Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201721501-30 nr. 392

21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen

Nr. 392 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 15 februari 2017

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken over de brief van 3 februari 2017 inzake de geannoteerde Agenda voor de Raad voor Concurrentievermogen van 20 februari 2017 (Kamerstuk 21 501-30, nr. 391), over de brief van 2 december 2016 inzake het fiche: besluit Deelname van de EU aan PRIMA (Kamerstuk 22 112, nr. 2254), over de brief van 15 december 2016 inzake het verslag van de Raad voor Concurrentievermogen van 28 en 29 november 2016 in Brussel (Kamerstuk 21 501-30, nr. 389), over de brief van 23 december 2016 inzake het fiche: Mededeling de toekomstige leiders van Europa: het starters- en opschalingsinitiatief (Kamerstuk 22 112, nr. 2267) en over de brief van 19 december 2016 inzake de conceptbeantwoording op de consultatie van de Europese Commissie over de tussentijdse evaluatie van Horizon 2020 (Kamerstuk 22 112, nr. 2265).

De vragen en opmerkingen zijn op 10 februari 2017 aan de Minister van Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 14 februari 2017 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

Adjunct-griffier van de commissie, Konings

Inhoudsopgave

 

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II.

Antwoord / Reactie van de Minister

4

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda en stukken voor het schriftelijk overleg inzake de Raad voor Concurrentievermogen op 20 februari 2017. Deze leden hebben hierbij een aantal vragen.

De leden van de VVD-fractie willen graag weten hoe het voorstel voor een Verordening over markttoezicht en typegoedkeuring motorvoertuigen (ST 14569/16) zich concreet verhoudt tot de Nederlandse inzet om de Europese wet- en regelgeving inzake de toelating van voertuigen aan te scherpen naar aanleiding van de dieselfraude. Welke lacunes in de wet- en regelgeving worden opgelost en hoe wordt hiermee het handhavingsinstrumentarium versterkt? Wat betekent dit uiteindelijk concreet voor de consument?

Deze leden onderschrijven het belang van de beschikbaarheid van kapitaal voor startups en scale-ups. Hoe aannemelijk acht de Minister het dat er voor een pan-Europees durfkapitaalfonds voldoende private middelen kunnen worden opgehaald, zodat de publieke Europese fondsen daadwerkelijk als een hefboom werken? Wanneer zou een dergelijk pan-Europees durfkapitaalfonds operationeel kunnen zijn?

