Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201222112 nr. 1342

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 1342 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 januari 2012

Overeenkomstig de bestaande afspraken heb ik de eer u hierbij 14 fiches aan te bieden die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC).

Fiche 1: Mededeling en verordening Erasmus voor Iedereen (Kamerstuk 22 112, nr. 1332)

Fiche 2: Inzake verordeningen European Venture Capital Funds en Social Entrepreneurship Funds (Kamerstuk 22 112, nr. 1333)

Fiche 3: Mededeling Oplossing van grensoverschrijdende successiebelastingproblemen in de EU (Kamerstuk 22 112, nr. 1334)

Fiche 4: Mededeling Actie Plan financiering MKB (Kamerstuk 22 112, nr. 1335)

Fiche 5: Verordening inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) (Kamerstuk 22 112, nr. 1336)

Fiche 6: Richtlijn consulaire bescherming voor burgers van de Unie in het buitenland (Kamerstuk 22 112, nr. 1337)

Fiche 7: Richtlijn hergebruik van overheidsinformatie, mededeling Open gegevens en het besluit over hergebruik van documenten van de Commissie (Kamerstuk 22 112, nr. 1338)

Fiche 8: Verordening tot vaststelling van het programma «Europe for Citizens» 2014–2020 (Kamerstuk 22 112, nr. 1339)

Fiche 9: Mededeling over mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU (Kamerstuk 22 112, nr. 1340)

Fiche 10: Verordening maatregelen niet-duurzame visserij (Kamerstuk 22 112, nr. 1341)

Fiche 11: Verordening EU-ambtenarenstatuut

Fiche 12: Mededeling Eco-innovatie Actie Plan (Kamerstuk 22 112, nr. 1343)

Fiche 13: Richtlijn betreffende de gunning van concessieopdrachten (Kamerstuk 22 112, nr. 1344)

Fiche 14: Richtlijnen betreffende het gunnen van overheidsopdrachten (Kamerstuk 22 112, nr. 1345)

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H. P. M. Knapen

Fiche: Verordening EU-ambtenarenstatuut

1. Algemene gegevens

Titel voorstel: Regulation of the European Parliament and of the Council amending the staff Regulations of Officials and the Conditions of employment of Other Servants of the European Union.

Datum Commissiedocument: 13 december 2011

Nr. Commissiedocument: COM(2011)890

Prelex: http://ec.europa.eu/prelex/detail_dossier_real.cfm?CL=nl&DosId=201195

Nr. Impact Assessment Commissie en Opinie Impact Assessment Board: N.v.t.

Behandelingstraject Raad: Raad Algemene Zaken (RAZ)

Eerstverantwoordelijk ministerie: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Rechtsbasis, besluitvormingsprocedure Raad, rol Europees Parlement, gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen:

  • a) Rechtsbasis: Art 336 VWEU

  • b) Besluitvormingsprocedure Raad en rol Europees Parlement: gewone wetgevingsprocedure, codecisie Europees Parlement.

  • c) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen: het voorstel is om de salaris- en pensioenindexatie over te dragen aan de Commissie; het betreft hier geen voorstel tot gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen in de zin van artikel 290 of 291 VWEU, maar een voorstel tot automatische aanpassing op basis van de door de lidstaten aangeleverde cijfers. De beoordeling of de zogenaamde uitzonderingsclausule van toepassing is wordt aan de Commissie gedelegeerd ex artikel 290 VWEU.

2. Samenvatting BNC-fiche

– Korte inhoud voorstel

Het voorstel behelst onder andere een continuering van het huidige principe om de salarissen en pensioenen van EU-ambtenaren jaarlijks automatisch aan te passen aan de loonontwikkeling in de publieke sector in de lidstaten (salarismethode). De Commissie stelt tegelijkertijd voor deze salarismethode op een aantal punten te wijzigen. De huidige methode vervalt per 31 december 2012. Voorts doet de Commissie een bescheiden aantal voorstellen tot besparing in verband met het begrotingsbeslag op Hoofdstuk V van de EU-begroting, dat voor 90% door deze Statuutsverordening wordt bepaald. Het gaat hierbij o.a. om een verhoging van de pensioenleeftijd van 63 naar 65 jaar en een inperking van de mogelijkheid tot vroegpensioen, waarbij het merendeel van het huidige personeel gevrijwaard zal zijn van deze inperkende maatregelen.

