berichten die wijzen op het tegendeel?

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre de Minister gedurende het jaar zicht heeft op de acties van de NZa, hoe zij gedurende het jaar toezicht houdt en waaruit dat blijkt. Genoemde leden vragen hoe het kan dat de Minister overgaat tot een positieve beoordeling van het functioneren van de NZa in 2012, terwijl recente berichten in de media aanleiding geven om hier serieuze twijfels bij te hebben. Deze leden vragen dan ook wat dit zegt over de mate van toezicht door de Minister op de NZa en zij vragen of de Minister voornemens is dit toezicht in de toekomst anders in te vullen. Kan de Minister eenduidig aangeven hoe het toezicht op de NZa is vormgegeven, voor welke zaken de Minister wel verantwoordelijk is en voor welke zaken niet? Is de Minister van mening dat zij genoeg kennis heeft van de NZa, het doen en nalaten van de NZa en het functioneren van deze organisatie, om daarover een valide oordeel te vellen?

De leden van de PvdA-fractie vragen in het licht van de recente berichtgeving over de NZa of deze organisatie doorgelicht zou moeten worden door een onafhankelijke partij, zoals dat momenteel reeds gebeurt voor de financiële verantwoording. Deze leden stellen zich op het standpunt dat de NZa momenteel, meer dan normaal, zou dienen te laten zien dat zij haar processen op orde heeft. Een uitgelezen middel daarvoor is een onafhankelijke audit, bijvoorbeeld rondom de omgang met gevoelige gegevens, de inrichting van de ICT- infrastructuur en de wijze waarop de NZa bestuurd wordt. Deelt de Minister de mening van deze leden dat een dergelijke onafhankelijke audit niet alleen kan dienen om eventuele misstanden aan het licht te krijgen, maar dat deze ook bijdraagt aan het terugwinnen van het vertrouwen in de NZa? Hoe staat de Minister tegenover extra onafhankelijke audits op de onderdelen waar de NZa momenteel onder vuur ligt?

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben de brief van de Minister over het functioneren van de NZa in 2012 met belangstelling gelezen. Zij hebben naar aanleiding hiervan nog enkele vragen en opmerkingen. Genoemde leden verbazen zich over de discrepantie tussen het oordeel van de Minister dat «de NZa in 2012 naar behoren heeft gefunctioneerd» en het beeld dat uit verschillende artikelen over de NZa in NRC Handelsblad naar voren komt. Deze leden vragen of de Minister hierop uitgebreid kan ingaan. Dat is met name opvallend omdat er in het oordeel over het functioneren van de NZa aandacht wordt besteed aan de bedrijfsvoering waarbinnen specifiek de ICT aan de orde komt. Juist op dat punt ontstaat in de artikelen die verschenen in NRC Handelsblad een beeld dat er zeer onzorgvuldig met digitale bestanden werd omgegaan. Bestanden die vertrouwelijk behandeld moesten worden werden gedeeld op een netwerk dat voor iedere medewerker van de NZa toegankelijk was. De leden van de SP-fractie vragen de Minister hoe het kan dat zij dit niet heeft geconstateerd bij de jaarlijkse beoordeling van de NZa. Genoemde leden vragen de Minister in hoeverre en sinds wanneer de Minister op de hoogte is van de manier waarop binnen de NZa met vertrouwelijke gegevens werd omgegaan. In welk stadium heeft de Minister signalen gekregen dat de vertrouwelijkheid van documenten niet gegarandeerd was en welke actie heeft zij hierop ondernomen? Voorts vragen deze leden in het geval de Minister pas sinds (de aankondiging van) de publicatie in NRC Handelsblad op de hoogte is of zij van mening is dat zij op de hoogte had moeten zijn omdat zij de NZa jaarlijks beoordeelt en de Kamer daarover bericht. De Minister constateert dat het gezag van een belangrijke toezichthouder onder druk staat. Genoemde leden delen die conclusie maar vragen wel in hoeverre de Minister zich hiervoor mede verantwoordelijk acht. Voorts vragen de leden van de SP-fractie waarom de Minister gezien deze conclusie er niet voor heeft gekozen de directie hangende het onderzoek waartoe zij opdracht heeft gegeven vrij te stellen van werkzaamheden. Daarnaast vragen deze leden in hoeverre de Minister het huidige management in staat acht dit gezag te herstellen.

De leden van de SP-fractie constateren een verschil tussen de lezing van de Minister dat er passages uit het rapport «Marktscan medisch specialistische zorg 2013» werden aangepast op verzoek van het Ministerie van VWS en de lezing die in NRC Handelsblad wordt gegeven. In NRC Handelsblad staat te lezen dat dit op verzoek van de bestuursvoorzitter van de NZa is gebeurd omdat hij «niet met het slechte nieuws naar buiten wilde». Genoemde leden vragen de Minister op die lezing in te gaan. Deze leden vragen wat het waarheidsgehalte is van de lezing. Voorts vragen zij hoe vaak rapporten van de NZa na tussenkomst van het Ministerie van VWS worden aangepast en welke rapporten en specifiek welke passages het betreft. Kan de Minister garanderen dat het hierbij alleen gaat om het corrigeren van onjuistheden en dat zij daarbij expliciet uitsluit dat het gaat om passages die vanwege politieke redenen ongewenst zijn? Is het voorts niet wenselijk in het kader van de onafhankelijkheid van de NZa dat rapporten zonder inzage vooraf van medewerkers van het ministerie tot stand komen, zodat elke (schijn van) beïnvloeding wordt vermeden?

De Minister schrijft in haar brief van 22 april 2014 dat zij hecht aan het op tafel krijgen van alle feiten rondom het functioneren van de NZa.2 Mogen de leden van de SP-fractie daaruit de conclusie trekken dat het rapport dat door de onderzoekscommissie wordt opgesteld onverkort openbaar zal worden? Voorts vragen deze leden per lid van de commissie te motiveren op basis waarvan deze gevraagd is om lid te worden van deze commissie. Daarnaast vragen de leden van de SP-fractie hoe de Minister kan garanderen dat alle medewerkers van de NZa in alle vrijheid hun verhaal kunnen doen op verzoek van de onderzoekscommissie zonder dat zij hier nadelige effecten van ondervinden. Deze vraag komt voort uit het beeld dat wordt geschetst in de publicaties van NRC Handelsblad. Genoemde leden constateren dat hieruit een beeld voortvloeit dat er geen sprake is van een veilige omgeving waardoor werknemers mogelijk terughoudend zullen zijn om relevante zaken te melden.

Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het oordeel van de Minister over het functioneren van de Nederlandse Zorgautoriteit in 2012. De Minister concludeert dat de NZa naar behoren heeft gefunctioneerd.

De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de wijze waarop de Minister het oordeel over de NZa vormt. Afgelopen weken zijn alarmerende berichten naar buiten gekomen over het functioneren van de NZa, dat onder andere ziet op personeel, ICT en organisatie. Dat zijn juist ook de beheersmatige aspecten die de Minister in 2012 zelf nog een voldoende heeft gegeven. Hoe kan het oordeel van de Minister zo uiteenlopen met de alarmerende berichten over het functioneren van de NZa, waarnaar nu het onderzoek van de commissie Borstlap plaatsvindt?

De leden van de CDA-fractie willen graag een nadere onderbouwing waarom de Minister concludeert dat de organisatie en de uitvoering van de piofah-taken (onder andere ICT) op orde zijn. Welke inhoudelijke onderbouwing ligt daaronder? Deze leden verzoeken de Minister ditzelfde te doen op het punt van goed bestuur (de inrichting en transparantie van de governance-structuur) aangezien hierover ook alarmerende berichten verschenen zijn.

Daarnaast vinden de leden van de CDA-fractie de wijze van jaarlijkse toetsing van de Minister wel erg mager. Zij verzoeken de Minister een meer inhoudelijke jaarlijkse toets te doen, die meer is dan een papieren exercitie. Deze leden kunnen zich indenken dat de Minister ook mensen van buiten het ministerie een oordeel over het functioneren van de NZa laat vormen. Graag ontvangen genoemde leden een reactie van de Minister op dit punt. En als zij het niet met deze leden eens is, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie verbazen zich over de brief van de Minister en het oordeel dat zij daarin uitspreekt over de NZa. Deze leden vragen waarom elke vorm van kritiek op het functioneren van de NZa ontbreekt. Genoemde leden staan wel kritisch tegenover het functioneren van de NZa en hebben daarom een aantal aanvullende vragen.

De leden van de PVV-fractie vragen op welke wijze de documenten waar de Minister haar oordeel op baseert zijn gemanipuleerd. Welke zaken zijn geschrapt en welke conclusies zijn verzacht voordat de definitieve versies van deze documenten zijn gepubliceerd? Waarop baseert de Minister haar vertrouwen in deze documenten?