De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat mede door de Nederlandse inzet de balans tussen het kwekersrecht en octrooirecht is hersteld doordat de interpretatieve verklaring aangeeft dat de producten van klassieke veredeling niet octrooieerbaar zijn. Het is eveneens positief dat er Raadsconclusies worden aangenomen die deze interpretatieve verklaring (2016/ C 411/03) onderschrijven. Echter, in de interpretatieve verklaring wordt gesteld dat het binnen het mandaat van deze verklaring niet mogelijk was om aandacht te besteden aan de vraag of natuurlijke eigenschappen alsnog onder een octrooi kunnen vallen indien het octrooi is verleend op een niet-essentieel biologische proces. Om die reden wordt de Europese Commissie in de Raadsconclusies aangespoord om de beschermingsomvang van plantgerelateerde octrooien nader te analyseren (zie ook Kamerstuk 21 501-30, nr. 391). Daarom zouden deze leden graag willen zien dat dit aandachtspunt door Nederland bij de implementatie van het octrooibeleid van het Europees Octrooibureau (EOB) alsnog wordt meegenomen. Dit om te voorkomen dat octrooien alsnog via een achterdeur het gebruik van natuurlijke eigenschappen kunnen blokkeren. Daarom vragen zij de Minister om hiervoor nadrukkelijk aandacht te vragen bij het EOB. Kan de Minister aangeven op welke manier Nederland de regie kan behouden om dit dossier tot een goed einde te brengen bij het EOB?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad voor Concurrentievermogen op 20 februari 2017. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de Raad een algemene oriëntatie zal aannemen over een verordening over samenwerking tussen nationale toezichthouders die zich bezig houden met consumentenbescherming. In de algemene oriëntatie worden de vergaande minimumeisen voor de bevoegdheden van nationale consumentenautoriteiten, inclusief het opleggen van schadevergoedingen en het sluiten van malafide websites, geschrapt. Deze leden zijn benieuwd naar de opstelling van het Europees parlement in de komende onderhandelingen. Steunt een meerderheid de Nederlandse inzet? Ook vragen zij of de algemene oriëntatie gevolgen heeft voor het niveau van de Nederlandse consumentenbescherming. In hoeverre heeft dit invloed op het niveau van consumentenbescherming in Nederland? De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen over de vraag of de Raad niet te ver gaat in het schrappen van minimumbevoegdheden voor consumentenautoriteiten. Zijn autoriteiten in andere EU-lidstaten die minder bevoegdheden hebben dan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) straks in staat om Nederlandse consumenten te beschermen tegen malafide praktijken van aanbieders in andere lidstaten, bijvoorbeeld bij de online aankoop van goederen of diensten? Waarom is de Minister kritisch op de bevoegdheid om bedrijven te dwingen scam-websites offline te halen of om consumenten een schadevergoeding te betalen? Klopt het dat onder andere door het standpunt van Nederland een aantal bevoegdheden (boetes, schadevergoedingen, sluiten van websites) voor toezichthouders in andere lidstaten alsnog geschrapt zijn? Waarom is dit gebeurd? Klopt het dat de handhaving over het algemeen een bevoegdheid is van de lidstaten? Waarom wordt er in dit geval voorgesteld om hierover Europese regels op te stellen?

De leden van de PvdA-fractie hebben vernomen dat op de agenda van de Raad een thematische discussie staat in het kader van het Europees Semester over het onderwerp publieke aanbestedingen. De High Level Working Group (HLG) Concurrentiekracht en Groei van de Raad stellen op basis van best practices van lidstaten dat de procedures voor deze aanbestedingen vaak efficiënter en transparanter kunnen door ze digitaal te maken, de toegang tot informatie te verbeteren en door ambtenaren en het mkb beter te trainen. In lijn met de nieuwe aanbestedingsrichtlijn wordt bij publieke aanbestedingen nu minder gestuurd op prijs alleen, maar ook op strategische doelen op het gebied van werkgelegenheid, duurzaamheid, innovatie en mkb-participatie.1 Deze leden zijn benieuwd naar de stand van zaken rondom deze nieuwe aanbestedingsrichtlijn. Zij vragen of de Minister de Kamer meer inzicht kan geven in de werkwijze en analyses die de HLG Concurrentiekracht en Groei voor de thematische debatten heeft gemaakt. Zijn rapporten publiek beschikbaar? Welke lessen kan de Minister hieruit trekken?

De leden van de PvdA-fractie hebben vernomen dat de inwerkingtreding van het Europese eenheidsoctrooi op de agenda staat.2 Het aantal lidstaten dat het akkoord over het eengemaakte octrooigerecht heeft geratificeerd, is voldoende om het hele pakket octrooiwetgeving eind 2017 in werking te laten treden. Om het inwerkingsproces voorspoedig te laten starten, is het wel nodig dat minimaal dertien deelnemende lidstaten uiterlijk in mei 2017 uitspreken dat zij zich gebonden achten aan het protocol over de voorlopige inwerkingtreding van het eenheidsoctrooi. Op dit moment zijn er nog maar zeven lidstaten die zich hierover hebben uitgesproken. Deze leden vragen de Minister de Kamer te informeren als de inwerkingtreding van het eenheidsoctrooi verdere vertraging oploopt.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat een van de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie aan Nederland is dat zzp’ers een betere sociale bescherming moeten krijgen. Deze leden vragen of dat klopt. Heeft de Europese Commissie ook aangegeven op welke manier dat moet gebeuren? Op welke manier heeft Nederland gevolg gegeven aan deze landenspecifieke aanbeveling?