– Bevoegdheidsvaststelling en subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel

Het subsidiariteitsoordeel is positief. De Commissie is bevoegd voorstellen te doen op basis van artikel 336 VWEU. In artikel 298 VWEU is bepaald dat Raad en het Europees Parlement bepalingen over een Europees ambtenarenapparaat in een verordening, vastgesteld op grond van artikel 336 VWEU, vastleggen.

Het proportionaliteitsoordeel is negatief. Nederland had graag een ambitieuzer voorstel gezien dat zich richt op verdergaande hervormingen en versoberingen van de arbeidsvoorwaarden van EU-ambtenaren. De voorgestelde maatregelen leveren voor de komende periode amper besparing op ten aanzien van de administratieve uitgaven van de EU. Zo is de continuering van de automatische aanpassing van salarissen en pensioenen van EU-ambtenaren aan de loonontwikkeling in de publieke sector in de lidstaten een problematisch onderdeel, omdat de voorgestelde methode de Raad te weinig handvatten biedt om de indexatie niet toe te passen in tijden van crisis.

Het voorstel is niet in overeenstemming met de nominale nulgroei die Nederland voor de administratieve EU-uitgaven voor ogen staat. Integendeel, onder het huidige voorstel zullen de administratieve kosten van de EU blijven oplopen. De Commissie zegt met dit voorstel uit te komen op een besparing van € 1 miljard, maar heeft geen financiële impact assessment bij het voorstel gevoegd dat een goede inzage in de precieze financiële effecten van het voorstel onmogelijk maakt. Ook met deze besparing zouden de administratieve uitgaven van de EU met meer dan de inflatie blijven stijgen. Dit is met name het effect van de stijgende pensioenkosten ten gevolge van de uittreding van EU-personeel behorende tot de babyboomgeneratie.

De budgettaire effecten van de Commissievoorstellen zijn derhalve naar het oordeel van Nederland niet proportioneel ten opzichte van de te realiseren doelen.

– Implicaties/risico’s/kansen

De Nederlandse inzet is om tot nominale nulgroei te komen van Hoofdstuk V van de EU-begroting (de administratieve uitgaven)1. Het voorliggende voorstel bemoeilijkt de realisatie van dit uitgangspunt, mede gelet op het vigerende begrotingsstelsel voor de financiering van de EU-pensioenen. Daarom zal Nederland, in samenspraak met een groep gelijkgezinde lidstaten, een ingrijpend pakket ombuigingen nastreven om het gestelde doel te realiseren. Als gevolg van de financieel-economische crisis zal een grote groep lidstaten in 2012 kritisch willen kijken naar deze administratieve uitgaven. Voor Nederland zijn vooral de stijgende EU-pensioenlasten een punt van zorg.

Risico’s zijn conflicten met de Europese bonden en het Europees Parlement dat zich op dit dossier doorgaans solidair met de bonden en de Commissie opstelt. Er liggen moeizame onderhandelingen in het verschiet.

– Nederlandse positie en eventuele acties

Nederland kan niet instemmen met het voorstel. De voortzetting van de huidige methodiek voor aanpassing van de salarissen en pensioenen in combinatie met de in de ogen van het kabinet tekortschietende hervormingsvoorstellen op het terrein van pensioenen, automatische bevorderingen en vergoedingen is voor het kabinet niet acceptabel. Het kabinet acht een verdergaande modernisering en versobering van het pensioensysteem, de bevorderingssystematiek en het stelsel van vergoedingen voor EU-personeel gewenst om de arbeidsvoorwaarden voor EU-ambtenaren meer in lijn te brengen met die in de lidstaten en de totale kosten voor administratieve uitgaven in de hand te houden. Zoals eerder gemeld aan de Kamer zet het kabinet in op een nominale bevriezing van de administratieve uitgaven van de EU. Dit betekent dat, ten opzichte van het Commissievoorstel voor het MFK-plafond voor Hoofdstuk V, een besparing van € 7 miljard nodig is.