De Minister heeft haar oordeel onder andere gebaseerd op de bedrijfsvoering binnen de NZa, ze noemt zaken als: personeel, ICT en organisatie. Nu een 600 pagina’s dik dossier van een klokkenluider de gang van zaken binnen de NZa heeft onthuld, willen de leden van de PVV-fractie graag weten of de Minister haar oordeel over de NZa gaat herzien. Hoe kan de Minister nog volhouden dat de NZa op ICT-gebied goed heeft gefunctioneerd?

De leden van de PVV-fractie willen graag van de Minister weten of zij van oordeel is dat misstanden en veiligheidslekken binnen een organisatie als de NZa direct gemeld moeten worden. Zo ja, waarom is dit dan niet gebeurd door de NZa? Zo nee, waarom niet? De klokkenluider meldde al sinds 2011 misstanden en veiligheidslekken aan het bestuur van de NZa. Is de Minister het met deze leden eens dat het bestuur van de NZa een valse voorstelling van zaken heeft gegeven in het jaarverslag van 2012?

Deelt de Minister de mening van de leden van de PVV-fractie dat de interne organisatie van de NZa op orde moet zijn? Deelt de Minister de mening van deze leden dat dit nu niet het geval is? Zo ja, waarom wordt het bestuur niet aangepakt? Zo nee, hoelang blijft de Minister dit bestuur nog de hand boven het hoofd houden?

De klokkenluider heeft ook onthuld dat de NZa een truc heeft uitgehaald om het Oogziekenhuis Rotterdam extra subsidie te geven. Dit zou gedaan zijn onder druk van de Minister. De leden van de PVV-fractie willen hierover opheldering. Welke rol heeft de Minister hierin gespeeld en welke ambtenaren waren hierbij betrokken? Kan de Minister hierop uitgebreid ingaan?

Vragen en opmerkingen van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de berichtgeving over het (intern) disfunctioneren van de Nederlandse Zorgautoriteit. Genoemde leden hebben met ontzetting kennisgenomen van het tragische overlijden van een medewerker van de NZa en het bericht dat de NZa jarenlang zeer privacygevoelige informatie, zoals patiëntendossiers en kopieën van bankpassen en pincodes, zou hebben bewaard zonder enige beveiliging van die gegevens, en zonder dat hierop (externe) controle heeft plaatsgevonden. De leden van de D66-fractie hebben bij monde van de leden Schouw en Pia Dijkstra reeds schriftelijke vragen gesteld over deze privacyaspecten.3 Deze leden constateren dat het gezag van een belangrijke toezichthouder momenteel onder grote druk staat. Zij hebben daarom verschillende vragen naar aanleiding van het oordeel van de Minister van 13 maart 2014 dat de NZa in 2012 naar behoren functioneerde.

De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe de recente berichten over disfunctioneren zich verhouden tot haar conclusie van 13 maart 2014 dat de NZa in 2012 naar behoren heeft gefunctioneerd. Deze leden vragen of de recent ingestelde onderzoekscommissie naar het intern functioneren van de NZa ook zal kijken naar de wijze waarop het ministerie toezicht houdt op de NZa. Deze leden vragen de Minister of zij de onderzoekscommissie wil vragen of de huidige beheersmatige aspecten waarop het ministerie zich baseert (verantwoordingsinformatie, financiën, bedrijfsvoering, doeltreffendheid en doelmatigheid, goed bestuur) voldoende inzicht geven in het daadwerkelijk functioneren van de NZa en wat daaraan verbeterd kan worden. Zij vragen daarbij nadrukkelijk het belang van de werkingssfeer van de organisatie te bezien. Genoemde leden vragen ook hoe het toezicht op de andere toezichthouders is geregeld en of het ministerie naar aanleiding van de gebeurtenissen rondom de NZa het toezicht op deze toezichthouders heeft aangescherpt dan wel gaat onderzoeken.

De leden van de D66-fractie achten het van groot belang dat de onafhankelijke externe onderzoekscommissie onder leiding van de heer Borstlap nu snel en zorgvuldig haar werk kan doen, zodat zo snel mogelijk helderheid kan worden verschaft over de vele vragen rondom de handelwijze van de NZa, de privacy van patiënten en het toezicht op de NZa. Zij vragen de Minister hier zorg voor te dragen.

II. REACTIE VAN DE MINISTER

Op 2 september heb ik uw Kamer de rapporten van de onderzoekscommissie «Intern functioneren Nederlandse Zorgautoriteit» (NZa) en de vijfjaarlijkse evaluatie van de Wmg en de NZa, uitgevoerd door adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) toegezonden samen met een eerste reactie (Kamerstuk 25 268, nr. 87). Tevens heb ik op 9 september jl. met uw Kamer gedebatteerd over het functioneren van de NZa (Handelingen II 2013/14, nr. 106, item 19).

Hieraan voorafgaand heeft de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport eerder een aantal vragen gesteld over mijn brief van 13 maart 2014 inzake het functioneren van de NZa in 2012 (Kamerstuk 25 268, nr. 80).

Daarnaast zijn er vanaf begin april op verschillende momenten door verschillende fracties vragen gesteld naar aanleiding van berichtgeving over de NZa in de media (2014Z06732, 2014Z06807, 2014Z07269, 2014Z07270). Tevens hebben verschillende fracties op 30 april jl. vragen gesteld in reactie op de uitnodiging die ik in mijn brief van 22 april jl. aan de vaste Kamercommissie heb gedaan om eventuele aanvullende vragen aan de onderzoekscommissie aan mij door te geven.

Al deze vragen heb ik doorgeleid aan de commissie. In bijlage 11 van haar rapport geeft de commissie aan welke vragen zij waar in het rapport heeft beantwoord.

Een aantal vragen heeft de commissie niet beantwoord. Met het verzenden van de twee genoemde rapporten en mijn eerste reactie daarop zijn veel van de bovengenoemde vragen reeds beantwoord. Een aantal vragen zal ik meenemen in mijn uitgebreide reactie op de beide rapporten. De overige vragen beantwoord ik in deze brief.

Tot slot voldoe ik met deze brief ook aan de toezegging die ik tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel «Verbod verticale integratie» op 19 juni jl. heb gedaan om uw Kamer een overzicht te geven van de wijze waarop ik invloed uitoefen op de hoeveelheid geld dat de NZa ontvangt (Handelingen II 2013/14, nr. 96, items 3 en 6).

II. Antwoorden

Oordeel functioneren NZa voor 2012 in relatie tot mediaberichten

De leden van zowel de fractie van de PvdA, SP, CDA, PVV en D66 vragen wat het oordeel van de Minister over het functioneren van de NZa in 2012 waard is gezien de berichtgeving in de media cq hoe de discrepantie tussen het oordeel van de Minister en het beeld uit de media tot stand is gekomen. De leden van de fractie van de PvdA en de PVV vragen ook of de Minister nog steeds achter het oordeel staat dat de NZa goed heeft gefunctioneerd in 2012. Tevens vragen leden van de fractie van de PvdA, de SP en de CDA hoe de Minister tot het oordeel is gekomen. De leden van de PvdA fractie vragen de Minister of zij van mening is dat zij genoeg kennis heeft van de NZa, het doen en laten van de NZa en het functioneren van deze organisatie, om daarover een valide oordeel te vellen? De leden van de fractie van de PvdA en de CDA vragen of de Minister voornemens is dit toezicht in de toekomst anders, meer inhoudelijk in te vullen?

Ik heb mijn oordeel over het functioneren van de NZa voor het jaar 2012 gebaseerd op het jaarplan 2012, het jaarverslag met als bijlage «stand van de zorgmarkten 2012 en de ervaringen uit de bestuurlijke en ambtelijke contacten. Conform artikel 19 van de Kaderwet zbo’s ziet de NZa zelf toe op de kwaliteit van de uitvoering van zijn taken en doet de NZa zelfstandig verslag van de uitvoering van deze taken.

Op 2 september jl. heb ik uw Kamer de rapporten van de commissie Borstlap en de evaluatie van de Wmg en de NZa toegestuurd samen met een eerste reactie. In deze eerste reactie heb ik aangegeven dat ik de NZa heb gevraagd om voor 1 december met actieplannen te komen op het gebied van personeelsbeleid, ICT-beleid en declaratiebeleid. Met het verzoek om deze actieplannen geef ik aan dat op deze terreinen de NZa momenteel onvoldoende functioneert. Met de actieplannen dient de NZa daarin verbetering te laten zien.

AEF heeft in de evaluatie Wmg en NZa geconstateerd dat de criteria die VWS jaarlijks gebruikt om het functioneren van de NZa in bedrijfsmatig-organisatorische zin te beoordelen, nogal abstract zijn en niet zijn vertaald naar concrete prestatie-indicatoren. AEF concludeert dat hierdoor de beoordeling een «hoog over» beeld oplevert van het functioneren van de NZa en dat de informatieve waarde hiervan beperkt is. AEF adviseert de criteria die gehanteerd worden voor de jaarlijkse beoordeling nader te concretiseren. In mijn uitgebreide reactie zal ik hier nader op ingaan.

In het hiernavolgende worden de vragen verder per fractie behandeld.

Inbreng van de VVD-fractie

De leden van de VVD fractie vragen naar de verhouding tussen het door de Minister geïnitieerde brede onderzoek naar het functioneren van de NZa en de evaluatie van de NZa die eveneens dit jaar plaatsvindt. Deze leden vragen ook op welke manier eventuele bevindingen uit het onderzoek van de commissie Borstlap meegenomen kunnen worden in de evaluatie.

Op 2 september jl. heb ik uw Kamer de rapporten van de commissie Borstlap en het rapport van de evaluatie van de Wmg en de NZa doen toekomen. Ten tijde van het onderzoek van de commissie Borstlap liep tevens de evaluatie conform de wettelijke vereisten van de Wmg en de NZa uitgevoerd door onderzoeksbureau AEF. Beide onderzoeken zijn volledig onafhankelijk van elkaar uitgevoerd, maar er zijn wel afspraken gemaakt over de focus van beide onderzoeken voor het onderwerp interne organisatie van de NZa.

Inbreng van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA fractie vragen waarom dit oordeel niet eerder is verschenen zodat er eerder gereflecteerd kon worden op het functioneren van de NZa in 2012 en in hoeverre de Minister van mening is dat dit late oordeel afbreuk doet aan de zeggingskracht van dit oordeel? De leden van de PvdA fractie vragen wanneer zij het oordeel over het functioneren van de NZa in 2013 tegemoet kunnen zien?

Ik span mij er voor in om mijn beoordeling van het jaarlijks functioneren van de NZa na ontvangst van de benodigde documenten steeds zo snel mogelijk naar uw Kamer te sturen. De beoordeling van het functioneren van de NZa in het jaar 2012 is op 13 maart 2014 naar uw Kamer gestuurd. De inhoud van de beoordeling blijft bij een sneller oordeel gelijk, maar de tijdigheid waarop kan worden bijgestuurd neemt toe. Wel kan ik pas oordelen als ik alle stukken tot mijn beschikking heb. Ik zal nagaan of hier in enige versnelling is aan te brengen. Zoals ook in mijn brief van 13 maart jl. (Kamerstuk 25 268, nr. 80) vermeld zal mijn oordeel over het functioneren van de NZa in 2013 worden meegenomen in de beleidsreactie op deze evaluatie.

De leden van de PvdA fractie zouden graag op het specifieke aspect van de doeltreffendheid en doelmatigheid een uitgebreider oordeel van de Minister willen zien met daarin aangegeven hoe de doeltreffendheid en doelmatigheid van de NZa voor de komende jaren kunnen worden vergroot.

Met de leden van de PvdA ben ik het eens dat het belangrijk is regelmatig stil te staan bij bredere onderwerpen, waaronder de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de NZa. Hiertoe heeft dit jaar de vijfjaarlijkse evaluatie van de NZa plaatsgevonden, waarin uitgebreid wordt ingegaan op de verschillende aspecten van het functioneren van de NZa. Ik heb u de evaluatie van de Wmg en de NZa op 2 september jl. toegezonden en ik zal in mijn uitgebreide reactie hier nader op ingaan.

De leden van de PvdA fractie vragen hoe de verschillen tussen de voorspelling en verantwoording van de NZa in de marktscan 2012 en de feiten te verklaren zijn. Daarnaast vragen de leden welke lessen de Minister uit deze constatering trekt.

Ik veronderstel dat u hier verwijst naar de marktscan mondzorg die de NZa in 2012 heeft gepubliceerd. Na beëindiging van het experiment met de vrije prijsvorming in de mondzorg, heeft de Associatie Nederlandse Tandartsen (ANT) aan bureau Milliman de opdracht gegeven om een analyse te maken van de prijsontwikkeling tijdens het experiment. Voornaamste bevinding is dat, volgens Milliman, de prijzen met 3,2% zijn gestegen in plaats van de 9,6% die de NZa berekent. De ANT concludeert hieruit dat er geen feitelijk prijseffect is geweest anders dan de reguliere prijsindexatie.

Ik heb direct na het verschijnen van het Milliman-rapport de NZa om commentaar gevraagd. De NZa heeft de volgende verklaring gegeven voor de verschillen die het Milliman rapport benoemt:

  • De NZa meldde dat Milliman slechts 5 prestaties heeft vergeleken tegen 26 van de NZa. Milliman heeft meer prestaties onderzocht maar uiteindelijk om technische redenen niet meegenomen, omdat ze volgens bureau Milliman niet vergelijkbaar waren. Om dit te ondervangen heeft de NZa een conversiemethodiek ontwikkeld waardoor de nieuwe met de oude prijzen konden worden vergeleken.

  • Bij de invoering van de vrije prijsvorming waren alle partijen het ermee eens dat er een compacte en patiëntvriendelijke prestatielijst zou moeten worden gebruikt tijdens het vrije prijzenexperiment. De transparantie voor consumenten was ook één van de voorwaarden voor het experiment. Dit hield in dat er prestaties samengevoegd moesten worden.

  • De NZa had de opdracht om de werkelijke prijseffecten te onderzoeken. Daarbij volstaat volgens de NZa niet een vergelijking van vijf prestaties waarbij veelkomende verrichtingen (vullingen) niet voorkomen. Dat creëert een scheef beeld.

  • Het kwantitatieve deel van het onderzoek van Milliman is daarnaast gebaseerd op een dataset van slechts één factoringmaatschappij, terwijl de NZa gegevens gebruikt heeft van alle factoringmaatschappijen én van verzekeraars. Ook dit verschil in methodiek heeft geleid tot afwijkende bevindingen door het bureau Milliman.

Deze analyses zijn een belangrijke taak van de NZa die zij in onafhankelijkheid uitvoert.

De leden van de PvdA fractie vragen hoe de rapportages van de marktscan tot stand komen en wat dit zegt over de kwaliteit van deze rapportages.

In de rapportages zelf verantwoordt de NZa hoe haar marktscans tot stand komen. Zo geeft de NZa aan dat zij aan de hand van diverse indicatoren een globaal beeld schetst van de markt. Deze indicatoren hebben betrekking op de marktstructuur, het marktgedrag, de marktuitkomsten en de mate van (in)transparantie. Voor het overige verwijs ik naar het rapport van de commissie Borstlap.

De leden van de PvdA fractie vragen hoe de NZa toezicht op de verzekeraars uitoefent en welke eisen zij voor zichzelf hieromtrent stelt.

De NZa houdt krachtens artikel 16 van de Wmg toezicht op de rechtmatige uitvoering van de Zvw door zorgverzekeraars en op de doel- en rechtmatige uitvoering van de AWBZ door AWBZ-verzekeraars. Hoe ze dat precies doet, heeft de NZa in Informatiemodellen en controleprotocollen vastgelegd, die ook op de website van de NZa staan. De NZa rapporteert daar jaarlijks over aan mij en aan het zorginstituut Nederland. De samenvattende rapporten rechtmatige uitvoering Zvw en AWBZ zijn openbaar en stuur ik jaarlijks naar de Kamer. De auditdienstrijk beoordeelt elk jaar het functioneren van de NZa als toezichthouder op de uitvoering van de Zvw en AWBZ door de zorgverzekeraar. Zij concludeerde over de jaren 2012 (en 2013) dat het toezicht toereikend was.

De leden van de PvdA fractie vragen hoe de NZa oordeelt over de wijze waarop zorgverzekeraars duidelijk communiceren naar de patiënt.

Transparante informatie voor consumenten is een belangrijke pijler van het zorgstelsel. Artikel 40 van de Wmg, waarin de vereisten ten aanzien van de informatievoorziening door verzekeraars zijn opgenomen, vormt de basis voor het transparantietoezicht op verzekeraars door de NZa. De NZa controleert jaarlijks de informatieverstrekking van zorgverzekeraars aan consumenten op de eisen die zij heeft opgenomen in de beleidsregel informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars en volmachten.

Verder maakt de NZa bij de uitvoering van haar toezichtstaken gebruik van monitors om een stand van zaken weer te geven rondom een bepaald onderwerp. Ook voor transparantie in de zorg voert de NZa monitors uit om te bepalen of de informatievoorziening van zorgaanbieders, zorgverleners en verzekeraars aansluiten bij de informatiebehoeften van de burgers. Met de bevindingen uit deze monitors stelt de NZa prioriteiten bij de uitvoering van haar toezichtstaken op het gebied van transparantie. Daarnaast kunnen zorgverleners, zorgverzekeraars en beleidsmakers op basis van deze monitors de beschikbare informatie nog beter laten aansluiten op de daadwerkelijke behoefte van consumenten.

Uit de evaluatie van de Wmg en de NZa blijkt dat de NZa met name heeft ingezet op het nastreven van transparantie rond zorginkoop, zorgnota’s, prestaties en polissen. Deze prioritering volgt ten dele uit de wens van consumenten, die door NZa zijn bevraagd over hun behoefte aan informatie over zorg. De resultaten van deze bevraging heeft de NZa gepubliceerd in de «monitor transparantie voor consumenten».

Met het oog op de informatievoorziening door verzekeraars voorziet het wetsvoorstel «Wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van toezicht, opsporing, naleving en handhaving» (Kamerstuk 33 980, nr. 2) erin dat de NZa de bevoegdheid krijgt verzekeraars te verplichten tot het verstrekken aan hun verzekerden van een volledig, juist, inzichtelijk, begrijpelijk en controleerbaar overzicht van declaraties, betalingen en vergoedingen. De NZa kan die verplichting vervolgens ook bestuursrechtelijk handhaven.

De leden van de PvdA fractie merken op dat de NZa in «Van fabels naar feiten, stand van de zorgmarkten 2012» niet ingaat op de wijze waarop ze de transparantie bij zorgverzekeraars en zorgaanbieders richting verzekerden en patiënten heeft afgedwongen. De leden vragen of de Minister van mening is dat de NZa op dit punt tekort schiet?

In «Van fabels naar feiten» wordt door de NZa aangegeven dat zij transparantievoorschriften opstelt voor aanbieders en verzekeraars en dat de NZa vervolgens controleert of partijen zich aan die voorschriften houden. In 2012 lag de prioriteit bij deze controle op de zorgsectoren waar vrije tarieven waren ingevoerd, zoals de mondzorg en de farmaceutische zorg. Zo hebben tandartsen een brief ontvangen om de transparantie omtrent de tarieven op hun website te verbeteren en zijn drie verzekeraars aangesproken op de transparantie omtrent vergoedingen van mondzorg. Dit heeft tot aanpassingen door de aanbieders en verzekeraars geleid.

Daarnaast heeft de NZa mij 14 februari jl. geïnformeerd over de uitkomsten van de monitor «transparantie voor consumenten».4 De monitor gaat in op de informatiebehoefte en het zoekgedrag van consumenten met betrekking tot financiële aspecten in de curatieve zorg. Op basis van deze uitkomsten heeft de NZa mij gemeld op welke terreinen zij haar transparantietoezicht gaat verscherpen. De NZa geeft aan dat zij haar toezicht de komende periode, bovenop haar reguliere toezicht op transparantie, met name richt op de randvoorwaarden om deze informatieverstrekking waar nodig te verbeteren:

  • 1. Inzichtelijke passantentarieven van aanbieders van medisch specialistische zorg, zodat patiënten inzicht hebben in de kosten wanneer zij buiten gecontracteerd aanbod zorg afnemen;

  • 2. Heldere kostenoverzichten van aanbieders van medisch specialistische zorg en GGZ richting de zorgverzekeraars, op basis waarvan de zorgverzekeraar zijn verzekerden kan informeren;

  • 3. Goede kwaliteit van vergelijkingssites van zorgverzekeringen

Uit de recent uitgevoerde evaluatie van de Wmg en de NZa komt naar voren dat de NZa voldoende instrumenten heeft om transparantie binnen de zorgmarkten slagvaardig na te streven. De evaluatie laat ook zien dat in de toepassing van dit instrumentarium de NZa in de evaluatieperiode echter slechts beperkt en pas zeer recent uitvoering heeft gegeven aan het verbeteren van kwaliteitstransparantie.

Daarnaast verwijs ik naar het eerder genoemde wetsvoorstel «Wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van toezicht, opsporing, naleving en handhaving» dat momenteel in de Tweede Kamer ligt.

De leden van de PvdA fractie vragen waarom in het Verantwoordingsdocument Jaarverslag NZa 2012 slechts in algemene termen is aangegeven welke signalen over ongewenste situaties in de zorg in 2012 zijn binnengekomen bij de NZa en waarom niet gekozen is voor een meer uitgebreide toelichting? Ook vragen zij zich af waarom er niet wordt ingegaan op de acties die zijn ondernomen op deze signalen?

In het Verantwoordingsdocument Jaarverslag NZa 2012 verwijst de NZa naar een apart jaarverslag signaaltoezicht 20125. Hierin gaat de NZa meer in op de signalen die zijn binnengekomen en de acties die de NZa heeft ondernomen op grond van de signalen. De NZa houdt probleemgericht toezicht. Dat betekent dat alle signalen worden meegenomen als input, maar dat niet op ieder signaal actie wordt ondernomen. De NZa zet haar capaciteit in op de onderwerpen waar zij de grootste risico’s ziet.

De leden van de PvdA fractie willen graag weten hoe signalen over ongewenste situaties uit een eerder jaar gebruikt worden bij de vormgeving van het toezicht in een later jaar. Genoemde leden vragen ook in hoeverre dezelfde klachten in opeenvolgende jaren zijn gehoord, hoe de toezichthouder hiertegen is opgetreden, welk effect dit heeft gehad en hoe dit van invloed is geweest op de herhaling van soortgelijke klachten in een volgend jaar.

Parallel aan het opstellen van de begroting voor het volgende jaar stelt de NZa prioriteiten voor haar toezicht vast. Dit gebeurt aan de hand van risicoanalyses van de NZa zelf, maar bijvoorbeeld ook van verzekeraars en de in het jaar ervoor gekregen signalen. Wanneer bepaalde klachten veelvuldig voorkomen is de kans groter dat deze geprioriteerd worden. Voor verdere informatie verwijs ik naar het Verantwoordingsdocument jaarverslag 2012 en het jaarverslag signaaltoezicht 2012.

De leden van de PvdA fractie vragen of de verschillende signalen die de NZa ontvangt ook gebruikt worden bij de vaststelling van de toezichtsprioriteiten van de NZa. De leden vragen waar zij deze toezichtsprioriteiten terug kunnen vinden en waarom deze niet is opgenomen in het Verantwoordingsdocument jaarverslag NZa 2012.

Zoals hiervoor is aangegeven, spelen signalen een belangrijke rol in de bepaling van de toezichtsprioriteiten, zowel voor het aankomende jaar als in het lopende jaar indien er bijzonder prangende zaken spelen. In de jaarlijkse «Stand van de Zorgmarkten» geeft de NZa globaal aan wat de prioriteiten in het toezicht voor het komende jaar zijn. De NZa maakt haar toezichtsprioriteiten niet in detail bekend om strategisch gedrag bij de ondertoezichtgestelden te voorkomen.

De leden van de PvdA fractie vragen wat de waarde is van rapportages zoals het Verantwoordingsdocument jaarverslag NZa 2012 en hoe zij het oordeel hierover dienen uit te leggen.

Conform artikel 19 van de Kaderwet zbo’s ziet de NZa zelf toe op de kwaliteit van de uitvoering van zijn taken en doet de NZa zelfstandig verslag van de uitvoering van deze taken. AEF heeft in de evaluatie van de Wmg en de NZa ook gekeken naar de jaarlijkse beoordeling van het functioneren van de NZa. AEF concludeert dat het toezicht vanuit het Ministerie van VWS op het bedrijfsmatig functioneren van de NZa beperkt is. In mijn uitgebreide reactie zal ik hierop nader ingaan.

De leden van de PvdA fractie constateren dat ondanks signalen dat risicoselectie door zorgverzekeraars wel plaatsvindt de NZa niet rapporteert over de wijze waarop ze daarop heeft toegezien. De leden van de PvdA fractie geven ook aan dat de NZa alleen lijkt te kijken naar de strikt verboden vormen van risicoselectie, terwijl een breder perspectief op zou opleveren dat ook niet verboden maar wel onwenselijke vormen van risicoselectie plaatsvinden. De leden van de PvdA fractie vragen of de Minister met de genoemde leden van mening is dat een breder perspectief en signalering hiervan toezicht zou verbeteren? De leden van de PvdA fractie vragen de Minister wanneer de NZa kan rapporteren over deze signalen in brede zin die wijzen op risicoselectie?

