Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201722452 nr. 52

22 452 Internationalisering van het onderwijs

Nr. 52 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 maart 2017

Inleiding

In deze brief reageren wij op het rapport «Internationaliseren met ambitie» van de Onderwijsraad.1 Daarnaast geven we antwoord op de vraag van uw Kamer of het mogelijk kan worden voor leerlingen in het tweetalig onderwijs om eindexamens in een vreemde taal te doen.

Het advies «Internationaliseren met ambitie»

In zijn advies benadrukt de Onderwijsraad de waarde van internationalisering in het onderwijs. De Onderwijsraad pleit voor de ambitie dat alle leerlingen internationaal competent het onderwijs verlaten. Die internationale competenties liggen niet alleen op het vlak van kennis en vakinhouden, maar ook in een internationale oriëntatie en communicatie- en samenwerkingsvaardigheden. Dat vraagt, zo stelt de Onderwijsraad, een inspanning: internationaal competent worden gaat niet vanzelf. Hij ziet grote verschillen tussen scholen en stelt dat leerlingen daardoor de kans lopen dat ze onvoldoende toegerust het onderwijs verlaten.

De Onderwijsraad adviseert daarom om internationalisering structureel in te bedden in het onderwijs. Daarbij hoort een betere afstemming tussen de sectoren, bijvoorbeeld door het ontwerpen en invoeren van doorgaande leerlijnen voor Engels en wereldoriëntatie. Daarnaast geeft de Onderwijsraad aan dat het bereik van de activiteiten voor internationalisering vergroot moet worden. Met name in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo) profiteren te weinig leerlingen van het bestaande internationaliseringsaanbod.

Ten slotte dringt de Onderwijsraad erop aan dat de randvoorwaarden voor internationalisering op orde moeten komen. Het gaat daarbij onder meer om de aandacht voor internationalisering bij de lerarenopleidingen, de financiering van het internationaliseringsaanbod en de beschikbaarheid van goed leermateriaal.

Onze reactie

Wij onderschrijven de hoofdboodschap van het advies van Onderwijsraad. Het is inderdaad van groot belang dat leerlingen die het onderwijs verlaten voldoende internationaal competent zijn en daarvoor is nodig dat leerlingen en studenten op alle onderwijsniveaus op een onderling samenhangende manier met internationalisering te maken krijgen. De vorm en inhoud daarvan verschillen natuurlijk wel; in het ho gaat het vaak om individuele studenten die een periode in het buitenland gaan studeren, terwijl in het mbo de studenten veelal in groepsverband aan een project met een internationale component werken en in het po en vo klassen bijvoorbeeld de grondbeginselen van het Engels krijgen onderwezen of een bezoek brengen aan het buitenland. Daartoe hebben we de afgelopen jaren al de nodige stappen gezet. De Minister heeft haar inzet voor internationalisering in het hoger onderwijs (ho) en mbo in 2014 gepresenteerd in haar visiebrief «De wereld in» en in 2016 in de bijbehorende voortgangsbrief.2 De Staatssecretaris heeft uw Kamer in respectievelijk 2013 en 2015 zijn plan van aanpak voor Engels in het basisonderwijs en zijn plan van aanpak voor buurtaalonderwijs toegezonden.3

Op 22 december 2016 heeft de staatsecretaris uw Kamer geïnformeerd over het vervolgtraject van de actualisatie van het curriculum.4 Hoewel het belang van internationalisering evident is, vinden wij het belangrijk om de integrale benadering van het curriculum te blijven hanteren, in samenspraak met de betrokken partijen met wie we dit proces zijn aangegaan. De uitkomsten daarvan zullen mogelijk ook aanleiding zijn voor de bijstellingen van de randvoorwaarden voor internationalisering die de Onderwijsraad benoemt. In de volgende kabinetsperiode wordt besloten over de definitieve vormgeving van het vervolgproces van curriculumherziening.5

Hoewel de ambities uit de genoemde visiebrief over internationalisering in het ho en mbo van 2014 onverkort gelden, zien we dat voor het mbo de inzet uitgebreid kan worden. Hier komen we in een volgende paragraaf op terug.

Voorbeelden van internationalisering

Basisschool De Hoeksteen in Enkhuizen is één van de meer dan 170.000 scholen in Europa die aan eTwinning doet: een virtuele samenwerking tussen scholen in verschillende landen. De leerlingen van groep 8 maakten een presentatie over de gewoontes en cultuur van Nederland en hun stad en wisselden dat uit met Belgische leeftijdsgenootjes.

Ongeveer zeventig scholen in het voorgezet onderwijs bieden Chinees als vak aan. De invulling verschilt per school. De Van der Capellen Scholengemeenschap in Zwolle heeft een Chinese zusterschool, waarbij samenwerking en uitwisseling centraal staan. Het Haagse Montessori Lyceum geeft een module Chinees die leerlingen uit de eerste klas al kunnen volgen.

