Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201924515 nr. 455

24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 455 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 november 2018

1. Inleiding

Het kabinet zet zich in voor de bestrijding van armoede, in het bijzonder onder kinderen. Met ingang van 1 januari 2017 is € 100 mln. extra per jaar structureel ter beschikking gesteld ten behoeve van kinderen die opgroeien in armoede.

Zoals ik u bij verschillende gelegenheden heb toegezegd, o.a. in de Kabinetsreactie op het SER-advies «Opgroeien zonder armoede» en het rapport van de Kinderombudsman «Alle kinderen kansrijk»1, 2 heb ik een tussentijdse evaluatie laten uitvoeren van deze extra middelen voor de bestrijding van armoede onder kinderen.

Ik informeer u in deze brief over de uitkomsten van deze tussenevaluatie en de conclusies die ik daaraan verbind. Daarmee beantwoord ik tevens de motie van het lid De Lange3.

De extra middelen zijn als volgt ingezet:

  • € 85 mln. wordt jaarlijks via een decentralisatie-uitkering aan gemeenten beschikbaar gesteld. Over de met deze middelen te bereiken doelen zijn bestuurlijke afspraken4 tussen SZW en de VNG gemaakt;

  • € 10 mln. per jaar is beschikbaar voor vier grote armoedepartijen (Vereniging Leergeld, Nationaal Fonds Kinderhulp, Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Jarige Job), verstrekt via een meerjarige subsidie (2017–2020);

  • € 5 mln. is er jaarlijks (in de periode 2017–2021) beschikbaar voor de subsidieregeling «Kansen voor alle kinderen». Hiervan is € 4 mln. bestemd voor projecten in Europees Nederland en € 1 mln. voor projecten in Caribisch Nederland.

2. Uitkomsten tussentijdse evaluatie

a. Bestuurlijke afspraken tussen SZW en VNG, kansrijk opgroeien alle kinderen in Nederland over de extra middelen voor gemeenten (€ 85 mln.)

Bureau Bartels heeft de bestuurlijke afspraken met de VNG en de daarbij horende € 85 mln. geëvalueerd. Dit onderzoek werd begeleid door een klankbordgroep,

bestaande uit de VNG, Divosa, SZW, gemeenten, landelijke armoedepartijen, de Kinderombudsman en een hogeschool. Het rapport van deze eerste evaluatie stuur ik u bijgaand5.

Over de extra middelen voor gemeenten zijn in de bestuurlijke afspraken o.a. de volgende afspraken vastgelegd:

  • «Alle gemeenten zullen, in samenwerking met hiervoor relevante partijen, zorg dragen voor voorzieningen in natura, zodat alle kinderen kunnen meedoen op school, aan sport, aan cultuur en sociale activiteiten.»

  • «Het Rijk en de gemeenten vinden het van groot belang dat alle kinderen kansrijk kunnen opgroeien. Het Rijk en de gemeenten zullen zich inspannen om alle kinderen voor wie dit niet vanzelfsprekend is te bereiken en te ondersteunen met voorzieningen in natura via de lokale infrastructuur en samenwerking met diverse partijen. Gemeenten hebben de regie in het armoede- en schuldenbeleid en hebben daarbij aandacht voor de positie van kinderen.»

  • «De eerste evaluatie vindt plaats begin 2018. Het Rijk en de VNG zullen aan de hand van de tussenresultaten met elkaar en met relevante samenwerkingspartners in overleg treden en voor zover nodig afspraken maken over eventuele bijstelling van de afspraken of nadere ondersteuning (zoals kennisdeling).»

  • «Een vervolgevaluatie vindt plaats in 2021. Dan zal getoetst worden of het gemeentelijk beleid ertoe heeft geleid dat (nagenoeg) alle kinderen in armoede worden bereikt.»

Hieronder de belangrijkste uitkomsten van de eerste evaluatie over 2017:

  • Het rapport is gebaseerd op de respons van 303 gemeenten, waarvan 9 op de 10 in 2017 voorzieningen voor kinderen in natura aanbood. Eenzelfde aandeel van de gemeenten heeft de middelen aangewend voor extra middelen voor kinderarmoedebeleid, 5 van de 10 gemeenten hebben de middelen niet alleen aangewend voor kinderarmoedebeleid maar ook voor andere zaken, zoals aanpalend (armoede)beleid. 60% van de gemeenten heeft de middelen volledig additioneel aan hun eerdere inzet ingezet, 22% deels additioneel; van de overige gemeenten is dit niet bekend.