Met de leden van de PvdA ben ik van mening dat het belangrijk is dat niet alleen wordt gekeken naar strikt verboden vormen van risicoselectie, maar ook naar onwenselijke vormen. In het jaarverslag van 2012 geeft de NZa aan dat sinds 2012 ook een vermoeden van een ongewenste situatie kan leiden tot activiteiten door de NZa. Daarmee geeft de NZa aan dat zij reeds een breder perspectief hanteren. Zoals ook in het 30 ledendebat van 17 april jl. over risicoselectie aan uw Kamer toegezegd, heb ik de NZa gevraagd in de volgende marktscans expliciet aandacht te schenken aan vormen van indirecte risicoselectie – naast directe vormen – en hierbij de verbinding te maken met marketing van verzekeraars en/of geconstateerd marktgedrag (gericht op gezonde mensen)(Handelingen II 2013/14, nr. 77, item 10). De NZa heeft dit voorjaar een verdiepend onderzoek naar de acceptatieplicht uitgebracht. Hierin constateert de NZa dat de acceptatieplicht niet is overtreden. Zoals ik in mijn reactie op dit rapport, die ik op 17 mei jl. naar uw Kamer heb gestuurd, aangeef, is dat positief. Het betekent immers dat de toegankelijkheid van zorg in ons zorgstelsel goed geborgd is. Dat moet zo blijven. Het is belangrijk om de manieren waarop zorgverzekeraars sturen nauwlettend te volgen, en daarbij telkens de vraag te stellen: kan deze vorm van sturing een risico vormen voor de toegankelijkheid en solidariteit in ons zorgstelsel? Ik sta achter de acties die de NZa inzet en zal de voortgang daarvan monitoren.

De leden van de PvdA fractie vragen de Minister in hoeverre organisaties, zorgaanbieders en burgers de NZa weten te vinden met klachten, signalen en wensen. De leden van deze fractie vragen hoe de Minister verklaart dat uit het verantwoordingsdocument jaarverslag NZa 2012 naar voren komt dat slechts weinigen de NZa weten te vinden en hoe wenselijk zij dit acht.

Zoals de NZa aangeeft in haar jaarverslag 2012 heeft de NZa in 2012 de opzet van haar signaaltoezicht gewijzigd. De NZa stimuleert actief om casuïstiek te melden. In het jaarverslag 2012 geeft de NZa een overzicht van het aantal meldingen dat zij heeft ontvangen. Hieruit blijkt dat steeds meer mensen de NZa weten te vinden en dat er ook sprake is van een stijgend aantal meldingen. Gezien het belang van signalen van burgers, zorgaanbieders en verzekeraars voor het toezicht van de NZa, vind ik dit een goede ontwikkeling.

De leden van de PvdA fractie vragen of de Minister met hen van mening is dat de NZa verder acties dient te ondernemen om de NZa herkenbaar, dienstbaar en doortastend te maken wil zij haar missie waarmaken en zo goed mogelijk de belangen van de consument dienen?

Uit het jaarverslag 2012 van de NZa blijkt dat de herkenbaarheid en toegankelijkheid voor burgers, aanbieders en verzekeraars om signalen te melden een continu aandachtspunt is. In de evaluatie van de Wmg en de NZa wordt ingegaan op de vraag in hoeverre de NZa voldoet aan haar missie en of de NZa voldoende effectief is in haar taakuitoefening. Bij deze evaluatie zijn veldpartijen (brancheorganisaties, zorgaanbieders en verzekeraars), andere toezichthouders en experts betrokken. In mijn uitgebreide reactie zal ik op dit punt nader ingaan.

De leden van de PvdA fractie vragen hoe het staat met de uitvoering van de motie betreffende een overzicht van de instrumenten die de NZa en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) ter beschikking staan in het kader van het toezicht op de uitvoering van de zorgverzekeringswet en de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)?

Het eerste deel van de motie heb ik in december 2013 uitgevoerd bij het toesturen van de Tweede voortgangsrapportage aanpak fraude in de zorg (Kamerstuk 28 828, nr. 54) aan uw Kamer. Hierbij heb ik in bijlage 1 een overzicht aangeboden van het wettelijke instrumentarium dat de NZa en ACM tot hun beschikking hebben in het kader van het toezicht op de uitvoering van de Zvw en de Wmg. Het tweede deel van de motie heb ik op 10 juli jl. in een aparte brief aan uw Kamer beantwoord (Kamerstuk 28 828, nr. 71).

De leden van de PvdA fractie vragen waar uit blijkt dat de NZa verdere stappen heeft gezet in een transitie van regulering naar toezicht. Hoe is dit te zien in de organisatiestructuur en welk effect is bereikt? Tevens vragen de leden van de PvdA fractie wanneer deze transitie is afgerond?

Met ingang van 2013 zijn extra capaciteit en middelen beschikbaar gesteld voor intensivering van uitvoerings- en nalevingstoezicht. Ook in 2014 zet ik in op een verdere versterking van het toezicht. Daarom heb ik ook voor dit jaar aan de NZa gevraagd om meer capaciteit in te zetten voor toezicht en heb ik specifiek voor de bestrijding van fraude extra middelen aan de NZa beschikbaar gesteld. Deze ingezette transitie heeft niet tot een aanpassing van de organisatiestructuur geleid.

In de evaluatie Wmg en NZa is uitgebreid gekeken naar de wijze waarop de NZa haar toezichtstaken heeft uitgevoerd in de afgelopen 5 jaar. Ik zal dit adresseren in mijn uitgebreide reactie.

De leden van de PvdA fractie zouden graag een gedetailleerd overzicht krijgen van de rolverdeling tussen de NZa en het Ministerie van VWS. De leden zouden daarbij helder aangegeven willen hebben op welke wijze het ministerie en de NZa contacten onderhouden, tot hoever deze contacten mogen gaan en hoe over deze contacten verslag wordt gedaan en verantwoording wordt afgelegd. De leden van de PvdA fractie vragen ook of de Minister eenduidig kan aangeven hoe het toezicht op de NZa is vormgegeven, voor welke zaken de Minister wel verantwoordelijk is en voor welke zaken niet? De leden van de PvdA fractie vragen in hoeverre de Minister gedurende het jaar zicht heeft op de acties van de NZa, hoe zij gedurende het jaar toezicht houdt en waaruit dat blijkt.

De leden van de PvdA fractie willen ook weten hoe wordt gewaakt voor rolvervaging tussen het ministerie en de NZa en hoe de positie van de NZa als onafhankelijk toezichthouder zowel ten opzichte van zorgaanbieders als het ministerie wordt geborgd. De leden van de fractie willen graag weten hoe de Minister tegenover deze eventuele rolvervaging staat en hoe zij deze tegengaat in de relatie tussen het ministerie en de NZa en hoe zij de leden kan gerust stellen dat er geen onoorbare vermenging van rollen bestaat tussen het Ministerie van VWS en de NZa.

Zowel de commissie Borstlap als AEF zijn in hun rapport ingegaan op de relatie tussen VWS en de NZa. Het belang van rolvastheid, zowel aan de kant van NZa als ook aan de kant VWS wordt in beide rapporten benadrukt.

AEF geeft ook aan dat de verschillende rollen die nu verenigd zijn binnen de NZa (toezicht, markttoezicht en regulering) ieder vragen om een andere (sturings-)relatie tussen VWS en de NZa. Ik onderken dit. Met name in de rol van (markt)toezichthouder is het essentieel dat de NZa onafhankelijk kan opereren. In mijn uitgebreide reactie zal ik hier nader op ingaan.

De leden van de PvdA fractie vragen of de NZa in het licht van de recente berichtgeving niet doorgelicht zou moeten worden door een onafhankelijke partij, zoals dat momenteel reeds gebeurt voor de financiële verantwoording. Deze leden van de fractie vragen of de Minister de mening deelt dat een dergelijk onafhankelijke audit niet alleen kan dienen om eventuele misstanden aan het licht te brengen, maar dat deze ook bijdraagt aan het terugwinnen van het vertrouwen in de NZa? De leden van de PvdA fractie vragen hoe de Minister staat tegenover onafhankelijke audits op de onderdelen waar de NZa momenteel onder vuur ligt?

De commissie Borstlap beveelt in haar rapport aan om een auditcommittee voor de interne bedrijfsvoering en financiële verantwoording in te stellen. Ook AEF heeft een vergelijkbare aanbeveling gedaan. In mijn eerste reactie heb ik aangegeven dat ik in mijn uitgebreide reactie terugkom op de aanbevelingen die de commissie en AEF doen, maar dat ik het instellen van een auditcommittee een goed idee vind.

Inbreng van de SP-fractie

De leden van de SP fractie vragen de Minister in hoeverre en sinds wanneer de Minister op de hoogte is van de manier waarop binnen de NZa met vertrouwelijke gegevens werd omgegaan. Deze leden vragen ook in welk stadium de Minister signalen heeft gekregen dat de vertrouwelijkheid van documenten niet gegarandeerd was en welke actie zij hierop heeft ondernomen?

