Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201822112 nr. 2626

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 2626 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2018

Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 11 fiches, die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC). De onderhavige fiches maken onderdeel uit van het Meerjarig Financieel Kader (2021–2027).

Fiche: MFK – Verordening Commissie programma Creative Europe 2021–2027 (Kamerstuk 22 112, nr. 2623)

Fiche: MFK – «Erasmus»: het programma van de Unie voor onderwijs, training, jeugd en sport (Kamerstuk 22 112, nr. 2624)

Fiche: MFK – Verordeningen Pericles IV-programma (Kamerstuk 22 112, nr. 2625)

Fiche: MFK – verordening EFRO en Cohesiefonds 2021–2027

Fiche: MFK – Verordening voor Europese territoriale samenwerking (Interreg) 2021–2027 (Kamerstuk 22 112, nr. 2627)

Fiche: MFK – Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor de ESI-fondsen (Kamerstuk 22 112, nr. 2628)

Fiche: MFK – Verordening voor het Europees globaliseringsfonds (Kamerstuk 22 112, nr. 2629)

Fiche: MFK – ESF+ verordening (Kamerstuk 22 112, nr. 2630)

Fiche: MFK – Verordening Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het fraudebestrijdingsprogramma van de EU (Kamerstuk 22 112, nr. 2631)

Fiche: MFK – Verordening tot instelling van een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen (Kamerstuk 22 112, nr. 2632)

Fiche: MFK – Verordening Hervormingsondersteuningsprogramma

(Kamerstuk 22 112, nr. 2633)

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok

Fiche: MFK – verordening EFRO en Cohesiefonds 2021–2027

1. Algemene gegevens

2. Essentie voorstel

a) Inhoud voorstel

Dit voorstel is onderdeel van het pakket aan voorstellen dat de Commissie heeft uitgebracht in het kader van het Meerjarig Financieel Kader voor 2021–2027. De verordening doet een voorstel voor de inrichting van twee bestaande fondsen, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds. Beide fondsen zijn structuurfondsen en beogen de Europese concurrentiekracht te vergroten door te investeren in economische structuurversterking. Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling heeft als doelstelling om de verschillen tussen Europese regio’s te verkleinen door ze te helpen bij investeringen in hun economische structuur. Het Cohesiefonds beoogt de minst welvarende Europese lidstaten te ondersteunen bij investeringen in milieu en infrastructuur. Hiermee wil de Commissie Europese lidstaten en regio’s steunen bij het adresseren van uitdagingen waar zij voor gesteld worden, zoals economische transformatie, klimaatverandering en migratie. De verordening zet uiteen op welke manier deze fondsen zouden moeten worden ingericht en uitgevoerd en aan welke doelstellingen de middelen moeten worden besteed. Deze doelstellingen zijn ook opgenomen in de Common Provisions Regulation (CPR, COM (2018) 375), waarover een separaat fiche is opgesteld). Het zijn:

  • 1. Een slimmer Europa – door de bevordering van innovatie en slimme economische transformatie;

  • 2. Een groener, koolstofarm, Europa – door de bevordering van schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, klimaatadaptatie, en risicobeheer;

  • 3. Een meer verbonden Europa – door het verbeteren van de mobiliteit en regionale ICT-verbindingen;

  • 4. Een socialer Europa – door implementatie van de Europese pilaar van Sociale Rechten;

  • 5. Een Europa dichter bij de burger – door het stimuleren van duurzame en integrale ontwikkeling van stedelijke –, landelijke – en kustgebieden, alsmede lokale initiatieven.

De nadruk voor EFRO ligt op doelstelling 1 en 2. Het Cohesiefonds zal vooral doelstelling 2 en 3 ondersteunen. Hieronder volgt een tabel met een vergelijking van de verplichte thematische allocatie voor EFRO uit de huidige periode met de voorstellen voor de nieuwe periode.

 

Periode 2014–2020

Voorstel 2021–2027

 

Innovatie, digitalisering, mkb, of koolstofarm

Klimaat/koolstofarme economie

Beleidsdoel 1 – Een slimmer Europa (waaronder innovatie, digitalisering en mkb)

Beleidsdoel 2 – klimaat en koolstofarme economie

Minder welvarende lidstaten

50%

12%

35%

30%

Transitie lidstaten

60%

15%

45%

30%

Meer welvarende lidstaten

80%

20% naar klimaat/koolstofarm

60%

n.v.t., doel 1 en 2 samen ten minste 85%

De Commissie geeft aan meer synergie te zoeken tussen EFRO en Horizon Europe (EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie) en tussen het Cohesiefonds en de Connecting Europe Facility (CEF, investeringsinstrument voor infrastructuur voor transport, energie en digitalisering). Bovendien is het mogelijk om middelen vanuit EFRO en het Cohesiefonds over te hevelen naar CEF.

De Commissie alloceert 6% van de middelen van EFRO voor stedelijke ontwikkeling onder beleidsdoelstelling 5 – Een Europa dichterbij de burger. De Commissie stelt een Europees Stedelijk Initiatief voor. Dit initiatief omvat alle Europese stedelijke gebieden en programma’s en ondersteunt de Europese Agenda Stad (Urban Agenda for the EU).

Het breder gebruik van simplified cost options en de introductie van resultaatindicatoren zijn bedoeld om het beleid eenvoudiger te maken.

b) Impact assessment Commissie

Uit het impact assessment blijkt volgens de Commissie dat er een behoefte bestaat aan een vereenvoudiging en flexibilisering van dit beleid, en beter gebruik van financiële instrumenten. Uit een consultatie blijkt dat er binnen de EU veel steun is om het cohesiebeleid beschikbaar te houden voor alle regio’s, voor investeringen in innovatie via slimme specialisatie strategieën, voor verdere thematische concentratie, voor een focus op lokale uitdagingen en voor grensoverschrijdende samenwerking.

3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Zoals vastgelegd in de Kamerbrief van 1 juni 2018 (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1349) over de Kabinetsappreciatie van het Commissie MFK-voorstel, richt de Nederlandse onderhandelingspositie op het MFK zich op een modern en financieel houdbaar MFK. Nieuwe uitdagingen vragen om een herijking van de invulling en prioriteiten van de EU-begroting opdat het MFK nieuwe prioriteiten zoals onderzoek en innovatie, veiligheid, migratie en klimaat sterker reflecteert. Dit vraagt een ambitieus gemoderniseerde begroting die de EU in staat stelt gezamenlijke uitdagingen adequaat en tijdig te adresseren en die effectief en efficiënt optimale Europese toegevoegde waarde genereert. Brexit vereist een neerwaartse bijstelling van het MFK; een kleinere EU vraagt om een kleiner budget. De inzet is om via bezuinigingen op bestaand beleid versterkte of nieuwe prioriteiten te financieren, als ook de financiële gevolgen van het vertrek van het Verenigd Koninkrijk op te vangen. Voorkomen moet worden dat Brexit leidt tot een onevenredig hoge rekening voor andere lidstaten en een stijging van de afdrachten. De financiering van het MFK moet rechtvaardig, transparant en simpel waarbij de lasten eerlijk moeten worden verdeeld. De Nederlandse netto betalingspositie dient ook in het komende MFK in lijn te zijn met de positie van lidstaten met een vergelijkbaar welvaartsniveau.

Het kabinet is van mening dat het cohesiebeleid, waaronder EFRO en het Cohesiefonds, vooral gericht zou moeten zijn op minder welvarende lidstaten.

EFRO is bij uitstek een fonds dat volgens het kabinet gericht zou moeten zijn op innovatie. In de huidige periode wordt daarom ook het overgrote deel van de EFRO-middelen die Nederlandse regio’s ontvangen hieraan uitgegeven. Voor de volgende periode is het kabinet van mening dat ontwikkelde lidstaten alle EFRO-middelen aan innovatie zouden moeten besteden. Naast R&D kan dit ook investeringen in niet-technologische innovatie bevatten, gericht op maatschappelijke uitdagingen waar inzet op Europees, nationaal, regionaal en stedelijk niveau van belang is, zoals de innovatieve kanten van de energietransitie, klimaatadaptatie (w.o. klimaatneutrale steden) en de grensoverschrijdende economie. Ook minder welvarende en transitieregio’s zouden een groter deel van hun middelen aan innovatie moeten besteden. Het is hierbij van belang dat innovatie-investeringen vanuit EFRO aansluiten op de investeringen die via Horizon Europe in onderzoek en innovatie worden gedaan, zodat synergie wordt gecreëerd en versnippering wordt voorkomen. Dit zou kunnen door de thematiek van Horizon Europe terug te laten komen in de regionale slimme specialisatie strategieën die regio’s opstellen als kader voor innovatie-investeringen vanuit EFRO. Daarnaast kan ook synergie gecreëerd worden met andere fondsen, zoals het ESF+ fonds. Aansluiting moet ook worden gevonden bij de instrumenten binnen het nieuw op te richten InvestEU programma. Daarnaast moet grensoverschrijdende samenwerking tussen innovatieve clusters en hotspots in Europese regio’s verder aangemoedigd worden, om de ontwikkelingsniveaus van regio’s verder te laten convergeren (in lijn met de doelstellingen van het cohesiebeleid). Samenwerking tussen smart cities zou bijvoorbeeld onder de allocatie voor stedelijke ontwikkeling gefinancierd kunnen worden. Tot slot is vereenvoudiging van de uitvoering van en controle op het beleid van belang om de administratieve lasten van de fondsen omlaag te brengen.

b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Veel inhoudelijke onderdelen van het voorstel zijn positief.

  • Het verdere gebruik van simplified cost options en de introductie van resultaatindicatoren maakt de uitvoering van de fondsen eenvoudiger.

  • De toepassing van slimme specialisatiestrategieën, die zorgen voor gerichte regionale investeringen, wordt uitgebreid van alleen innovatie naar innovatie, investeringen in mkb en digitalisering. Hiermee wordt coherentie aangebracht in de regionale economische investeringen.

  • De beperking op grensoverschrijdende samenwerking die in de huidige periode nog in de verordening staat, door een maximum percentage te stellen aan middelen die buiten de eigen regio besteed mogen worden, is in dit voorstel verdwenen. Dit is een zeer positieve ontwikkeling.

  • Het MFK-voorstel verhoogt het streefpercentage voor de bestedingen aan klimaatdoelstellingen naar 25% en voor het EFRO en Cohesiefonds lijkt de ambitie nog hoger. In het kader van de thematische concentratie worden immers zelfs de minst welvarende regio’s geacht 30% van de aan hen toegewezen middelen aan klimaatmaatregelen te besteden. De verwachting is dan ook dat de fondsen ruimschoots bijdragen aan de MFK-brede doelstelling voor climate mainstreaming, waarbij naar inschatting van de Commissie 30% van de totale financiële middelen uit het EFRO en 37% uit het Cohesiefonds zullen worden besteed aan maatregelen in het kader van het EFRO voor klimaatdoelstellingen.

  • Bepaalde activiteiten zijn uitgesloten van financiering onder het EFRO en Cohesiefonds; dit ten gunste van samenhang met milieu- en klimaatnormen zoals de Sustainable Development Goals en het Klimaatakkoord van Parijs. Het betreft bijvoorbeeld investeringen in verband met industriële metaalbewerking, luchtvaart en fossiele brandstoffen.

  • De voorgestelde hogere eisen aan nationale cofinanciering kunnen nationaal eigenaarschap bevorderen, wat een positief effect kan hebben op de toegevoegde waarde van investeringen uit EFRO en het Cohesiefonds.

  • Het kabinet steunt de voorgestelde overheveling van € 10 miljard vanuit het Cohesiefonds naar het CEF tijdens de komende programmeringsperiode, zoals ook binnen het huidige MFK is vastgelegd. Dit kan bijdragen aan effectiever inzet van EU-middelen t.b.v. transnationale infrastructuurprojecten in cohesielidstaten.

Er zijn echter ook nog een aantal aandachtspunten.

  • Nederland juicht het terugbrengen van het aantal bestedingsopties toe. Nederland zou nog verder willen gaan dan het voorstel van de Commissie. Uit het impact assessment blijkt dat innovatie de meeste Europese toegevoegde waarde heeft. Daar zouden regio’s dan ook het grootste deel van hun middelen aan moeten besteden. Op dit moment is dat niet gegarandeerd, omdat innovatie slechts een onderdeel is van de bredere beleidsdoelstelling 1 – Een slimmer Europa, waar onder andere ook steun voor mkb en digitalisering onder vallen. Deze doelstelling zou zich geheel moeten richten op innovatie, waarbinnen aandacht is voor mkb en digitalisering. Projecten rondom innovatieve ICT-oplossingen dragen bijvoorbeeld bij aan innovatie, maar ook aan digitalisering. Dit geldt ook voor andere prioritaire thema’s als klimaat. Het kabinet zet in op een hoog verplicht percentage van de bestedingen aan innovatie, afhankelijk van het ontwikkelingsniveau van de regio, ten opzichte van de overige beleidsdoelstellingen.

  • De synergie met Horizon Europe die de Commissie nastreeft, komt nog onvoldoende naar voren. Dit is belangrijk om minder welvarende lidstaten te stimuleren te investeren in hun onderzoeksinfrastructuur.

  • Klimaatverandering stelt de Unie voor grote uitdagingen die om een grensoverschrijdende aanpak vragen. Bestedingen onder het MFK, inclusief voor klimaat en duurzaamheid, moeten Europese toegevoegde waarde hebben ten opzichte van investeringen die beter op nationaal of regionaal niveau gedaan kunnen worden. Daarom zou ook hier de nadruk moeten liggen op het ontwikkelen, o.a. middels pilots en demonstratieprojecten, en naar de markt brengen van nieuwe technieken, producten of diensten die regio’s in staat stellen om deze uitdagingen het hoofd te bieden. Voor minder welvarende lidstaten zit ook Europese toegevoegde waarde in de uitrol van minder innovatieve maatregelen die bijdragen aan klimaatdoelstellingen. Voor meer ontwikkelde lidstaten zou dat een nationale of regionale aangelegenheid moeten zijn.

c) Eerste inschatting van krachtenveld

Het krachtenveld lijkt behoorlijk verdeeld. Veel netto-betalende lidstaten zitten inhoudelijk op dezelfde lijn als Nederland als het gaat om het vergroten van Europese toegevoegde waarde door een focus op innovatie. Veel netto-ontvangende lidstaten willen juist meer keuzevrijheid voor hun bestedingen uit EFRO en het Cohesiefonds. Er bestaat wel consensus over de wens om het beleid te vereenvoudigen en de eerste reacties op dat vlak zijn overwegend positief. Ook spreken veel lidstaten steun uit voor meer synergie binnen het MFK, al worden weinig lidstaten concreet in de manier om dit vorm te geven. Vrijwel alle lidstaten zijn van mening dat cohesiebeleid beschikbaar moet blijven voor alle lidstaten. Steun voor een sterkere focus op minder welvarende lidstaten, conform Nederlandse inzet, vindt beperkt steun binnen de Raad. Over grensoverschrijdende samenwerking worden weinig uitspraken gedaan.

Het Europees Parlement laat vooral de wens horen om EFRO en het Cohesiefonds voor alle Europese regio’s beschikbaar te laten blijven. Daarnaast heeft het EP in een aparte resolutie gesteld niet te willen bezuinigen op het cohesiebeleid.

4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

a) Bevoegdheid

De Commissie baseert de bevoegdheid van de EU op bepalingen in titel XVIII VWEU, in het bijzonder op artikel 177, tweede alinea VWEU, artikel 178 VWEU, en artikel 349 VWEU. Op basis van artikel 4 lid 2 onder c, VWEU, is er sprake van een gedeelde bevoegdheid voor de EU en lidstaten op het gebied van economische, sociale en territoriale samenhang. Naar de mening van Nederland heeft de EU de bevoegdheid om hierop te treden. Het kabinet kan zich vinden in de rechtsbasis waarop de Europese Commissie het voorstel baseert.

b) Subsidiariteit

Het kabinet beoordeelt de subsidiariteit als positief met een kanttekening. Europese interventie om onwenselijke verschillen in ontwikkelingsniveaus tussen de Europese regio’s weg te nemen is gerechtvaardigd. Veel bestedingsopties die nu nog mogelijk zijn in het voorstel kunnen echter beter op lokaal, regionaal of nationaal niveau geadresseerd worden.

c) Proportionaliteit

Het kabinet beoordeelt de proportionaliteit als positief met kanttekeningen. Bij de verdeling van de middelen houdt de Commissie primair rekening met de ontwikkelingsniveaus van de regio’s. Het aantal bestedingsopties zou verder teruggebracht moeten worden om de proportionaliteit te verhogen. Wanneer EFRO en het Cohesiefonds, conform de Nederlandse wens, meer worden gefocust op innovatie en grensoverschrijdende samenwerking, en vooral ten goede komen aan minder welvarende lidstaten, neemt de Europese toegevoegde waarde toe en is Europese interventie dus meer gerechtvaardigd dan nu het geval is.

5. Financiële implicaties, gevolgen voor regeldruk en administratieve lasten

a) Consequenties EU-begroting

Zoals vastgelegd in de Kamerbrief van 1 juni 2018 over de Kabinetsappreciatie van het Commissie MFK-voorstel, maken de onderhandelingen over de toekomst van EFRO en het Cohesiefonds voor wat betreft de financiële aspecten, integraal onderdeel uit van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2021–2027. Nederland hecht eraan dat besprekingen over de toekomst van EFRO en het Cohesiefonds niet vooruitlopen op de integrale besluitvorming betreffende het MFK. De beleidsmatige inzet van Nederland bij de toekomst van EFRO en het Cohesiefonds zal ondersteunend moeten zijn aan de Nederlandse inzet in de MFK-onderhandelingen zoals hierboven toegelicht, te weten een ambitieus gemoderniseerd en financieel houdbaar MFK. Dit vraagt scherpe keuzes, én bezuinigingen. Om het vertrek van het Verenigd Koninkrijk op te kunnen vangen en nieuwe prioriteiten te kunnen financieren moeten substantiële bezuinigingen worden doorgevoerd. Het kabinet streeft naar substantiële bezuinigingen binnen traditionele beleidsterreinen zoals het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en het cohesiebeleid, waarmee een aanvullende Nederlandse bijdrage als gevolg van Brexit vermeden kan worden en die ruimte bieden voor de financiering van nieuwe beleidsprioriteiten. Binnen dit kader blijft vanzelfsprekend de ruimte bestaan om op de inhoud actief in te spelen op het verloop van de onderhandelingen.

De Commissie stelt voor om in de periode 2021–2027 € 241.987 miljoen uit te trekken voor EFRO en € 41.349 miljoen voor het Cohesiefonds. Nederland zet in op een neerwaartse aanpassing van dit budget, o.a. om te compenseren voor het vertrek van het Verenigd Koninkrijk.

b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of decentrale overheden

Nederland ontvangt op basis van het voorstel een nog onbekend bedrag uit EFRO (het bedrag van ruim € 1.6 mrd dat in de Annex van de CPR wordt genoemd, is opgebouwd uit EFRO en het Europees Sociaal Fonds+, maar een verdere verdeling wordt niet gegeven). Nederland ontvangt geen middelen uit het Cohesiefonds, dat bestemd is voor lidstaten wier bnp onder 90% van het EU-gemiddelde ligt. De programma’s worden medegefinancierd door de Europese Unie tot een maximum percentage. Het gaat voor Nederland om een Europees medefinancieringspercentage van 40% (voor meer welvarende regio’s) tot 55% (voor transitieregio’s). De rest van het programma dient gefinancierd te worden door de nationale overheid, decentrale overheden of private partijen. Hoe dit moet worden verdeeld is niet in de verordening voorgeschreven en zal door de overheden onderling moeten worden afgesproken. De budgettaire gevolgen van deze afspraken worden ingepast op de begroting van de beleidsverantwoordelijke departementen, conform de regels van de budgetdiscipline. Naast medefinancier worden decentrale overheden in de verordening aangemerkt als (potentieel) begunstigden van EFRO.

c) Financiële consequenties (incl. personele) voor bedrijfsleven en burger

Het bedrijfsleven en burgers worden in de verordening aangemerkt als (potentieel) begunstigden van EFRO. Dit betekent dat de financiële consequenties voor het bedrijfsleven en de burger gunstig zijn, zonder dat een inschatting te geven is van de hoogte hiervan.