  • 65% van de gemeenten kon verdiepende informatie geven over de financiële realisatie van de middelen in 2017. Van de middelen die deze gemeenten hebben besteed is 45% procent in natura naar kinderen in armoede gegaan, 15% is op een andere manier naar kinderarmoedebeleid gegaan, 20% is aan generiek armoedebeleid of aanpalend beleid besteed.

  • In de begrotingen voor 2018 staan de voornemens om 55% van de middelen in natura in te zetten voor kinderen in armoede, 25% voor kinderarmoedebeleid anders dan in natura en 18% voor generiek armoede- of aanpalend beleid.

  • Van de gemeenten geeft 40% aan de doelgroep volledig in beeld te hebben, 40% geeft aan dat de omvang van de doelgroep onbekend is.

  • 1 op de 3 gemeenten kon cijfers aanreiken over de ontwikkeling in het bereik van de doelgroep. In 78% van deze gemeenten is het bereik toegenomen.

  • Het Rijk en de VNG hebben gemeenten in de bestuurlijke afspraken expliciet opgeroepen om op lokaal niveau samen te werken met maatschappelijke organisaties. Gemeenten werden aangemoedigd om de aanwezige netwerken en de eigen infrastructuur te benutten en te optimaliseren, zodat alle kinderen in de armoede toegang konden krijgen tot de beschikbare voorzieningen. 91% van de gemeenten heeft in 2017 samengewerkt met (lokale) maatschappelijke organisaties.

  • In de decembercirculaire van 20166 werd bekend dat deze middelen voor gemeenten beschikbaar kwamen. Verschillende gemeenten geven aan (een deel van) 2017 gebruikt te hebben om met allerlei partners in de stad af te stemmen en kinderen zelf te spreken om te komen tot de juiste inzet van de middelen, passend bij en in de lokale infrastructuur.

Gemeenten hebben in 2017 positieve stappen gezet om de ambities uit de bestuurlijke afspraken te realiseren. Zo bieden 9 van de 10 gemeenten nu voorzieningen in natura aan, zijn de extra middelen uit de € 85 mln. voor het merendeel besteed aan beleid op het terrein van kinderen in armoede en zijn er meer kinderen in armoede bereikt dan in het jaar ervoor. Echter, uit de evaluatie blijkt ook dat de ambities van de bestuurlijke afspraken met de VNG nog niet bij alle gemeenten zijn gerealiseerd: een groot aantal gemeenten heeft onvoldoende zicht op de (extra) uitgaven en op het (extra) bereik van kinderen en slechts 43% van de extra middelen in 2017 is besteed aan voorzieningen in natura, terwijl bestuurlijk is afgesproken dat gemeenten met de extra middelen «zorg dragen voor voorzieningen in natura». Het rapport laat een groeiproces zien bij gemeenten, in de begrotingen van 2018 gaat een groter deel van de extra middelen (al dan niet in natura) direct naar kinderen in armoede.

Conclusies en vooruitblik inzet gemeenten (€ 85 mln.)

Ik zie een positieve ontwikkeling bij gemeenten als het gaat om de aandacht en concrete inzet voor het aanpakken van armoede onder kinderen en ervoor te zorgen dat kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen, maatschappelijk kunnen meedoen. Het voorkomen en aanpakken van (kinder)armoede heeft veel aandacht in de nieuwe collegeprogramma’s en staat hierdoor meer op de agenda. Gemeenten hebben de regie op het armoedebeleid, werken samen met lokale maatschappelijke organisaties en zetten in op een integrale aanpak. Ze hebben een scala aan voorzieningen en de extra middelen in 2017 hebben in veel gemeenten een extra impuls gegeven aan de aanpak van armoede onder kinderen.

