Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201521501-33 nr. 517

21 501-33 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie

Nr. 517 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 26 november 2014

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken over de Telecomraad op 27 november 2014. De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag.

De vragen en opmerkingen zijn op 21 november 2014 aan de Minister van Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 25 november 2014 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

Adjunct-griffier van de commissie, Thomassen

Inhoudsopgave

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

040

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

5

     

II

Antwoord / Reactie van de Minister

5

     

III

Volledige agenda

17

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben vragen en opmerkingen over de Telecomraad op 27 november 2014.

In oktober heeft de Kamer de motie De Liefde/Oosenbrug1 aangenomen. De motie verzocht de Minister zich expliciet uit te spreken tegen het voorstel van het Italiaanse voorzitterschap uit september 2014 om roaming en netneutraliteit uit het pakket Kroes te herzien. Wat staat er in het compromisvoorstel dat de minsiter samen met enkele andere lidstaten heeft ingediend? Welke landen waren dit? Kan de Minister duidelijk uiteenzetten wat het compromisvoorstel inhoudt? Ondertussen hebben deze leden begrepen dat het Italiaanse voorzitterschap wederom een herziening van het voorstel heeft opgesteld. Wat staat er in dit voorstel? En komt dit overeen met het compromisvoorstel dat Nederland met enkele andere lidstaten heeft ingediend? Waarom worden er nu al conclusies aangenomen terwijl er nog een advies van de Europese telecomtoezichthouder moet komen?

Kan de Minister in de toekomst de Kamer meer gedetailleerd informeren over de aanpassingen die tijdens de verschillende overlegstructuren binnen de EU op wetsvoorstellen worden gedaan?

Het Italiaanse voorzitterschap legt de focus op twee onderwerpen, namelijk Roaming Like At Home (RLAH) en netneutraliteit. De leden van de VVD-fractie hebben hierover een aantal vragen. Hoe zit het met de onderhandelingen over RLAH? Is het waar dat er al een principeakkoord is gesloten over het invoeren van een «fair use»-principe? Zo nee, waarom schijft de Minister dan in de geannoteerde agenda dat voor «de concrete invulling» en «de aanpassing van de wholesaletarieven (...) wordt gewacht op het advies van de Europese toezichthouder Body of European Regulators for Electronic Communications (BEREC)»? Klopt het dat er alleen nog discussie mogelijk is over het uitwerken van het «fair use» principe en niet meer over het al dan niet invoeren daarvan? Kan de Minister aangeven wat de huidige stand van zaken is (na de bespreking in Coreper van 21 november jongstleden) van over het «fair use» principe? Deelt de Minister de mening dat, zoals de huidige voorstellen er nu liggen, sterk afwijken van het RLAH voorstel zoals door oud-Commissaris Kroes voorgesteld? Deze leden hebben begrepen dat telecomaanbieders de mogelijkheid krijgen korting op abonnementen aan te bieden voor mensen die geen gebruik maken van RLAH. Deelt de Minister de mening dat het omgekeerde dan ook waar is, dus dat klanten extra moeten betalen als zij wel RLAH willen? Deelt de Minister de mening dat de huidige compromisvoorstellen over RLAH in de praktijk zullen betekenen dat er nog steeds extra betaald moet worden voor bellen, sms-en of internetten in het buitenland? Wat is dan het verschil met de huidige situatie waarin consumenten hun mobiel verbruik in het buitenland duur betalen? Klopt het dat telecomproviders in de grote winter- en zomervakantielanden (onder andere Italië, Spanje, Portugal, Frankrijk, Griekenland en Oostenrijk) een sterkere onderhandelingspositie krijgen met dit voorstel om hogere roamingtarieven te kunnen vragen aan consumenten uit andere lidstaten (zoals bijvoorbeeld Nederland, België en Denemarken)?

Is het waar dat gespecialiseerde diensten niet meer in het nieuwe compromisvoorstel voorkomen? Is het ook waar dat in het nieuwe voorstel van het voorzitterschap in plaats van gespecialiseerde diensten, zes redenen zijn opgenomen waarin een telecomprovider aan «traffic management» kan doen, ofwel blokkeren, vertragen, veranderen, degraderen of het voorrang geven aan specifieke inhoud? Deelt de Minister de mening dat de afbreuk van netneutraliteit hierdoor nog groter wordt? Wat is de materiele invulling van netneutraliteit nog als telecomproviders in de toekomst wel erg veel ruimte krijgen zelf te bepalen hoe zij het internetverkeer regelen?

Eén van de mogelijkheden om het internetverkeer te regelen zoals door het Italiaanse voorzitterschap is voorgesteld, is dat telecomproviders het internetverkeer mogen beperken wanneer zij een contract met de eindgebruiker na moeten komen welke een specifiek kwaliteitsniveau vraagt. Hoe moet een dergelijke beperking begrepen worden? Kan het zijn dat het internetverkeer van de ene persoon beperkt wordt omdat snelheid van een andere klant gegarandeerd moet worden? Kan de Minister de hier genoemde beperking uit het voorstel toelichten en kan hij een waardering geven aan dit onderdeel van het compromisvoorstel?

In hoeverre passen de compromissen zoals deze nu voorliggen in de wijze waarop de Tweede Kamer zich middels moties in de afgelopen jaren over de onderwerpen roaming en netneutraliteit heeft uitgesproken? Als het compromisvoorstel niet wijzigt in de voor de Tweede Kamer bepleite richting, is de Minister dan bereid tegen het voorstel stemmen? Zo nee, waarom niet? Hoe schat de Minister het stemgedrag van de andere lidstaten in, en welke kant zal het voorstel op bewegen, in de richting van de vakantieland-lidstaten of in de richting van de vakantieganger-lidstaten?

Tijdens het AO Telecommunicatie op 12 november 2014 is uitvoerig gesproken over de ongewenste uitkomst van het Europese reguleringskader. De oorzaak hiervan is onder meer het verouderde Europese kader dat erop gericht is de telecomnetwerken wel te reguleren maar andere netwerken – zoals de tv-kabel – buiten beschouwing laat. Dit zorgt voor ongelijke concurrentie in de elektronische communicatiesector en voor minder keuzevrijheid voor consumenten. De Minister gaf tijdens het AO Telecommunicatie al aan dat de oplossing voor het gelijktrekken van de beide markten in Europa ligt, en wel in de modernisering van wetgeving. Is de Minister van plan volgende week tijdens de Telecomraad zijn collega-ministers in te lichten over het probleem waar Nederland mee kampt? En gaat hij de modernisering van wetgeving op de Brusselse agenda zetten?

Daarnaast hebben de leden van de VVD-fractie begrepen dat aanbieders van digitale televisie zoals UPC, Ziggo en KPN overwegen kleine Nederlandse commerciële omroepen (veelal thema-kanalen die zich richten op het Nederlandse taalgebied) uit hun televisiepakketten te verwijderen. Kan de Minister hier op in gaan, ook in het licht van de bijna-monopoliepositie die Ziggo straks heeft op de Nederlandse kabel? En is de Minister het met deze leden eens dat de regulering van de kabel een bijdrage kan leveren aan het bevorderen van concurrentie onder aanbieders, keuzevrijheid voor consumenten en een gevarieerd televisieaanbod?

Tijdens de Telecomraad zal worden gesproken over de toegankelijkheid van overheidssites, inclusief gebruikers met een (bijvoorbeeld visuele) functiebeperking. Het kabinet vindt het voorstel te ver gaan en wil niet dat de EU in plaats van de lidstaten bepaalt op welke wijze lidstaten aan internationale vereisten en normen voor webtoegankelijkheid moeten voldoen en op welke wijze het toezicht daarop moet worden ingevuld.

Uit de geannoteerde agenda van de Raad blijkt dat het kabinet evenmin gelukkig is met de stellingname van het Europees parlement die het aantal overheidswebsites die onder de richtlijn vallen nog verder wil uitbreiden. Deze leden steunen de lijn van het kabinet. Kan de Nederlandse inzet op een meerderheid of een blokkerende minderheid rekenen in de Raad? Welke landen zijn wel voorstander van een grote invloed vanuit Brussel?

In de mededeling over data-economie zet de Commissie uiteen hoe verdere ontwikkeling van de digitale economie vorm zal worden gegeven. Onderdeel van deze mededeling is dat de Commissie na het aannemen van de verordening databescherming richtsnoeren wil gaan vaststellen voor anonimisering; pseudonimisering; dataminimalisatie en risicoanalyse. De Minister stelt terecht dat dit een taak voor de European Data Protection Board (EDPB) is, en dus niet voor de Commissie. Zal de Minister tijdens de Telecomraad benadrukken dat de Commissie zich met de hoofdlijnen bezig dient te houden en de uitwerking en toepassing aan anderen over te laten?

De Minister schrijft dat de te verwachten richtsnoeren geen gevolgen hebben voor de regeldruk en administratieve lasten. Hoe komt hij tot deze inschatting? Is het waar dat de Commissie allerlei nieuwe verplichtingen aan bedrijven wil opleggen, en dat deze verplichtingen dus tijd, geld en arbeid zullen kosten? Bemoeilijkt de verordening databescherming de verdere ontwikkeling van «big data» als economische kans? Hoe zit het bijvoorbeeld met het doelbindingsprincipe?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

Ter voorbereiding op de Telecomraad op 27 november 2014 willen de leden PvdA-fractie graag enkele vragen aan de Minister voorleggen.

Allereerst hebben zij opmerkingen en vragen over de ontwerprichtlijn toegankelijke overheidswebsites; naar de mening van deze leden is de Minister hierin wel heel terughoudend. Het lijkt allemaal vooral zo klein mogelijk gehouden te moeten worden en zo laat mogelijk ingevoerd. Deze leden zien ook wel dat het Europees parlement wat enthousiast geweest is in haar amendering, waarin alle websites die met de overheid te maken hebben volledig toegankelijk te maken en om dat met ingang van 2016 al af te dwingen. De Minister geeft echter niet aan wat de eigen ambitie is. Wat zou onder de werking van deze richtlijn moeten vallen en wanneer kan het inwerking treden? Wil de Minister de Europese richtlijn ook op het ambitieniveau van de eigen webrichtlijnen brengen? Zo nee, wat is dan de meerwaarde van de Europese richtlijn en welke elementen van de webrichtlijnen kunnen dan wel in een Europese richtlijn meegenomen worden?

In de geannoteerde agenda lezen de leden van de PvdA-fractie dat Nederland, samen met een aantal andere landen, een voorstel heeft ingediend over roaming. Kern van het voorstel is dat het afschaffen van de roamingtoeslagen zo snel mogelijk moet plaatsvinden (Roam Like At Home), maar dat daarbij de nodige zorgvuldigheid moet worden betracht. Deze leden willen graag van de Minister weten wanneer «zo snel mogelijk» is, is 1 januari 2016 nog haalbaar? Verder worden zij graag geïnformeerd over het standpunt van de EC en de andere lidstaten over het Nederlandse voorstel.

Is de intensivering van de coördinatie van het frequentiebeleid, zoals de EC eerder had voorgesteld, nu helemaal van de baan?

Tenslotte lezen de leden van de PvdA-fractie dat de nieuwe Commissievoorzitter het onderwerp «groei en banen» centraal heeft gesteld in zijn beleidsagenda. Daarom vragen deze leden wanneer er meer duidelijkheid komt over het investeringspakket van 300 miljard euro. Zijn daarin ook middelen voor breedband in de buitengebieden te verwachten? Kan hiermee alsnog de plotselinge tegenslag van eerder dit jaar ongedaan gemaakt worden, toen ongeveer acht miljard euro voor breedband ineens voor andere zaken werd bestemd?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Telecomraad van 27 november 2014 en hebben enkele vragen.

Zij lezen dat de Minister een kritisch houding heeft over de ontwerprichtlijn voor de toegankelijkheid van overheidswebsites. Deze leden erkennen het belang van toegankelijkheid van overheidswebsites voor mensen met een functionele beperking. Zo bevat de website van de Tweede Kamer een voorleeshulp. De leden van de D66-fractie vragen de Minister in te gaan op de huidige staat van toegankelijkheid van overheidswebsites in Nederland.

Deze leden zijn bezorgd over berichten dat uit documenten zou blijken dat de Raad van de Europese Unie, onder voorzitterschap van Italië, een voorstel wil doorvoeren met zwakkere regels voor netneutraliteit, waarbij providers verkeer kunnen vertragen of blokkeren als de eindgebruiker dat wil, als het netwerk overbelast dreigt te raken of als het nodig is vanwege beveiliging. Zij zijn van mening dat échte netneutraliteit cruciaal is voor concurrentie, innovatie en het behoud van het open internet. De leden van de D66-fractie vragen de Minister uitvoerig in te gaan op de inhoud van het voorstel met betrekking tot het punt van netneutraliteit. Zij vragen de Minister niet akkoord te gaan met een afzwakking van het voorstel op het gebied van netneutraliteit.

Voorts lezen de leden van de D66-fractie dat de raad geïnformeerd zal worden over de ontwerprichtlijn inzake netwerk- en informatiebeveiliging. Hoe verhoudt de ontwerprichtlijn zich tot de huidige situatie in Nederland? Welke onderdelen zijn in Nederland reeds gerealiseerd en welke onderdelen niet?

II Antwoord / Reactie van de Minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie:

In oktober heeft de Kamer de motie De Liefde/Oosenbrug2 aangenomen. De motie verzocht de Minister zich expliciet uit te spreken tegen het voorstel van het Italiaanse voorzitterschap uit september 2014 om roaming en netneutraliteit uit het pakket Kroes te herzien. Wat staat er in het compromisvoorstel dat de Minister samen met enkele andere lidstaten heeft ingediend? Welke landen waren dit? Kan de Minister duidelijk uiteenzetten wat het compromisvoorstel inhoudt? Ondertussen hebben deze leden begrepen dat het Italiaanse voorzitterschap wederom een herziening van het voorstel heeft opgesteld. Wat staat er in dit voorstel? En komt dit overeen met het compromisvoorstel dat Nederland met enkele andere lidstaten heeft ingediend? Waarom worden er nu al conclusies aangenomen terwijl er nog een advies van de Europese telecomtoezichthouder moet komen?

Conform de motie De Liefde/ Oosenbrug (Kamerstuk 21 501-33, nr. 504) heeft Nederland zich tijdens de Informele Telecomraad van 2-3 oktober uitgesproken tegen het compromisvoorstel van het Italiaanse voorzitterschap van dat moment.

Nederland heeft samen met het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken en Polen een compromisvoorstel ingediend. Dat voorstel beoogt Roam Like at Home (RLAH) zo snel mogelijk in te voeren, maar wel op zorgvuldige wijze. Bedrijven moeten weten waar ze aan toe zijn en hun tarieven en abonnementen aan kunnen passen voordat RLAH wordt ingevoerd. Voordat RLAH wordt ingevoerd, moeten eerst regels ten aanzien van «fair use» (beperking van roaming tot normaal buitenlands gebruik) worden opgesteld, en verdere afspraken worden gemaakt over de – nog altijd te hoge – wholesaletarieven (onderlinge verrekening van kosten tussen aanbieders). Voor de verdere uitwerking van het «fair use» criterium en de aanpassing van de wholesaletarieven zal een advies van BEREC (Europese organisatie van telecomtoezichthouders), verwacht in december, van groot belang zijn. Op basis van dat onderzoek kan verder gezocht worden naar een oplossing.

Het Italiaanse voorzitterschap heeft een nieuw compromis voorgesteld. Hierin worden de wholesaletarieven voorlopig niet aangepast, maar wordt een evaluatie van wholesaletarieven medio 2016 afgewacht. Een datum voor invoering van RLAH moet nog nader worden ingevuld. Daarnaast mogen operators en lidstaten het «fair use» principe flexibel invullen. Dit moet de situatie ondervangen dat de wholesaletarieven in sommige landen te hoog kunnen zijn, vergeleken met nationale tarieven, waardoor RLAH zou kunnen leiden tot verhoging van nationale tarieven. In feite wordt hiermee de ruimte geboden om zelf te kiezen in welke mate RLAH wordt ingevoerd. Nederland is hier geen voorstander van. Het voorstel van het Italiaanse voorzitterschap komt niet overeen met het compromisvoorstel dat Nederland met bovengenoemde lidstaten heeft ingediend. Zonder tijdige verlaging van de wholesaletarieven is het niet mogelijk om RLAH in te voeren. Dat geldt vooral voor internetten in het buitenland. De wholesale vergoeding die een mobiele aanbieder op basis van de huidige Europese roamingregels moet betalen aan de buitenlandse aanbieder als zijn klant in het buitenland internet gebruikt, is hoger dan zijn klant in eigen land betaalt. RLAH betekent dan dat de kosten voor de aanbieder hoger zijn dan de inkomsten. Daarnaast is Nederland voor gedetailleerde invulling van het «fair use» criterium, zodat RLAH in de hele EU op gelijke wijze wordt toegepast.

Het Italiaanse voorzitterschap stelt ten aanzien van netneutraliteit algemene principes voor. Dit sluit aan op de wens van een meerderheid van lidstaten om weliswaar een Europese regeling voor netneutraliteit aan te nemen, maar een die minder gedetailleerd is dan door de Europese Commissie en het Europees parlement voorgesteld. Het Italiaanse voorstel bevat geen verbod op prijsdiscriminatie en komt derhalve niet tegemoet aan de Nederlandse wens om een verbod op prijsdiscriminatie op te nemen in de wettekst. Nederland heeft in raadsverband het Italiaanse voorstel niet gesteund. Uiteraard zal Nederland zich blijven inzetten voor een dergelijk verbod. Er zijn nog niet veel landen die ons hierin steunen, aangezien zij de Nederlandse regels, met name op het gebied van prijsdiscriminatie, te streng vinden.

Het Italiaanse voorzitterschap zet druk op de lidstaten om snel in triloog te gaan met het Europees parlement. Als gevolg van de weerstand van het merendeel van de lidstaten tijdens de onderhandelingen in raadskader op 20 en 21 november zal er geen algemene oriëntatie op tafel liggen tijdens de Telecomraad van 27 november. De Telecomraad is dus niet besluitvormend op dit dossier. Wel wordt de Telecomraad door het Italiaanse voorzitterschap uitgenodigd om aan de Coreper de opdracht te geven om zo spoedig mogelijk een mandaat voor onderhandelingen met het Europees parlement overeen te komen. Conform de motie De Liefde/Oosenbrug (Kamerstuk 21501–33, nr. 504) zal Nederland zich blijven uitspreken tegen de huidige voorstellen van het Italiaanse voorzitterschap.

Kan de Minister in de toekomst de Kamer meer gedetailleerd informeren over de aanpassingen die tijdens de verschillende overlegstructuren binnen de EU op wetsvoorstellen worden gedaan?

De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen middels de Geannoteerde Agenda en de verslagen van de Telecomraad. Het kabinet en zijn vertegenwoordigers handelen gedurende de onderhandelingen en bij het bezien van de (compromis)voorstellen van het voorzitterschap uiteraard in lijn met het BNC-fiche en hetgeen daarna aan de Kamer is gecommuniceerd en met de Kamer is besproken. Ook heeft de Kamer toegang tot de documenten via het extranet portaal van de Raad.

Het Italiaanse voorzitterschap legt de focus op twee onderwerpen, namelijk Roaming Like At Home (RLAH) en netneutraliteit. De leden van de VVD-fractie hebben hierover een aantal vragen. Hoe zit het met de onderhandelingen over RLAH? Is het waar dat er al een principeakkoord is gesloten over het invoeren van een «fair use»-principe? Zo nee, waarom schijft de Minister dan in de geannoteerde agenda dat voor «de concrete invulling» en «de aanpassing van de wholesaletarieven (...) wordt gewacht op het advies van de Europese toezichthouder Body of European Regulators for Electronic Communications (BEREC)»? Klopt het dat er alleen nog discussie mogelijk is over het uitwerken van het «fair use» principe en niet meer over het al dan niet invoeren daarvan? Kan de Minister aangeven wat de huidige stand van zaken is (na de bespreking in Coreper van 21 november jongstleden) van over het «fair use» principe? Deelt de Minister de mening dat, zoals de huidige voorstellen er nu liggen, sterk afwijken van het RLAH voorstel zoals door oud-Commissaris Kroes voorgesteld?

Het Europees parlement en alle lidstaten zijn het eens over de noodzaak om het gebruik van RLAH te beperken tot normaal buitenlands gebruik («fair use»). De prijsverschillen voor mobiel bellen en internetten tussen EU-landen zijn nog aanzienlijk. Invoering van RLAH zonder beperkingen zou er toe kunnen leiden dat veel gebruikers een abonnement in een goedkoop land afsluiten. Dergelijke grote verschuivingen zouden ingrijpende gevolgen hebben voor de mobiele aanbieders in de Europese Unie. De discussie gaat over de concrete invulling van het «fair use» criterium.

Het laatste compromisvoorstel van het Italiaanse voorzitterschap (zie ook het antwoord op de voorafgaande vraag van de VVD-fractie) wijkt sterk af van het voorstel van de Europese Commissie. De Europese Commissie stelde voor om telecombedrijven die Roam Like At Home aanbieden, uit te zonderen van de verplichting om alternatieve roaming aanbieders toegang te geven tot hun klanten, zoals werd vastgelegd in de laatste Roamingverordening. Het voorstel van de Europese Commissie bevatte echter geen concrete datum voor het afschaffen van roamingopslagen. Een meerderheid van lidstaten bleek tegen het huidige compromis, inclusief het voorstel ten aanzien van «fair use».

Deze leden hebben begrepen dat telecomaanbieders de mogelijkheid krijgen korting op abonnementen aan te bieden voor mensen die geen gebruik maken van RLAH. Deelt de Minister de mening dat het omgekeerde dan ook waar is, dus dat klanten extra moeten betalen als zij wel RLAH willen? Deelt de Minister de mening dat de huidige compromisvoorstellen over RLAH in de praktijk zullen betekenen dat er nog steeds extra betaald moet worden voor bellen, sms-en of internetten in het buitenland? Wat is dan het verschil met de huidige situatie waarin consumenten hun mobiel verbruik in het buitenland duur betalen? Klopt het dat telecomproviders in de grote winter- en zomervakantielanden (onder andere Italië, Spanje, Portugal, Frankrijk, Griekenland en Oostenrijk) een sterkere onderhandelingspositie krijgen met dit voorstel om hogere roamingtarieven te kunnen vragen aan consumenten uit andere lidstaten (zoals bijvoorbeeld Nederland, België en Denemarken)?

In de huidige compromisvoorstellen van het Italiaanse voorzitterschap zal het RLAH-principe gelden. De klant betaalt het nationale tarief (bij normaal gebruik), of de klant betaalt het maximale retail roamingtarief (bij meer dan «fair use»). Van een korting op abonnementen voor mensen die geen gebruik maken van RLAH is in het voorstel van het Italiaanse voorzitterschap geen sprake. Wel is de mogelijkheid opgenomen dat klanten af kunnen zien van de standaard gereguleerde roamingtarieven en kunnen kiezen voor andere roamingarrangementen. Voor grootverbruikers van roaming kan het bijvoorbeeld aantrekkelijk zijn om geen maximum retail roamingtarief te betalen, maar bijvoorbeeld een vast bedrag.

Het is niet juist dat telecomproviders in de grote winter- en zomervakantielanden met het voorstel een sterkere onderhandelingspositie zouden krijgen om hogere roamingtarieven te kunnen vragen aan consumenten uit andere lidstaten. De klant betaalt het nationale tarief (bij «fair use» gebruik), of het maximale retail roamingtarief (bij meer dan «fair use»). Wel hebben deze telecomproviders belang bij het in stand houden van zo hoog mogelijke wholesaletarieven. Zoals aangegeven zullen deze wholesalekosten flink moeten dalen om RLAH mogelijk te maken zonder verlies voor operators in landen waar de tarieven voor nationaal bellen en internetten op een veel lager niveau liggen.

Is het waar dat gespecialiseerde diensten niet meer in het nieuwe compromisvoorstel voorkomen? Is het ook waar dat in het nieuwe voorstel van het voorzitterschap in plaats van gespecialiseerde diensten, zes redenen zijn opgenomen waarin een telecomprovider aan «traffic management» kan doen, ofwel blokkeren, vertragen, veranderen, degraderen of het voorrang geven aan specifieke inhoud? Deelt de Minister de mening dat de afbreuk van netneutraliteit hierdoor nog groter wordt? Wat is de materiele invulling van netneutraliteit nog als telecomproviders in de toekomst wel erg veel ruimte krijgen zelf te bepalen hoe zij het internetverkeer regelen?

In het nieuwe compromisvoorstel worden gespecialiseerde diensten niet meer genoemd. Dit komt overeen met de Nederlandse netneutraliteitsbepalingen, die zich richten op de internettoegangsdienst en het waarborgen van de kwaliteit van deze dienst en dus niet zien op gespecialiseerde diensten. Op die manier kan het open internet goed worden beschermd. Het is niet nodig om nog extra voorzieningen op te nemen voor gespecialiseerde diensten.

Het Italiaanse voorstel vermeldt zes uitzonderingen op het verbod op blokkeren, vertragen, veranderen, degraderen of discrimineren. Vier daarvan sluiten aan op de uitzonderingen in de Nederlandse netneutraliteitswet, te weten het voorkomen van congestie, behoud van de integriteit en veiligheid van het netwerk, het voorkomen van spam en het uitvoeren van een gerechtelijk bevel of wettelijk voorschrift. Daarnaast heeft het Italiaanse voorzitterschap een tweetal uitzonderingen toegevoegd met het oog op het mogelijk maken van gespecialiseerde diensten.

Ik ben van mening dat uitzonderingen op netneutraliteitregelgeving zeer beperkt ingezet dienen te worden. Ik zal conform wens van de Kamer voor de Nederlandse uitgangspunten blijven pleiten. Dat betekent dat ik ervoor zal pleiten enkel de eerder genoemde vier uitzonderingen op te nemen die ook in de Nederlandse Telecommunicatiewet vermeld staan (7.4a, lid 1 Telecommunicatiewet). Ook zal ik blijven pleiten voor een verbod op prijsdiscriminatie.

Eén van de mogelijkheden om het internetverkeer te regelen zoals door het Italiaanse voorzitterschap is voorgesteld, is dat telecomproviders het internetverkeer mogen beperken wanneer zij een contract met de eindgebruiker na moeten komen welke een specifiek kwaliteitsniveau vraagt. Hoe moet een dergelijke beperking begrepen worden? Kan het zijn dat het internetverkeer van de ene persoon beperkt wordt omdat snelheid van een andere klant gegarandeerd moet worden? Kan de Minister de hier genoemde beperking uit het voorstel toelichten en kan hij een waardering geven aan dit onderdeel van het compromisvoorstel?

Voor het leveren van internettoegang en gespecialiseerde diensten bij de eindgebruiker wordt gebruikt gemaakt van dezelfde infrastructuur (koper, kabel, glas, mobiel). Op het aansluitnet van de eindgebruiker kan zich een capaciteitstekort voordoen. De uitzondering is ervoor bedoeld dat het leveren van een gespecialiseerde dienst op verzoek van de eindgebruiker mogelijk blijft. Het kan echter ook breder worden geïnterpreteerd. Hierom is deze uitzondering onwenselijk.

In hoeverre passen de compromissen zoals deze nu voorliggen in de wijze waarop de Tweede Kamer zich middels moties in de afgelopen jaren over de onderwerpen roaming en netneutraliteit heeft uitgesproken? Als het compromisvoorstel niet wijzigt in de voor de Tweede Kamer bepleite richting, is de Minister dan bereid tegen het voorstel stemmen? Zo nee, waarom niet? Hoe schat de Minister het stemgedrag van de andere lidstaten in, en welke kant zal het voorstel op bewegen, in de richting van de vakantieland-lidstaten of in de richting van de vakantieganger-lidstaten?

Zoals uit voorgaande antwoorden spreekt, is het compromisvoorstel van het Italiaanse voorzitterschap niet in lijn met de door uw Kamer aangenomen moties over de onderwerpen roaming en netneutraliteit, noch met de inzet van het kabinet. Nederland onderhandelt conform de aan uw Kamer gecommuniceerde inzet. Een meerderheid van lidstaten bleek 21 november tegen het huidige compromisvoorstel van het Italiaanse voorzitterschap. Er zal, zoals eerder aangegeven, daarom geen besluitvorming plaatsvinden in de Telecomraad van 27 november a.s. Nederland zal tijdens de Raad een krachtig signaal afgeven dat de huidige tekst geen basis kan zijn voor dit mandaat.

Tijdens het AO Telecommunicatie op 12 november 2014 is uitvoerig gesproken over de ongewenste uitkomst van het Europese reguleringskader. De oorzaak hiervan is onder meer het verouderde Europese kader dat erop gericht is de telecomnetwerken wel te reguleren maar andere netwerken – zoals de tv-kabel – buiten beschouwing laat. Dit zorgt voor ongelijke concurrentie in de elektronische communicatiesector en voor minder keuzevrijheid voor consumenten. De Minister gaf tijdens het AO Telecommunicatie al aan dat de oplossing voor het gelijktrekken van de beide markten in Europa ligt, en wel in de modernisering van wetgeving. Is de Minister van plan volgende week tijdens de Telecomraad zijn collega-ministers in te lichten over het probleem waar Nederland mee kampt? En gaat hij de modernisering van wetgeving op de Brusselse agenda zetten?

Ja, dat voornemen heb ik. Ik zal de Nederlandse visie op ex-ante marktregulering en het Nederlandse standpunt bespreken met de nieuwe Eurocommissarissen en mijn collega-ministers. Het is mijn inzet om de noodzaak om het telecomkader te moderniseren op de Europese agenda te krijgen. Daarvoor heb ik het afgelopen jaar al Europees aandacht gevraagd.

Daarnaast hebben de leden van de VVD-fractie begrepen dat aanbieders van digitale televisie zoals UPC, Ziggo en KPN overwegen kleine Nederlandse commerciële omroepen (veelal thema-kanalen die zich richten op het Nederlandse taalgebied) uit hun televisiepakketten te verwijderen. Kan de Minister hier op in gaan, ook in het licht van de bijna-monopoliepositie die Ziggo straks heeft op de Nederlandse kabel? En is de Minister het met deze leden eens dat de regulering van de kabel een bijdrage kan leveren aan het bevorderen van concurrentie onder aanbieders, keuzevrijheid voor consumenten en een gevarieerd televisieaanbod?

Aanbieders van (digitale) televisie die ten minste 100.000 abonnees hebben, zijn op grond van de Mediawet verplicht een pakket van ten minste 30 digitale televisiekanalen door te geven. De aanbieders zijn verplicht een aantal zogenaamde «must carry»-zenders, zoals onder andere NPO 1, 2 en 3, door te geven in dat standaardpakket. Voor het overige deel van het pakket staat het de aanbieders vrij om te bepalen welke televisiekanalen zij in hun standaardpakket opnemen, of welke televisiekanalen zij in andere pakketten doorgeven. De samenstelling van de televisiepakketten is afhankelijk van de commerciële onderhandelingen tussen de aanbieders van de televisiekanalen en de aanbieders van digitale televisie, waarbij uiteraard de voorkeur van consumenten een belangrijke rol bij de samenstelling.

Alhoewel Ziggo en UPC gezamenlijk de grootste aanbieders zijn van digitale televisie, zijn deze partijen niet de enige aanbieders van digitale televisiediensten. Uit recente cijfers van onderzoeksbureau Telecompaper blijkt dat via kabelnetwerken op dit moment ongeveer 60 procent van de televisieaansluitingen wordt geleverd, en ongeveer 55 procent van de digitale aansluitingen.3 Dat betekent dat er ook alternatieve distributiemogelijkheden zijn voor de kleine Nederlandse commerciële omroepen. Wel ben ik het met de Kamer eens dat openstelling van de kabel een belangrijke bijdrage kan leveren aan het bevorderen van concurrentie tussen pakketaanbieders, en zo kan leiden tot het vergroten van de keuzevrijheid en een gevarieerd televisieaanbod. Zoals u weet, is het gezien de voorlopige conclusies van de ACM dat op grond van de huidige marktomstandigheden regulering van Ziggo/UPC niet aan de orde is, nodig om daarvoor de Europese regels te veranderen. Ik zet mij er voor in om de noodzaak het Europese kader te herzien, op de Europese agenda te zetten.

De vraag van de VVD-fractie raakt ook aan het vraagstuk hoe om te gaan met het standaardpakket waarin het minimum aantal door te geven zenders is vastgelegd. In een motie van de leden Segers en Huizing4 werd de regering gevraagd om met de distributeurs en aanbieders van televisie- en radiozenders in gesprek te gaan om met hen de mogelijkheid te verkennen voor het afnemen van kleinere pakketten, dan wel van individuele zenders, het zogeheten à la carte menu en de Kamer hierover te informeren. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) is hierover in gesprek met de partijen. De door de VVD-fractie genoemde punten worden in deze gesprekken meegenomen. Het onderwerp staat dus nadrukkelijk op de agenda. Over de uitkomst van deze gesprekken en de mogelijke wijzigingen van beleid die het kabinet hieraan verbindt, zal de Staatssecretaris van OCW uw Kamer in het voorjaar van 2015 berichten.5

Tijdens de Telecomraad zal worden gesproken over de toegankelijkheid van overheidssites, inclusief gebruikers met een (bijvoorbeeld visuele) functiebeperking. Het kabinet vindt het voorstel te ver gaan en wil niet dat de EU in plaats van de lidstaten bepaalt op welke wijze lidstaten aan internationale vereisten en normen voor webtoegankelijkheid moeten voldoen en op welke wijze het toezicht daarop moet worden ingevuld. Uit de geannoteerde agenda van de Raad blijkt dat het kabinet evenmin gelukkig is met de stellingname van het Europees parlement die het aantal overheidswebsites die onder de richtlijn vallen nog verder wil uitbreiden. Deze leden steunen de lijn van het kabinet. Kan de Nederlandse inzet op een meerderheid of een blokkerende minderheid rekenen in de Raad? Welke landen zijn wel voorstander van een grote invloed vanuit Brussel?

Nederland heeft aangegeven het voorstel voor deze richtlijn niet subsidiair te vinden. Hiervoor is weinig steun bij andere lidstaten. Wel zijn veel lidstaten met Nederland kritisch over de proportionaliteit van het voorstel. De kritiek betreft ten eerste de uitvoerbaarheid van het voorstel. Het voorstel mist de flexibiliteit en pragmatiek die nodig is voor een proportionele en geleidelijke implementatie en om in voldoende mate rekening te kunnen houden met al genomen maatregelen ter bevordering van de toegankelijkheid binnen de lidstaten. De kritiek betreft ten tweede de voorschriften op het gebied van monitoring en rapportage. Deze zorgen voor een buitengewoon grote administratieve en daarmee gepaard gaande financiële last voor overheidsinstanties. De administratieve lasten dienen klein en eenvoudig uitvoerbaar te zijn. De proportionaliteit is erg in het geding geraakt nu het Europese parlement de reikwijdte van het voorstel bij amendement sterk heeft uitgebreid van overheidswebsites die (twaalf) essentiële diensten aan burgers aanbieden naar alle websites van de (semi-)overheid. Deze uitbreiding is door de Europese Commissie en het Italiaanse voorzitterschap als positief overgenomen.

In de kritiek trekt Nederland veel op met de «Noordelijke» lidstaten, die net als Nederland al stappen gezet hebben op het gebied van de toegankelijkheid van overheidswebsites. Dit heeft ertoe geleid dat de Commissie het voorstel recent heeft aangepast. Zo is er ruimte in het voorstel gekomen voor noodzakelijke uitzonderingen en geleidelijke implementatie en is continue monitoring vervangen door periodieke monitoring. Nederland zal, met gelijkgezinde lidstaten, blijven streven naar verdere verbeteringen van het voorstel op het gebied van reikwijdte, implementatietermijn, monitoring en rapportage en benodigde implementatieruimte voor lidstaten.

Op dit moment in de onderhandelingen is nog niet te zeggen wat de uitkomsten van de onderhandelingen zullen zijn en welke posities landen zullen innemen. De behandeling in de raadswerkgroepen laat op dit moment geen duidelijke meerderheid of een blokkerende minderheid zien tegen het voorstel als geheel of tegen de amendementen op het voorstel van het Europese parlement.

In de mededeling over data-economie zet de Commissie uiteen hoe verdere ontwikkeling van de digitale economie vorm zal worden gegeven. Onderdeel van deze mededeling is dat de Commissie na het aannemen van de verordening databescherming richtsnoeren wil gaan vaststellen voor anonimisering; pseudonimisering; dataminimalisatie en risicoanalyse. De Minister stelt terecht dat dit een taak voor de European Data Protection Board (EDPB) is, en dus niet voor de Commissie. Zal de Minister tijdens de Telecomraad benadrukken dat de Commissie zich met de hoofdlijnen bezig dient te houden en de uitwerking en toepassing aan anderen over te laten?

Dit onderwerp is niet geagendeerd op de aanstaande Telecomraad. De mededeling spreekt over het geven van «guidance» over hoe te voldoen aan de regels in de algemene verordening gegevensbescherming. Ik heb daar geen bezwaar tegen, dit kan bedrijven zelfs helpen. Ik geloof alleen wel dat de Europese toezichthouder, die ervaring heeft met de praktijk, hier het beste op toegerust is.

De Minister schrijft dat de te verwachten richtsnoeren geen gevolgen hebben voor de regeldruk en administratieve lasten. Hoe komt hij tot deze inschatting? Is het waar dat de Commissie allerlei nieuwe verplichtingen aan bedrijven wil opleggen, en dat deze verplichtingen dus tijd, geld en arbeid zullen kosten? Bemoeilijkt de verordening databescherming de verdere ontwikkeling van «big data» als economische kans? Hoe zit het bijvoorbeeld met het doelbindingsprincipe?

De nieuwe dataprotectie verordening zal nieuwe verplichtingen opleggen aan bedrijven. Bij de onderhandelingen is de inzet van Nederland steeds om de administratieve lasten te beperken. Bijvoorbeeld door verplichtingen afhankelijk te maken van het daadwerkelijke risico op een inbreuk van privacy (zogenaamde «risk-based approach»). De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bericht u regelmatig over de voortgang.

De Commissiemededeling «data-gedreven economie» verwijst weliswaar naar de dataprotectie regelgeving, maar legt zelf geen verplichtingen op. Vandaar mijn oordeel dat er geen gevolgen zijn voor de regeldruk en administratieve lasten.

De verordening zal meer controle en transparantie bieden aan gebruikers, en bedrijven aanzetten tot zorgvuldige omgang met data. Daarbij hoort ook dat het – nu al geldende – doelbindingsprincipe van kracht blijft. Mijn verwachting is niet dat dit de ontwikkeling van big data als economische kans bemoeilijkt. De verordening zal duidelijkheid geven over het wettelijk kader dat de komende jaren geldt. Nederlandse bedrijven kunnen dit aangrijpen door op slimme en zinvolle wijze invulling te geven aan wetgeving, zodat burgers werkelijk meer vertrouwen krijgen in de omgang met hun data. Dit vertrouwen is een voorwaarde om de vruchten van big data te kunnen blijven plukken. Overigens liggen er veel kansen verscholen in big data die geen betrekking hebben op persoonsgegevens, en dus buiten de reikwijdte van de verordening vallen. Bijvoorbeeld door productinnovatie, effectief beheer van wegen, bruggen en energienetwerken, het simuleren en bouwen van complexe machines en het analyseren van radioastronomische gegevens.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

Allereerst hebben de leden van de PvdA-fractie opmerkingen en vragen over de ontwerprichtlijn toegankelijke overheidswebsites; naar de mening van deze leden is de Minister hierin wel heel terughoudend. Het lijkt allemaal vooral zo klein mogelijk gehouden te moeten worden en zo laat mogelijk ingevoerd. Deze leden zien ook wel dat het Europees parlement wat enthousiast geweest is in haar amendering, waarin alle websites die met de overheid te maken hebben volledig toegankelijk te maken en om dat met ingang van 2016 al af te dwingen. De Minister geeft echter niet aan wat de eigen ambitie is. Wat zou onder de werking van deze richtlijn moeten vallen en wanneer kan het inwerking treden? Wil de Minister de Europese richtlijn ook op het ambitieniveau van de eigen webrichtlijnen brengen? Zo nee, wat is dan de meerwaarde van de Europese richtlijn en welke elementen van de webrichtlijnen kunnen dan wel in een Europese richtlijn meegenomen worden?

Het kabinet is negatief over de subsidiariteit van de ontwerprichtlijn. Voor websites zijn in internationaal verband richtlijnen voor de toegankelijkheid opgesteld, die de Europese Commissie als EU-standaard heeft geadopteerd. De doelstelling om websites van overheden toegankelijk te maken, kan door de lidstaten zelf verwezenlijkt worden door toepassing van deze internationale richtlijnen. Nederland heeft gebruik ervan op overheidswebsites verplicht gesteld door opname van deze richtlijnen in de open standaard «de webrichtlijnen».

De webrichtlijnen zullen vanaf 2015 als open standaard verplicht gebruikt moeten worden op websites van de Nederlandse overheid. Dit betekent dat overheden deze standaard moeten toepassen, tenzij er redenen van «bijzonder gewicht» zijn die toepassing verhinderen. Kunnen overheden een of meer onderdelen van de standaard niet toepassen, dan dienen ze daarover een verklaring op hun website te plaatsen, die inzicht geeft in de te nemen en genomen maatregelen en in de alternatieven voor gedupeerde gebruikers. Nederland heeft beleid geformuleerd voor een goede en uitvoerbare toepassing van dit regime in het zogenoemde toepassingskader voor de webrichtlijnen. Plaatsing van de open standaard webrichtlijnen op de «pas toe of leg uit»-lijst van het College en het Forum Standaardisatie betekent niet alleen een oproep aan alle (semi) overheidsorganisaties in Nederland om deze standaard te gebruiken, maar ook de verplichting om conform de open standaard in te kopen. Overheden zijn verplicht bij aanschaf (aankoop, inhuur en ontwikkeling) of (ver)bouw van ICT-systemen, producten- en -diensten de toepassing te eisen van de webrichtlijnen. Het «pas toe of leg uit»-regime is voor de rijksoverheid verankerd in de «Instructie rijksdienst bij aanschaf ICT-diensten of ICT-producten» van oktober 2008 en in de Rijksbegrotingvoorschriften (RBV). Voor gemeenten is dit regime vastgelegd in de «Overheidsbrede implementatieagenda voor dienstverlening en e-overheid» (i-NUP) van mei 2011, waaraan provincies en waterschappen zich hebben gecommitteerd. Het regime komt tevens terug in het «Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten» (BBV). Met de semi-publieke sectoren zijn (nog) geen aanvullende afspraken gemaakt over de verankering van het «pas toe of leg uit»-regime.

Gegeven het feit dat het «pas toe of leg uit»-regime voor de medeoverheden alleen «verankerd» is in een bestuursakkoord met een beperkte geldigheidsduur en in richtlijnen ter uitvoering van een algemene maatregel van bestuur en voor de semi-publieke sectoren niet is verankerd, zullen maatregelen genomen moeten worden om de afdwingbaarheid van het regime voldoende te waarborgen. De wettelijke verankering van de verplichte toepassing van open standaarden is door de betrokken Ministeries van Economische Zaken en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geplaatst op de gezamenlijke wetgevingsagenda op voor het elektronisch zakendoen voor burgers en bedrijven met de overheid (Kamerstuk 26 643, nr. 316).

De meerwaarde van een Europese richtlijn zou hierin kunnen liggen dat het wetgeving in de lidstaten op het gebied van toegankelijke overheidswebsites bespoedigt. Daartoe zou volstaan dat de Europese Unie voorschrijft dat lidstaten een wettelijke regeling treffen voor het gebruik van de internationale open standaarden voor toegankelijke websites om te waarborgen dat voorlichting, informatie en dienstverlening van de overheid goed toegankelijk is, in het bijzonder voor personen met een beperking of achterstand. Getuige de inspanningen tot nu, erkent de regering dat goede toegankelijkheid van overheidswebsites van het grootste belang is en een essentiële voorwaarde om ervoor te zorgen dat iedereen deel te kan (blijven) nemen aan de moderne samenleving, waarin Internet, websites en webgebaseerde diensten steeds belangrijker worden. Onwenselijk is dat de Europese Unie aan de lidstaten voorschrijft op welke wijze de internationale open standaarden voor toegankelijkheid op de interne websites dienen te worden toegepast en op welke wijze het toezicht op de naleving dient te worden ingericht. Dit vereist maatwerk, waarin Nederland de afgelopen jaren stappen heeft gezet, zodat voldoende rekening kan worden gehouden met de al bestaande regelingen in de lidstaten en de specifieke inrichting van interne overheidshuishouding in het algemeen en de ICT-infrastructuur in het bijzonder.

In de geannoteerde agenda lezen de leden van de PvdA-fractie dat Nederland, samen met een aantal andere landen, een voorstel heeft ingediend over roaming. Kern van het voorstel is dat het afschaffen van de roamingtoeslagen zo snel mogelijk moet plaatsvinden (Roam Like At Home), maar dat daarbij de nodige zorgvuldigheid moet worden betracht. Deze leden willen graag van de Minister weten wanneer «zo snel mogelijk» is, is 1 januari 2016 nog haalbaar? Verder worden zij graag geïnformeerd over het standpunt van de EC en de andere lidstaten over het Nederlandse voorstel.

Nederland heeft met een aantal gelijkgezinde lidstaten een voorstel ingediend om te komen tot een spoedige invoering van RLAH, met een zorgvuldige overgangstermijn voor het bedrijfsleven. Een flinke verlaging van de wholesaletarieven is noodzakelijk om RLAH mogelijk te maken. Kern van het Nederlandse voorstel is dat gedetailleerde afspraken over het «fair use» criterium en nadere afspraken over de wholesaletarieven moeten worden vastgelegd een half jaar of langer voordat RLAH verplicht wordt.

Een besluit over deze onderwerpen voor medio 2015 lijkt te ambitieus, gezien de gevoeligheden rondom deze thema’s en de gebruikelijke doorlooptijd van het besluitvormingsproces in Brussel.

Is de intensivering van de coördinatie van het frequentiebeleid, zoals de EC eerder had voorgesteld, nu helemaal van de baan?

Nee, dit is niet het geval. Het Italiaanse compromisvoorstel bevat ook een passage over spectrum. Kern van het voorstel is versterking van de RSPG (Radio Spectrum Policy Group), een adviescommissie voor spectrum waar lidstaten in vertegenwoordigd zijn. Nederland steunt een verdere versterking van de RSPG en daarmee een coördinatie die meer bottom-up tot stand komt, dus vanuit de lidstaten.

In het compromisvoorstel mag de RSPG alleen op verzoek van de Europese Commissie adviseren. Nederland vindt dat de RSPG ook op eigen initiatief adviezen moet kunnen geven voor de inrichting van een Europees spectrumbeleid.

Tenslotte lezen de leden van de PvdA-fractie dat de nieuwe Commissievoorzitter het onderwerp «groei en banen» centraal heeft gesteld in zijn beleidsagenda. Daarom vragen deze leden wanneer er meer duidelijkheid komt over het investeringspakket van 300 miljard euro. Zijn daarin ook middelen voor breedband in de buitengebieden te verwachten? Kan hiermee alsnog de plotselinge tegenslag van eerder dit jaar ongedaan gemaakt worden, toen ongeveer acht miljard euro voor breedband ineens voor andere zaken werd bestemd?

De Europese Commissie heeft aangegeven dat, binnen het investeringsplan van 300 miljard euro van Commissievoorzitter Juncker, digitalisering één van de thema’s zal zijn. De Commissie werkt het aangekondigde investeringspakket momenteel uit. Daaruit zal duidelijk worden in hoeverre middelen voor breedband in de buitengebieden te verwachten zijn.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister een kritische houding heeft over de ontwerprichtlijn voor de toegankelijkheid van overheidswebsites. Deze leden erkennen het belang van toegankelijkheid van overheidswebsites voor mensen met een functionele beperking. Zo bevat de website van de Tweede Kamer een voorleeshulp. De leden van de D66-fractie vragen de Minister in te gaan op de huidige staat van toegankelijkheid van overheidswebsites in Nederland.

De regering erkent het grote belang van een goed toegankelijke overheidswebsites en de voorbeeldfunctie die de overheid hierin heeft. De afgelopen jaren is flinke vooruitgang geboekt. Toch dienen overheden nog de nodige stappen te zetten en te blijven zetten in de continue verbetering van de toegankelijkheid van hun websites. Zoals aangegeven in de «Voortgangsrapportage Webrichtlijnen» van 26 november 2012 (Kamerstuk 26 643, nr. 260) hebben de directeuren Communicatie, verenigd in de Voorlichtingsraad, en de CIO’s, verenigd in de ICCIO, een saneringsoperatie ingezet voor de websites van de departementen en van de ZBO’s om de toegankelijkheid van de informatieverstrekking en de dienstverlening zoveel mogelijk te bevorderen. De mate waarin websites van het Rijk, inclusief ZBO’s, (kunnen en zullen) voldoen aan de open standaard webrichtlijnen, is sindsdien online zichtbaar via www.rijksoverheid.nl in het «Websiteregister rijksoverheid». Uit de cijfers die worden geleverd door de verantwoordelijke departementen, blijkt dat op 1 november 2014 van de in totaal 967 websites 269 websites verhuisd zijn of zullen worden naar een platform dat is ingericht volgens de webrichtlijnen en dat 167 websites zelfstandig waren ingericht conform dit regime (in totaal 45%). Van 161 websites was opgegeven dat deze niet voldeden aan dit regime (16%) en van 370 websites (38%) was de status nog niet opgegeven.

Ten aanzien van de medeoverheden werd in de voortgangsrapportage van 26 november 2012 aangegeven dat de provincies en waterschappen hun websites (gezamenlijk) hadden vernieuwd, waarbij de webrichtlijnen waren meegenomen, maar dat de gemeenten traag progressie hadden geboekt (minder dan 10% voldeed). Op 1 november 2014 hadden tenminste 131 gemeentelijke websites (32,5%) volledig voldaan aan de toegankelijkheidseis die in de overheidsbrede «implementatie-agenda dienstverlening e-overheid» (i-NUP) wordt gesteld. Daarnaast nemen op dit moment tenminste 175 gemeenten (ruim 40%) deel aan een door het Kwaliteits Instituut Nederlandse Gemeenten (KING) opgezette campagne, waarin de websites worden getoetst op toegankelijkheidsaspecten en op de website een verklaring wordt gepubliceerd over de toegankelijkheid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de «Toegankelijkheidsmonitor», die mede in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontwikkeld. Daarmee kunnen overheden een deel van de webrichtlijnen zelf automatisch toetsen, waarbij bij fouten suggesties voor verbeteringen worden gedaan. In de monitor wordt vanaf 2015 de toegankelijkheid van de websites van zowel het Rijk als de medeoverheden indicatief bijgehouden. Via de toegankelijkheidsmonitor, gecombineerd met de verplichting om transparant verantwoording af te leggen in de vorm van een toegankelijkheidsverklaring op websites van de overheid, wordt inzichtelijk in welke mate overheden voldoen aan de verplichte toepassing van de open standaard webrichtlijnen en zijn ze daarop aanspreekbaar. De regering zal de overheden blijven aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor een goede toegankelijkheid van hun websites.

Hierbij wordt opgemerkt dat de webrichtlijnen zelf, getuige de introductie van een nieuwe versie 2 in 2011, en de methoden en technieken waarmee deze toegepast kunnen worden, dynamisch van aard zijn, evenals de vaak snelle ontwikkelingen op ICT-gebied en veranderingen in de bedrijfsvoering van de overheid. Daarom zal er, ook al hebben vele overheidsorganisaties de afgelopen jaren een stevig fundament gelegd, altijd sprake zijn van een situatie waarin overheden opnieuw maatregelen zullen moeten nemen om ervoor te zorgen dat alle burgers en bedrijven zoveel mogelijk gebruik kunnen blijven maken van het digitale kanaal. De doelstelling die in het Regeerakkoord is opgenomen dat burgers en bedrijven uiterlijk in 2017 zaken die ze met de overheid doen, digitaal kunnen afhandelen, waarbij burgers het recht krijgen op elektronisch zaken doen en de wetgeving hierop zal worden aangepast, betekenen dan ook een blijvende, forse ambitie voor de rijksoverheid en de medeoverheden om, waar nodig, de kwaliteit van digitale overheidsinformatie en overheidsdienstverlening aantoonbaar te verbeteren, met aandacht voor mensen die minder digivaardig zijn of een functiebeperking hebben (Kamerstuk 26 643, nr. 280). Een goed toegankelijke website is daarbij een essentiële voorwaarde.

Deze leden zijn bezorgd over berichten dat uit documenten zou blijken dat de Raad van de Europese Unie, onder voorzitterschap van Italië, een voorstel wil doorvoeren met zwakkere regels voor netneutraliteit, waarbij providers verkeer kunnen vertragen of blokkeren als de eindgebruiker dat wil, als het netwerk overbelast dreigt te raken of als het nodig is vanwege beveiliging. Zij zijn van mening dat échte netneutraliteit cruciaal is voor concurrentie, innovatie en het behoud van het open internet. De leden van de D66-fractie vragen de Minister uitvoerig in te gaan op de inhoud van het voorstel met betrekking tot het punt van netneutraliteit. Zij vragen de Minister niet akkoord te gaan met een afzwakking van het voorstel op het gebied van netneutraliteit.

Het Italiaanse voorzitterschap heeft een voorstel gepresenteerd dat algemene principes ten aanzien van netneutraliteit vastlegt. Dit sluit aan op de wens van een meerderheid van lidstaten om minder gedetailleerde regelgeving aan te nemen dan door de Europese Commissie en het Europees parlement is voorgesteld. Dit betekent onder andere dat gespecialiseerde diensten niet meer worden genoemd. Dit komt overeen met de Nederlandse netneutraliteitsbepalingen, die zich richten op de internettoegangsdienst en het waarborgen van de kwaliteit van deze dienst en dus niet ziet op gespecialiseerde diensten.

Daarnaast vermeldt het voorstel zes uitzonderingen op het verbod op blokkeren, vertragen, veranderen, degraderen of discrimineren. Vier daarvan sluiten aan op het voorstel van de Europese Commissie en op de uitzonderingen in de Nederlandse netneutraliteitswet, te weten het voorkomen van congestie, behoud van de integriteit en veiligheid van het netwerk, het voorkomen van spam en het uitvoeren van een gerechtelijk bevel of wettelijk voorschrift. Daarnaast heeft het Italiaanse voorzitterschap een tweetal uitzonderingen toegevoegd met het oog op het mogelijk maken van gespecialiseerde diensten. Deze zouden te ruim geïnterpreteerd kunnen worden.

Daarnaast wekt het voorstel de indruk dat verkeersmaatregelen mogen worden toegepast indien hier nadrukkelijk om wordt verzocht door de eindgebruiker. Dit is te breed geformuleerd en zet de deur voor aanbieders open om de netneutraliteitsverplichtingen te ontwijken. Ik zal ervoor pleiten enkel de eerder genoemde vier uitzonderingen op te nemen die ook in de Nederlandse Telecommunicatiewet vermeld staan. Uiteraard zal ik ook blijven pleiten voor het opnemen van een verbod op prijsdiscriminatie.

Voorts lezen de leden van de D66-fractie dat de raad geïnformeerd zal worden over de ontwerprichtlijn inzake netwerk- en informatiebeveiliging. Hoe verhoudt de ontwerprichtlijn zich tot de huidige situatie in Nederland? Welke onderdelen zijn in Nederland reeds gerealiseerd en welke onderdelen niet?

De Nederlandse Nationale Cybersecurity Strategie I heeft al veel onderdelen die in de ontwerprichtlijn Netwerk- en Informatie Beveiliging (NIB) voorkomen geregeld, zoals een nationale strategie, een goed functionerende nationale CERT, een nationaal point of contact, periodieke dreigingsbeelden en een cybersecurity coördinator. Daarnaast zijn er enkele zaken die momenteel in afzonderlijke Nederlandse trajecten al bekeken worden, en waar de implementatie van de richtlijn bij betrokken wordt. Zo bestaat er samenhang tussen de ontwerprichtlijn en het Nederlandse wetsvoorstel voor een security breach notification, dat thans in voorbereiding is en op korte termijn voor internetconsultatie zal worden opengesteld. Het verdient ten slotte aandacht dat de ontwerprichtlijn op onderdelen mogelijk differentieert van het Nederlandse stelsel; zoals sanctionering via bevoegde autoriteiten, en de sectoren die in de ontwerprichtlijn genoemd zijn. Deze sanctionering en implementatie zullen, zodra de NIB-richtlijn is vastgesteld, in sectorale wetgeving hun beslag moeten krijgen. De Minister van Veiligheid en Justitie zal u na de Telecomraad informeren over de voortgang van de onderhandelingen over de ontwerprichtlijn NIB.

III Volledige agenda

Verslag informele Telecomraad Milaan 2-3 oktober 2014

Brief regering – Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp – 20 oktober 2014 – Kamerstuk 21 501-33, nr. 510

Aanbieding van de geannoteerde agenda van de Telecomraad van 27 november 2014

Brief regering – Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp – 14 november 2014 – Kamerstuk 21 501-33, nr. 515

Fiche 3: Mededeling Data-economie

Brief regering – Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans – 5 september 2014- Kamerstuk 22 112, nr. 1898

Advies best practices EU-informatievoorziening + aangepaste sjablonen BNCfiches

Brief regering – Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans – 4 juli 2014 – Kamerstuk 22 112, nr. 1876