Zodra de berichten over eventuele problemen bij de NZa mij bereikten, heb ik een onafhankelijk onderzoekscommissie onder leiding van de heer Borstlap ingesteld. Onderdeel van dit onderzoek was de borging van ICT-veiligheid en de vertrouwelijkheid van dossiers bij de NZa en de beoordeling van de inmiddels door de NZa getroffen maatregelen. De commissie Borstlap heeft naar aanleiding van haar onderzoek onder andere geconcludeerd dat er op het gebied van ICT noodzakelijke verbeteringen moeten plaatsvinden. De NZa is na de zorgwekkende berichten direct aan de slag gegaan en heeft maatregelen getroffen en verbeteringen doorgevoerd. Daarnaast heb ik de NZa gevraagd om voor 1 december met een robuust actieplan te komen.

De leden van de SP fractie vragen aan de Minister in het geval dat de Minister pas sinds (de aankondiging van) de publicatie in NRC handelsblad op de hoogte is of dat zij van mening is dat zij op de hoogte had moeten zijn, omdat zij de NZa jaarlijks beoordeelt en de Kamer daarover bericht.

Ik ben op 8 april jl. door de voorzitter van Raad van Bestuur NZa mondeling geïnformeerd over de situatie. Zoals ik ook in het debat van 9 september jl. heb aangegeven vind ik dit niet goed. Zodra de berichten over eventuele problemen bij de NZa mij bereikten, heb ik een onafhankelijk onderzoek ingesteld.

De leden van de SP fractie vragen de Minister in hoeverre zij zich verantwoordelijk acht voor het feit dat het gezag van een belangrijke toezichthouder onder druk staat.

Ik vind het belangrijk dat het vertrouwen in de NZa, dat onder druk is komen te staan, zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Dat is de reden dat ik ook, zodra de situatie mij ter ore kwam, opdracht heb gegeven voor een onafhankelijk onderzoek. De NZa is na de zorgwekkende berichten zelf aan de slag gegaan met een verbetertraject. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek van de commissie heb ik de NZa gevraagd om te komen met robuuste actieplannen op het gebied van onder andere personeelsbeleid en ICT-beleid. Daarnaast zal ik mij ook beraden op de aanbevelingen in het rapport. Dit doe ik in samenhang met de evaluatie van de Wmg en de NZa. Ik zal hier in mijn uitgebreide reactie op terugkomen.

De leden van de SP fractie vragen de Minister waarom zij gezien de conclusie dat het gezag van een belangrijke toezichthouder onder druk staat er niet voor heeft gekozen om de directie hangende het onderzoek vrij te stellen van werkzaamheden. Tevens vragen deze leden in hoeverre de Minister het huidige management in staat acht dit gezag te herstellen.

Hierover is in het debat van 9 september jl. uitgebreid van gedachten gewisseld. Ik heb u per brief op 17 juni jl. laten weten dat de toenmalige leden van de Raad van Bestuur van de NZa besloten hebben hun functie ter beschikking te stellen (Kamerstuk 25 268, nr. 84).

De leden van de SP fractie vragen de Minister om in te gaan op de lezing dat de marktscan op verzoek van de voorzitter van de raad van bestuur van de NZa is aangepast. Deze leden vragen ook naar het waarheidsgehalte van deze lezing

Op 2 september jl. heb ik u het rapport van de commissie Borstlap toegestuurd. Ik verwijs u naar het rapport van de commissie voor een uitgebreide uiteenzetting van deze casus.

De leden van de SP fractie vragen hoe vaak rapporten van de NZa na tussenkomst van het Ministerie van VWS worden aangepast en welke rapporten en specifieke passages het betreft. Deze leden vragen ook of de Minister kan garanderen dat het hierbij alleen gaat om het corrigeren van onjuistheden en dat zij daarbij expliciet uitsluit dat het gaat om passages die vanwege politieke redenen ongewenst zijn?

De leden van de SP fractie vragen ook of het in het kader van de onafhankelijkheid van de NZa niet wenselijk is dat rapporten zonder inzage vooraf van medewerkers van het ministerie tot stand komen, zodat (elke schijn van) beïnvloeding wordt vermeden?

De commissie Borstlap heeft in haar onderzoek specifiek gekeken naar de situatie rondom het rapport van de marktscan medisch specialistische zorg. Ik verwijs u daarom naar het rapport van de commissie dat ik uw Kamer 2 september jl. heb toegestuurd en mijn eerste reactie. Daarnaast verwijs ik naar het debat van 9 september jl. In mijn uitgebreide reactie zal ik uitgebreider ingaan op de bevindingen en aanbevelingen van de commissie.

De leden van de SP fractie vragen of zij naar aanleiding van de brief van de Minister van 22 april jl. de conclusie mogen trekken dat het rapport van de onderzoekscommissie onverkort openbaar wordt?

U heeft op 2 september jl. het rapport van mij ontvangen.

De leden van de SP fractie vragen per lid van de commissie te motiveren op basis waarvan deze gevraagd is om lid te worden van deze commissie.

De leden van de commissie zijn gevraagd vanwege hun specifieke kennis. Zo heeft de heer Borstlap geruime ervaring bij onafhankelijke onderzoekscommissies, heeft de heer Smits specifieke kennis op het gebied van ICT en informatiebeveiliging, en heeft mevrouw van der Meer-Mohr ruime ervaring op het gebied van personeelsaangelegenheden.

De leden van de SP fractie vragen hoe de Minister kan garanderen dat alle medewerkers van de NZa in alle vrijheid hun verhaal kunnen doen op verzoek van de onderzoekscommissie zonder dat zij hier nadelige effecten van ondervinden.

Ik verwijs u hiervoor naar de verantwoording die de commissie Borstlap heeft gegeven in haar rapport.

Inbreng CDA-Fractie

De leden van de CDA fractie kunnen zich indenken dat de Minister ook mensen van buiten het ministerie een oordeel over het functioneren van de NZa laat vormen. Graag ontvangen genoemde leden een reactie van de Minister op dit punt. En als zij het niet met deze leden eens is, waarom niet?

De commissie Borstlap beveelt in haar rapport aan om een auditcommittee voor de interne bedrijfsvoering en financiële verantwoording in te stellen. Ook AEF heeft een vergelijkbare aanbeveling gedaan. In mijn eerste reactie heb ik aangegeven dat ik in mijn uitgebreide reactie terugkom op de aanbevelingen die de commissie en AEF doen, maar dat ik het instellen van een auditcommittee een goed idee vind.

Inbreng van de PVV-fractie

De leden van de PVV fractie vragen op welke wijze de documenten waar de Minister haar oordeel op baseert zijn gemanipuleerd. Welke zaken geschrapt zijn en welke conclusies zijn verzacht voordat de definitieve versies van deze documenten zijn gepubliceerd? Deze leden vragen voorts aan de Minister waarop zij haar vertrouwen in deze documenten op baseert?

Op basis van artikel 18 en 19 van de Kaderwet zbo’s is de NZa eigenstandig verantwoordelijk om verslag te doen van haar taakuitoefening en het gevoerde beleid. Bij de jaarrekening voegt de NZa ook een accountantsverklaring. Ik laat mij adviseren door de Auditdienst Rijk voordat ik de jaarrekening goedkeur.

De leden van de PVV fractie willen graag van de Minister weten of zij van oordeel is dat misstanden en veiligheidslekken binnen een organisatie als de NZa direct gemeld moeten worden. Zo ja, waarom is dit dan niet gebeurd door de NZa? Zo, nee waarom niet? De leden van de PVV fractie vragen ook of de Minister het met de leden eens is dat het bestuur van de NZa een valse voorstelling van zaken heeft gegeven en in het jaarverslag van 2012?

Ik ben op 8 april jl. door de voorzitter van de Raad van Bestuur van de NZa mondeling geïnformeerd over de situatie. Zoals ik ook in het debat van 9 september jl. heb aangegeven vind ik dit veel te laat. Zodra de berichten over eventuele problemen bij de NZa mij bereikten, heb ik een onafhankelijk onderzoek ingesteld.

De leden van de PVV fractie vragen of de Minister hun mening deelt dat de interne organisatie van de NZa op orde moet zijn.

Ik ben met u van mening dat het van belang is dat de interne organisatie van de NZa op orde is.

Voorts vragen deze leden of de Minister hun mening deelt dat dit nu niet het geval is en zo ja waarom het bestuur dan niet aangepakt wordt? Zo nee dan vragen de leden van de PVV fractie hoe lang de Minister dit bestuur nog de hand boven het hoofd houden?

Ik heb u per brief op 17 juni jl. laten weten dat de toenmalige leden van de Raad van Bestuur van de NZa besloten hebben hun functie ter beschikking te stellen.

De leden van de PVV fractie vragen opheldering over de situatie rondom het oogziekenhuis. Deze leden vragen welke rol de Minister hierin gespeeld heeft en welke ambtenaren hier bij betrokken waren.

Ik verwijs u hiervoor naar het rapport van de commissie dat ik 2 september jl. naar uw Kamer heb gestuurd en mijn eerste reactie daarop. Tevens verwijs ik u naar de commissiebrief inzake feitenrelaas oogziekenhuis (Kamerstuk 31 016, nr. 79) die ik op 3 september jl. naar uw Kamer heb gestuurd.

Inbreng van de D66-fractie

De leden van de D66 fractie vragen of de recent ingestelde onderzoekscommissie ook zal kijken naar de wijze waarop het ministerie toezicht houdt op de NZa. Deze leden vragen voorts of de Minister de onderzoekscommissie wil vragen of de huidige beheersmatige aspecten waarop het ministerie zich baseert (verantwoordingsinformatie, financiën, bedrijfsvoering, doeltreffendheid en doelmatigheid, goed bestuur) voldoende inzicht geven in het daadwerkelijk functioneren van de NZa en wat daar aan verbeterd kan worden. De leden vragen daarbij nadrukkelijk het belang van de werkingssfeer van de organisatie te bezien.

AEF heeft in de evaluatie van de Wmg en de NZa gekeken naar de jaarlijkse beoordeling van het functioneren van de NZa. Ik verwijs daarom naar het rapport van AEF dat ik op 2 september jl. naar uw Kamer heb gestuurd. Ik kom rond de jaarwisseling met een nadere reactie.

De leden van de D66 fractie vragen hoe het toezicht op de andere toezichthouders is geregeld en of het ministerie naar aanleiding van de gebeurtenissen rondom de NZa het toezicht op deze toezichthouders heeft aangescherpt dan wel gaat onderzoeken

Er zijn zbo's met toezichthoudende taken zoals, NZa en CCMO. In de kaderwet zbo's en in specifieke wetgeving is hun positie geregeld.

Andere toezichthouders vallen onder volledige ministeriele verantwoordelijkheid, zoals de IGZ.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen rondom de NZa zijn de hier genoemde organisaties extra alert op aspecten als personeelsbeleid en informatiebeveiliging. Het spreekt voor zich dat VWS als kerndepartement daarover met deze partijen in gesprek gaat.

De leden van de D66 fractie vragen de Minister er zorg voor te dragen dat de onafhankelijke commissie snel en zorgvuldig haar werk kan doen.

U heeft 2 september jl. het rapport van de commissie Borstlap ontvangen.

Schriftelijke vragen die niet beantwoord zijn door de commissie Borstlap

Het lid Klever (PVV) heeft op 11 april jl. de Minister gevraagd wat haar reactie is op het bericht «Wanorde bij NZa: medische gegevens onveilig, klokkenluider genegeerd» (NRC Handelsblad 10 april 2014)

Zodra ik kennis had genomen van de situatie bij de NZa heb ik een onafhankelijke commissie onder leiding van dhr. Borstlap de opdracht gegeven onderzoek te doen naar het intern functioneren van de NZa en daarbij ook te kijken naar de wijze waarop met vertrouwelijke gegevens wordt omgegaan. Het rapport van de commissie heb ik op 2 september naar de Kamer gestuurd.

Ik heb de NZa opdracht gegeven om voor 1 december met een actieplan te komen om onder andere het ICT- en personeelsbeleid op orde te brengen.

De leden Schouw en Dijkstra (beiden D66) hebben op 14 april jl. aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gevraagd op welke wijze door het kabinet wordt gewaarborgd dat Nederlandse toezichthouders privacy gevoelige gegevens bewaren conform privacy regels en noodzakelijke beveiliging en of het kabinet aanleiding ziet deze waarborgen nu aan te scherpen?

De leden Schouw en Dijkstra (beiden D66) hebben tevens gevraagd op welke termijn zij verwachten de Kamer te kunnen informeren over de situatie rond de beveiliging van medische gegevens bij de NZa en over de maatregelen die zijn/worden getroffen om conform wet- en regelgeving de beveiliging van deze gegevens in orde te krijgen?

Het rapport van de commissie Borstlap heeft inzichtelijk gemaakt hoe de situatie was bij de NZa omtrent het ICT beleid en beveiliging van gegevens. De commissie Borstlap heeft geconcludeerd dat de regels wat betreft het ICT beleid op zich op orde waren, maar dat de toepassing in de praktijk te wensen over liet. Op basis van het rapport van de commissie Borstlap heb ik de NZa gevraagd om voor 1 december met een actieplan te komen om hun ICT-beleid op orde te maken.

Het lid Klever (PVV) heeft op 17 april jl. gevraagd aan de Minister of zij nog vertrouwen had in de NZa als onafhankelijke en onpartijdige toezichthouder.

Ik heb het volste vertrouwen dat de NZa haar taken als onafhankelijk toezichthouder uit kan voeren. Er werken daar goede mensen die precies weten wat ze moeten doen en die uitstekend hun werk doen. Nadat de leden van de Raad van Bestuur hun functies hadden neergelegd heb ik een interim-bestuurder aangesteld. Ik heb hem expliciet verzocht om continuïteit van de werkzaamheden van de NZa te waarborgen.

Het lid Klever (PVV) heeft de Minister op 18 april jl. ook gevraagd of zij de ongecensureerde versie van de marktscan per ommegaande naar de Kamer sturen?

Ik verwijs u naar het rapport van de commissie dat ik op 2 september jl. naar uw Kamer heb gestuurd.

Het lid Voortman (GroenLinks) heeft op 18 april jl. aan de Minister gevraagd of zij bekend is met het bericht «tekorten ziekenhuizen verdoezeld»? Daarnaast heeft het lid Voortman gevraagd op welke termijn de Minister verwacht dat het onderzoek van de commissie Borstlap naar het functioneren van de NZa wordt afgerond en de resultaten van het onderzoek aan de Kamer te zenden?

Ik ken het artikel. Ik heb het rapport van de commissie Borstlap op 2 september jl. naar uw Kamer gestuurd.

De Leden Klever (PVV) en Voortman (Groenlinks) hebben beiden tevens gevraagd of de Minister bereid was het bestuur van de NZa op non-actief te zetten cq disciplinaire maatregelen te treffen tegen de raad van bestuur van de NZa vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek.

Ik heb u per brief op 17 juni jl. laten weten dat de toenmalige leden van de Raad van Bestuur van de NZa besloten hebben hun functie ter beschikking te stellen.

Tot slot hebben verschillende fracties op 30 april jl. vragen gesteld in reactie op de uitnodiging die ik mijn brief van 22 april jl. aan de vaste Kamercommissie heb gedaan om eventuele aanvullende vragen aan de onderzoekscommissie aan mij door te geven. De volgende vragen zijn niet beantwoord door de commissie.

5. De Minister van VWS schrijft in haar brief van 13 maart jl. (Kamerstuk 25 268 nr. 80) «Daarnaast heeft de NZa verdere stappen gezet om een transitie te maken van regulering naar toezicht met als doel om de toezichthoudende taak vanaf 2013 verder te verstevigen.» In hoeverre is er sprake van een transitie van regulering naar toezicht? Hoe is deze vormgegeven, welk tijdspad werd daarbij gevolgd, wanneer is dit zo afgesproken? Wat betekent dit voor de mate waarin de NZa toezicht heeft gehouden vanaf 2010 tot het moment waarop kennelijk is besloten het toezicht vanaf 2013 «verder te verstevigen»? Vanaf welk moment heeft de NZa toezicht gehouden op de zorg en goed gefunctioneerd als marktmeester?

Samen met het rapport van de commissie Borstlap heb ik u ook het rapport van de evaluatie van de Wmg en de NZa toegestuurd op 2 september jl. In deze vijfjaarlijkse evaluatie is ook gekeken naar de wijze waarop de NZa haar toezichtstaak vervult. Ik zal hier op terug komen in mijn uitgebreide reactie.

9. Wanneer krijgt de Kamer het onderzoek van de commissie Borstlap?

De Kamer heeft het rapport op 2 september jl. van mij ontvangen.

17. Hoeveel personeelsleden die toegang hadden tot bedrijfsgevoelige en privacy informatie hebben de NZa verlaten in de afgelopen 5 jaar en welke hoge functies bekleden zij nu?

Ik beschik niet over deze informatie. Overigens merk ik op dat een zeer omvangrijke groep medewerkers van de NZa vanwege de aard en inhoud van hun werk toegang heeft tot bedrijfs- en privacygevoelige informatie en dat eventuele loopbaangegevens na hun vertrek van de NZa niet worden geregistreerd. Allen zijn gebonden, ook als ze geen ambtenaar meer zijn, aan de ambtelijke geheimhoudingsplicht.

41. Hoe vaak komt het voor dat rapporten op verzoek van de top van de NZa worden aangepast omdat de inhoud niet gewenst is?

De Raad van Bestuur van de NZa stelt de rapporten van de NZa vast na bespreking in de bestuursvergadering. De Raad van Bestuur is inhoudelijk verantwoordelijk en dus zullen door de hen noodzakelijk geachte wijzigingen altijd verwerkt worden in definitieve rapporten.

44. Is de Minister bereid om ook het extern functioneren van de Nederlandse Zorgautoriteit uitgebreid te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?

Dit is reeds gedaan in de evaluatie van de Wmg en de NZa. Ik heb uw Kamer dit rapport op 2 september jl. toegestuurd.

46. Is de Minister bereid de uitkomsten van de onderzoekscommissie intern functioneren van de Nederlandse Zorgautoriteit zo spoedig mogelijk aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?

47. Is de Minister bereid het onderzoeksrapport aan de Kamer te sturen? Zo ja, onder welke condities? Zo nee, waarom niet?

Voor zowel vraag 46 als 47 geldt dat ik uw Kamer het rapport van de commissie Borstlap op 2 september jl. heb toegestuurd.

48. Hoe kan het oordeel van de Minister van VWS afgelopen jaren over het functioneren van de NZa positief zijn geweest?

Ik verwijs u voor het antwoord op deze vraag naar pagina 3 van deze brief waar ik vergelijkbare vragen van de leden van zowel de fractie van de PvdA, SP, CDA, PVV en D66 gezamenlijk heb beantwoord.

50. Kan een overzicht opgesteld worden van de activiteiten van de afdeling toezicht en handhaving in de periode 2010–2014, in vergelijking met de situatie in de CTG/CTZ periode?

De NZa rapporteert jaarlijks over haar uitgevoerde activiteiten. Deze rapportages zijn ook beschikbaar via de website van de NZa. De evaluatie van de Wmg en de NZa heeft ook betrekking op de toezichtactiviteiten van de NZa voor de periode 2009–2014. Toen het CTG en het CTZ opgegaan zijn in de NZa zijn ook de rollen en taken aanzienlijk veranderd. De Commissie Borstlap heeft dit ook in haar rapport benoemd.

51. Welke «vooraf» toetsing heeft plaats gevonden door de NZa op fraudebestendigheid en handhaafbaarheid van de wijzigingen van de beleidsregel dure geneesmiddelen en de wijziging naar de add-on bekostiging en de daarmee samenhangende declaratiemethode?

In het algemeen oordeelt de NZa bij beleidswijzigingen of deze toezicht- en handhaafbaar zijn. Zo ook in de besluitvorming van de add-on bekostiging met ingang van 1 januari 2012. Tot het jaar 2012 konden instellingen (een deel van) de netto inkoopkosten van dure geneesmiddelen opvoeren in de nacalculatie mits het werd toegepast bij een bepaalde indicatie. De instellingen werden geacht te registreren voor welke indicatie de geneesmiddelen werden toegepast. Zorgverzekeraars hadden geen directe toegang tot deze registratie. Met ingang van het jaar 2012 worden deze geneesmiddelen «add-ons» gedeclareerd met een zorgactiviteitencode. Deze zorgactiviteitencode moet voor declaratie worden gekoppeld aan het subtrajectnummer. Hierdoor hebben zorgverzekeraars direct inzicht in de zorgvorm waarvoor het add-on geneesmiddel wordt gedeclareerd. In de regelgeving is expliciet opgenomen dat als een patiënt een geneesmiddel gebruikt waarvan de stofnaam én de indicatie waarvoor deze stofnaam wordt gebruikt is opgenomen op de add-on lijst, de instelling het geneesmiddel als add-on moet declareren. Dit draagt bij aan de toezicht- en handhaafbaarheid van het add-on beleid 2015. De NZa stelt een stofnamen- en indicatielijst vast op basis waarvan add-ons gedeclareerd mogen worden. Ook nu worden instellingen geacht de indicatie vast te leggen. Het Ministerie van VWS, NZa en veldpartijen treffen voorbereidingen voor het gestandaardiseerd registreren van de indicatie en het actief transparant maken van de indicatie richting de zorgverzekeraar.

52. Wanneer krijgt de Kamer het verslag van de onafhankelijke EDP Audit ter inzage?

Ik heb de commissie Borstlap gevraagd om de resultaten van de EDP audit mee te nemen in hun onderzoek. De commissie gaat in haar rapport, dat u 2 september van mij heeft ontvangen, uitgebreid in op de resultaten van de EDP audit.

56. In hoeverre wijkt de huidige informatievoorziening van de NZa af van de manier waarop de Algemene Rekenkamer (ARK) en de Ombudsman betrokken ministeries en de Kamer informeren?

57. Zitten er elementen in de manier waarop de Ombudsman en de ARK de Kamer informeren die voortaan ook door de NZa toegepast zouden kunnen worden?

Voor zowel vraag 56 als 57 geldt dat ik in het debat van 9 september jl. heb toegezegd om in mijn uitgebreide reactie de methodiek, die de Algemene Rekenkamer hanteert om tot haar rapporten te komen en daarin de opmerkingen van departementen mee te nemen, te bezien op toepasbaarheid voor de NZa. Ik zal hierbij ook de informatievoorziening door de Ombudsman meenemen

65. Wat is de waarde van de omschreven «weging» door de NZa? Op basis van welke factoren worden deze op- en aanmerkingen van VWS gewogen? Kan deze weging door de NZa onafhankelijk plaatsvinden? Zijn er directe dan wel indirecte consequenties verbonden voor de NZa, dan wel de medewerkers van de NZa, aan een weging waarin niet meegegaan wordt in de opmerkingen van het Ministerie van VWS?

67. Tot nu toe gaat de Kamer ervan uit dat de NZa rapporten baseert op feiten, onderzoeksdata en analyses en niet op wat politiek gewenst is of niet. Is de Kamer nu verkeerd voorgelicht? Hoe kan de Kamer dit controleren?

Voor de beantwoording van de vragen 65 en 67 verwijs ik naar het rapport van de commissie Borstlap en mijn eerste reactie op dit rapport die ik op 2 september jl. naar uw Kamer heb gestuurd.

69. Wil de Minister van VWS het informatiestatuut aan de Kamer sturen?

Het informatiestatuut is op 3 september jl. als bijlage bij de commissiebrief inzake feitenrelaas oogziekenhuis (Kamerstuk 31 016, nr. 79) reeds naar uw Kamer gestuurd.

70. Is de Minister verantwoordelijk voor het handelen van haar ambtenaren?

Ja.

72. Is het voorgekomen dat de NZa een eerder genomen besluit heeft gewijzigd op grond van commentaar of aanwijzing van het Ministerie van VWS? Hoe vaak, in welke gevallen? Hoe vaak is het voorgekomen dat de Minister van VWS de NZa een individuele aanwijzing heeft gegeven? In welke gevallen?

Voor de beantwoording van de vragen 65 en 67 verwijs ik naar het rapport van de commissie Borstlap en mijn eerste reactie op dit rapport die ik op 2 september jl. naar uw Kamer heb gestuurd.

74. Kan de commissie Borstlap de Algemene Rekenkamer inschakelen bij het onderzoek en de beoordeling van de werkwijze en het tot stand komen van de adviezen, rapporten en monitors?

In het debat van 9 september jl. heb ik toegezegd om in mijn uitgebreide reactie ook de methodiek waarop de Algemene Rekenkamer tot haar rapporten komt en daarin de opmerkingen van departementen meeneemt te bezien op toepasbaarheid voor de NZa.

Toezegging

Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel «Verbod verticale integratie» op 19 juni jl. heb ik toegezegd dat de Kamer een overzicht kan ontvangen van de wijzen waarop ik invloed uitoefent op de hoeveelheid geld dat de NZa ontvangt.

Het jaarlijkse budget van de NZa wordt vastgesteld op basis van het werkprogramma. Voorafgaand aan het werkprogramma stuurt VWS de NZa een prioriteitenbrief waarin de actuele ontwikkelingen staan waar de NZa rekening mee moet houden in haar werkprogramma en het beschikbare budget. In de goedkeuringsbrief die VWS stuurt naar de NZa staat het uiteindelijke budget waar de NZa over kan beschikken. Vervolgens wordt gedurende het jaar door middel van midtermreviews door de NZa aangegeven wat het verwachte financiële resultaat van dat jaar zal zijn en of er door actuele ontwikkelingen nog aanvullende financiële middelen noodzakelijk zijn. VWS reageert hier op door indien nodig tussentijds financiële middelen beschikbaar te stellen. Tot slot stuurt de NZa voor 15 maart in het volgende jaar haar jaarverslag en jaarrekening toe. Door middel van een goedkeuringsbrief van VWS vindt de eindafrekening plaats.

Naar boven