Uit de eerste evaluatie blijkt echter ook dat er verbeterslagen mogelijk en nodig zijn. De ambities van de bestuurlijke afspraken met de VNG zijn nog niet bij alle gemeenten gerealiseerd. Met name is verbetering nodig in het bereiken van de ambities met de extra middelen, het inzicht van gemeenten in de besteding van de middelen en (het inzicht in) het bereik van alle kinderen, om bij hen de negatieve gevolgen van het opgroeien in armoede tegen te gaan. Daarbij zie ik als positieve ontwikkeling dat steeds meer gemeenten kiezen voor een integrale aanpak van (kinder)armoede, door de verbinding te leggen met andere domeinen, zoals sport, gezondheid, re-integratie, jeugdzorg en wonen. Zowel de SER7 als de Kinderombudsman8 onderschrijven het belang van een integrale aanpak van kinderarmoede. Zoals ik in de kabinetsreactie9 heb aangegeven, erkent het kabinet het belang om kinderen die in armoede opgroeien maatschappelijk mee te laten doen, terwijl tegelijkertijd de (structurele) oorzaken van deze armoede moeten worden aangepakt. De inzet van het kabinet is om armoede te voorkomen door meer mensen aan het werk te helpen, werk meer te laten lonen, het verbeteren van de inkomenspositie van gezinnen met kinderen en door de brede schuldenaanpak. In het regeerakkoord is daarom € 80 mln. extra beschikbaar gesteld voor armoede en schulden, waarvan € 72 mln. voor gemeenten, onder andere voor het versterken van de lokale regiefunctie van het armoedebeleid.

Ik ben in gesprek gegaan met de VNG over de uitkomsten van deze eerste evaluatie. Op basis daarvan hebben wij de volgende afspraken gemaakt:

  • SZW en VNG houden vast aan de gezamenlijke ambitie om alle kinderen die in armoede opgroeien te bereiken en te ondersteunen. SZW en VNG roepen gemeenten op om deze ambitie lokaal te realiseren en de middelen hiervoor in te zetten. Om lokaal verantwoording te kunnen afleggen en om in 2021 landelijk een beeld te kunnen vormen over de effectiviteit van de extra middelen, is het van belang dat gemeenten inzicht hebben in de besteding en het bereik van de extra middelen.

  • Gemeenten zetten zich in om alle kinderen te bereiken, met bijzondere aandacht voor kinderen van werkenden met een laag inkomen. Het Rijk gaat met VNG en gemeenten in gesprek om te bezien hoe gemeenten (kinderen van) werkenden met een laag inkomen beter kunnen bereiken en hoe het Rijk hierin kan ondersteunen.

  • Gemeenten zetten daarbij in op een integrale en structurele aanpak van de oorzaken en gevolgen van armoede onder kinderen. Gemeenten hebben aangegeven enige ruimte te willen om de extra middelen breder in te zetten dan alleen voor de ondersteuning in natura van kinderen in armoede, namelijk voor het integraal tegengaan van de oorzaken en negatieve gevolgen van armoede. Ik zie het belang daarvan en ben bereid ruimte te bieden om maximaal 15 tot 20% van de extra middelen breder in te zetten. Daarbij blijft voor mij een belangrijk uitgangspunt dat ook de toekomstige inzet van dat deel van de middelen nadrukkelijk gericht is op de aanpak van armoede onder kinderen. Het perspectief van het kind moet bij de inzet van de middelen herkenbaar terug blijven komen. Daarmee kom ik tevens tegemoet aan de motie van de leden Voortman en Gijs van Dijk10 over een samenhangende aanpak, zodat kinderen geholpen worden met een aanpak die gericht is op hun hele leefomgeving.

  • Uit de evaluatie en het gesprek met de VNG komt naar voren dat gemeenten behoefte hebben aan ondersteuning en kennisontwikkeling en -uitwisseling over de wijze waarop zij structurele oplossingen kunnen bieden voor kinderen in gezinnen die tijdelijk of voor langere tijd moeilijk rond kunnen komen of in armoede leven. In samenwerking met de VNG en Divosa wil ik die ondersteuning faciliteren, bijvoorbeeld middels het opzetten van een denktank. Ook de Kinderombudsman zou een rol kunnen spelen bij de ondersteuning van gemeenten. Bij deze ondersteuning kan tevens gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden van het programma Vakkundig aan het werk. Uit de € 80 mln. die in het regeerakkoord beschikbaar is gesteld voor armoede en schulden zijn middelen vrijgemaakt voor een extra ronde voor effectiviteitsmeting van (lokale) aanpakken van armoede en schulden. Vanaf begin 2019 kunnen gemeenten in samenwerking met kennisinstellingen daartoe onderzoeksvoorstellen indienen.

  • In 2021 vindt zoals afgesproken de vervolgevaluatie plaats. Dan zal getoetst worden of het gemeentelijk beleid ertoe heeft geleid dat (nagenoeg) alle kinderen in armoede worden bereikt.

b. Evaluatie subsidieregeling «Kansen voor alle kinderen» (€ 5 mln.)

Ik heb tevens een evaluatie laten uitvoeren naar de inzet van € 5 mln. op basis van de subsidieregeling «Kansen voor alle kinderen». Ook deze evaluatie is uitgevoerd door Bureau Bartels. Die evaluatie was er op gericht inzicht te verschaffen in de uitvoering en output van de regeling, maar ook in de mate waarin de regeling zich verhoudt tot de bestaande infrastructuur op het gebied van armoedebestrijding. Dit evaluatierapport stuur ik als bijlage bij deze brief11.

In de subsidieregeling wordt een onderscheid gemaakt naar ondersteuning aan kinderen in Europees Nederland en kinderen in Caribisch Nederland. Voor Europees Nederland is per openstelling een budget van € 4 mln. beschikbaar. Voor Caribisch Nederland bedraagt dit bedrag € 1 mln. per openstelling. Achtereenvolgens ga zal ik voor zowel Europees Nederland als Caribisch Nederland ingaan op de uitkomsten van de evaluatie en het vervolg van de regeling.

Subsidies Europees Nederland

Het beschikbare subsidiebudget in zowel de eerste (2017) als de tweede (2018) openstelling is niet volledig benut. In 2017 is slechts 57% van de vier miljoen beschikt. In dat jaar zijn 31 van de 65 aanvragen afgewezen op inhoudelijke gronden, 11 aanvragen kwamen niet door de subsidie-technische toets.

In alle uitgevoerde projecten zijn kinderen uit de doelgroep bereikt met de verstrekkingen en de activiteiten. Het rapport toont een grote verscheidenheid aan projecten en daarmee in variatie qua bereik van de kinderen, variërend van 50 tot wel 10.000 kinderen per project. Verder blijkt dat bij een meerderheid van de projecten afstemming heeft plaatsgevonden met gemeenten en de grote armoedepartijen. Dit is in de eerste plaats om doublures in verstrekkingen te voorkomen en om zogenaamde witte vlekken op te vullen in het bereiken van kinderen uit de doelgroep. Het algemene beeld is dat de aanvragers positief zijn over de inhoud en de voorwaarden van de regeling. Veel toegekende projecten hebben hun project volgens plan kunnen uitvoeren.

Het evaluatierapport laat ook zien dat het in de eerste openstelling van de regeling in 2017 vooral gaat om verstrekkingen voor het bevorderen van maatschappelijke participatie en mee kunnen doen in het onderwijs. Dit zijn verstrekkingen die gemeenten ook aanbieden vanuit structurele middelen en veelal als onderdeel van een breder en samenhangend aanbod voor kinderen. Ook heeft de subsidie nauwelijks meerwaarde voor de projecten die de subsidie hebben ontvangen: De aanvragers geven aan dat de projecten zonder subsidie dezelfde kwaliteit zouden hebben gehad, niet langer hebben geduurd, niet later zijn gestart en ook niet tot minder samenwerking hebben geleid. De helft van de projecten zou zonder subsidie ook zijn doorgegaan.

Vooruitblik subsidieregeling Kansen voor alle kinderen Europees Nederland

Het evaluatierapport van de subsidieregeling levert waardevolle inzichten op. De regeling toont haar nut, maar ook haar tekortkomingen. Ik vind het van belang na twee uitvoeringstermijnen te kijken naar de bijdrage van deze specifieke regeling aan de armoedebestrijding onder kinderen. Alle uitkomsten overziend concludeer ik dat deze regeling beperkte meerwaarde biedt ten opzichte van wat al door de bestaande infrastructuur door gemeenten en landelijke armoedepartijen wordt geboden en daarmee leidt tot versnippering van het aanbod voor kinderen. Op grond daarvan heb ik besloten de subsidieregeling voor Europees Nederland niet meer open te stellen voor de nieuwe aanvraagtermijnen vanaf 2019. Ik zal zorgen voor een ordentelijke afwikkeling van de lopende subsidies en potentiele aanvragers tijdig informeren over de stopzetting.

