Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201621501-32 nr. 879

21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 879 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 oktober 2015

Met deze brief informeer ik u over de onderwerpen die op de agenda staan van de Landbouw- en Visserijraad van 22 en 23 oktober a.s.

Daarnaast zend ik u, zoals eerder toegezegd, de rapportage van de NVWA-pilot over het inzetten van camera’s voor de controle en handhaving van de aanlandplicht voor de pelagische sector. Tot slot informeer ik u over de voortgang van mijn toezegging over het onderzoek naar de inkomenseffecten van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2014–2020.

Onderwerpen Raad

Vangstmogelijkheden Oostzee 2016

Politiek akkoord

De Raad zal naar verwachting een politiek akkoord bereiken over de maximaal toegestane vangstmogelijkheden (TACs) voor het jaar 2016 in de Oostzee (COM (2014) 614). De Europese Commissie heeft hiertoe, op basis van biologische adviezen, een voorstel voor een verordening aan de Raad voorgelegd. Er is op moment van schrijven geen achtergronddocument beschikbaar gesteld door het Luxemburgse voorzitterschap.

Over het voorstel heeft uw Kamer eerder een fiche ontvangen (Kamerstuk 22 112, nr. 1486). Het kabinet hecht eraan dat het beheer van visserijbestanden in alle Europese wateren op duurzame wijze wordt gerealiseerd. Ik ben dan ook tevreden dat de voorstellen gebaseerd zijn op wetenschappelijk advies met het doel om de MSY (maximale duurzame opbrengst) te bereiken. Om dit te bereiken moeten de meeste TACs voor Oostzee haring-, sprot- en kabeljauwbestanden gereduceerd worden. Ik ben ook positief over de afschaffing van de zeedagen, aangezien dat past bij de invoering van de aanlandplicht en binnen de bredere ambitie om regelgeving te vereenvoudigen.

Voor de betrokken lidstaten zijn enkele voorgestelde reducties naar verwachting te groot. Zij zullen pleiten voor meer geleidelijke aanpassingen. Een meerderheid is tevreden met het afschaffen van zeedagen, zoals overeengekomen in de omnibus-verordening.

Ten aanzien van het westelijke Oostzee kabeljauwbestand zijn lidstaten nog in afwachting van het voorstel van de Europese Commissie. Ik zal samen met deze lidstaten de Europese Commissie oproepen zo snel mogelijk met een voorstel te komen.

Vangstmogelijkheden Europese Unie en Noorwegen 2016

Gedachtewisseling

De Raad zal van gedachten wisselen over de aanstaande bilaterale onderhandelingen tussen de Europese Unie en Noorwegen over de visserijovereenkomst voor 2016. Er staan hierbij twee punten centraal (zie: ST 12468):

  • 1. de aanpak die de Europese Unie moet hanteren met betrekking tot de belangrijkste gezamenlijk beheerde gedeelde bestanden in de Noordzee en in het Skagerrak;

  • 2. de wijze waarop het overleg moet worden gevoerd en de vraag welke andere bestanden die voor Noorwegen van belang zijn, kunnen worden gebruikt voor de quotaruil met Noorwegen.

Jaarlijks wordt met Noorwegen onderhandeld over de TACs voor de gezamenlijk beheerde visbestanden, alsmede over de ruil van vangstmogelijkheden. De Europese Commissie streeft ernaar de onderhandelingen vóór de Raad van december a.s. af te ronden, zodat de resultaten kunnen worden opgenomen in de EU-verordening met TACs en quota.

Ik hecht groot belang aan een goede relatie met Noorwegen op visserijgebied, omdat het gezamenlijke beheer een aantal voor Nederland belangrijke visbestanden betreft. Het beheer van de gezamenlijke bestanden moet in overeenstemming zijn met de doelstellingen en principes van het nieuwe Gemeenschappelijk Visserijbeleid. Ik ben daarom van mening dat de TACs moeten worden vastgesteld op basis van het wetenschappelijk advies volgens de regels van de meerjarenbeheerplannen en MSY. Dit principe wordt breed gesteund in de Raad, maar een aantal lidstaten zal bij grote schommelingen in de TACs pleiten voor een stapsgewijze aanpak.

De Europese Commissie heeft aangekondigd nog dit najaar te zullen komen met een voorstel voor een nieuw meerjarenplan voor de gemengde visserij in de Noordzee. Deze zou de bestaande meerjarenplannen voor schol en tong en het kabeljauwherstelplan moeten vervangen. Met Noorwegen zullen afspraken gemaakt worden over de consultatie. Voorlopig zijn de vigerende plannen nog van kracht.

Volgens het advies van de Internationale Raad voor Onderzoek der Zee (ICES) zou de TAC voor Noordzeeschol met 22% verlaagd moeten worden. Dit is het gevolg van de bijstelling van de MSY-streefwaarde door ICES. Ik ben verrast door deze aanpassing. Het bestand is immers historisch groot en daarom zal ik opheldering vragen bij de Europese Commissie. Ik kan mij wel vinden in de overige adviezen.

Die houden onder meer een verlaging van de quota voor wijting met 15% in. Hierbij zij opgemerkt dat de Noordzeewijting en -schelvis in 2016 onder de aanlandplicht komen te vallen en dat de quota door de Europese Unie zullen worden opgehoogd om rekening te houden met ondermaatse vangsten. Deze ophoging zal met Noorwegen moeten worden besproken. Hoe deze eruit komt te zien kan nog niet gezegd worden. Ik ben van mening dat de ophoging voldoende moet zijn om de normaal toegestane bovenmaatse vangsten aan te kunnen landen. Het kabeljauwbestand in de Noordzee is voldoende hersteld voor een ophoging van ongeveer 15% overeenkomstig de MSY-benadering. ICES adviseert voor de Noordzeeharing ook een ophoging op basis van het meerjarenplan en de MSY-benadering.

In de uitruil van visserijmogelijkheden tussen de Europese Unie en Noorwegen speelt een aantal voor Nederland relevante bestanden een rol. Het gaat hier om overdracht van TACs voor blauwe wijting en tong in de Noordzee van de Europese Unie naar Noorwegen. In ruil krijgt de Europese Unie Arctische kabeljauw van Noorwegen. Maar Nederland heeft geen aandeel in de Arctische kabeljauw quota en profiteert dus niet van dit aanbod. Tot nu toe was blauwe wijting – voor de Nederlandse visserijsector van belang – het belangrijkste ruilmiddel om tot een acceptabele balans tussen de Europese Unie en Noorwegen te komen. Gezien de lage TAC voor dit bestand het komend jaar, zal ook naar andere middelen gezocht moeten worden. Afwenteling naar andere pelagische bestanden is niet gewenst. Derhalve zal komend jaar naar mijn oordeel niet automatisch alle door Noorwegen aangeboden Arctische kabeljauw moeten worden afgenomen, indien dit zou leiden tot een grote overdracht van TACs naar Noorwegen van voor de Nederlandse sector relevante bestanden. Dit zal ik dan ook inbrengen in de Raad. Nederland kan hierin doorgaans op steun rekenen van enkele lidstaten.

Klimaat slimme landbouw

Gedachtewisseling

Het Luxemburgse voorzitterschap wil tijdens deze Raad van gedachten wisselen over klimaat slimme landbouw. Naar verwachting zal de Europese Unie de discussie benutten om inbreng te verzamelen voor de COP21 later dit jaar in Parijs. Tijdens de informele Landbouwraad van 13 tot en met 15 september jl. was er een gedachtewisseling voorzien over «Climate Smart Agriculture». Door de ontwikkelingen op de zuivel- en varkensvleesmarkt is besloten de informele Raad te gebruiken voor een verdere discussie over het maatregelenpakket dat de Europese Commissie heeft voorgesteld om de genoemde sectoren te ondersteunen.

Ik vind het opportuun klimaat slimme landbouw aan de orde te stellen. Vanuit de wereldwijde voedselzekerheidsopgave zet Nederland zich in voor een aanpak die gelijktijdig drie doelstellingen nastreeft:

  • 1) duurzame verhoging van de landbouwproductie;

  • 2) weerbaar maken van de landbouw tegen effecten van klimaatverandering; en

  • 3) terugdringen van de broeikasgasuitstoot van de landbouwsector om voedselsystemen weerbaar te maken tegen de gevolgen van klimaatsverandering.

In de geannoteerde agenda van de informele Raad (Kamerstuk 21501–32, nr. 869) is uitgebreid ingegaan op de Nederlandse inzet. De Nederlandse inzet op basis van het toentertijd door het voorzitterschap opgestelde document1, zal volgens dezelfde lijn zijn.

Diversen

Presentatie EU-actieplan duurzame gewasbescherming

Informatie van de Nederlandse delegatie

Voor deze Raad heb ik een diversenpunt aangevraagd om een EU-actieprogramma te presenteren over duurzame gewasbescherming. Ik heb in de Raad van 13 juli jl. aangegeven voorstander te zijn van versnelling in het bevorderen van geïntegreerde gewasbescherming. Om dit te bereiken, zou moeten worden ingezet op de vergroening van het middelenpakket door dit uit te breiden met biologische, natuurvriendelijke en alternatieve maatregelen.

Ik heb tijdens die Raad aangekondigd dit najaar een actieprogramma te zullen opzetten, dat vervolgens op expertniveau geïmplementeerd kan worden. Aan lidstaten is gevraagd om zich hierbij aan te sluiten. Meerdere lidstaten hebben aangegeven het een belangrijk onderwerp te vinden en hebben hun steun uitgesproken voor het voorstel van Nederland. Bij de presentatie van het actieprogramma zal ik de Europese Commissie vragen om een expertgroep in te stellen die het actieprogramma kan implementeren.

Rapport van de Europese Commissie over belang van specifieke bepalingen voor levensmiddelen voor zuigelingen, peuters en sporters.

Informatie van de Franse delegatie

Frankrijk heeft een diversenpunt aangevraagd over een rapport van de Europese Commissie over de noodzaak van specifieke bepalingen voor op melk gebaseerde dranken en soortgelijke producten die bestemd zijn voor peuters (kortweg peutermelk). In Verordening 609/20132, een kaderverordening over voeding voor specifieke groepen, staat dat de Europese Commissie op uiterlijk 20 juli 2015 het Europees parlement en de Raad een verslag voorlegt hierover.

De Europese Commissie heeft een conceptrapport opgesteld, maar dit nog niet aan het Europees parlement en de Raad voorgelegd.

In 2013 is de Verordening 609/2013 in werking getreden en op 20 juli 2016 zal de Verordening 609/2013 van toepassing worden. In de tussengelegen periode worden gedelegeerde handelingen opgesteld voor verschillende categorieën voeding voor specifieke groepen. Peutermelk behoort daar niet toe. Het gaat om regelgeving op het gebied van onder andere productsamenstelling en etikettering.

Op dit moment is peutermelk geregeld via de richtlijn 2006/141/EG3 over zuigelingenvoeding. Per 20 juli 2016 zal deze vervangen worden door de gedelegeerde handeling over zuigelingenvoeding. Omdat hierin peutermelk niet is meegenomen zullen de huidige producten niet als zodanig op de markt mogen blijven.

Nederland is met Frankrijk de grootste producent van peutermelk. Om marktverstoring te voorkomen en het bedrijfsleven voor te bereiden op de regelgeving die vanaf 20 juli 2016 van toepassing zal zijn, is het van groot belang dat de Europese Commissie het rapport over peutermelk uitbrengt en dat tijdig een beslissing wordt genomen door de Europese Commissie of er regelgeving moet komen en wat dit dan inhoudt.

Voor de categorie sportvoeding geldt hetzelfde. Ook hier moet de Europese Commissie, conform Verordening 609/2013 over voeding voor specifieke groepen, uiterlijk op 20 juli 2015 een rapport voorleggen aan het Europees parlement en de Raad. Ook dit rapport is er nog niet. Voor Nederland is dit minder dringend, omdat sportvoeding nu onder de algemene levensmiddelenwetgeving valt en dit na 20 juli 2016 (als verordening 609/2013 van toepassing wordt) niet zal veranderen. Enkele andere lidstaten hebben voor sportvoeding specifieke nationale regelgeving, voor hen wordt dit (net als voor peutermelk) een vervelende situatie.

Ik zal Frankrijk steunen bij het verzoek dat het rapport over op melk gebaseerde dranken en soortgelijke producten die bestemd zijn voor peuters en het rapport over sportvoeding zo spoedig mogelijk wordt voorgelegd aan het Europees parlement en de Raad.

Terugkoppeling over een ministeriële conferentie over genetisch gemodificeerde organismen (GGO)-vrije landbouw

Informatie van de Sloveense delegatie

De Sloveens delegatie zal een terugkoppeling geven over een ministeriële conferentie over genetisch gemodificeerde organismen (GGO)-vrije landbouw (zie ST 12600/15).

Tijdens deze door de landbouwministers van Slovenië en Hongarije georganiseerde bijeenkomst op 21 augustus jl. in Slovenië, hebben de vertegenwoordigers van Oostenrijk, Bosnië en Herzegovina, Cyprus, Hongarije, Italië, Kosovo, Litouwen, Macedonië, Polen, Servië en Slovenië een verklaring opgesteld voor het behoud van een landbouw zonder genetische modificatie van gewassen in Europa. Het doel hiervan is om er voor te zorgen dat er voldoende GGO-vrije eiwitgewassen en -veevoeders in Europa worden geteeld.

In de verklaring worden een aantal conclusies getrokken, die tijdens de Raad gepresenteerd zullen worden. De belangrijkste conclusies zijn:

  • 1. Het is belangrijk om een duurzame ontwikkeling van de landbouw te verzekeren die leidt tot veilig voedsel door middel van productiemethoden die geen bedreiging vormen voor de biodiversiteit en het milieu en die leidt tot behoud van een diversiteit aan productiemethoden in de landbouw en tradities;

  • 2. Er zijn nog steeds vragen over de lange termijn gevolgen van het gebruik van GGO voor het milieu.

  • 3. Er moet een gemeenschappelijk beleid komen om te verzekeren dat er mogelijkheden zijn voor GGO-vrije teelt zones in Europa.

  • 4. Er zijn zorgen over het voorstel van de Europese Commissie voor een opt-out voor de import van genetisch gemodificeerde (GG)-voedermiddelen en de mogelijk gevolgen daarvan voor het functioneren van de interne markt.

  • 5. Er moet aandacht zijn voor de traceerbaarheid van GGO-vrije producten en het verstrekken van betrouwbare informatie aan de consumenten over GGO’s.

Tijdens de Raad van 13 juli jl. heb ik aangegeven het niet eens te zijn met het voorstel van de Europese Commissie om invoer van GG-veevoeders en GG-voedingsmiddelen die al toegestaan zijn in de Europese Unie op nationaal niveau alsnog te mogen beperken of verbieden. Sinds 5 april 2015 is de nationale teeltbevoegdheid in werking getreden. Lidstaten kunnen zelf beslissen of zij deze mogelijkheid willen implementeren. Ik heb, evenals meerdere andere lidstaten, aangegeven de nationale teeltbevoegdheid voor GG-teelt te gaan implementeren. Het Nederlandse kabinet werkt aan een afwegingskader aan de hand waarvan voor ieder Europees toegelaten gewas kan worden beoordeeld, of dit gewas voor een nationaal verbod in aanmerking komt.

Ik zal de terugkoppeling van Slovenië aanhoren en indien nodig de Nederlandse positie en aanpak uiteenzetten zoals ik dat tijdens de Algemeen Overleggen Biotechnologie- en kwekersrecht van 9 september jl. en Nationale importbeperking GG-veevoeders en GG-levensmiddelen van 17 juni jl. met uw Kamer heb besproken.

Terugkoppeling bijeenkomst G7-landen over antibioticaresistentie

Informatie van de Duitse delegatie

De Duitse delegatie zal aandacht vragen voor de uitkomsten van de bijeenkomst van de ministers van volksgezondheid van de G7-landen van 8 en 9 oktober 2015. Tijdens deze bijeenkomst staat onder andere de aanpak van antimicrobiële resistentie op de agenda. Daarnaast zal de delegatie een toelichting geven op de aanpak van Duitsland om het gebruik van antibiotica in de veehouderij te verminderen.

Antibioticaresistentie houdt zich niet aan grenzen. Het is bij uitstek een internationale problematiek die grensoverschrijdend moet worden aangepakt. Inzet op multilateraal, Europees en nationaal niveau is nodig om te komen tot een aanpak voor terughoudend en zorgvuldig gebruik van antibiotica in humane en veterinaire sector. Antimicrobiële resistentie is een prioriteit tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap, de eerste helft van 2016. Nederland organiseert dan een ministeriële conferentie waarvoor alle EU-ministers van volksgezondheid en landbouw worden uitgenodigd. De inzet is om politieke betrokkenheid te krijgen voor een breed gedragen en daadkrachtig vervolg op het actieplan antimicrobiële resistentie 2012 – 2016 van de Europese Commissie. De Minister en Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en ik hebben u bij brief van 24 juni 2015 (Kamerstuk 32 620, nr. 159) geïnformeerd over de opzet en de concrete doelen van de conferentie.

Ik zal tijdens de Raad het belang van een Europese aanpak van antimicrobiële resistentie benadrukken en de conferentie die Nederland volgend jaar organiseert onder de aandacht brengen.

Overige onderwerpen niet geagendeerd op de Raad

Controle Pelagische Aanlandplicht

Per 1 januari 2015 is de aanlandplicht van kracht geworden voor de pelagische sector. In dit kader is een pilot uitgevoerd om de toepasbaarheid van Closed Circuit Television (CCTV)-systemen (camera’s) op pelagische trawlers te testen voor controle- en handhavingsdoeleinden.

De rapportage van deze pilot van de NVWA, waar door uw Kamer om is gevraagd tijdens het AO Landbouw- en Visserijraad d.d. 16 juni jl., vindt u bijgevoegd4.

De wijze van handhaving van de pelagische aanlandplicht wordt momenteel binnen Raadskader besproken.

Onderzoek inkomenseffecten Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2014–2020

Tijdens het Algemeen Overleg van 17 april 2013 heb ik toegezegd u halverwege de periode van het huidige Meerjarig Financieel Kader te zullen informeren over de inkomenseffecten van het GLB 2014–2020. Volgens de afsprakenlijst zou ik rond juni 2015 hierover verslag uitbrengen. Aangezien 2015 het eerste jaar is onder het nieuwe GLB en de eerste basis- en vergroeningsbetalingen onder het nieuwe GLB nog plaats moeten vinden, vind ik een dergelijk onderzoek in dit stadium geen meerwaarde hebben. Een onderzoek in 2016 kan wel een eerste indicatie geven en sluit ook beter aan bij de afspraak om de inkomenseffecten halverwege de periode in beeld te brengen. De uitkomsten verwacht ik in de eerste helft van 2017 met u te kunnen delen.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma


X Noot
2

Verordening (EU) 609/2013 van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie

X Noot
3

Richtlijn 2006/141/EG van de Commissie van 22 december 2006 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding en tot wijziging van Richtlijn 1999/21/EG

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl