Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201322112 nr. 1535

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 1535 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 december 2012

Overeenkomstig de bestaande afspraken heb ik de eer u hierbij zes fiches aan te bieden die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC).

Fiche 1: Mededeling interne energiemarkt, (Kamerstuk 22 112, nr. 1530)

Fiche 2: Mededeling actieplan voor het verminderen van incidentele vangsten zeevogels in vistuig, (Kamerstuk 22 112, nr. 1531)

Fiche 3: Mededeling «een andere kijk op onderwijs «(Kamerstuk 22 112, nr. 1532)

Fiche 4: Mededeling blauwdruk Europese wateren (Kamerstuk 22 112, nr. 1533)

Fiche 5: Mededeling inzake verdere integratie van de Europese microstaten (Andorra, Monaco, San Marino) met de EU (Kamerstuk 22 112, nr. 1534)

Fiche 6: Mededeling een maritieme strategie voor de Adriatische en Ionische Zee

De minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans

Fiche: een maritieme strategie voor de Adriatische en Ionische Zee

1. Algemene gegevens

Titel voorstel

Mededeling van de Commissie aan het Europees parlement, de raad, het economisch en sociaal comité en het comité van de regio’s inzake een maritieme strategie voor de Adriatische en de Ionische zee.

Datum ontvangst Commissiedocument

30 november 2012

Nr. Commissiedocument:

COM(2012) 713

Nr. Impact Assessment Commissie en Opinie Impact Assessment Board

Niet opgesteld

Behandelingstraject Raad

Raad Algemene Zaken

Eerstverantwoordelijk ministerie

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

2. Essentie voorstel

In oktober 2007 heeft de Commissie haar Mededeling inzake een geïntegreerd maritiem beleid voor de EU (het zgn. «Blauwboek») uitgebracht, als kader voor een omvangrijk actieprogramma gericht op onder andere een meer geïntegreerde aanpak van maritieme aangelegenheden binnen de EU en de afzonderlijke lidstaten. In 2011 heeft de Raad haar steun uitgesproken voor de «lopende werkzaamheden van de Adriatische en Ionische lidstaten om de maritieme samenwerking met de niet-EU-buurlanden in het gebied te versterken». In de «Verklaring van Limmasol van 8 oktober 2012» is de samenwerking op zeebekkenniveau voor het EU geïntegreerd maritiem beleid herbevestigd.

Het onderhavige voorstel richt zich op een in 2013 op te stellen coherente maritieme strategie en een bijbehorend actieplan voor de Adriatische en Ionische zee. Doel is dat landen rond de genoemde zeeën (de EU lidstaten Griekenland, Italië en Slovenië, het toetredende Kroatië, de kandidaat lidstaat Montenegro, de twee potentiële kandidaat-lidstaten Albanië en Bosnië-Herzegovina) en Servië hun onderlinge samenwerking intensiveren, te beginnen bij de zee. De strategie moet er toe leiden dat lokale, regionale en nationale actoren grensoverschrijdende partnerschappen aangaan om de doelstellingen en prioriteiten van de Europa 2020 strategie in de gerichte acties om te zetten. In het bijzonder gaat het om het duurzaam ontwikkelen en gebruiken van de maritieme rijkdommen.

De strategie zal worden opgesteld langs vier pijlers:

  • 1) Optimalisatie van het potentieel van de duurzame mariene en maritieme groei (zie mededeling over Blauwe groei (COM 2012) 494, van 13 september 2012): voorwaarden voor innovatie en concurrentievermogen, zeevervoer, kust- en zeetoerisme, inclusief de benodigde aandacht voor de beleving (en bescherming) van het cultureel erfgoed onder water en in de kustgebieden, en aquacultuur;

  • 2) Gezonder zeemilieu, waaronder een goede ecologische toestand, het behoud van biodiversiteit en vermindering van zwerfafval op zee;

  • 3) Een veiliger en meer beveiligde maritieme ruimte;

  • 4) Duurzame en verantwoorde visserij.

De maatregelen zullen volgens de Europese Commissie worden gefinancierd uit bestaande programma's en zullen geen extra gevolgen voor de EU-begroting hebben.

3. Wat is de Nederlandse grondhouding ten aanzien van de bevoegdheidsvaststelling, subsidiariteit en proportionaliteit van deze mededeling en de eventueel daarin aangekondigde concrete wet- en regelgeving? Hoe schat Nederland de financiële gevolgen in, alsmede de gevolgen op het gebied van regeldruk en administratieve lasten?

De Commissie stelt geen concrete wet- of regelgeving voor. De aangekondigde strategie kan deels van rechtstreekse betekenis voor Nederland zijn. Voor zover in dit stadium reeds een oordeel over de bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit kan worden gegeven, is dat oordeel positief. De acties betreffen beleidsgebieden waarvoor de EU een bevoegdheid heeft (zoals cohesiebeleid, de strategie voor duurzame ontwikkeling, milieubeleid, het geïntegreerd maritiem beleid en de interne markt). Aangezien de strategie het aangaan van grensoverschrijdende partnerschappen betreft, wordt de subsidiariteit als positief beoordeeld, zolang de lidstaten die aan deze zeeën gelegen zijn niet in staat zijn zelf of onderling tot een effectief optreden te komen. Ook de proportionaliteit wordt positief beoordeeld. De maatregelen die worden voorgesteld om de partnerschappen aan te gaan en de doelstellingen van de Europa 2020 strategie in gerichte acties om te zetten staan in de juiste verhouding tot het beoogde doel.

Aan het voorstel zijn geen (directe) financiële gevolgen voor Nederland verbonden. Nederland gaat uit van een heroriëntatie en/of bundeling van beschikbare middelen voor de betreffende landen zelf. Indien blijkt dat er toch budgettaire gevolgen zijn aan dit voorstel dan worden deze ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels budgetdiscipline. Nederland meent daarnaast dat de betreffende landen die meedoen aan het initiatief en vanuit de EU een afweging dient te worden gemaakt tussen uitgaven dan wel investeringen in duurzame economische groei enerzijds en de algehele financiële positie van de betrokken overheden anderzijds.

In Europees verband zal het Meerjarig Financieel Kader voor de EU na 2013 leidend zijn. Hier wordt op dit moment nog over onderhandeld; de inzet van Nederland hierin is een substantiële vermindering van de afdrachten. Nieuwe projecten mogen niet ten koste gaan van reeds lopende projecten of projecten in andere gebieden. Ten aanzien van de land – zee verbindingen voor transport geldt het Nederlandse standpunt ten aanzien van de Connecting Europe Facility (Kamerstuk 22 112 nr. 1276)

4. Nederlandse positie over de mededeling

Nederland is van mening dat deze mededeling bijdraagt aan verbetering van zaken die in de Adriatische en Ionische zee tot nu toe onvoldoende van de grond zijn gekomen, waaronder het formuleren van economische doelstellingen en de verbetering van de bescherming van het mariene milieu en instandhouding en beheer van levende rijkdommen. Van belang is dat de voorgestelde strategie en samenwerking meetbare resultaten op moet leveren; onder andere ten aanzien van de afspraken over duurzame visserij onder het nieuwe Gemeenschappelijk Visserij Beleid. De prioriteitstelling voor de intensievere samenwerking tussen EU landen, kandidaat- lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten voor een veiligere en meer beveiligde maritieme ruimte juicht Nederland toe. Dat zal positief werken voor het geval daar ooit Nederlandse schepen in de problemen komen en of dreigen te komen.

Het kabinet volgt de ontwikkeling van allerlei op specifieke regio’s gerichte EU-initiatieven kritisch. Zo is er namelijk ook al een zogenaamd Artikel-185-initiatief gericht op onderzoek en innovatie rond de Oostzee, en onderzoeken geïnteresseerde lidstaten samen met de Commissie de mogelijkheid voor een soortgelijk onderzoeksprogramma rond de Middellandse Zee. Dit soort initiatieven, waarbij ook sprake is van een bijdrage van de Commissie, kunnen wat Nederland betreft een «bekroning» zijn op al langer lopende samenwerking waarbij ook echt sprake is van een duidelijk commitment van de betreffende lidstaten. Er moet echter wel gelet worden op EU-meerwaarde en de rechtvaardiging voor eventuele inzet van EU-budget, de mogelijkheid om bestaande samenwerking te versterken in plaats van nieuwe initiatieven te nemen, en gekeken worden of dergelijke initiatieven het toch al complexe onderzoekslandschap niet nodeloos ingewikkeld maken. Daarnaast wil Nederland graag dat er zoveel mogelijk samenhang is tussen deels overlappende initiatieven op verschillende beleidsterreinen (in dit geval het marien en maritiem beleid en het onderzoeks- en innovatiebeleid).

Het kabinet is verder van mening dat het opstellen of hebben van een regionale strategie geen verplichting kan zijn voor de lidstaten. Ook kan de voorgestelde (EU implementatie-)strategie voor de Adriatische en Ionische zee naar aard, bedoeling en achtergronden niet zonder meer worden «vertaald» naar de Noordzee-regio. Het kan in die zin dus niet de opmaat zijn tot een EU strategie voor de Noordzee. Indien zo’n voorstel wel volgt is het aan de Noordzeelidstaten om nut, noodzaak en toegevoegde waarde daarvan vast te stellen, mede op basis van een analyse over de Noordzeeregio door de belanghebbenden in de regio zelf (bijvoorbeeld de North Sea Commission). Dit standpunt over regionale (zee)strategieën is (her)bevestigd in de onlangs aangenomen Limassol verklaring van 8 oktober 2012 over het EU geïntegreerd maritiem beleid.