De genoemde leden zijn benieuwd wanneer de Europese aanbestedingsrichtlijn uit 2014 wordt geëvalueerd. In welke lidstaten wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om bepaalde sectoren uit te sluiten van aanbesteding alleen op laagste kosten (amendement van het lid Monasch, Kamerstuk 34 329, nr. 28)? Welke sectoren worden daarbij uitgesloten? Als gevolg daarvan, klopt het dat ook de thuiszorg uitgesloten kan worden van aanbesteding alleen op laagste kosten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie maken zich grote zorgen over de situatie in de provincie Zeeland vanwege het failliet gegane fosforbedrijf Thermphos. Deze zich voortslepende kwestie speelt nu weer op vanwege de hoge saneringskosten en een uitspraak die onlangs is gedaan door de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank Zeeland-West-Brabant legt een rechtstreeks verband tussen de dumpingpraktijken van de Kazachse fosforproducent Kazphosphate en het faillissement van Thermphos. Volgens de rechtbank kan worden aangetoond dat het bedrijf Kazphosphate vier jaar lang fosfor onder de kostprijs verkocht op de Europese markt.3 De rekening voor het saneren van het terrein ligt nu volledig bij de Provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenschap. Deze leden hebben ook bij de Europese Commissie erop aangedrongen verantwoording te nemen voor haar nalatigheid om de eigen markt, bedrijven en werknemers te beschermen tegen oneerlijke concurrentie uit derde landen. Zij vragen de Minister zich in te spannen een gesprek te initiëren tussen de Provincie Zeeland, de Europese Commissie en het Rijk over een rechtvaardige verdeling van de saneringskosten. Is de Minister daartoe bereid, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

II. Antwoord / Reactie van de Minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie willen graag weten hoe het voorstel voor een Verordening over markttoezicht en typegoedkeuring motorvoertuigen (ST 14569/16) zich concreet verhoudt tot de Nederlandse inzet om de Europese wet- en regelgeving inzake de toelating van voertuigen aan te scherpen naar aanleiding van de dieselfraude. Welke lacunes in de wet- en regelgeving worden opgelost en hoe wordt hiermee het handhavingsinstrumentarium versterkt? Wat betekent dit uiteindelijk concreet voor de consument?

De Nederlandse positie is verwoord in het BNC-fiche dat op 11 maart 2016 aan uw Kamer is toegezonden (Kamerstuk 22 112, nr. 2073). Nederland is groot voorstander van meer toezicht en strengere handhaving door de introductie van markttoezicht, strengere regels voor technische diensten, peer reviews tussen typegoedkeuringsinstanties en een adviesforum bestaande uit de nationale keuring- en toezichtautoriteiten en voorgezeten door de Europese Commissie. Dit zijn allemaal aspecten die ook in het Commissievoorstel zitten. Het voorstel zorgt voor een gelijke toepassing van de wet- en regelgeving. De invoering van markttoezicht, de harmonisatie van het systeem van typegoedkeuring en de invoering van de RDE (Real Driving Emission) test zullen ervoor zorgen dat de voertuigen die op de markt worden aangeboden voldoen aan de wettelijke eisen die aan het voertuig worden gesteld.

Deze leden onderschrijven het belang van de beschikbaarheid van kapitaal voor startups en scale-ups. Hoe aannemelijk acht de Minister het dat er voor een pan-Europees durfkapitaalfonds voldoende private middelen kunnen worden opgehaald, zodat de publieke Europese fondsen daadwerkelijk als een hefboom werken? Wanneer zou een dergelijk pan-Europees durfkapitaalfonds operationeel kunnen zijn?