De vrijgekomen middelen blijven beschikbaar voor de bestrijding van armoede onder kinderen. Ik wil deze vanaf 2019 op een andere wijze inzetten. Over de inzet daarvan ga ik in gesprek met gemeenten, de vier grote armoedepartijen en mijn collega bewindspersonen van VWS en OCW. Ik denk bijvoorbeeld aan mogelijke extra inzet op of specifieke aandacht voor de bestrijding van laaggeletterdheid bij gezinnen met kinderen in armoede, het bevorderen van gelijke kansen in het onderwijs, of het bevorderen van de gezondheid van kinderen in armoede door aansluiting bij de jeugd(gezondheids)zorg. Daarbij wil ik zoveel mogelijk aansluiten bij reeds bestaande goedlopende programma’s en daarbinnen specifiek aandacht schenken aan kinderen in gezinnen met een laag inkomen. Dit acht ik in het belang van een gestructureerde, integrale en duurzame ondersteuning aan kinderen in gezinnen met een laag inkomen.

Subsidies Caribisch Nederland

Het algemene beeld dat uit de tussentijdse evaluatie naar voren komt, is dat de behoefte van maatschappelijke organisaties voor financiering van projecten om kinderen in armoede in Caribisch Nederland te helpen, groot is. In beide tijdvakken is meer subsidie aangevraagd dan beschikbaar was en is het beschikbare subsidiebedrag geheel verleend. Een groot deel van de projecten zou zonder de subsidie niet door zijn gegaan. De ondersteuning heeft bij meer dan de helft van de projecten positief effect gehad op de kwaliteit van de verstrekkingen en het volume aan verstrekkingen. De evaluatie geeft echter geen beeld van het aantal kinderen dat is bereikt omdat ten tijde van de evaluatie nog niet alle projecten waren afgerond.

De tussentijdse evaluatie laat ook zien dat de organisaties die in het eerste tijdvak subsidie hebben ontvangen een aantal knelpunten ervaren. Het gaat dan met name om de afbakening van de doelgroep en het feit dat alleen verstrekkingen in natura subsidiabel zijn. Deze uitkomsten zijn gebaseerd op gesprekken met betrokkenen bij de uitvoering van de subsidieregeling en een enquête onder organisaties die subsidie hebben ontvangen.

Uit gesprekken met andere belanghebbenden komt naar voren dat de subsidieregeling versnippering in de hand werkt omdat organisaties vaak ook subsidierelaties hebben met de openbare lichamen en/of andere departementen. Ook noemen zij als aandachtspunt dat het gaat om de financiering van tijdelijke projecten zonder dat er zicht is op verduurzaming tot structurele voorzieningen.

Vooruitblik Subsidieregeling kansen voor alle kinderen Caribisch Nederland

Het evaluatierapport van de subsidieregeling levert, net als voor Europees Nederland, waardevolle inzichten op voor Caribisch Nederland. Alles overziend concludeer ik dat het van belang is om de armoedeproblematiek in Caribisch Nederland op een meer integrale en structurele wijze aan te pakken in plaats van tijdelijke kleinschalige projecten te subsidiëren, waarmee kinderen die opgroeien in armoede meer kansen krijgen om mee te doen.

Met het oog hierop ben ik voornemens om vanaf 2020 het Caribisch Nederlandse deel van de regeling in te bedden in het programma BES(t) 4 kids dat gericht is op het verbeteren van de kwaliteit en toegankelijkheid van de kinderopvang op de BES-eilanden. Door het aanbieden van naschoolse activiteiten en maaltijden via het programma BES(t) 4 kids, kunnen verstrekkingen die nu worden gefinancierd vanuit de Subsidieregeling kansen voor alle kinderen op structurele en integrale wijze worden gefinancierd en georganiseerd. Daarmee blijven de financiële middelen structureel beschikbaar voor kinderen die in Caribisch Nederland opgroeien.

