Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201721501-33 nr. 625

21 501-33 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie

Nr. 625 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 december 2016

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken over de brief van 23 november 2016 over de Geannoteerde Agenda Energieraad 5 december 2016 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 617), over de brief van 8 juli 2016 over de antwoorden op vragen commissie over de informele Energieraad op 12 en 13 juli 2016 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 610), over de brief van 12 augustus 2016 over het verslag Informele Energieraad op 12 en 13 juli 2016 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 612) en over de brief van 22 augustus 2016 over het kwartaaloverzicht Europese consultaties april – juni op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken (Kamerstuk 22 112, nr. 2187).

De vragen en opmerkingen zijn op 28 november 2016 aan de Minister van Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 30 november 2016 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

Adjunct-griffier van de commissie, Konings

Inhoudsopgave

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

     
 

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

3

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

4

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

4

     

II

Antwoord / Reactie van de Minister

5

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de formele Energieraad die op 5 december 2016 onder Slowaaks voorzitterschap zal plaatsvinden. Deze leden zijn benieuwd naar het Winterpakket 2016 dat tijdens deze Raad gepresenteerd gaat worden maar blijven kritisch op extra regelgeving vanuit Europa. Op het gebied van energie zien zij het belang van Europese samenwerking, maar onze leveringszekerheid, de kosten voor de Nederlandse huishoudens en het bedrijfsleven en het verlagen van regeldruk blijven speerpunten. Hierdoor zien de leden van de VVD-fractie risico’s bij het invoeren van Europese pakketten in het goed functionerende Nederlandse energiesysteem.

Regionale samenwerking kan het Nederlandse energiesysteem verder aanvullen. De regio waarin Nederland is ingedeeld, namelijk met Spanje en Portugal, is voor de leden van de VVD-fractie een onlogische indeling. Kan de Minister aangeven of dit de samenwerking ten goede zal komen? Zijn er verschillen in systematiek of techniek die eerst opgelost moeten worden en zo ja, welke zijn dat? Hoe worden de kosten gedragen van deze aanpassingen? In hoeverre zal deze regio de betaalbare, betrouwbare en schone energievoorziening van Nederland verbeteren of juist in gevaar brengen?

Ook fysiek mag onze aardgaslevering niet in gevaar komen. De solidariteitsafspraken waar de Commissie mee komt, leveren volgens de geannoteerde agenda ernstige veiligheidsrisico’s op. Dit is voor deze leden uitgesloten. Solidariteit met buurlanden in geval van nood is een goed voorstel, maar niet als onze huishoudens en ondernemers in gevaar worden gebracht. Graag horen zij van de Minister welke veiligheidsrisico’s dit voorstel met zich mee brengt en welke inzet de Minister hierop heeft.

De integratie van steeds meer duurzame energie op ons energiesysteem zorgt voor de transitie naar een schone energievoorziening, maar mag de betrouwbaarheid van onze energievoorziening niet in gevaar brengen. De voor dit doel op te stellen energie- en klimaatplannen zijn hiervoor volgens de leden van de VVD-fractie van belang. Wel vragen deze leden zich af of de rapportages die Nederland al kent op het gebied van energie hier niet al in voorzien? Welke extra rapportages moeten er komen en welke regeldruk levert dit de ondernemer op? Zij wachten beoordelingen op nieuwe wetgeving door middel van BNC-fiches dan ook graag af. De CO2-reductie op Europees niveau moet leidend zijn. CO2-uitstoot is het probleem en daar moet de extra wetgeving vanuit Europa op Europees niveau op sturen. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister ook in te gaan op de mogelijkheid die de wetgeving biedt om op nationaal niveau te kunnen kijken welke maatregelen er genomen moeten worden om de doelen uit de wetgeving te behalen.

Samenwerking met landen buiten Europa, zoals India en China is voor de leden van de VVD-fractie een belangrijk onderdeel van de energietransitie. Waar Europa hard werkt aan de transitie naar een schone energievoorziening moet deze transitie in veel landen nog beginnen. Op innovatie kan er samenwerking gezocht worden. Dit kan weer bijdragen aan het eerder behalen van onze doelen: een betrouwbare, betaalbare en schone energievoorziening.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de formele Energieraad van 5 december 2016. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.

Klopt het dat de Europese Commissie op 30 november met voorstellen komt voor een herziening van de Energie-efficiëntierichtlijn, de richtlijn Energieprestaties van gebouwen, en de richtlijn Hernieuwbare energie? Welke wijzigingen zullen hierin worden voorgesteld? Op welke manier zal hierin rekening worden gehouden met het Klimaatverdrag van Parijs?

Wanneer moeten de nieuwe energie- en klimaatplannen in Brussel worden ingediend? Op welke manier gaat hierop toegezien worden?

Is er daadwerkelijk behoefte aan aanvullende regels voor de manier waarop de lidstaten hun hernieuwbare energie opwekken? Is er nog verschil tussen hernieuwbare energie en duurzame energie?

Wanneer is een Europees systeem voor garanties van oorsprong voor grijze stroom te verwachten?

Hoe verhouden de voorstellen over klimaatactie uit de Energie-Unie zich tot het Klimaatakkoord van Parijs?

Wat wordt verstaan onder een «vrijwillig collectief inkoopmechanisme», zoals het Europees Parlement dit ziet?

Wat is het standpunt van de regering over het compromis van het voorzitterschap op het punt van de niet-bindende Intergouvernementele overeenkomsten (IGA’s)? Kan de regering aangeven wat haar standpunt is over de werkingssfeer (alleen gas, of ook elektriciteit en olie) en hoe de regering het krachtenveld in de Raad inschat?

Vindt de regering het wenselijk dat «hybride overeenkomsten» met bedrijven als Gazprom buiten de werkingssfeer van dit besluit zouden vallen en alleen overeenkomsten met internationale organisaties worden toegevoegd? Wat is de Nederlandse inzet op dit punt? Wat zijn de slaagkansen van deze positie? Hoe ziet het krachtenveld in de Raad er op dit punt uit?

Kan de regering een inschatting geven over het verloop van de onderhandelingen in de Raad over de energielabels? Wanneer kunnen de onderhandelingen afgerond zijn?

Wat vindt de regering van de wensen van het Europees Parlement over de termijnen waarbinnen de etiketteringsvoorschriften van bestaande producten moeten zijn aangepast aan de nieuwe indeling? Zijn die ook haalbaar voor Nederlandse handelaars?

Wat vindt de regering van de brief van de Zweedse regering met het verzoek aan de Europese Commissie om een wetsvoorstel in te dienen over eco-design?

Waarom wordt de richtlijn Energie-etikettering vervangen door een verordening? Welke invloed heeft de Nederlandse regering gehad op deze verordening?

Hoeveel producten zullen er worden opgenomen in de Europese database? Wat zijn de administratieve lasten hiervan?

Waarom wordt gekozen voor gedelegeerde handelingen in plaats van uitvoeringshandelingen? Klopt het dat de onderhandelingen op dit punt vast zitten? Wat was het standpunt van de Nederlandse regering hierin? Klopt het dat wijzigingen in de verordeningen grote gevolgen kunnen hebben voor bedrijven?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van de geannoteerde agenda voor de Energieraad van 5 december 2016.

Deze leden vragen de Minister een inschatting te geven van het besluitvormingsproces omtrent de regionale samenwerking over leveringszekerheid aardgas.

Zij vragen de Minister of hij een inschatting kan geven van de gevolgen van de wensen van het Europees Parlement ten aanzien van de termijnen waarbinnen de etiketteringsvoorschriften van bestaande producten moeten zijn aangepast aan de nieuwe indeling.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij bekend is met het verzoek van de Zweedse regering voor verdergaande voorstellen voor eco-design. Zou de Minister hiervan een appreciatie kunnen geven, zo vragen deze leden.

Zij vragen hoe de plannen van de Europese Commissie voor hernieuwbare energie in het Winterpakket ook aanhaken bij de hervorming van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Zal in het ETS onder andere rekening worden gehouden met de verdere ontwikkeling van hernieuwbaar? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie lezen dat de ex-ante toetsing waarschijnlijk beperkt wordt tot IGA’s gerelateerd aan gas en gas-infrastructuur. Dit is in tegenstelling tot het oorspronkelijke Commissievoorstel waarbij de ex-ante toetsing van toepassing was op alle IGA’s op energiegebied, dus ook op bijvoorbeeld olie en elektriciteit. Deze leden vragen de Minister wat de lijn van de Nederlandse regering hierop is en hoe hij het krachtenveld inschat, zowel binnen de Raad als tussen de Raad en het Europees Parlement.

Deze leden van de D66-fracftie lezen dat de Raad een compromisvoorstel heeft gedaan voor niet-bindende IGA’s, namelijk dat er in plaats van een ex-ante een ex-post toetsing voor deze vorm van overeenkomsten komt. Hoe staat Nederland tegenover dit compromisvoorstel van de Raad? Nederland was tegen verdere toetsing voor niet-bindende IGA’s vanwege de administratieve lasten. Deze leden vragen de Minister om te kwantificeren hoe hoog die lasten zouden zijn. Daarnaast vragen zij of de Minister verwacht dat een lichtere vorm van toetsing zal leiden tot een verschuiving van bindende naar niet-bindende afspraken. Ook willen de leden van de D66-fractie weten wat precies de status van de Nederlandse niet-bindende IGA’s is. Zouden we deze afspraken morgen zonder consequenties op kunnen zeggen? Zo niet, wat zouden dan die consequenties dan zijn en in hoeverre zijn ze in dat geval daadwerkelijk niet-bindend?

De leden van de D66-fractie vragen de Minister of hij het wenselijk vindt dat hybride afspraken tussen overheden en semi-private overheidsbedrijven, zoals Gazprom, buiten de werkingssfeer van het Commissievoorstel vallen. Deze leden vragen wat zijn voorstel op dit punt zou zijn, op welke manier hij dat in de Raad wil brengen, en hoe hij het krachtenveld op dit punt inschat.

De leden van de D66-fractie vragen de Minister om aan te geven hoe de verdere behandeling van het Winterpakket in de Europese Unie en in de lidstaten zal verlopen en wanneer welke stukken naar de Kamer zullen komen. Deze leden lezen in een conceptversie van de richtlijn Hernieuwbare energie dat er een EU-brede doelstelling van 27% hernieuwbare energie in 2030 wordt voorgesteld. Deze leden vragen de regering op welk percentage duurzame energie de Europese Unie in 2030 zou uitkomen als het huidige basispad zonder beleidswijzigingen zou worden voortgezet. Ook willen zij weten of er een nationale vertaling van deze doelstelling voor de individuele lidstaten zal komen.

II Antwoord / Reactie van de Minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat regionale samenwerking het Nederlandse energiesysteem verder kan aanvullen. De regio waarin Nederland is ingedeeld, namelijk met Spanje en Portugal, is voor de leden van de VVD-fractie een onlogische indeling. Kan de Minister aangeven of dit de samenwerking ten goede zal komen? Zijn er verschillen in systematiek of techniek die eerst opgelost moeten worden en zo ja, welke zijn dat? Hoe worden de kosten gedragen van deze aanpassingen? In hoeverre zal deze regio de betaalbare, betrouwbare en schone energievoorziening van Nederland verbeteren of juist in gevaar brengen?

Zoals aangegeven in de geannoteerde agenda1 is de regio waarin Nederland door de Commissie was ingedeeld door het Slowaaks voorzitterschap inmiddels ingeperkt tot de Benelux met de mogelijkheid daar ook andere landen bij uit te nodigen. Dit is voor Nederland een duidelijk meer coherente regio, waarbij de verschillen in systematiek of techniek uiterst beperkt zijn. Daarnaast geeft dit de mogelijkheid om deze regio, in ieder geval voor wat betreft laagcalorisch gas, uit te breiden met Frankrijk en Duitsland. Overigens is het nog de vraag of de in het voorstel van de Commissie voorziene regionale samenwerking via vastomlijnde, afgebakende groepen van lidstaten uiteindelijk ook zo zal worden ingevuld. Zoals eveneens aangegeven in de geannoteerde agenda, zijn er alternatieven voorgesteld.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat solidariteit met buurlanden in geval van nood een goed voorstel is, maar niet als onze huishoudens en ondernemers in gevaar worden gebracht. Graag horen deze leden van de Minister welke veiligheidsrisico’s dit voorstel met zich mee brengt en welke inzet de Minister hierop heeft.

In het Commissievoorstel dient de lidstaat die wordt geacht die solidariteit te leveren de gaslevering aan afnemers anders dan beschermde afnemers (huishoudens, essentiële sociale diensten en stadsverwarmingsinstallaties die leveren aan huishoudens) stop te zetten voor zover dat nodig is om de gaslevering aan beschermde afnemers in het buurland dat om solidariteit vraagt in stand te houden. In Nederland is het, net als in veel andere landen, niet mogelijk om gasgebruikers op afstand af te schakelen. Het is echter ook niet wenselijk dat niet-beschermde afnemers (midden- en kleinbedrijf, glastuinbouw, industrie, etc.) zelf aan hun gasinstallaties gaan sleutelen op het moment dat zij worden geacht hun gasconsumptie te stoppen. Dat mag alleen door daar daartoe gekwalificeerd personeel gebeuren om bijvoorbeeld schade aan de installaties en het weglekken van gas te voorkomen. Gezien het grote aantal bedrijven, kantoren, et cetera dat in Nederland op het gasnet is aangesloten kan dit weken, zo niet maanden duren. Het probleem doet zich niet alleen voor bij het afschakelen van niet-beschermde afnemers, maar ook bij het weer aanschakelen als de noodsituatie in een buurland geledigd is. In dat geval dienen, om dezelfde redenen, de afgeschakelde installaties gecontroleerd en door gekwalificeerd personeel te worden aangeschakeld. Gezien deze risico’s zet ik er op in dat in de verordening duidelijk wordt vastgelegd dat het verlenen van solidariteit niet mag leiden tot veiligheidsproblemen als gevolg van het (moeten) afschakelen van niet-beschermde afnemers.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de klimaat- en energieplannen die moeten worden opgesteld in het kader van de governance van de Energie Unie. Deze leden vragen zich af of de rapportages die Nederland al kent op het gebied van energie hier niet al in voorzien. Welke extra rapportages moeten er komen en welke regeldruk levert dit de ondernemer op?

Het kabinet onderschrijft het belang dat in de aankomende governance-wetgeving voorstellen worden gedaan om bestaande rapportageverplichtingen te stroomlijnen, juist met het oog op een vermindering van administratieve lasten. Het bestaande Europese beleid kent nog uiteenlopende rapportageverplichtingen voor energievoorzieningszekerheid, CO2-reductie, energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, et cetera. Deze rapportageverplichtingen verschillen per beleidsdomein in detailniveau, frequentie en timing. Nederland zet in op een governance waarmee de administratieve lasten verminderd worden. Concreet betekent dit dat Nederland zich bij de onderhandelingen zal inzetten om de rapportageverplichtingen en de monitoring voor de doelen van de Energie Unie zoveel mogelijk te stroomlijnen en gelijk te schakelen en dat onnodige rapportageverplichtingen uit bestaande richtlijnen worden geschrapt.

De leden van de VVD-fractie wijzen op het belang om CO2-reductie centraal te stellen in het Europese energie- en klimaatbeleid en de daarbij behorende wetgeving. Daarbij vragen deze leden om in te gaan op de mogelijkheid die de wetgeving biedt om op nationaal niveau te kunnen kijken welke maatregelen er genomen moeten worden om de doelen uit de wetgeving te behalen.

Zoals in het Energierapport is benadrukt, wil het kabinet in de energietransitie richting 2050 CO2-reductie centraal stellen. Door te sturen op CO2-reductie komt de meest optimale en kosteneffectieve mix van energiebesparing, hernieuwbare energie en andere CO2-arme opties tot stand. Het kabinet is dan ook van mening dat het CO2-reductiedoel centraal moet komen te staan in het Europese energie- en klimaatbeleid. Dit betekent dat het kabinet geen voorstander is van een nationale doorvertaling van (eventuele) Europese doelen op het terrein van energiebesparing en duurzame energie voor 2030. Op deze manier wordt ruimte geboden om nationaal invulling te geven aan het Europese CO2-reductiedoel en daarmee aan nationale afwegingen. Voor de overige maatregelen uit de Europese wetgeving geldt dat het van belang is om een afweging te maken tussen de voordelen van Europese maatregelen, vanwege het belang van uniformiteit voor Europees opererende bedrijven, en de nadelen zoals het beperken van de ruimte om nationaal invulling te geven aan de doelen. Het kabinet zal waar nodig in de BNC-fiches op deze afwegingen ingaan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie vragen of het klopt dat de Europese Commissie op 30 november met voorstellen komt voor een herziening van de Energie-efficiëntierichtlijn, de richtlijn Energieprestaties van gebouwen, en de richtlijn Hernieuwbare energie. Deze leden vragen welke wijzigingen hierin zullen worden voorgesteld en op welke manier hierin rekening zal worden gehouden met het Klimaatverdrag van Parijs.

Dat klopt, de Europese Commissie zal naar verwachting op 30 november het zogenaamde Winterpakket publiceren met daarin onder andere de genoemde richtlijnen. Het kabinet zal de afzonderlijke voorstellen op hun merites beoordelen en uw Kamer hierover door middel van BNC-fiches informeren.

De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer de nieuwe energie- en klimaatplannen in Brussel moeten worden ingediend en op welke manier hierop wordt toegezien.

De Commissie zal in de aangekondigde wetgeving over de governance van de Energie Unie een voorstel doen over het tijdstip waarop de klimaat- en energieplannen moeten worden ingediend en hoe daarop wordt toegezien. Over de hoofdlijnen van de inzet van Nederland op het governance-dossier is uw Kamer bij brief van 13 november 2015 geïnformeerd2. Het kabinet zal het governancevoorstel beoordelen en uw Kamer hier middels een BNC-fiche over informeren.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er daadwerkelijk behoefte is aan aanvullende regels voor de manier waarop lidstaten hun hernieuwbare energie opwekken. Is er nog verschil tussen hernieuwbare energie en duurzame energie?

Gegeven de integratie van de Europese energiemarkten is het van belang dat de regels rondom hernieuwbare energie in de EU geharmoniseerd worden. Een voorbeeld hiervan is de integratie van hernieuwbare elektriciteit in de elektriciteitsmarkt. Daarbij moet rekening gehouden worden met de subsidiariteit en proportionaliteit van de maatregelen.

Hernieuwbare energie komt voort uit bronnen die hernieuwbaar zijn. Duurzame energie is energie die minder belastend is voor omgeving en milieu. In de praktijk zijn hernieuwbare energie en duurzame energie echter veelal gelijk en wordt met deze termen hetzelfde bedoeld. Uit de Europese Richtlijn hernieuwbare energie zijn verschillende vormen van hernieuwbare energie gedefinieerd, zoals elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling en de toepassing biobrandstoffen. De SDE+ stimuleert energie uit hernieuwbare bronnen wel, maar de toepassing van biobrandstoffen niet. Of energie duurzaam is, is niet alleen afhankelijk van CO2-uitstoot, maar ook van de impact op de omgeving en milieu (bijvoorbeeld vistrappen in waterkrachtcentrales maken deze vorm van elektriciteitsopwekking minder belastend voor de natuur).

De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer een Europees systeem voor garanties van oorsprong voor grijze stroom is te verwachten.

Vanaf 2021 treden nieuwe richtlijnen voor hernieuwbare energie en de elektriciteitsmarkt in werking, waarin mogelijk garanties van oorsprong voor grijze stroom worden opgenomen.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de voorstellen over klimaatactie uit de Energie-Unie zich verhouden tot het Klimaatakkoord van Parijs.

De afspraken die de Europese Raad in oktober 2014 heeft gemaakt over het klimaat- en energieraamwerk voor 20303 vormen de basis van de klimaatbijdrage van de EU aan het Parijs Akkoord. De EU heeft zich daarbij gecommitteerd aan een broeikasgasreductie van ten minste 40% in 2030 ten opzichte van 1990. De Europese Commissie heeft, als onderdeel van de Energie Unie, wetgevende voorstellen gedaan om deze afspraken van de Europese Raad te verankeren via het EU emissiehandelssysteem (ETS, 43% reductie in 2030 t.o.v. 2005)4 en de niet-emissiehandelssectoren: landbouw, transport, de bebouwde omgeving en lichte industrie (30% in 2030 t.o.v. 2005)5. Ook de aankomende Commissievoorstellen voor een nieuw marktontwerp voor elektriciteit en voor herziening van de richtlijnen voor energie-efficiëntie, voor energieprestaties van gebouwen en voor hernieuwbare energie bevatten elementen die leiden tot CO2-reductie in de EU.

In het Parijs Akkoord is afgesproken dat landen in 2018 een zogenaamde faciliterende dialoog houden, waarbij op basis van de laatste IPCC-gegevens de collectieve ambitie van de ingediende INDC’s (Intended Nationally Determined Contribution) in het licht van de mondiale opgave wordt besproken. Dat is een natuurlijk moment voor landen, ook de EU, om naar de eigen inzet te kijken, wetende wat het IPCC heeft geconcludeerd over de effecten van 1,5 graad opwarming en de daaraan gerelateerde mondiale emissiepaden. Het akkoord verplicht partijen om uiterlijk in 2020 hun definitieve klimaatbijdrage in te dienen (NDC, Nationally Determined Contribution). Vanaf 2023 vindt vervolgens elke vijf jaar een beoordeling plaats op basis van de collectieve voortgang. Dit is telkens de opmaat naar het indienen van nieuwe klimaatbijdragen door alle partijen, vanaf 2025 om de vijf jaar.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat wordt verstaan onder een «vrijwillig collectief inkoopmechanisme», zoals het Europees Parlement dit ziet.

De door het Europees Parlement aangewezen rapporteur, de heer J. Buzek, verwijst in zijn rapport naar de eerder door hem ontwikkelde gedachte van een gezamenlijke inkooporganisatie voor de inkoop van gas bij leveranciers/producenten van buiten de Europese Unie. Een dergelijke inkooporganisatie zou op basis van vrijwilligheid tot stand moeten komen en in lijn moeten zijn met toepasselijke wet- en regelgeving van de WTO en de Europese Unie. In de amendementen van het Europees Parlement komt dit echter niet terug. Wel wordt verwezen naar de mogelijkheid van vrijwillige vraag aggregatie.

Overigens zijn zowel het opzetten van een vrijwillige inkooporganisatie (dus geen gedwongen winkelnering) als vrijwillige aggregatie, thans al mogelijk. Het is aan marktpartijen om te bepalen of zij daartoe willen overgaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat het standpunt van de regering is over het compromis van het voorzitterschap op het punt van de niet-bindende Intergouvernementele overeenkomsten (IGA’s).

Tijdens de onderhandelingen in de Raad voorafgaand aan de algemene oriëntatie bleek een grote groep van dertien lidstaten tegen de uitbreiding van de scope naar niet-bindende overeenkomsten. Ook in de onderhandelingen met het Europees Parlement is er binnen de Raad geen enkele ruimte om een verplichte toets voor niet-bindende overeenkomsten op te nemen. De notificatie van de niet-bindende overeenkomsten is daarom in het compromis vrijwillig gemaakt.

Bij niet-bindende overeenkomsten vindt het kabinet de effecten op de Europese energiemarkt ook te gering om een verplichte notificatieprocedure over de overeenstemming met het EU-acquis noodzakelijk te achten. Deze overeenkomsten zijn naar de aard niet juridisch en (dus) niet-bindend en kunnen derhalve geen verplichtingen bevatten. Ook veroorzaakt een verplichte notificatie administratieve lasten. De administratieve lasten behelzen het werk dat moet worden gedaan om alle bestaande niet-bindende overeenkomsten te onderzoeken op de impact ervan op de werking van de interne energiemarkt en op de energievoorzieningszekerheid, de bespreking ervan met alle wederpartijen over het al dan niet notificeren van de overeenkomst en de notificatie zelf. Een inventarisatie leert dat Nederland ongeveer 20 niet-bindende en energie gerelateerde overeenkomsten heeft met derde landen. Om het risico zoveel mogelijk weg te nemen dat er een verschuiving gaat plaatsvinden van bindende naar niet-bindende overeenkomsten is tot tevredenheid van alle lidstaten en de Commissie in de compromistekst opgenomen dat alle overeenkomsten die naar de inhoud juridisch bindende verplichtingen tussen lidstaten vaststellen, ook IGA’s zijn, ongeacht hoe partijen de overeenkomst noemen. Daarmee zijn bijvoorbeeld nieuw af te sluiten MoU’s waarin toch bindende juridische afspraken worden gemaakt, ook onderworpen aan de ex ante toets. De notificatie van niet-bindende overeenkomsten is, naast het gebrek aan steun, mede hierom vrijwillig gemaakt.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat het standpunt van de regering is over de werkingssfeer (alleen gas, of ook elektriciteit en olie) en hoe de regering het krachtenveld in de Raad inschat.

In de door het Nederlandse voorzitterschap opgestelde tekst voor de algemene oriëntatie is inderdaad opgenomen dat de ex ante toets gaat gelden voor IGA’s die gerelateerd zijn aan gas en gasinfrastructuur, in plaats van de uitgebreidere toets aan olie en elektriciteit zoals in het oorspronkelijke Commissievoorstel. Nederland vindt dat een verplichte ex ante toets een effectief en efficiënt instrument is om verenigbaarheid met de EU-regels te toetsen, niet alleen bij gas, maar ook bij olie en elektriciteit. Wel wordt opgemerkt dat de bestaande IGA’s met een impact op de Europese energievoorziening en IGA’s die volgens de Commissie niet in overeenstemming waren met de EU-wetgeving, allemaal gerelateerd zijn aan gas of gasinfrastructuur. Om die reden is de beperking van de scope in de algemene oriëntatie opgenomen. Het Europees Parlement wil dat de ex ante toets gaat gelden voor alle energiebronnen. Nederland kan hiermee akkoord gaan. Het is nu nog niet in te schatten of de Raad hierin mee zal gaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering het wenselijk vindt dat «hybride overeenkomsten» met bedrijven als Gazprom buiten de werkingssfeer van dit besluit zouden vallen en alleen overeenkomsten met internationale organisaties worden toegevoegd. Deze leden vragen wat de Nederlandse inzet op dit punt is, wat de slaagkansen van deze positie zijn en hoe het krachtenveld in de Raad er op dit punt uitziet.

Tijdens het Algemeen Overleg Behandelvoorbehoud voorstellen Energie Unie van 30 maart jl. heb ik toegezegd om terug te komen op de vraag hoe er in de Europese regelgeving wordt omgegaan met overeenkomsten met staatsbedrijven. Bij de geannoteerde agenda voor de Energieraad van 6 juni 20166 heb ik aan deze toezegging voldaan, door uitgebreid op hybride en commerciële overeenkomsten in te gaan. Ik verwijs kortheidshalve naar de beantwoording in genoemde brief.

Aanvullend daarop merk ik op dat er in de Raad geen enkele ruimte is om overeenkomsten tussen bedrijven of semioverheidsbedrijven op te nemen in de werkingssfeer van het voorstel. Ook de Commissie wil dit niet, juist omdat de Commissie al op deze overeenkomsten toezicht houdt en kan handhaven via bestaande wetgeving. Onder andere via het mededingingsinstrumentarium.

Naast het feit dat er geen enkele ruimte is in de Raad om dit in de triloog-onderhandelingen in te brengen, ben ik ook met de Commissie van mening dat het via het bestaande instrumentarium het toezicht en handhaving op deze overeenkomsten al afdoende is geregeld.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering een inschatting kan geven over het verloop van de onderhandelingen in de Raad over energielabels en wanneer de onderhandelingen afgerond kunnen zijn.

De onderhandelingen in de Raad over het voorstel tot herziening van de Richtlijn energielabelling zijn constructief en voortvarend van aard geweest. Nederland kan zich inhoudelijk goed vinden in het huidige onderhandelingsmandaat dat in de Raad is vastgesteld voor de lopende triloog-onderhandelingen met het Europees Parlement en de Europese Commissie. Deze voorziet in ambitie om de gewenste herschaling van huidige energielabels te realiseren. Daarnaast is er veel aandacht voor de introductie van een productendatabase om de handhaving op energielabels te versterken. De triloog-onderhandelingen zijn pas afgelopen zomer onder het Slowaaks voorzitterschap gestart omdat het Europees Parlement meer tijd nodig had dan verwacht om haar standpunt op dit dossier te bepalen. Die onderhandelingen lopen nog en naar verwachting worden deze de komende maanden afgerond.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de regering vindt van de wensen van het Europees Parlement over de termijnen waarbinnen de etiketteringsvoorschriften van bestaande producten moeten zijn aangepast aan de nieuwe indeling en of die ook haalbaar zijn voor Nederlandse handelaars.

Het Raadsstandpunt beoogt een voortvarende aanpassing van bestaande labels die tegelijkertijd ook haalbaar en realistisch moet zijn voor leveranciers. Nederland vindt dat de termijnen zoals deze nu in de lopende triloog-onderhandelingen met het Europees Parlement en de Europese Commissie op hoofdlijnen zijn overeengekomen, hieraan voldoen. Zo is er bijvoorbeeld in het Raadsstandpunt rekening gehouden met producten waarvoor de labels pas sinds kort (2015) verplicht zijn geworden, zoals voor verwarmingsapparatuur. Deze producten krijgen een langere aanpassingstermijn. Hiernaast bestaat er ook een overgangstermijn voor de omwisseling van etiketten door handelaren waarbij het uitgangspunt is dat handelaren ruim vier maanden van te voren beide etiketten aangeleverd krijgen.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de regering vindt van de brief van de Zweedse regering met het verzoek aan de Europese Commissie om een wetsvoorstel in te dienen over eco-design.

Nederland is ervan op de hoogte dat de Zweedse regering op 16 oktober 2016 de Europese Commissie per brief heeft verzocht om spoedig een werkplan te presenteren dat voorziet in de implementatie van productspecifieke wet- en regelgeving voor producten die onder de reikwijdte van de ecodesign- en de (huidige) energielabellingsrichtlijn vallen. Nederland deelt de inzet van de Zweedse regering en beschouwt ecodesign- en energielabellingswetgeving als belangrijke instrumenten om energiebesparing te realiseren. Nederland heeft haar zorgen over het uitblijven van bovengenoemde wet- en regelgeving reeds onder de aandacht van de Europese Commissie gebracht. Daarnaast is Nederland voornemens om tijdens de Energieraad van 5 december hiervoor nogmaals aandacht te vragen.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de richtlijn Energie-etikettering wordt vervangen door een verordening en welke invloed de Nederlandse regering heeft gehad op deze verordening.

Door de richtlijn te vervangen door een verordening worden direct toepasselijke vereisten gesteld aan leveranciers en handelaren van producten die onder de reikwijdte van de voorgestelde verordening vallen. Dit komt een uniforme uitvoering van regels ten goede, zoals bijvoorbeeld voorschriften over de informatie die door leveranciers en producenten moet worden aangeleverd voor de productendatabase. In de onderhandelingen over het Raadsstandpunt en de huidige onderhandelingen met het Europees Parlement onder het Slowaaks Voorzitterschap heeft Nederland actief haar standpunt kunnen uitdragen. In lijn met de Nederlandse ambitie bevat het huidige onderhandelingsmandaat onder meer de gewenste herschaling van huidige energielabels en de gewenste introductie van een productendatabase om de handhaving op energielabels te versterken.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel producten er zullen worden opgenomen in de Europese database en wat de administratieve lasten hiervan zijn.

Alle productgroepen waarvoor een energielabelverordening is opgesteld zullen in de database worden opgenomen. Momenteel zijn dit er 15. Het aantal productenmodellen dat in de database zal worden opgenomen is nog niet bekend. Dit hangt af van hoeveel productmodellen de fabrikanten op de markt brengen. Wat betreft de administratieve lasten zijn fabrikanten ook nu verplicht om labels en productfiches mee te leveren en technische documentatie beschikbaar te hebben voor de toezichthouder. De (extra) administratieve lasten van het uploaden van de productgegeven in de database zijn gering en worden gecompenseerd doordat de database ook voordelen biedt. Zo zullen fabrikanten in eerste instantie niet meer door toezichthouders gevraagd worden om technische documentatie aan te leveren. Deze staat immers al in de database. Ook moeten fabrikanten nu nog energielabels en productfiches voor websites aanleveren. Met de komst van de database kunnen webshopbeheerders deze labels en fiches zelf downloaden.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom wordt gekozen voor gedelegeerde handelingen in plaats van uitvoeringshandelingen. Klopt het dat de onderhandelingen op dit punt vast zitten? Wat was het standpunt van de Nederlandse regering hierin? Klopt het dat wijzigingen in de verordeningen grote gevolgen kunnen hebben voor bedrijven?

De discussie of productspecifieke wet- en regelgeving voor producten die onder de reikwijdte van het energielabel vallen per gedelegeerde of per uitvoeringshandeling moet worden vastgesteld is één van de belangrijkste discussiepunten tussen de Raad en het Europees Parlement. Nederland neemt een middenpositie in. Nederland vindt dat het Europees Parlement gezamenlijk met de lidstaten verantwoordelijk is voor het vaststellen van politieke aspecten zoals onder meer de vraag welke producten onder de reikwijdte van het energielabel moeten vallen. Deze dienen daarom per gedelegeerde handeling te worden vastgesteld. Nederland is daarnaast van mening dat per uitvoeringshandeling moet worden besloten over meer technisch en gedetailleerde overwegingen die kennis van de nationale markten vereisen.

Wijzigingen in productspecifieke wet- en regelgeving aan de hand van zowel gedelegeerde als ook uitvoeringshandelingen kunnen gevolgen hebben voor bedrijven. Zo kan de aanpassing van de berekening van de energielabelklassen ertoe leiden dat producten in een andere (meer of minder energie-efficiënte) klasse terecht komen. Daarnaast kunnen nieuwe producten worden aangewezen die onder de reikwijdte van het energielabel komen te vallen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vragen een inschatting te geven van het besluitvormingsproces omtrent de regionale samenwerking over leveringszekerheid aardgas.

Het beleidsdebat dat tijdens de Energieraad zal worden gevoerd over het Commissievoorstel voor de herziening van de Verordening leveringszekerheid aardgas, zal voor een zeer belangrijk deel zijn gewijd aan de wijze waarop invulling wordt gegeven aan regionale samenwerking. Zoals aangegeven in de geannoteerde agenda lopen de opvattingen van de lidstaten op dit punt sterk uiteen. Nederland is weliswaar flexibel maar er zijn lidstaten waarvoor dit momenteel minder of niet geldt. Gezien deze verschillen van opvatting is het op dit moment erg moeilijk om een inschatting van het besluitvormingsproces te geven. Mogelijk valt hier na afloop van de Energieraad meer over te zeggen.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij een inschatting kan geven welke gevolgen de wensen van het Europees Parlement ten aanzien van de termijnen waarbinnen de etiketteringsvoorschriften van bestaande producten moeten zijn aangepast aan de nieuwe indeling kunnen hebben.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van de vragen van de PvdA-fractie over dit onderwerp.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij bekend is met het verzoek van de Zweedse regering voor verdergaande voorstellen voor eco-design. Zou de Minister hiervan een appreciatie kunnen geven zo vragen deze leden?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van de vragen van de PvdA-fractie over dit onderwerp.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de plannen van de Europese Commissie voor hernieuwbare energie in het Winterpakket ook aanhaken bij de hervorming van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Zal in het ETS onder andere rekening worden gehouden met de verdere ontwikkeling van hernieuwbaar? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

De voorstellen van de Europese Commissie voor herziening van de ETS-richtlijn met het oog op de periode 2021–2030 zijn afgestemd op het doel om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met ten minste 40% te verminderen ten opzichte van 1990. Voor de ETS-sectoren is dit vertaald naar een Europees doel van 43% reductie van de uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 2005.

De reductiedoelen voor broeikasgassen zijn vastgesteld als onderdeel van het Klimaat- en energiepakket 2030. Hierin zijn ook – in samenhang met de reductiedoelen voor broeikasgassen – aanpalende 2030-doelen voor energiebesparing en hernieuwbare energie voorgesteld, te weten ten minste 27% hernieuwbare energie en ten minste 27% energie-efficiëntie. Waarbij voor dit laatste doel is afgesproken tot een evaluatie voor 2020, met het oog op een doel van 30%. Als onderdeel van het Winterpakket zal de Commissie met wetsvoorstellen komen ten aanzien van deze doelen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie.

Bij de herziening van de ETS-richtlijn wordt dus al met de verdere ontwikkeling van hernieuwbare energie en energiebesparing rekening gehouden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie vragen naar de lijn van de regering over de reikwijdte van de ex ante toetsing van Intergouvernementele overeenkomsten (IGA’s) en hoe het krachtenveld wordt ingeschat zowel binnen de Raad als tussen de Raad en het Europees Parlement.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van de vragen van de PvdA-fractie over dit onderwerp.

De leden van de D66-fractie stellen enkele vragen over de positie van de niet-bindende overeenkomsten in het voorstel en het compromisvoorstel van de Raad.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van de vragen van de PvdA-fractie over dit onderwerp.

De leden van de D66-fractie vragen de Minister of hij het wenselijk vindt dat hybride afspraken tussen overheden en semi-private overheidsbedrijven, zoals Gazprom, buiten de werkingssfeer van het Commissievoorstel vallen. Deze leden vragen wat zijn voorstel op dit punt zou zijn, op welke manier hij dat in de Raad wil brengen, en hoe hij het krachtenveld op dit punt inschat.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van de vragen van de PvdA-fractie over dit onderwerp.

De leden van de D66-fractie vragen de Minister om aan te geven hoe de verdere behandeling van het Winterpakket in de Europese Unie en in de lidstaten zal verlopen en wanneer welke stukken naar de Kamer zullen komen.

Het kabinet zal de voorstellen uit het Winterpakket na publicatie beoordelen en uw Kamer hier middels BNC-fiches over informeren.

Verder zal uw Kamer worden geïnformeerd over de algemene voortgang van de onderhandelingen, verschuivingen in het krachtenveld en Nederlandse standpuntwijzigingen. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd tijdens de gebruikelijke momenten: in de geannoteerde agenda’s en de verslagen van de (informele) Energieraden.

Naar verwachting zal het Maltees voorzitterschap de nadruk leggen op de voorstellen over energie-efficiëntie.

De leden van de D66-fractie vragen op welk percentage duurzame energie de Europese Unie in 2030 uitkomt als het huidige basispad zonder beleidswijzigingen zou worden voorgezet.

Volgens het «EU Reference Scenario 2016» schat de Europese Commissie in dat het aandeel hernieuwbare energie in 2030 op 24% uitkomt. Dit model neemt het 2020-pakket als uitgangspunt, waarbij het 2030-pakket aan maatregelen niet is meegenomen. Dit is derhalve als basispad te beschouwen

De leden van de D66-fractie vragen of er een nationale vertaling van de duurzame energie doelstelling zal komen.

Gegeven de conclusies van de Europese Raad van oktober 2014 wordt het Europese doel voor duurzame energie niet doorvertaald naar nationale doelen.


X Noot
1

Kamerstuk 21 501-33, nr. 617 (23 november 2016)

X Noot
2

Kamerstuk 21 501-33, nr. 566 (13 november 2015)

X Noot
4

Kamerstuk 22 112, nr. 1998 (18-09-2015)

X Noot
5

Kamerstuk 34 535, nr. 6 (30-09-2016)

X Noot
6

Kamerstuk 21 501-33, nr. 600 (25 mei 2016)