Het kabinet wenst eerst een vaststelling te zien van het uitgavenplafond voor Hoofdstuk V van het Meerjarig Financieel Kader (MFK), opdat de Commissie vervolgens een nieuw voorstel voor het ambtenarenstatuut zal presenteren met verdergaande hervormingen. Het is bovendien noodzakelijk dat de Commissie inzicht geeft in de financiële consequenties van het voorliggende voorstel. Nederland zal hierop aandringen. Nederland zal, samen met een groep gelijkgezinde lidstaten, in de onderhandelingen pleiten voor verdergaande hervormingen en versoberingen van de EU-arbeidsvoorwaarden.

3. Samenvatting voorstel

– Inhoud voorstel

Het voorstel bevat een tiental (deels technische) aanpassingen van het Statuut. De belangrijkste zijn:

  • Een continuering van «de methode» van volautomatische indexatie van salarissen en pensioenen, op basis van een weging van nationale ambtenarensalarissen, economische pariteiten en (bijzondere) prijsmetingen (Annex XI van het Ambtenarenstatuut). De Commissie stelt enkele wijzigingen voor van de methode. Zo wil de Commissie de EU-salarissen en pensioenen voortaan baseren op de loonontwikkeling in alle lidstaten, in plaats van acht referentielanden. Ook stelt de Commissie een looptijd voor de methode voor van tien jaar. Wat betreft de uitzonderingsclausule (artikel 10 Annex XI) stelt de Commissie een clausule voor waarmee in geval van crisis wel salarisverhogingen kunnen worden uitgesteld, maar niet afgesteld.

  • Voor wat de pensioenen betreft, wordt voorgesteld door te gaan met het «notional fund» (Annex XII) voor de premieberekening. De Commissie gaat hierbij uit van een virtueel pensioenfonds. De reële pensioenkosten stijgen, maar hiervoor worden geen navenante reserveringen ingeboekt. In de praktijk draagt het personeel slechts circa 10% van zijn salaris af ten behoeve van de pensioenverplichtingen, hetgeen niet toereikend is.

  • De Commissie stelt daarnaast een aantal neerwaartse aanpassingen van het pensioenstelsel voor. Zo wordt de pensioensgerechtigde leeftijd verhoogd van 63 naar 65 jaar en wordt de mogelijkheid tot vroegpensioen beperkt. Evenwel zullen voor de meeste zittende personeelsleden garantiebepalingen gelden, zodat materiële opbrengsten in de periode 2013–2023 naar verwachting uitblijven.

  • De Commissie wil het aantal automatische bevorderingen die een personeelslid geniet tijdens zijn carrière terugbrengen van tien naar negen.

  • De Commissie stelt voor de werktijd te verlengen naar veertig uur.

  • De aanvullende heffing op salarissen (solidariteitsheffing) wordt verhoogd van 5,5% naar 6%.

  • Het voorstel is dat EU-instellingen maatregelen kunnen nemen om te zorgen voor een betere geografische spreiding van EU-ambtenaren over de lidstaten, indien er sprake is van een langdurige en grote onevenwichtigheid. Competentie blijft het uitgangspunt voor de rekrutering.

– Impact assessment Commissie

N.v.t.

4. Bevoegdheidsvaststelling en subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel

a) Bevoegdheid

De Commissie is bevoegd deze voorstellen te doen op basis van artikel 336 VWEU. Op basis van dit artikel stellen het EP en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure na raadpleging van andere betrokken instellingen, bij verordeningen het statuut vast van de ambtenaren van de EU, alsmede de regeling welke van toepassing is op andere personeelsleden van de Unie. Volgens Nederland is dit de juiste rechtsbasis.

b) Subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel

Het subsidiariteitsoordeel is positief. In artikel 298 WVEU is bepaald dat de Raad en het Europees Parlement bepalingen over een Europees ambtenarenapparaat in een verordening, vastgesteld op grond van artikel 336 VWEU, vastleggen.

Het proportionaliteitsoordeel is negatief. Nederland had graag een ambitieuzer voorstel gezien dat zich richt op verdergaande hervormingen en versoberingen van de arbeidsvoorwaarden van EU-ambtenaren. De voorgestelde maatregelen leveren voor de komende periode amper besparing op ten aanzien van de administratieve uitgaven van de EU. Zo is de continuering van de automatische aanpassing van salarissen en pensioenen van EU-ambtenaren aan de loonontwikkeling in de publieke sector in de lidstaten een problematisch onderdeel, omdat de voorgestelde methode de Raad te weinig handvatten biedt om de indexatie niet toe te passen in tijden van crisis.

Het voorstel is niet in overeenstemming met de nominale nulgroei die Nederland voor de administratieve EU-uitgaven voor ogen staat. Integendeel, onder het huidige voorstel zullen de administratieve kosten van de EU blijven oplopen. De Commissie zegt met dit voorstel uit te komen op een besparing van € 1 miljard, maar heeft geen financiële impact assessment bij het voorstel gevoegd dat een goede inzage in de precieze financiële effecten van het voorstel mogelijk maakt. Ook met deze besparing zouden de administratieve uitgaven van de EU met meer dan de inflatie blijven stijgen. Dit is met name het effect van de stijgende pensioenkosten ten gevolge van de uittreding van EU-personeel behorende tot de babyboomgeneratie.

De budgettaire effecten van de Commissievoorstellen zijn derhalve naar het oordeel van Nederland niet proportioneel ten opzichte van de te realiseren doelen.

c) Nederlands oordeel over de voorstellen op het gebied van gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen

In de status quo stelt de Raad middels een Raadsverordening jaarlijks op voorstel van de Commissie en op basis van de indexatie de aanpassingen vast voor wat betreft de hoogte van de salarissen en de pensioenen van de EU-ambtenaren. Nederland hecht eraan dat deze bevoegdheid van de Raad in de toekomst behouden blijft en bovendien zo wordt vormgegeven dat de Raad deze op een geloofwaardige manier kan inzetten.

Indien Nederland te zijner tijd zou kunnen instemmen met een nieuwe salarisaanpassingsmethode, kan het niet instemmen met voorstel om de technische uitvoering van de salaris- en pensioenindexatie (eventuele toepassing) aan de Commissie over te dragen. In het verleden is meermaals gebleken dat de interpretatie van de Commissie van nationale parameters tot vertekende uitkomsten leidde. Het moet mogelijk blijven om op aanwijzing van experts op het gebied van statistiek ex artikel 65 van het Statuut of naar aanleiding van besprekingen binnen de Raad hersteloperaties vast te stellen. De Commissie moet zich hier voor open stellen. Ook voor wat betreft de zogenaamde uitzonderingsclausule stelt Nederland zich op het standpunt dat de beoordeling of er sprake is van een economische crisis die noopt tot alternatieve salarisvoorstellen niet (enkel) aan de Commissie gedelegeerd zou mogen worden.

5. Financiële implicaties, gevolgen voor regeldruk en administratieve lasten

a) Consequenties EU-begroting

Volgens de Commissie brengen haar voorstellen over de MFK-periode 2014–2020 een besparing op van circa € 1 miljard in Hoofdstuk V van de begroting. De onderbouwing van deze besparingen heeft de Commissie niet gegeven. Aangezien de uitgaven in categorie V door autonome groei met meer dan de inflatie doorgroeien, kan alleen een veel verdergaand pakket aan maatregelen leiden tot de door het kabinet gewenste nominale bevriezing van de categorie Administratie in de EU-begroting. Over de MFK-periode 2014–2020 acht het kabinet een besparing nodig van ongeveer € 7 miljard ten opzichte van het Commissievoorstel voor het MFK-plafond voor Hoofdstuk V.

b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/of decentrale overheden

Indien de administratieve uitgaven van de EU blijven stijgen, kan dit op termijn de nationale afdrachten ten behoeve van de EU-begroting doen toenemen.

c) Financiële consequenties (incl. personele) voor bedrijfsleven en burger

In bepaalde segmenten van het bedrijfsleven (luchtverkeersleiders, patenten, en dergelijke) oriënteert men zich rechtstreeks op de EU-salarissen, waaruit prijsverhogingen voortkomen voor luchtruimte gebruikers en patentaanvragers.

d) Gevolgen voor regeldruk/administratieve lasten voor rijksoverheid, decentrale overheden, bedrijfsleven en burger

N.v.t.

6. Implicaties juridisch

a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

N.v.t.

b) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

De huidige methode voor het vaststellen van de aanpassingen van de EU-ambtenarensalarissen en -pensioenen loopt af per 31 december 2012. Het is van belang dat ten aanzien van dit voorstel voor wijziging van het statuut geen onomkeerbare stappen worden gezet alvorens een plafond wordt vastgesteld voor de categorie Administratie in het Meerjarig Financieel kader 2014–2020 in de context van onderhandelingen over dit MFK. Vanuit deze optiek is inwerkingtreding van de wijzigingsvoorstellen per 1 januari 2013 mogelijk niet haalbaar.

c) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

Nederland acht de voorgestelde horizonbepaling van tien jaar voor Annex XI (de methode voor aanpassing van salarissen en pensioenen) niet wenselijk. Deze zou teruggebracht moeten worden naar bijvoorbeeld 2020, gelijk aan de looptijd van het MFK.

7. Implicaties voor uitvoering en handhaving

a) Uitvoerbaarheid

N.v.t.

b) Handhaafbaarheid

N.v.t.

8. Implicaties voor ontwikkelingslanden

Geen.

9. Nederlandse positie

Nederland heeft de afgelopen jaren de nodige hervormingen ingevoerd in de publieke sector om deze te moderniseren en de kosten van de nationale administratie in toom te houden. Voor wat betreft het Europese bestuur staat Nederland dezelfde lijn voor. De EU-ambtenarij dient gemoderniseerd te worden, waarbij aandacht moet zijn voor de snel stijgende kosten van de salarissen en pensioenen.

Bovendien stelt de Nederlandse regering zich op het standpunt2 dat, zoals meerdere malen aan de Kamer gemeld, de administratieve uitgaven als onderdeel van de EU-begroting de komende jaren nominaal bevroren zouden moeten worden. De personeelskosten, die immers het merendeel van de administratieve kosten vormen, dienen hiertoe beteugeld te worden.

Ter verwezenlijking van dit uitgangspunt heeft Nederland in samenwerking met gelijkgezinde lidstaten meermaals getracht de Commissie ertoe te bewegen met ambitieuze voorstellen te komen. Suggesties die Nederland samen met deze lidstaten aan de Commissie heeft gedaan betreffen onder andere de hervorming van het pensioenstelsel. De oplopende pensioenverplichtingen zijn voor Nederland een punt van grote zorg. Omdat de naoorlogse baby-boomers de komende periode met pensioen gaan, zullen de pensioenuitgaven tussen 2013 en 2020 naar verwachting verdubbelen tot circa € 2,2 miljard per jaar om in de jaren daarna nogmaals te verdubbelen. Suggesties zijn o.a.: een grotere bijdrage van het personeel aan de kosten van het pensioen, een op korte termijn geldende verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd zonder dat het zittende personeel daarvan gevrijwaard wordt, het afschaffen van de mogelijkheid om voortijdig uit te treden zonder dat het zittende personeel deze optie behoudt, het afschaffen van de automatische bevorderingen zoals die in het huidige systeem worden gegarandeerd, het invoeren van een middelloonstelsel in de pensioenen, het maximeren van het pensioen op een lager niveau, het gradueel sterk verhogen van de solidariteitsheffing (een correctie op de in absolute zin hoge EU-salarissen) en het heroverwegen van een automatische jaarlijkse aanpassing van de salarissen en pensioenen. Daarnaast acht Nederland het wenselijk dat gekomen wordt tot een versobering van de verschillende toelagen die EU-ambtenaren kennen.

Nederland moet helaas constateren dat weinig van bovenstaande inzet valt terug te lezen in het voorliggende Commissievoorstel, dat naar het oordeel van de regering in ambitie tekort schiet. De Commissie stelt onder meer voor de automatische indexatie voor de salarissen en pensioenen in stand te houden. Hoewel Nederland bij vorige statuutswijzigingen heeft ingestemd met een automatische indexatie voor de ambtelijke (en bestuurlijke) salarissen en pensioenen in Brussel om jaarlijks terugkerende discussies op dit punt te vermijden, lijkt deze positie onder de huidige omstandigheden niet gemakkelijk opnieuw te kunnen worden verantwoord. De Commissie heeft tevens haar indexatievoorstel aangevuld met elementen die de salarisverhogingen en prijscompensaties verder kunnen opstuwen. Zo wil de Commissie de uitvoering van de salarisaanpassing geheel bij zichzelf leggen en ontbreekt een reële afwijkingsmogelijkheid voor de Raad in geval van een crisis. Dit is problematisch, omdat, in het verleden de Commissie zich niet bereid heeft betoond medewerking te verlenen aan noodzakelijke afwijkingen van het automatisme. Immers legde de Commissie in 2011 twee keer een verzoek van de Raad ex artikel 10 Annex XI van het Statuut (de zogenaamde «uitzonderingsclausule») naast zich neer om, gelet op de economische crisis, meer gepaste voorstellen in te dienen inzake de salarisaanpassing voor de periode juli 2010–juli 2011.

Het voorstel de werktijd van EU-personeel te verlengen levert geen daadwerkelijke besparingen op, aangezien het merendeel van het EU-personeel reeds in de status quo gewend is meer dan een volledige werkweek te draaien, en de academische graden daar niet additioneel voor gecompenseerd worden.

Het risico dat, op het moment dat de EU-ambtenarensalarissen worden bevroren, de EU-instellingen kwalitatief minder hoogstaand personeel kunnen aantrekken, wordt door de regering als laag ingeschat, gelet op het hoge absolute niveau van de huidige arbeidsvoorwaarden. Ter vergelijking: de salarissen van EU-beleidsambtenaren beslaan thans bij benadering netto circa drie keer het niveau van Nederlandse ambtenaren.3

Nederland kan om bovenstaande overwegingen niet instemmen met het voorstel, en wenst eerst een vaststelling te zien van het uitgavenplafond voor Hoofdstuk V van het Meerjarig Financieel Kader (MFK), opdat de Commissie vervolgens een nieuw voorstel zal presenteren met verdergaande hervormingen.

Nederland zal in het kader van de hervorming van het ambtenarenstatuur tevens aandacht vragen voor een ander onderdeel van de arbeidsvoorwaarden van de EU-ambtenaren, namelijk de hoge mate van persoonlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij de uitvoering van projecten. Dit leidt tot risicomijdend gedrag van EU-ambtenaren bij de behandeling van projecten, hetgeen de uitvoering en doorloop van projecten nadelig beïnvloedt.

Relatie met Meerjarig Financieel Kader

De onderhandelingen over het EU-ambtenarenstatuut maken voor wat betreft de financiële aspecten integraal onderdeel uit van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2014–2020. Nederland hecht eraan dat besprekingen over het EU-ambtenarenstatuut niet vooruitlopen op de integrale besluitvorming betreffende het MFK. De beleidsmatige inzet van Nederland bij de hervorming van het EU-ambtenarenstatuut zal ondersteunend moeten zijn aan de Nederlandse inzet in de MFK-onderhandelingen, te weten een substantiële vermindering van de Nederlandse afdrachten aan de EU en een hervormde begroting die is toegespitst op de prioriteiten van dit decennium. Binnen dit kader blijft vanzelfsprekend de ruimte bestaan om op de inhoud actief in te spelen op het verloop van de onderhandelingen.


X Noot
1

Zie de brieven van de regering over de MFK-onderhandelingen: Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 21 501-20, nr. 529, Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 21 501-20, nr. 553, en Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 21 501-20, nr. 601.

X Noot
2

Zie hiervoor de brieven van de regering over de MFK-onderhandelingen: Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 21 501-20, nr. 529, Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 21 501-20, nr. 553, en Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 21 501-20, nr. 601.

X Noot
3

Het betreft hier een ruwe vergelijking, afhankelijk van de omstandigheden kunnen de netto salarisverschillen groter of kleiner uitpakken. Het verschil is niet alleen het gevolg van het hoge bruto salaris en de lage belastingen voor EU-personeel, maar ook van de verschillende extra vergoedingen waarvoor het EU-personeel in aanmerking komt. In de optiek van de regering zijn deze (expat-)vergoedingen weliswaar gebruikelijk bij personeel dat tijdelijk in het buitenland wordt gestationeerd, maar niet gepast voor EU-ambtenaren die hun leven lang in Brussel werken en wonen.