Het inbedden van de regeling in het programma BES(t) 4 kids zal door de openbare lichamen, SZW, OCW en VWS verder worden uitgewerkt. Maatschappelijke organisaties die subsidie ontvangen of hebben ontvangen in het kader van de Subsidieregeling kansen voor alle kinderen worden hierbij betrokken. Dit vergt een zorgvuldig proces. Voor Caribisch Nederland wordt daarom, in tegenstelling tot Europees Nederland, het aanvraagtijdvak dat per 29 april 2019 opengaat, nog opengesteld. Gezien de behoefte van maatschappelijke organisaties om verstrekkingen aan kinderen in armoede gefinancierd te krijgen, acht ik het niet opportuun om te stoppen met de subsidieregeling voordat de inbedding in het programma BES(t) 4 kids is gerealiseerd.

c. Subsidies aan de vier armoedepartijen (€ 10 mln.)

Aan de € 10 mln. subsidie voor de vier samenwerkende armoedepartijen is als voorwaarde gesteld dat de inzet additioneel is aan hun reguliere activiteiten, dat de partijen onderling en met gemeenten samenwerken en dat (90% van) het subsidiegeld in natura bij de doelgroep terechtkomt. De vier partijen hebben elk conform de subsidievoorwaarden gerapporteerd over hun activiteiten om extra kinderen te bereiken in 2017. Uit de jaarlijkse voortgangsverslagen blijken zij in 2017 met de extra middelen meer kinderen te hebben bereikt.

De vier partijen hebben ook hun samenwerking verstevigd, zowel landelijk als op lokaal niveau. Een van de concrete resultaten hiervan is het platform Sam&. Dit platform beoogt een landelijk dekkend aanbod van voorzieningen voor kinderen die opgroeien inzichtelijk te maken voor professionals, ouders en kinderen.

Met de motie van het lid Segers12 is € 4 mln. voor de bestrijding van armoede onder kinderen vrijgemaakt, omdat een extra impuls gewenst wordt geacht voor het samenwerkingsverband van partijen die zich inzetten voor bestrijding van armoede onder kinderen. Ik ben met de armoedepartijen in gesprek over de mogelijke inzet en bestedingstermijn van deze middelen.

3. Conclusies

Op grond van deze tussentijdse evaluaties concludeer ik dat er positieve stappen zijn gezet in het bereiken van meer kinderen die opgroeien in armoede. Ik concludeer ook dat er nog verbetering mogelijk en nodig is. Met de hernieuwde afspraken met de VNG en de voorgestelde ondersteuning van gemeenten wil ik het bereiken van álle kinderen in armoede bevorderen. Ook de inzet van de landelijke armoedepartijen en een veranderde inzet van de middelen voor de subsidieregeling «Kansen voor alle kinderen» sluiten aan bij deze ambitie, om zo in gezamenlijkheid te komen tot een gestructureerde, integrale en duurzame ondersteuning aan kinderen in gezinnen met een laag inkomen.

4. Verkenning naar eenduidige indicatoren kinderarmoede

Zoals ik heb aangegeven in de kabinetsreactie op het SER-advies «Opgroeien zonder armoede» heb ik het CPB, SCP en CBS gevraagd gezamenlijk te onderzoeken of het mogelijk is tot eenduidige indicatoren voor kinderarmoede te komen die bruikbaar zijn voor een eventuele reductiedoelstelling.

Deze verkenning is recentelijk afgerond en als bijlage13 bij deze brief stuur ik uw Kamer de notitie die door de onderzoeksbureaus is opgeleverd. Ik ga over de uitkomsten van deze verkenning in gesprek met de VNG. Een inhoudelijke reactie van het kabinet zal volgen in het begin van 2019.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark


X Noot
1

Kamerstuk 24 515, nr. 430

X Noot
2

Kamerstuk 24 515, nr. 380

X Noot
3

Motie van het lid De Lange c.s., Kamerstuk 24 515, nr. 422

X Noot
4

Bijlage bij Kamerstuk 24 515, nr. 380

X Noot
5

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
6

Bijlage bij Kamerstukken 34 550 B en 34 550 C, nr. 11

X Noot
7

SER (2017) Opgroeien zonder armoede

X Noot
8

Kinderombudsman (2017) Alle kinderen kansrijk

X Noot
9

Kamerstuk 24 515, nr. 430

X Noot
10

Motie van de leden Voortman en Gijs van Dijk, Kamerstuk 24 515, nr. 421

X Noot
11

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
12

Motie van het lid Segers c.s. Kamerstuk 35 000, nr. 25

X Noot
13

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl