Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201921501-32 nr. 1138

21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 1138 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 december 2018

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de volgende zaken.

  • I. U wordt geïnformeerd over de agenda van de Landbouw- en Visserijraad die op 17 en 18 december aanstaande plaatsvindt in Brussel. Tot op heden is er slechts een voorlopige agenda beschikbaar.

  • II. Conform toezegging in het AO «Behandelvoorbehoud EU-voorstellen voor het nieuwe GLB» van 4 september jl., informeer ik uw Kamer tevens over de stand van zaken omtrent een aantal aspecten van het toekomstig Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB):

    • 1. De stand van zaken van de onderhandelingen voor het toekomstig GLB, waarbij ik u informeer over de zaken die aan bod zijn geweest in de Raadswerkgroepen over dit thema.

    • 2. Mijn inzet op de thema’s eco-regelingen en jonge boeren. Dit is mede de invulling van mijn toezegging om uw Kamer per thema te informeren over de Nederlandse inzet voor het GLB.

  • III. Conform toezegging in het AO «Landbouw en Visserijraad 19 november» van 13 november jl., informeer ik uw Kamer tevens over het Nationaal Strategisch Plan en de wijze waarop medeoverheden worden betrokken en de financiering van onafhankelijke adviesdiensten via het GLB.

  • IV. Verder informeer ik uw Kamer over de laatste stand van zaken in de onderhandelingen over de richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, conform toezegging in het AO van 11 september jl. over het behandelvoorbehoud op het EU-voorstel Oneerlijke Handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen.

  • V. U wordt geïnformeerd over uitvoeringsaspecten van het huidig GLB, te weten de top-up betaling jonge landbouwers en de graasdierpremieregeling.

I. GEAGENDEERDE ONDERWERPEN OP DE RAAD

Voorstel Raadsverordening vaststellen vangstmogelijkheden 2019 en 2020 voor bepaalde vissoorten binnen en buiten Unie-wateren

Politiek akkoord

Het Oostenrijkse voorzitterschap wil tijdens de Raad een politiek akkoord bereiken over de verordening inzake de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2019. Het voorstel van de Europese Commissie is op 7 november jl. gepubliceerd. Aangezien de Raad al op 17 en 18 december a.s. een besluit over de vangstmogelijkheden neemt, is besloten geen BNC-fiche op te stellen. In deze brief informeer ik u over mijn inzet, zoals ook toegezegd tijdens het AO «Landbouw en Visserijraad 19 november» van 13 november jl.

Het voorstel van de Europese Commissie bevat de vangstmogelijkheden (Total Allowable Catch, TAC) voor de visserij voor 2019. Het voorstel is gebaseerd op de uitgangspunten die vastliggen in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB), te weten meerjarenbeheerplannen waar die van kracht zijn, bevissing op Maximum Sustainable Yield (maximale duurzame opbrengst, MSY) waar mogelijk en toepassing van de voorzorgbenadering in alle andere gevallen. Dit beleid is erop gericht een ecologische, economische en sociaal duurzame visserij te bereiken en wordt door Nederland gesteund. Voor een groot deel van de bestanden waarover de Europese Commissie overeenkomsten sluit met derde landen wacht het voorstel op de uitkomst van die onderhandelingen.

Voor Nederland gaat het hierbij om bilaterale onderhandelingen met Noorwegen en om multilaterale onderhandelingen met de zogeheten kuststaten IJsland, Groenland, Rusland, de Faeröer en Noorwegen. Inzet van de Europese Commissie is om deze onderhandelingen tijdig af te ronden zodat de uitkomst onderdeel kan zijn van de besluitvorming tijdens de Landbouw- en Visserijraad op 17 en 18 december. Gezien de lopende onderhandelingen bevat het voorliggende Commissievoorstel nog geen voorstellen voor vangsthoeveelheden van onder meer de soorten schol, haring en kabeljauw.

Ik ben van mening dat de vaststelling van vangstmogelijkheden gebaseerd moet zijn op de uitgangspunten van het GVB, zoals hiervoor genoemd, waarbij bevissing op het niveau van MSY waar redelijkerwijs mogelijk in 2019 moet worden bereikt, maar uiterlijk in 2020.

Ik kan instemmen met het voorstel van de Commissie voor de bestanden die voor Nederland van belang zijn. Ik zal echter wel amendementen indienen op de voorstellen voor zeebaars en tong. De Commissie stelt voor om de maatregelen bij zeebaars te handhaven. De Commissie wijzigt de maatregelen door voor de visserijcategorie haken en lijnen voor de toegestane vangst op te hogen van 5 naar 7 ton per jaar per schip. Daarnaast stelt de Commissie een nieuwe restrictie voor bij de stand, waarbij er maximaal 1% van de totale vangst per dag zeebaars mag zijn. Ik pleit ervoor alle categorieën visserij onder deze maatregelen gelijk te behandelen en wil daarom inzetten op een beperkte verhoging van de toegestane vangst voor álle visserijcategorieën. Het wetenschappelijk advies van ICES (International Council for the Exploration of the Sea) biedt hiervoor de ruimte. Daarbij ben ik voorstander van een iets hogere bag-limit voor de recreatievisserij in plaats van de door de Commissie voorgestelde 1 baars per dag. Dit is in lijn met de Nederlandse inzet voor een verhoging van de vangstmogelijkheden voor de andere visserijcategorieën. Tot slot wil ik de restrictie van maximaal 1% bijvangst zeebaars aanpassen in de visserij met staand want. Dit percentage kan in deze kleinschalige visserij al gehaald worden door bijvangst van een enkele zeebaars en leidt dan tot praktische problemen. Ook de mogelijk grote variatie in vangsten per dag kan tot problemen met een bijvangstpercentage leiden.

Voor tong wordt een reductie van -22% voorgesteld door de Commissie. Het bestand bevindt zich volgens het wetenschappelijk advies echter wel ruim binnen veilige marges. Ik pleit ervoor om gebruik te maken van de ranges volgens het Meerjarenplan Noordzee en in te zetten op een minder scherpe reductie in 2019. Hiermee blijft de tongvisserij binnen de MSY-benadering, maar wordt er van de sector een minder scherpe aanpassing in 2019 gevraagd. In 2020 zou dan een volgende stap gezet kunnen worden.

Het gaat nog steeds niet goed met het aalbestand in Europa. Dat blijkt uit het ICES advies van november 2018. De Europese Commissie stelt daarom voor de huidige maatregelen aan te scherpen door het instellen van een vangstverbod van 3 maanden voor beroeps- en recreatieve vissers in alle Europese zee- en kustwateren. Het verbod zal dan ook gelden voor de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en de recreatieve vissers. Ik maak me zorgen over de toestand van de aal. Extra inspanningen zijn nodig om het tij te keren. Dat is belangrijk voor beroeps- en sportvissers in Nederland. Ik kan het voorstel van de Europese Commissie daarom steunen. Hiermee wordt tevens een gelijk speelveld na gestreefd. Nederland heeft al sinds 2011 een vangstverbod voor 3 maanden en voert conform de Raadsverklaring van december 2017 de afspraken uit het Nederlandse aalbeheerplan uit.

De aanlandplicht wordt met ingang van 1 januari 2019 volledig geïmplementeerd. Dit legt extra druk op de onderhavige quotaonderhandelingen. Diverse lidstaten voorzien grote problemen met de invoering van de aanlandplicht vanwege onvoldoende of zelfs helemaal geen quota. Voor Nederland geldt dit in veel mindere mate, maar ik ben wel van mening dat voor deze lidstaten oplossingen moeten worden gevonden binnen de kaders van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Ten aanzien van de proportionaliteit en subsidiariteit beoordeelt het kabinet het voorstel voor de vangstmogelijkheden 2019 positief. De voorstellen vallen onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie en de maatregelen dragen bij aan het doel van het GVB om te zorgen voor een duurzame exploitatie van de visbestanden, vanuit economisch, ecologisch en sociaal oogpunt.

Voorstel Raadverordening vaststellen vangstmogelijkheden 2019 voor bepaalde vissoorten in de Zwarte Zee.

Politiek akkoord

Het voorzitterschap wil tijdens de Raad een politiek akkoord bereiken over de verordening inzake de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de Zwarte Zee 2019.

Nederland heeft geen visserijbelangen in de Zwarte Zee. Het voorstel is in lijn met het wetenschappelijk advies en met de uitgangspunten van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Ik ben voornemens in te stemmen met het voorstel van de Europese Commissie voor de vangstmogelijkheden voor de Zwarte Zee.

Het Eiwitrapport

Voortgang en gedachtewisseling

De EU wil meer zelfvoorzienend zijn in de eiwitproductie voor (humaan) voedsel en diervoeders. Er is op dit moment een tekort aan plantaardig eiwit terwijl de behoefte hieraan juist verder groeit. Daarom heeft de Europese Commissie een rapport opgesteld met daarin een aantal bestaande beleidsinstrumenten en nieuwe voorstellen die kunnen bijdragen aan het economische en ecologische potentieel van eiwitplanten in de EU.

Nederland vindt dat het gepresenteerde eiwitrapport een goed overzicht geeft van de stand van zaken rond plantaardige eiwitten in Europa met daarbij goede aanknopingspunten om verder te werken aan verdere verduurzaming van de eiwitteelt en de productie van eiwitgewassen in de EU. Nederland is echter wel van mening dat de link met niet-plantaardige eiwitten meer aandacht zou moeten krijgen. Zo kunnen er goede stappen gezet worden naar zelfvoorziening en een duurzame eiwitproductie in Europa. Dat is ook in het kader van kringlooplandbouw van belang. Naar aanleiding van de motie van het lid De Groot (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1091) heb ik in EU-verband steeds aandacht hiervoor gevraagd en zal dit ook blijven doen.

Nederland onderschrijft de beleidsinzet van de Europese Commissie in het Eiwitrapport. Het bevorderen van de voordelen van plantaardige eiwitten voor voeding, gezondheid, klimaat en milieu ligt in lijn met de Nederlandse beleidsinzet. De komende periode zullen de voorgestelde actielijnen van het Eiwitrapport nader worden beoordeeld en zal er worden bezien hoe hier invulling aan kan worden gegeven in het kader van de uitwerking van de LNV-visie.

GLB post 2020

Voortgang en gedachtewisseling

Het voorzitterschap presenteert tijdens de Raad een voortgangsrapport over het verloop van de onderhandelingen over de drie verordeningen voor het toekomstig Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Het betreft de verordening inzake de op te stellen Nationaal Strategische Plannen voor het GLB, de verordening inzake de financiering, het beheer en monitoring van het GLB (Horizontale verordening) en de wijzigingsverordening voor de gemeenschappelijke marktordening (GMO-wijzigingsverordening). Tijdens de gedachtewisseling in de Raad zal het Oostenrijkse voorzitterschap aandacht besteden aan de thema’s uit de verordeningen die in de afgelopen zes maanden zijn besproken. Aangezien er aan de Raad slechts een voortgangsrapportage wordt voorgelegd, is op geen van de onderdelen voor het toekomstige GLB besluitvorming voorzien. Wel zal het voorzitterschap de Raad mogelijk enkele richtinggevende vragen voorleggen, maar dat is op dit moment nog niet bekend.

In de Raadswerkgroep Horizontale Vraagstukken heeft het voorzitterschap enkele eerste ideeën voor wijzingen van het voorstel voor de Strategisch Plan verordening neergelegd. Op een aantal punten gaat dit in de door Nederland gewenste richting. Zo stelde het voorzitterschap voor meer ruimte in het toekomstige GLB te maken om met het Nederlandse stelsel van de agrarische natuurcollectieven te kunnen blijven werken, ook binnen de door Nederland van belang geachte nieuwe eco-regelingen. Ook werd voorgesteld de mogelijkheid te creëren om vanuit het GLB naast producentenorganisaties ook brancheorganisaties te kunnen steunen. Verder bieden de ideeën van het voorzitterschap ook meer duidelijkheid en ruimte om steun aan jonge boeren op te nemen in het Nationaal Strategisch plan.

Op andere punten zijn Nederlandse wensen zoals neergelegd in het BNC-fiche (Kamerstuk 34 965, nr. 2) nog niet in de eerste aanpassingsvoorstellen van het voorzitterschap terug te vinden. Zo ligt het voorstel voor de versterkte conditionaliteit nog steeds onveranderd op tafel. Daarmee blijven alle grondgebonden betalingen gebonden aan een breed pakket van eisen zoals de huidige cross compliance met daar bovenop de huidige vergroening als vereisten op het gebied van goede landbouwpraktijken. Hierdoor wordt de ruimte voor lidstaten om via eco-regelingen en agrarisch natuurbeheer met doelgerichte betalingen bij te dragen aan de doelen voor klimaat, natuur, landschap, kringlooplandbouw, etc. kleiner. Ook de gewenste ruimte in de eco-regelingen om boeren, naast een vergoeding voor werkelijke kosten en gederfde inkomsten, te belonen voor hun bijdrage aan genoemde doelen, ontbreekt nog. De Nederlandse inzet om in het Strategisch Plan niet slechts voor pijler II-maatregelen een minimaal percentage vast te stellen voor de bestedingen aan klimaat en leefomgeving, maar voor alle GLB-uitgaven, is ook niet overgenomen door het voorzitterschap.

Voor de Horizontale verordening zijn eveneens enkele eerste aanpassingen van de tekst voorgesteld door het voorzitterschap, echter nog in zeer beperkte mate. Hier is echter positief dat artikel 35, dat de kern raakt van het nieuwe deliverymodel, tekstueel verduidelijkt is. Hiermee geeft het voorzitterschap het signaal af dat het nieuwe model wordt gesteund. Ook voor deze verordening geldt dat de Nederlandse inbreng op een aantal punten (nog) niet is overgenomen, zoals het versterken van het single audit systeem, het vereenvoudigen van de controles en sancties (de vele middelvoorschriften staan nog onveranderd in de tekst) en het kunnen hergebruiken in de lidstaat zelf van middelen uit eventuele terugvorderingen bij boeren, voor maatregelen op het gebied van klimaat en leefomgeving.

Voor het voorstel voor de GMO-wijzigingsverordening zullen eveneens aanpassingen worden voorgesteld door het voorzitterschap maar deze zijn op dit moment nog niet bekend. Naar verwachting presenteert het voorzitterschap een herziene versie van het voorstel aan de Raadswerkgroep op 12 december aanstaande. In de geannoteerde agenda (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1137) voor de Raad in november heb ik uw Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken in de bespreking van de GMO-wijzigingsverordening en mijn inzet daarbij.

Ik zal tijdens de Raad kennisnemen van het voortgangsrapport en de Nederlandse inzet met betrekking tot bijvoorbeeld de eco-regelingen, de noodzaak van vereenvoudiging en een minimaal vast te leggen percentage voor doelgerichte betalingen voor klimaat en leefomgeving wederom onderstrepen. Ook zal ik aan het inkomende Roemeense voorzitterschap kenbaar maken dat Nederland uitziet naar een constructieve samenwerking. Gedurende het komende half jaar zal worden onderhandeld met het doel de Nederlandse wensen zo goed mogelijk in de teksten van de voorliggende verordening opgenomen te krijgen.

Grote schade door bosbranden in Europa

Het voorzitterschap informeert de Raad over de omvangrijke schade die de Europese bossen de laatste tijd hebben geleden. Oorzaak hiervan zijn de najaarsstormen van de afgelopen tijd en de extreme droogte van deze zomer, waarbij een verband wordt gelegd met klimaatverandering in combinatie met insectenplagen. Het voorzitterschap roept lidstaten op om samen te werken aan maatregelen tegen schade aan bossen. EU-instrumentaria zoals het programma voor plattelandsontwikkeling en de EU-bossenstrategie zouden hiervoor gebruikt kunnen worden.

Bossen zijn van groot belang voor het klimaatbeleid in de EU en daarbuiten. Behalve het mitigeren van de gevolgen van klimaatverandering zijn bossen ook een belangrijke bron van hout, een hernieuwbare grondstof. Hout is van belang bij de transitie naar een bioeconomie en circulaire economie, omdat hout hergebruikt kan worden, terwijl in hout ook CO2 is vastgelegd. Ik ondersteun de agendering van dit onderwerp en zie met belangstelling een voorstel tegemoet waarin is uitgewerkt hoe dit verder opgepakt kan worden.

Oprichting internationaal centrum aanpak Antibioticaresistentie

Denemarken zal tijdens de Raad een toelichting geven over de oprichting van een internationaal centrum voor de aanpak van antibioticaresistentie (antimicrobial resistance, AMR). AMR vormt wereldwijd een risico voor de volks- en diergezondheid. Momenteel vindt de aanpak van AMR plaats op multilateraal, regionaal (incl. EU) en nationaal niveau. Op multilateraal niveau heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in samenwerking met de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid (OIE) in 2015 een actieplan voor de aanpak van AMR opgesteld. Op grond hiervan is afgesproken dat elk land een nationaal actieplan opstelt om AMR in de volksgezondheid en dierhouderij aan te pakken. In 2017 heeft de Europese Commissie een zogenaamd one health actieplan opgesteld. Dit plan bevat diverse maatregelen om AMR te verminderen, waaronder ondersteuning van lidstaten bij de uitwerking van hun nationale actieplannen en implementatie van de recent aangenomen verordening Diergeneesmiddelen.

Nederland is er in samenwerking met dierenartsen en de veehouderijsectoren in geslaagd om het antibioticagebruik sinds 2011 met ruim 63% te verlagen. Dit heeft geleid tot een significante vermindering van de antibioticaresistentie. Ik ondersteun initiatieven van andere landen die bijdragen aan vermindering van de internationale AMR problematiek. Ik zal de inbreng van Denemarken met belangstelling aanhoren.

EU-Strategie bioeconomie

De mededeling «Een duurzame bioeconomie voor Europa» die de Europese Commissie op 11 oktober jl. presenteerde is een actualisering van de bioeconomiestrategie van de Europese Commissie uit 2012. De actualisering komt mede voort uit een evaluatie van de strategie in 2017. Uit deze evaluatie bleek dat het stimuleren van de innovatie en het creëren van een netwerk goed gelukt zijn, maar dat de implementatie richting de markt nog achterblijft.

De doelstelling uit 2012 – de weg vrij maken voor een meer innoverende, hulpbronefficiënte en concurrerende maatschappij, die voedselzekerheid combineert met het gebruik van hernieuwbare hulpbronnen voor industriële doeleinden en de bescherming van het milieu – blijft overeind.

Tegelijkertijd concludeert de Europese Commissie dat we voor tal van wereldwijde uitdagingen (klimaatverandering, achteruitgang van bodem en ecosystemen, groeiende wereldbevolking enz.) staan, die mede door middel van een duurzame bioeconomie het hoofd kunnen worden geboden.

De bioeconomie bestrijkt volgens de Commissie alle sectoren en systemen die gebruikmaken van biologische hulpbronnen (dieren, planten, micro-organismen en afgeleide biomassa, waaronder organisch afval), hun gebruik en hun principes.

Aangezien de Commissie geen financiële middelen of wetgevingstrajecten voorziet voor deze mededeling is een geslaagde uitvoering vooral afhankelijk van de inzet van instrumenten uit andere EU-trajecten, zoals het GLB, Horizon 2020 en cohesie- en structuurfondsen.

De mededeling sluit goed aan op de Nederlandse inzet. Specifiek voor bioeconomie zal Nederland zich in Europa op verschillende acties inzetten. Enkele van deze acties sluiten aan op de door de Commissie voorgestelde lijnen. Zo vindt Nederland dat de circulaire economie omarmd moet worden, er werk gemaakt moet worden van de actiepunten «biomassa en voedsel» uit de transitie-agenda circulaire economie, stimuleren van de publiek-private samenwerking, o.a. via topsectoren en dat de monitorings- en verkenningscapaciteit verbeterd moeten worden.

Verder steunt het kabinet de Commissie op het punt dat het van belang is alle actoren uit de verschillende regio’s en waardeketens samen te brengen om alle behoeften en acties goed in kaart te brengen. Dit blijkt onder andere uit de LNV- visie over kringlooplandbouw – een landbouw die meer uitgaat van een circulaire goederenstroom, waar afval vermeden of hergebruikt wordt, boeren een betere positie in de keten krijgen en de bodem meer aandacht krijgt.

Stand van zaken Fipronil

Na het fipronil-incident is er in EU-verband een aantal initiatieven gestart die zijn gericht op versterking van de bewaking van voedselveiligheid en de aanpak van voedselfraude en de aanpak incidenten en crises op het gebied van voedselveiligheid. In september 2017 vond er een ministeriële bijeenkomst plaats waarin deze initiatieven centraal stonden. Tijdens de Raad zal de Europese Commissie de stand van zaken omtrent de Europese initiatieven en de conclusies van de ministeriële bijeenkomst toelichten.

In het kader van de nieuwe initiatieven wordt EU crisismanagement voor voedselveiligheid versterkt en worden meldsystemen voor voedselincidenten (RASFF en AAC) geïntegreerd. Daarnaast krijgen de lidstaten meer flexibiliteit voor het monitoren van ongewenste stoffen op basis van hun eigen risicoanalyses. Bovendien is er een netwerk van nationale Chief Food Safety Officers in opbouw, dat de samenwerking binnen de EU beoogt te versterken. De Europese Commissie bekijkt nog hoe ze dit netwerk het beste kan organiseren. In Nederland wordt er ook een Chief Food Safety Officer (CFSO) aangetrokken en gepositioneerd bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De CFSO heeft o.a. op het terrein van handhavingsaspecten een nationale en internationale liaison functie.

Voor Nederland is het een prioriteit dat de voedselveiligheid optimaal wordt geborgd, ook op EU-niveau. Incidenten en crises op het terrein van voedselveiligheid dienen voorkomen te worden. Mochten ze zich toch voordoen, dienen ze snel en adequaat te worden aangepakt. Ik ondersteun de initiatieven van de Commissie omdat ze hieraan bijdragen.

Conferentie in Zagreb over de rol van parlementen in de toekomst van voedsel en landbouw

Kroatië zal een toelichting geven over een conferentie voor parlementsleden die op 22 en 23 november 2018 in Zagreb werd gehouden. Tijdens deze conferentie stond de rol van parlementen in de toekomst van voedsel en landbouw centraal. Ik hecht waarde aan de betrokkenheid van parlementen bij landbouw en voedselzekerheid en zal met belangstelling de toelichting van Kroatië over deze conferentie aanhoren.

Bepaalde regels over directe betalingen en steun voor plattelandsontwikkeling in 2019 en 2020

Tijdens de Raad zal de Commissie in het kader van directe betalingen een toelichting geven over overgangsbepalingen ten aanzien van overheveling en technische bijstand. Momenteel is er geen nadere informatie over dit agendapunt beschikbaar. Daarom zal ik de toelichting van de Commissie met belangstelling aanhoren.

II. INFORMATIE TOEKOMST GLB

1. Stand van zaken Raadswerkgroepen

Onder het Oostenrijks voorzitterschap is in de maand november de bespreking van de voorstellen van de Europese Commissie voor het toekomstige GLB voortgezet. In de Raadswerkgroep Horizontale Vraagstukken betrof dit de

bespreking van de verordening Strategische Plannen en in de werkgroep Agrifin de Horizontale verordening. In deze bijeenkomsten wisselen de lidstaten in aanwezigheid van de Europese Commissie van gedachten over het doel, de strekking, achtergrond en samenhang van de artikelen met als doel dat alle lidstaten hiervan een eenduidig beeld krijgen. Tijdens de in hoofdzaak technische besprekingen zijn alle artikelen van de verordeningen inmiddels de revue gepasseerd.

De Raadswerkgroep Agrifin is afgelopen maand twee keer bijeen geweest. Er is gesproken over de technische details van de artikelen en over de beantwoording door de Europese Commissie van schriftelijke vragen van lidstaten over onder andere het aantal betaalorganen, het prestatieverslag, de crisisreserve en de werkwijze om lidstaten aan te kunnen sporen tot verbetering van hun strategische plannen ingeval van tegenvallende prestaties. Ook de eerste ideeën van het Oostenrijks voorzitterschap over aanpassingen in het Commissievoorstel voor de Horizontale verordening zijn besproken. Het voorzitterschap zal de uitkomsten hiervan verwerken in het voortgangsrapport dat tijdens de Raad besproken wordt.

In november is de Raadswerkgroep Horizontale Vraagstukken eveneens twee keer bijeen geweest. Er is gesproken over de eerste ideeën van het Oostenrijks voorzitterschap over aanpassing van de verordening voor de Strategische Plannen op basis van de input en wensen van de lidstaten. Voor de hoofdlijn van deze bespreking verwijs ik u naar de passage in deze geannoteerde agenda waar het agendapunt GLB post 2020 is toegelicht.

De Raadswerkgroep Landbouwproducten, waar de voorgestelde wijzigingsverordening voor GMO wordt besproken, is in november niet bijeengeweest.

2. Thematische bespreking inzet eco-regelingen, jonge boeren en top-up betaling jonge landbouwers

Eco-regelingen

Nederland zet bij de onderhandelingen in op zoveel mogelijk ruimte voor de eco-regelingen. In dat verband pleit Nederland voor een substantieel lichtere conditionaliteit dan is voorgesteld door de Europese Commissie. Nederland ziet de verzwaarde conditionaliteit namelijk als een beperking voor het optimaal kunnen inzetten van eco-regelingen voor doelgerichte betalingen, waarmee de klimaat- en milieudoelen op een meer effectieve manier gehaald kunnen worden. De Europese Commissie sluit betalingen voor wettelijke verplichtingen namelijk uit. De voorgestelde conditionaliteit behelst feitelijk de huidige vergroeningsmaatregelen voor de directe betalingen en bestaande en nieuwe randvoorwaarden voor steun (goede landbouw- en milieupraktijken en cross compliance). Het effect van de huidige vergroening binnen het GLB is echter tot dusverre zeer beperkt gebleken. Conditionaliteit brengt wel hoge administratieve lasten met zich mee.

Een zware conditionaliteit beperkt de ruimte voor de lidstaten (subsidiariteit) om binnen het Nationaal Strategisch Plan een optimaal maatregelenpakket (flexibiliteit) van doelgerichte betalingen samen te stellen, dat afgestemd is op de specifieke omstandigheden (maatwerk) in de betreffende lidstaat.

Veel lidstaten lijken de status quo zoveel mogelijk te willen behouden. Nederland richt zich daarom op allianties met landen die ook een ambitieus beleid voorstaan op het terrein van klimaat en milieu, zoals Noordwest-Europese lidstaten. In de voorstellen van de Europese Commissie zijn lidstaten verplicht eco-regelingen aan te bieden, maar boeren zijn niet verplicht om te participeren. Dit is een goed uitgangspunt, maar Nederland stelt voor om in specifieke gevallen eco-regelingen verplicht te kunnen maken voor bepaalde groepen boeren, bijvoorbeeld wanneer bepaalde maatregelen voor klimaat en leefomgeving noodzakelijk zijn in een bepaalde sector of bepaald gebied (bijvoorbeeld in een bepaald peil- of stroomgebied waar maatregelen alleen zinvol en uitvoerbaar zijn als alle boeren meedoen). Dit zou het mogelijk maken om boeren voor die maatregelen een passende vergoeding te geven. Voor Nederland is het essentieel dat boeren zowel bij eco-regelingen als bij klimaat- en milieuverbintenissen onder de tweede pijler van het GLB als vergoeding een bonus ontvangen bovenop de gemaakte kosten en inkomstenderving, zodat deelname voor hen een verdienmodel biedt. De huidige voorstellen zijn nog onvoldoende helder over de mogelijkheid om meer te kunnen vergoeden dan de gemaakte kosten en gederfde inkomsten.

Tot slot is Nederland geen voorstander van aparte, verzwaarde controle- en sanctieregels voor de verzwaarde conditionaliteit. De normale controle- en sanctiebepalingen zouden moeten volstaan, waarbij Nederland bovendien pleit voor subsidiariteit bij het inrichten van het controle- en sanctiesysteem, met het oog op het vereenvoudigen van het GLB en het beperken van de lasten van het controle- en sanctiesysteem.

Jonge boeren

Het aantrekken van jonge landbouwers en het vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden is één van de negen specifieke doelstellingen van het nieuwe GLB. De Europese Commissie laat de definitie van jonge boer aan de lidstaat maar stelt daarbij wel als voorwaarden dat hij/zij in ieder geval moet voldoen aan de nationaal te bepalen voorwaarden voor bedrijfshoofd, niet ouder is dan 40 jaar en beschikt over de vereiste passende opleiding en of vaardigheden. Lidstaten moeten een bedrag gelijk aan tenminste 2% van het budget van de eerste pijler (voor Nederland € 14 mln per jaar, lopende prijzen) besteden aan aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers. Dit is in de vorm van een jaarlijkse ontkoppelde betaling per subsidiabele hectare, voor maximaal 5 jaar per boer of aan steun in de vorm van vaste bedragen met een maximum van € 100.000 voor de vestiging van jonge landbouwers en het opstarten van plattelandsbedrijven. Lidstaten kunnen besluiten dit geheel of gedeeltelijk te financieren uit 1e of 2e pijler middelen. Er is volledige flexibiliteit.

Daarnaast kunnen jonge boeren vanuit de tweede pijler gesubsidieerd worden bij aankoop van grond met behulp van financiële instrumenten. Verder mogen lidstaten een deel van de gelden uit de tweede pijler gebruiken om jonge boeren te stimuleren deel te nemen aan uitwisselingsproject in het buitenland. Ten slotte moeten lidstaten in hun Nationale Strategische Plannen voor het GLB specifiek aangeven hoe zij invulling gaan geven aan de specifieke doelstelling om jonge landbouwers aan te trekken en bedrijfsontwikkeling te vergemakkelijken en hoe dit samenhangt met nationaal beleid.

In de Raadswerkgroepen voor het GLB zijn de specifieke voorstellen voor jonge boeren besproken. In het algemeen steunen alle lidstaten een versterkte inzet op maatregelen voor generatiewisseling (jonge boeren), het vestigen en opstarten van plattelandsbedrijven, en het vergemakkelijken van de bedrijfsontwikkeling in de plattelandsgebieden. Enkele lidstaten zijn voorstander van verruiming van de regels voor producenten- en brancheorganisaties.

Op 29 oktober jl. heeft rapporteur Esther Herranz García van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (COMAGRI) van het Europees Parlement (EP) haar ontwerpverslag gepresenteerd. COMAGRI lijkt op hoofdlijnen de Commissievoorstellen voor het nieuwe GLB gericht op jonge boeren te ondersteunen.

Zoals aangegeven in het BNC-fiche voor het nieuwe GLB (Kamerstuk 34 965, nr. 2) is het kabinet blij met de versterkte inzet van de Europese Commissie voor steun aan jonge boeren en intreders. Die sluit aan bij het regeerakkoord als ook bij mijn visie «Landbouw, natuur en voedsel: Waardevol en verbonden». In de huidige GLB-periode zijn ervaringen opgedaan met de Jonge Landbouwersregeling, die is gericht op ondersteuning van investeringen van jonge boeren voor modernisering en verduurzaming van hun bedrijfsvoering. Die ervaringen wil ik meenemen en daarop voort bouwen. In goed overleg met het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) is de huidige regeling verbeterd en uitgebreid. Het is mijn voornemen om deze werkwijze ook in de toekomst te hanteren.

Meer in het algemeen vind ik het belangrijk dat financiële instrumenten, op nationaal én EU-niveau, aansluiten op de behoeften van jonge boeren en dat de instrumenten complementair zijn. Het is daarbij van belang dat een goede samenhang ontstaat tussen het GLB na 2020 en bijvoorbeeld het in te stellen nationale bedrijfsovernamefonds. De instrumenten moeten jonge boeren die een agrarisch bedrijf met voldoende continuïteitsperspectief overnemen in staat stellen een ontwikkelingsstap te maken richting verduurzaming en modernisering. De mening van de jonge boeren is belangrijk, dat zijn immers de ondernemers van de toekomst. Ik wil dan ook, als onderdeel van de bredere stakeholderconsultatie voor het toekomstig GLB, in overleg met onze jonge boeren in Brussel inzetten op zoveel mogelijk ruimte voor een zo effectief mogelijke benutting van middelen.

III. PLAN VAN AANPAK VOOR HET NATIONAAL STRATEGISCH PLAN

In het AO van 13 november jl. heeft u gevraagd naar het Nationaal Strategisch Plan en de wijze waarop medeoverheden daarbij worden betrokken. In mijn brief van 9 november over de Landbouw- en Visserijraad op 19 november jl. heb ik u op hoofdlijnen geïnformeerd over het plan van aanpak voor het opstellen van het Nationaal Strategisch Plan en mijn ambitie om dit in gezamenlijkheid met de provincies op te pakken. Gedachte daarbij is dat provincies en Rijk samen opdrachtgever zijn voor het proces dat leidt tot het Nationaal Strategisch Plan en ook gezamenlijk zorgdragen voor invulling daarvan en de benodigde werkorganisatie. Het plan van aanpak is inmiddels verscheidene keren onderwerp van gesprek geweest met de provincies. Op 6 december zullen de provincies het plan van aanpak op bestuurlijk niveau op de agenda hebben in de Bestuurlijke Adviescommissie Vitaal Platteland (BACVP). Vooruitlopend daarop worden de personele invulling en de eerste stappen van het plan van aanpak verder voorbereid.

In het AO van 13 november heeft u tevens gevraagd naar de financieringsmogelijkheden van onafhankelijke adviesdiensten via het GLB. De voorstellen van de Europese Commissie voorzien in een mogelijkheid daartoe. Of en in welke omvang Nederland van die mogelijkheid gebruik zal maken, is een afweging die met alle betrokken partijen gemaakt moet worden bij het op te stellen Nationaal Strategisch Plan. Daarbij zal met de betrokkenen, waaronder de Vereniging Agrarische Bedrijfsadviseurs, nader overleg moeten plaatsvinden over de wijze waarop we nationaal invulling willen geven aan de borging van de onafhankelijkheid van deze adviesdiensten.

IV. RICHTLIJN ONEERLIJKE HANDELSPRAKTIJKEN

Voor de laatste ontwikkelingen verwijs ik u graag naar het verslag van de Landbouw en Visserijraad van 19 november 2018. Sindsdien zijn er geen nieuwe ontwikkelingen op dit onderwerp. Tijdens het AO van 11 december over de Landbouw- en Visserijraad van 17 en 18 december 2018 zal ik u eventueel een mondelinge toelichting geven.

V. UITVOERINGSASPECTEN HUIDIG GLB

Top-up betaling jonge landbouwers

In de brief van 29 oktober jl. over het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 15 oktober 2018 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1135) heb ik aangegeven dat de top-up-betaling aan jonge landbouwers en de graasdierpremie op een later moment zullen worden vastgesteld en dat ik uw Kamer hierover zal informeren.

Inmiddels zijn de controles voor de jonge landbouwers grotendeels afgerond en informeer ik u over de hoogte van de betaling. Voor de graasdierpremie zijn de controles nog niet afgerond en daarom kan ik het tarief daarvoor nu nog niet vaststellen.

Tarief betaling jonge landbouwers

Voor de betaling voor jonge landbouwers is een budget beschikbaar van € 13.652.000 (2% van het budget voor directe betalingen).

De top-up-betaling voor jonge landbouwers komt in 2018 uit op € 39,09 per hectare voor maximaal 90 hectare per aanvrager. In 2017 was dit € 48,08.

Vanwege een wijziging in de zogenaamde Omnibusverordening, waarover ik u op 21 december 2017 heb geïnformeerd (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1076) en waardoor de regels voor het aanvragen van de top-up-betaling aan jonge landbouwers zijn versoepeld, zijn voor deze regeling in 2018 meer hectares opgegeven. Om binnen het beschikbare budget voor jonge landbouwers te blijven, is het bedrag per hectare in 2018 lager dan in 2017.

Graasdierpremieregeling 2019

Sinds 2015 is de graasdierpremie ingesteld. Deze regeling is met name bedoeld voor landbouwers die runderen of schapen laten grazen op natuurterreinen. Deze gronden zijn niet subsidiabel in het kader van de directe inkomenssteun GLB (BBR) en door de graasdierpremie komen deze landbouwers toch in aanmerking voor rechtstreekse betalingen van het GLB. Naar aanleiding van een audit van de Europese Commissie zal de graasdierpremieregeling in 2019 aangepast worden.

De Commissie is van mening dat de opzet van de regeling niet in lijn is met EU-regelgeving en dat er onvoldoende zekerheid gegeven kan worden dat de dieren waar graasdierpremie voor is aangevraagd daadwerkelijk grazen op natuurgronden, terwijl de regeling daar wel voor bedoeld is. De Commissie heeft Nederland verzocht (corrigerende) maatregelen te treffen. De voorgenomen aanpassingen in de regeling beogen te borgen dat de steun terechtkomt bij houders van graasdieren die daadwerkelijk in natuurterreinen grazen. De ruimte die in de regeling zat, waardoor houders van graasdieren die feitelijk niet in natuurterreinen graasden toch van de regeling konden profiteren, komt daarmee te vervallen.

Tevens heeft de Commissie het standpunt ingenomen dat de toegepaste drempel in de regeling (het minimaal uit te betalen bedrag per aanvrager) discriminatoir is ten opzichte van de lagere drempel die voor landbouwers wordt gehanteerd in verband met de directe inkomenssteun. De huidige drempel zal daarom niet worden gecontinueerd.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten