Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201122112 nr. 1191

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 1191 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 juli 2011

Overeenkomstig de bestaande afspraken heb ik de eer u hierbij zeven fiches aan te bieden dat werd opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC).

  • Fiche 1: Verordening vaststelling van de lijst visumplicht voor derdelanders

  • Fiche 2: Richtlijn gebruikswijzen verweesde werken (kamerstuk 22 112, nr. 1192)

  • Fiche 3: Mededeling bescherming financiële belangen EU, via strafrecht en administratieve onderzoeken (kamerstuk 22 112, nr. 1193)

  • Fiche 4: Verordening handhaving intellectuele-eigendomsrechten door de douane (kamerstuk 22 112, nr. 1194)

  • Fiche 5: Mededeling Intellectueel Eigendom (kamerstuk 22 112, nr. 1195)

  • Fiche 6: Mededeling normalisatie (kamerstuk 22 112, nr. 1196)

  • Fiche 7: Richtlijn over energie-efficiëntie (kamerstuk 22 112, nr. 1197)

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

H. P. M. Knapen

Fiche: Verordening vaststelling van de lijst visumplicht voor derdelanders

1. Algemene gegevens

Titel voorstel: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld.

Datum Commissiedocument: 24 mei 2011

Nr. Commissiedocument: COM(2011) 290 final

Prelex: http://ec.europa.eu/prelex/detail_dossier_real.cfm?CL=nl&DosId=200471

Nr. impact-assessment Commissie en Opinie Impact-assessment Board: Niet opgesteld

Behandelingstraject (Europese) Raad: Het voorstel zal worden behandeld in de Raadswerkgroep Visa en SCIFA en worden geagendeerd voor de JBZ-Raad. De datum van behandeling in de JBZ-Raad is onbekend.

Eerstverantwoordelijk ministerie: Het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Rechtsbasis, besluitvormingsprocedure Raad, rol Europees Parlement, gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen:

a) Rechtsbasis

Artikel 77(2) (a) VWEU

b) Besluitvormingsprocedure Raad en rol Europees Parlement

Gewone wetgevingsprocedure: de Raad stemt met gekwalificeerde meerderheid, het Europees Parlement heeft medebeslissingsrecht.

c) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen

De Commissie stelt voor dat aan haar uitvoeringsbevoegdheden worden verleend, ter uitvoering van de mogelijkheid om de visumvrijstelling op te schorten. De Commissie stelt voor dat zij bijstand krijgt van een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten. De te volgen procedure is de zogenoemde onderzoeksprocedure (artikel 5 van de Comitologieverordening 182/2011)

2. Samenvatting BNC-fiche

• Korte inhoud voorstel

Het voorstel betreft de aanpassing van Verordening 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld.

De aanpassingen hebben betrekking op het instellen van een noodremprocedure voor het snel kunnen opschorten van vrijstelling van de visumplicht voor onderdanen uit derde landen in geval van spoedeisende situaties en het in lijn brengen van bepaalde voorzieningen met de bepalingen van de Verordening 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode en het EU-werkingsverdrag.

• Bevoegdheidsvaststelling en subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel

Bevoegdheid: De bevoegdheid van de EU voor aanpassing van Verordening 539/2001 vloeit voort uit artikel 77(2) (a) VWEU.

Subsidiariteit: positief

Proportionaliteit: positief

• Implicaties/risico’s/kansen

Als gevolg van het EU-werkingsverdrag draagt het voorstel bij aan verdere harmonisatie van het visumbeleid van de lidstaten en legt het, op punten, meer regie bij de Europese Commissie. Aangezien met het visumbeleid ook specifieke Nederlandse belangen worden gediend, heeft dit als risico dat die belangen dienstig worden aan de bredere EU-belangen. Echter biedt het voorstel ook kansen de Nederlandse belangen meer te incorporeren in het gemeenschappelijke EU-visumbeleid van de lidstaten.

• Nederlandse positie en eventuele acties

Nederland steunt de beoogde verdergaande harmonisatie van het visumbeleid, waarbij de inzet zal zijn gericht op het borgen van de diverse Nederlandse belangen die met visumverlening zijn gediend. Ten aanzien van de noodremprocedure steunt Nederland het streven om die uitsluitend in uitzonderlijke gevallen in te zetten, in noodsituaties die met het opschorten van de visumvrijdom kunnen worden bestreden.

3. Samenvatting voorstel

• Inhoud voorstel

Het voorstel heeft betrekking op aanpassing van Verordening 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld.

De aanpassingen hebben betrekking op:

  • Het instellen van een noodremprocedure voor het snel kunnen opschorten van vrijstelling van de visumplicht voor nationaliteiten uit derde landen in geval van spoedeisende situaties;

  • Het in lijn brengen van bepaalde voorzieningen met de betreffende bepalingen van het EU-werkingsverdrag, zoals het mechanisme van reciprociteit;

  • Het in lijn brengen met definities van Verordening 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode;

  • Verduidelijking van de regelgeving op het gebied van de visumplicht en vrijstelling van de visumplicht voor vluchtelingen en staatlozen;

  • Het aannemen van een nieuwe voorziening ten aanzien van verplichtingen voor bepaalde lidstaten die voortvloeien uit eerdere EU- of internationale overeenkomsten, op grond waarvan van het gemeenschappelijke visumbeleid moet worden afgeweken.

  • Het verder harmoniseren van het vaststellen van de visumplicht voor bepaalde categorieën waar lidstaten tot op heden hun eigen beleid konden voeren, namelijk voor houders van diplomatieke of dienstpaspoorten en voor zeelieden.

  • Verduidelijking van de regelgeving op het gebied van de visumplicht en vrijstelling van de visumplicht voor houders van laissez-passers van bepaalde categorieën organisaties.

• Impact assessment Commissie

Niet van toepassing

4. Bevoegdheidsvaststelling en subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel

a) Bevoegdheid

De bevoegdheid van de EU voor aanpassing van Verordening 539/2001 vloeit voort uit artikel 77(2) (a) VWEU. Op grond van dit artikel is de EU bevoegd een gemeenschappelijk beleid betreffende visa te ontwikkelen. Nederland is van mening dat dit de juiste rechtsgrondslag is.

b) Subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel

Subsidiariteit: positief

Visa voor kort verblijf zijn op EU-niveau geharmoniseerd. Ten aanzien van nieuwe elementen, zoals een noodremprocedure bij plotselinge instroom asielzoekers en illegale immigranten, ligt het treffen van maatregelen op EU-niveau voor de hand vanuit het oogpunt van uniforme implementatie en handhaving.

Proportionaliteit: positief

Het betreft aanpassing van een bestaande verordening. Een verordening is hier het juiste instrument, aangezien de opschortingsplicht in de gehele Unie op uniforme wijze moet worden uitgevoerd. Het opschorten van de visumvrijheid ziet op noodsituaties. Bovendien zijn er voldoende waarborgen in het mechanisme om daadwerkelijk vast te stellen dat er sprake is van een dergelijke noodsituatie. Het optreden gaat niet verder dan nodig is.

c) Nederlands oordeel over de voorstellen op het gebied van comitologie en/of delegatie

De Commissie stelt voor dat aan haar uitvoeringsbevoegdheden worden verleend, ter uitvoering van de mogelijkheid om de visumvrijstelling op te schorten. De Commissie stelt voor dat zij bijstand krijgt van een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten. De te volgen procedure is de zogenoemde onderzoeksprocedure (artikel 5 van de Comitologieverordening 182/2011). Nederland acht dit de juiste keuze.

Uitvoeringshandelingen (artikel 291 VWEU) zijn het juiste instrument, aangezien het hier gaat om een concrete toepassing van de verordening. Gedelegeerde handelingen (artikel 290 VWEU) liggen hier niet voor de hand.

Nederland wijst hier nog specifiek op het punt dat het mogelijk kan zijn dat de opschortingsmaatregel met urgentie moet worden toegepast. In dat geval kunnen op grond van de comitologieverordening 182/2011 en het standaard Reglement van Orde voor comités de termijnen voor besluitvorming worden aangepast. Zo kan in naar behoren gemotiveerde gevallen de termijn voor het toezenden van stukken worden verkort, en speelt urgentie ook een rol bij het vaststellen van de termijn waarbinnen het comité dient te adviseren.

In het voorstel van de Commissie wordt aangegeven dat de Commissie binnen drie maanden na kennisgeving dat er sprake is van een noodsituatie een uitvoeringsbesluit kan vaststellen. Naar mening van Nederland verbindt de Commissie zich hier om ook daadwerkelijk binnen drie maanden een besluit vast te stellen. Deze specifieke termijn voor optreden kan ook gevolgen hebben voor de termijnen waarbinnen een comité dient beslissen.

5. Financiële implicaties, gevolgen voor regeldruk en administratieve lasten

a) Consequenties EU-begroting

n.v.t.

b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/of decentrale overheden

n.v.t.

c) Financiële consequenties (incl. personele) voor bedrijfsleven en burger

n.v.t.

d) Administratieve lasten/regeldruk voor rijksoverheid, decentrale overheden, bedrijfsleven en burger

n.v.t.

6. Implicaties juridisch

a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

N.v.t.; het voorstel behelst geen handhavings- of sanctioneringsbepalingen.

b) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

Nog niet bekend; het voorstel bevat geen tijdsplanning.

c) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

N.v.t.; het voorstel bevat geen evaluatie- of horizonbepalingen.

7. Implicaties voor uitvoering en handhaving

a) Uitvoerbaarheid

Indien er aanleiding bestaat het instrument van een noodremprocedure in te zetten, zal dit tijdelijk tot herinvoering van de visumplicht leiden, conform de bestaande bevoegdheden en infrastructuren.

b) Handhaafbaarheid

In de situatie als genoemd onder a) geschiedt handhaving van de visumplicht eveneens conform de bestaande bevoegdheden en infrastructuren, d.w.z. vooral door de controles aan de buitengrenzen van het Schengengebied.

8. Implicaties voor ontwikkelingslanden

Geen.

9. Nederlandse positie

Nederland steunt de beoogde verdergaande harmonisatie van het visumbeleid.

Ten aanzien van de noodremprocedure, die tegemoet komt aan de verklaring van Commissaris Malmström in de JBZ Raad van november 2010 naar aanleiding van de Nederlandse interventie in deze Raad, steunt Nederland het streven om die uitsluitend in uitzonderlijke gevallen in te zetten, in noodsituaties van plotselinge toestroom van onderdanen uit het desbetreffende derde land die met het opschorten van de visumvrijdom kunnen worden bestreden.

Nederland zal erop inzetten dat de noodremprocedure snel en efficiënt moet kunnen worden ingezet bij plotselinge ontwikkelingen die te maken hebben met een abnormaal hoge instroom, misbruik asielprocedure, niet meewerken terugkeer en een gevaar voor openbare orde of veiligheid

Voorts worden de omstandigheden waarin de noodremprocedure kan worden toegepast in het voorstel aangeduid met percentages toegenomen aantallen asielzoekers, illegalen en afgewezen overnameverzoeken binnen vaste tijdvakken. Nederland zal erop inzetten dat de noodsituaties niet op deze manier worden afgebakend, maar dat deze zich meer richten op o.a. de absorptiecapaciteit van de lidstaten.

Ten slotte zal Nederland erop letten dat besluitvorming snel, in ieder geval binnen de drie door de Commissie voorgestelde maanden, kan plaatsvinden. De comitologieverordening biedt ten aanzien van termijnen voldoende flexibiliteit, maar het is zaak dat in de verordening zelf een termijn waarbinnen de Commissie een besluit kan nemen, blijft staan.

De overige componenten van het voorstel kan Nederland grotendeels steunen. Ook hierbij zal de Nederlandse inzet zijn gericht op het borgen van de Nederlandse belangen die met visumverlening zijn gediend.