Studenten van de opleiding Brood en Banket van het ROC van Amsterdam kunnen stage lopen bij chocolade- en patisseriebedrijven in Lyon. Het ROC heeft daarover afspraken gemaakt met de Franse Kamer van Koophandel en een beroepsvereniging van de plaatselijke chocolatiers. Voor dit project kreeg het de instelling de Orange Carpet Award 2015, de prijs die EP-Nuffic uitreikt voor bijzondere initiatieven voor de internationalisering van het onderwijs.

Voor de internationalisering in primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) is er via de door EP-Nuffic beheerde subsidieregeling Verankering Internationale Oriëntatie in Scholen (VIOS) jaarlijks € 1.800.000 beschikbaar. Deze middelen zullen we in de komende periode in samenspraak met EP-Nuffic inzetten op een manier die meer in lijn is met het advies van de Onderwijsraad. Daartoe gaan we in de eerste plaats meer ondersteuning bieden aan scholen in het po en vo bij de invoering en doorontwikkeling van internationaliserende onderwijsconcepten, zoals vreemde talenonderwijs of tweetalig onderwijs. Hiermee vergroten we het bereik van internationalisering en geven we scholen die al actief aan internationalisering werken ruimte voor verdieping. De onderliggende subsidieregeling wordt naar verwachting in het tweede kwartaal van 2017 gepubliceerd en geeft scholen in het komend schooljaar ook de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor mobiliteit van leerlingen en leraren. Daarnaast gaan we de doorlopende leerlijn tussen het po en vo verder verbeteren met het «plan van aanpak buurtaalonderwijs». Ook willen we meer inzetten op ondersteuning van internationalisering in het mbo. Het doel daarbij is om studenten vaker met het buitenland in contact te brengen en om docenten in staat te stellen en te enthousiasmeren om zich daarvoor in te zetten. Tenslotte gaan we door het ontwerpen van een structurele kennismonitor internationalisering, het voor scholen eenvoudiger maken om de ontwikkelingen op het gebied van internationalisering te volgen en te betrekken bij hun beleidsvorming.

De komende jaren kan er uiteraard onverminderd gebruik blijven worden gemaakt van het Europese subsidieprogramma Erasmus+. Daaronder is in Nederland in 2017 € 48.000.000 subsidie beschikbaar voor mobiliteit van leerlingen, studenten, docenten en staf en voor strategische partnerschappen tussen scholen en instellingen. De middelen van Erasmus+ zijn beschikbaar voor alle onderwijssectoren, dus van het po tot en met het ho. Dit is een stijging van ruim 15 procent ten opzichte van 2016. Tot 2020 zal dat budget jaarlijks nog verder toenemen.

Examinering tweetalig onderwijs

In het Algemeen Overleg Internationalisering op 14 december 2016 (Kamerstuk 22 452, nr. 50) vroegen leden van uw Kamer of leerlingen op scholen voor vo die aan tweetalig onderwijs doen, ook het centraal examen kunnen maken in een vreemde taal. Hier staan wij om verschillende redenen niet positief tegenover. Examens in een vreemde taal kunnen niet simpelweg worden gerealiseerd door het vertalen van Nederlandse examens. Het College voor Toetsen en Examens voorziet dat het moeilijk wordt om de vereiste gelijkwaardigheid van deze examens ten opzichte van Nederlandse examens te garanderen. Daarnaast zou de examenproductie per vreemde taal voor alle centraal examenvakken van verschillende schoolsoorten uitgevoerd moeten worden. Daardoor ontstaat een parallelle examineringsstructuur in meerdere vreemde talen, waarvan de examenresultaten verschillend beoordeeld worden en niet meer vergelijkbaar zijn met de Nederlandse examenresultaten.

Wij vinden deze uitvoeringsconsequenties te groot. Zowel principieel omdat de vergelijkbaarheid van examens in het geding komt, als financieel omdat er voor een relatief kleine groep leerlingen hoge kosten moet worden gemaakt om de administratieve ondersteuningsstructuur in het examenstelsel aan te passen.

Ten slotte

Het advies van de Onderwijsraad geeft ons een ankerpunt voor internationalisering in het onderwijs: leerlingen moeten internationaal competent worden. In het vervolgtraject van de curriculumherziening gaan we daar met alle betrokkenen verder vorm en inhoud aan geven.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Op 31 mei 2016 heeft de voorzitter van de Onderwijsraad, prof. dr. Henriëtte Maassen van den Brink, het advies «Internationaliseren met ambitie» aangeboden aan de Staatssecretaris. Het advies is op 24 juni 2016 aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstuk 22 452, nr. 47). Op 24 november 2016 informeerde de Staatssecretaris de Tweede Kamer over het uitstel van de beleidsreactie (Kamerstuk 22 452, nr. 49).

X Noot
2

Kamerstuk 22 452, nr. 41 & Kamerstuk 22 452, nr. 48.

X Noot
3

Kamerstuk 31 293, nr. 179 & Kamerstuk 34 031, nr. 17.

X Noot
4

Kamerstuk 31 293, nr. 346 & Kamerstukken 31 293 en 31 289, nr. 353.

X Noot
5

De petitie die het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap op 13 december 2017 heeft aangeboden aan de Tweede Kamer, wordt meegenomen bij de uitwerking van het vervolgproces van de curriculumherziening.