De beoogde vereenvoudiging zal ertoe leiden dat de administratieve lasten voor begunstigden waarschijnlijk worden verlaagd ten opzichte van de periode 2014–2020.

d) Gevolgen voor regeldruk/administratieve lasten voor rijksoverheid, decentrale overheden, bedrijfsleven en burger

Gezien de vergaande vereenvoudiging die bij de tenuitvoerlegging van de fondsen wordt beoogd zal de administratieve lastendruk ten opzichte van de programmaperiode 2014–2020 aanzienlijk verminderen.

e) Gevolgen voor concurrentiekracht

Beide fondsen beogen de Europese concurrentiekracht te vergroten door te investeren in economische structuurversterking. Volgens Nederland zijn daarbij vooral investeringen in innovatie en grensoverschrijdende samenwerking belangrijk. Op dat laatste punt neemt de Commissie beperkingen weg die in de periode 2014–2020 nog bestaan, wat een positief effect op de concurrentiekracht zou moeten hebben. Het is echter nog onduidelijk of met het voorstel in deze verordening meer geïnvesteerd zal worden in innovatie door de Europese regio’s. Het kabinet zet zich ervoor in dat regio’s een groot aandeel van hun middelen aan innovatie moeten besteden.

6. Implicaties juridisch

a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

De algemene regels over de uitvoering van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Visserij en Natuur, zijn opgenomen in de Regeling Europese EZ-subsidies. Specifiek voor de EFRO-fondsen geldt aanvullend de uitvoeringswet EFRO. Deze regelingen zullen naar aanleiding van deze wijzigingen moeten worden aangepast.

Naast de regels op Europees en nationaal niveau is het aan de managementautoriteiten in samenwerking met de lidstaten om de Operationele Programma’s, de subsidieplafonds, de wijze van verdeling en de criteria voor de selectie van projecten vast te stellen en te publiceren. Deze zullen ook opnieuw ingericht moeten worden.

b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I te wijzigen teneinde de nodige aanpassingen te verrichten aan de door de lidstaten te gebruiken lijst van indicatoren en om bijlage II te wijzigen teneinde de nodige aanpassingen aan te brengen aan de informatie over de prestaties die aan het Europees Parlement en de Raad wordt verstrekt. De keuze voor gedelegeerde handelingen ligt ten aanzien van deze punten juridisch gezien voor de hand omdat een bevoegdheid voor de Commissie tot wijziging van het basisinstrument (waartoe ook de bijlagen worden gerekend) alleen via delegatie kan worden verleend.

c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

De verordening treedt in werking op de twintigste dag na bekendmaking in het Europese Publicatieblad. Het kabinet acht deze termijn haalbaar.

d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

Het programma is in tijd beperkt, wat zorgt voor een natuurlijk moment van evaluatie.

7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving

EFRO en het Cohesiefonds worden uitgevoerd in gedeeld beheer tussen de lidstaten en de Europese Commissie. De uitvoering en handhaving vallen bij deze modaliteit voor een groot deel onder de taken van de lidstaten. De lidstaten dragen de verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid en doelmatigheid van de bestedingen binnen Europese wetgevingskaders en dienen hiertoe een gedegen beheers- en controlesysteem vast te stellen en te hanteren. Voor begunstigden betekent «gedeeld beheer» dat zij de kosten niet zelf declareren bij de Commissie, maar indienen bij nationale of regionale overheidsinstanties die de programma’s en subsidieregelingen opstellen, beheren en uitvoeren.

8. Implicaties voor ontwikkelingslanden

Geen