In Europa is er geen groot privaat fonds dat in durfkapitaalfondsen investeert. Dit initiatief tracht hier verandering in te brengen. De schaalgrootte, de reikwijdte (minimaal vier EU-lidstaten) en de bijdrage van maximaal 25% Europese publieke middelen maken het kansrijker om private investeerders te interesseren. Wel zullen de private investeerders onder gelijke voorwaarden meedoen als de publieke investeerders. De start van het eerste pan-Europese durfkapitaalfonds wordt verwacht in het derde kwartaal van 2017.

De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat mede door de Nederlandse inzet de balans tussen het kwekersrecht en octrooirecht is hersteld doordat de interpretatieve verklaring aangeeft dat de producten van klassieke veredeling niet octrooieerbaar zijn. Het is eveneens positief dat er Raadsconclusies worden aangenomen die deze interpretatieve verklaring (2016/ C 411/03) onderschrijven. Echter, in de interpretatieve verklaring wordt gesteld dat het binnen het mandaat van deze verklaring niet mogelijk was om aandacht te besteden aan de vraag of natuurlijke eigenschappen alsnog onder een octrooi kunnen vallen indien het octrooi is verleend op een niet-essentieel biologische proces. Om die reden wordt de Europese Commissie in de Raadsconclusies aangespoord om de beschermingsomvang van plantgerelateerde octrooien nader te analyseren (zie ook Kamerstuk 21 501-30, nr. 391). Daarom zouden deze leden graag willen zien dat dit aandachtspunt door Nederland bij de implementatie van het octrooibeleid van het Europees Octrooibureau (EOB) alsnog wordt meegenomen. Dit om te voorkomen dat octrooien alsnog via een achterdeur het gebruik van natuurlijke eigenschappen kunnen blokkeren. Daarom vragen zij de Minister om hiervoor nadrukkelijk aandacht te vragen bij het EOB. Kan de Minister aangeven op welke manier Nederland de regie kan behouden om dit dossier tot een goed einde te brengen bij het EOB?

De leden van de VVD vragen om bij de implementatie van de interpretatieve verklaring van de Europese Commissie ook aandacht te besteden aan de door de Commissie genoemde vraag of natuurlijke eigenschappen alsnog onder een octrooi kunnen vallen indien het octrooi is verleend op een niet-essentieel biologisch proces. Hierover kan worden opgemerkt dat de interpretatieve verklaring, die door de Europese Commissie is gepubliceerd, een nadere duiding geeft ten aanzien van de octrooieerbaarheid, oftewel de vraag voor welke uitvindingen wel of geen octrooi kan worden verleend. Aangezien het Europees Octrooi Bureau (EOB) voor Europese octrooien de octrooiverlenende instantie is, is het van belang dat deze interpretatie wordt geïmplementeerd in het octrooiverleningsbeleid van het EOB.

De vraag of natuurlijke eigenschappen alsnog onder een octrooi kunnen vallen indien het octrooi is verleend op een niet-essentieel biologisch proces betreft de beschermingsomvang van het octrooi. Dit is een onderwerp waarover niet het EOB, maar de rechter gaat. Het ligt daarom niet voor de hand om dit onderwerp te bespreken bij de implementatie van de interpretatieve verklaring van de Europese Commissie door het EOB. Omdat het echter wel een relevante vraag is, wordt de Europese Commissie in de aan te nemen Raadsconclusies aangespoord om dit onderwerp nader te onderzoeken in een volgende rapportage op grond van artikel 16c van de Biotechrichtlijn (98/44/EG).

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de Raad een algemene oriëntatie zal aannemen over een verordening over samenwerking tussen nationale toezichthouders die zich bezig houden met consumentenbescherming. In de algemene oriëntatie worden de vergaande minimumeisen voor de bevoegdheden van nationale consumentenautoriteiten, inclusief het opleggen van schadevergoedingen en het sluiten van malafide websites, geschrapt. Deze leden zijn benieuwd naar de opstelling van het Europees parlement in de komende onderhandelingen. Steunt een meerderheid de Nederlandse inzet? Ook vragen zij of de algemene oriëntatie gevolgen heeft voor het niveau van de Nederlandse consumentenbescherming. In hoeverre heeft dit invloed op het niveau van consumentenbescherming in Nederland? De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen over de vraag of de Raad niet te ver gaat in het schrappen van minimumbevoegdheden voor consumentenautoriteiten. Zijn autoriteiten in andere EU-lidstaten die minder bevoegdheden hebben dan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) straks in staat om Nederlandse consumenten te beschermen tegen malafide praktijken van aanbieders in andere lidstaten, bijvoorbeeld bij de online aankoop van goederen of diensten? Waarom is de Minister kritisch op de bevoegdheid om bedrijven te dwingen scam-websites offline te halen of om consumenten een schadevergoeding te betalen? Klopt het dat onder andere door het standpunt van Nederland een aantal bevoegdheden (boetes, schadevergoedingen, sluiten van websites) voor toezichthouders in andere lidstaten alsnog geschrapt zijn? Waarom is dit gebeurd? Klopt het dat de handhaving over het algemeen een bevoegdheid is van de lidstaten? Waarom wordt er in dit geval voorgesteld om hierover Europese regels op te stellen?

De leden van de PvdA-fractie stellen een aantal vragen over de CPC-verordening (Consumer Protection Cooperation) en in het bijzonder over de bevoegdheden van consumentenautoriteiten. Het commissievoorstel heeft als doel de bestaande CPC-verordening te verbeteren, met name met het oog op de handhaving van grensoverschrijdende inbreuken. Het Europese parlement (EP) heeft het voorstel besproken op 11 oktober jl. Daaruit bleek dat de rapporteurs belang hechten aan goede handhaving met het oog op het vertrouwen om over de grens aankopen te doen. De aandacht van het EP gaat met name uit naar in hoeverre autoriteiten meer bevoegdheden moeten krijgen en of het criterium voor een EU brede inbreuken (75% van de lidstaten en 75% van de bevolking) voldoende is om ernstige wanpraktijken aan te pakken. In hoeverre het EP het Nederlandse standpunt steunt is op dit moment niet vast te stellen. Wel lijkt het EP net als de Nederlandse regering veel waarde te hechten aan een hoge mate van consumentenbescherming en een versterking van de samenwerking tussen de Europese consumentenautoriteiten.

De verbeteringen die de Commissie voorstaat zijn gericht op de samenwerking tussen autoriteiten en niet op de materiële regels rondom de consumentenbescherming. Op alle onderdelen zorgt de verordening door middel van verbetering van het toezicht voor een verhoging van de consumentenbescherming alsmede een versterking voor een gelijk speelveld voor bedrijven in Europa. Handhaving is principe een nationale aangelegenheid, de Commissie heeft een aantal minimum bevoegdheden voorgesteld die autoriteiten nodig zouden hebben om de handhaving uit te oefenen en consumenten een Europees minimaal niveau van bescherming te bieden. Uitgangspunt hierbij is altijd geweest dat dit verenigbaar moet zijn met de inbedding van de verordening in de nationale rechtssystemen van de lidstaten, die verschilt sterk per lidstaat. Een aantal voorgestelde bevoegdheden zijn geschrapt, met name omdat deze onverenigbaar bleken met de nationale handhavingssystematiek. Om die reden is ook Nederland vanaf het begin kritisch geweest op een aantal van deze voorgestelde bevoegdheden, onder meer over de voorgestelde mogelijkheid van autoriteiten om private schade af te handelen. Belangrijke andere bevoegdheden, zoals mystery shopping, zijn wel overeind gebleven. Het grootste voordeel voor Nederland is dat andere lidstaten handhavingsverzoeken van de Autoriteit Consument en Markt minder makkelijk kunnen weigeren en dat de bevoegdheden van consumentenautoriteiten in alle EU-lidstaten zijn uitgebreid. De voorgestelde minimumbevoegdheden bevatten voldoende middelen om inbreuken aan te pakken, bijvoorbeeld door middel van het opleggen van boetes en het maken van bindende afspraken. Nederland vindt het belangrijk dat het offline halen van websites door derden rechtelijk getoetst wordt. Nu duidelijk is dat het Europeesrechtelijk mogelijk is een dergelijke voorwaarde op te nemen in nationale wetgeving heeft Nederland geen bezwaren meer tegen het opnemen van een dergelijke bevoegdheid.

De leden van de PvdA-fractie hebben vernomen dat op de agenda van de Raad een thematische discussie staat in het kader van het Europees Semester over het onderwerp publieke aanbestedingen. De High Level Working Group (HLG) Concurrentiekracht en Groei van de Raad stellen op basis van best practices van lidstaten dat de procedures voor deze aanbestedingen vaak efficiënter en transparanter kunnen door ze digitaal te maken, de toegang tot informatie te verbeteren en door ambtenaren en het mkb beter te trainen. In lijn met de nieuwe aanbestedingsrichtlijn wordt bij publieke aanbestedingen nu minder gestuurd op prijs alleen, maar ook op strategische doelen op het gebied van werkgelegenheid, duurzaamheid, innovatie en mkb-participatie. Deze leden zijn benieuwd naar de stand van zaken rondom deze nieuwe aanbestedingsrichtlijn. Zij vragen of de Minister de Kamer meer inzicht kan geven in de werkwijze en analyses die de HLG Concurrentiekracht en Groei voor de thematische debatten heeft gemaakt. Zijn rapporten publiek beschikbaar? Welke lessen kan de Minister hieruit trekken?

De thematische discussies in de High Level Working Group voor Concurrentiekracht en Groei (HLG) hebben als doel om ervaringen uit te wisselen over het wegnemen van barrières op de interne markt. De discussies worden gevoerd aan de hand van de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie in het kader van het Europees Semester. De aanbevelingen die de Commissie aan de lidstaten doet zijn openbaar. De verslagen van de HLG zijn niet openbaar. Wel heeft het huidige voorzitterschap, namens het triovoorzitterschap bestaande uit Nederland, Slowakije en Malta, als terugkoppeling een impressie van de verschillende thematische discussies aan ministers in de Raad verstuurd. Dit stuk is openbaar.4

De aandacht in Nederland en Europa voor het aanbesteden is onverminderd, het is goed dat daar regelmatig overleg over wordt gevoerd. De nieuwe Aanbestedingsrichtlijnen zijn per 1 juli 2016 in de Aanbestedingswet 2012 geïmplementeerd en bevat een aantal verbeteringen op de punten die ook in de HLG aan de orde zijn gekomen, bijvoorbeeld duurzaamheid en innovatie. Nederland is voorstander van digitaal aanbesteden omdat dit zowel ondernemers als aanbestedende diensten een voordeel kan opleveren. De voordelen van het digitaliseren van het aanbestedingsproces zullen verder worden benut als per

1 juli 2017 elektronisch aanbesteden verplicht wordt. Hetgeen is besproken in de HLG komt overeen met de doelen van de Aanbestedingswet 2012, Nederland kan zich daar dan ook in vinden zolang er voldoende ruimte is voor aanbestedende diensten voor een effectieve en efficiënte besteding van overheidsgeld. Zij kunnen per geval het best bepalen of strategische doelen een plek behoren te krijgen in de aanbesteding.

De leden van de PvdA-fractie hebben vernomen dat de inwerkingtreding van het Europese eenheidsoctrooi op de agenda staat. Het aantal lidstaten dat het akkoord over het eengemaakte octrooigerecht heeft geratificeerd, is voldoende om het hele pakket octrooiwetgeving eind 2017 in werking te laten treden. Om het inwerkingsproces voorspoedig te laten starten, is het wel nodig dat minimaal dertien deelnemende lidstaten uiterlijk in mei 2017 uitspreken dat zij zich gebonden achten aan het protocol over de voorlopige inwerkingtreding van het eenheidsoctrooi. Op dit moment zijn er nog maar zeven lidstaten die zich hierover hebben uitgesproken. Deze leden vragen de Minister de Kamer te informeren als de inwerkingtreding van het eenheidsoctrooi verdere vertraging oploopt.

Tijdens de Raad zullen lidstaten die het verdrag en/of het aanvullende protocol inzake voorlopige toepassing tot op heden nog niet hebben geratificeerd daartoe worden aangespoord. Zoals bekend heeft Nederland aan al zijn verplichtingen voldaan. Op dit moment zijn er geen signalen dat het vereiste aantal ratificaties niet voor eind mei 2017 zal zijn behaald. De voortgang wordt nauwlettend gevolgd. Indien afgeweken wordt van de huidige planning voor de inwerkingtreding van het Europees octrooipakket, zal ik uw Kamer daarover informeren.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat een van de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie aan Nederland is dat zzp’ers een betere sociale bescherming moeten krijgen. Deze leden vragen of dat klopt. Heeft de Europese Commissie ook aangegeven op welke manier dat moet gebeuren? Op welke manier heeft Nederland gevolg gegeven aan deze landenspecifieke aanbeveling?

Op voorstel van de Europese Commissie heeft de Raad in juli 2016 landenspecifieke aanbevelingen gedaan aan de EU-lidstaten. Nederland heeft toen aanbevelingen ontvangen ten aanzien van de begroting, uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling, de arbeidsmarkt, pensioenen en de woningmarkt. Het kabinet heeft uw Kamer hierover geïnformeerd per brief (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1125). Eén van de landenspecifieke aanbevelingen aan Nederland was om de sterke stijging van het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) te adresseren, mede door fiscale instrumenten die zelfstandige arbeid stimuleren aan te pakken – zonder het ondernemerschap te schaden – en door de toegang van zelfstandigen tot betaalbare sociale bescherming te bevorderen. De Europese Commissie heeft geen specifieke wijze aangeraden waarop dit advies kan worden opgevolgd.

Het kabinet herkent de uitdagingen rondom de opkomst van flexibele werkvormen. Tegelijkertijd zijn flexibele werkvormen belangrijk voor de economie. Flexibiliteit gaat samen met concurrentie en dynamiek in de economie en op de arbeidsmarkt en is van belang voor ondernemerschap. Zoals gebruikelijk ontvangt uw Kamer in het voorjaar het Nationaal Hervormingsprogramma, waarin het kabinet uiteenzet hoe het invulling heeft gegeven aan de landenspecifieke aanbevelingen.

De genoemde leden zijn benieuwd wanneer de Europese aanbestedingsrichtlijn uit 2014 wordt geëvalueerd. In welke lidstaten wordt gebruikgemaakt van de bevoegdheid om bepaalde sectoren uit te sluiten van aanbesteding alleen op laagste kosten (amendement van het lid Monasch, Kamerstuk 34 329, nr. 28)? Welke sectoren worden daarbij uitgesloten? Als gevolg daarvan, klopt het dat ook de thuiszorg uitgesloten kan worden van aanbesteding alleen op laagste kosten?

De Europese Commissie is conform de Aanbestedingsrichtlijn verplicht deze te evalueren en daarvan uiterlijk op 18 april 2019 verslag uit te brengen. De aanbestedingsrichtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid om aanbestedende diensten te verbieden opdrachten alleen op basis van laagste prijs en/of laagste kosten te gunnen. Uit een eerder gedane inventarisatie door de Europese Commissie blijkt dat negen landen hebben aangegeven gebruik te hebben gemaakt van deze mogelijkheid, te weten: Hongarije, Polen, Tsjechië, Italië, Roemenië, Cyprus, Slovenië, Frankrijk en Finland. Veertien landen hebben aangegeven geen gebruik te maken van deze mogelijkheid en twee landen hadden ten tijde van de inventarisatie nog geen keuze gemaakt. Niet alle landen die gebruik hebben gemaakt van deze mogelijkheid kiezen ervoor een beperking naar sector op te leggen. Drie landen hebben aangegeven sectoren te hebben aangewezen waar niet alleen op basis van laagste prijs en/of kosten gegund mag worden. Dit zijn veelal technische diensten, diensten van architecten en sociale diensten.

Nederland maakt ook gebruik van de lidstaatoptie om aanbestedende diensten te verbieden opdrachten alleen op basis van laagste prijs en/of laagste kosten te gunnen. In Nederland moet kwaliteit worden meegenomen in de aanbesteding en mag gunning niet plaatsvinden alleen op basis van laagste prijs en/of kosten, tenzij dit voldoende gemotiveerd wordt. Finland kent een zelfde soort systematiek. Daarnaast bevat de Wet maatschappelijke ondersteuning een algeheel verbod tot het doen van aanbestedingen op basis van alleen laagste prijs.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie maken zich grote zorgen over de situatie in de provincie Zeeland vanwege het failliet gegane fosforbedrijf Thermphos. Deze zich voortslepende kwestie speelt nu weer op vanwege de hoge saneringskosten en een uitspraak die onlangs is gedaan door de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank Zeeland-West-Brabant legt een rechtstreeks verband tussen de dumpingpraktijken van de Kazachse fosforproducent Kazphosphate en het faillissement van Thermphos. Volgens de rechtbank kan worden aangetoond dat het bedrijf Kazphosphate vier jaar lang fosfor onder de kostprijs verkocht op de Europese markt. De rekening voor het saneren van het terrein ligt nu volledig bij de Provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenschap. Deze leden hebben ook bij de Europese Commissie erop aangedrongen verantwoording te nemen voor haar nalatigheid om de eigen markt, bedrijven en werknemers te beschermen tegen oneerlijke concurrentie uit derde landen. Zij vragen de Minister zich in te spannen een gesprek te initiëren tussen de Provincie Zeeland, de Europese Commissie en het Rijk over een rechtvaardige verdeling van de saneringskosten. Is de Minister daartoe bereid, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Ik deel de zorg met betrekking tot de sanering van het terrein van voormalig Thermphos. Tegelijkertijd moet ik vaststellen dat de rijksoverheid geen verantwoordelijkheid draagt voor de oplossing van de problematiek. De verantwoordelijkheid ligt bij de eigenaar van het terrein, in casu Zeeland Seaports. De provincie Zeeland werkt thans aan een plan voor de sanering. Het Rijk is bereid om mee te denken over de samenstelling van een team van deskundigen en te helpen bij de beoordeling van het plan. Hiertoe vindt binnenkort overleg plaats met Zeeland. Op dit moment heb ik nog geen inzicht in de kosten die met de sanering zijn gemoeid. Ook valt te bezien of dumping de oorzaak van het faillissement is. Als hierover meer duidelijkheid bestaat, kan overwogen worden of het Rijk actie zal ondernemen en welke vorm dit zal hebben.


X Noot
1

Raadsdocumentnummer 5905/17.

X Noot
2

Raadsdocumentnummer 5885/17.

X Noot
3

«Curatoren Thermphos winnen zaak tegen fosfordumper», Provinciale Zeeuwse Courant, 10 december 2016, bladzijde 9 en «Staten: nog 2,5 miljoen naar Thermphos», Provinciale Zeeuwse Courant, 14 januari 2017, bladzijde 3.