21 501-28 Defensieraad

Nr. 303 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 7 mei 2026

De vaste commissie voor Defensie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Defensie over de brief van 28 april 2026 over de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 12 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-28, nr. 301).

De vragen en opmerkingen zijn op 29 april 2026 aan de Minister van Defensie voorgelegd. Bij brief van 7 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Paternotte

De griffier van de commissie, Paternotte

Adjunct-griffier van de commissie, Manten

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse zaken Defensie van 12 mei 2026. Hierover hebben deze leden nog enkele vragen.

Vraag 1

Is het kabinet bereid om in de RBZ en de EDA Steering Board te pleiten voor concrete resultaatsverplichtingen voor het EDA, zodat het agentschap aantoonbaar bijdraagt aan capaciteitsopbouw in plaats van primair beleidscoördinatie? Welke lopende EDA-projecten beschouwt het kabinet als voldoende succesvol om op te schalen en welke juist als onvoldoende effectief? In hoeverre acht het kabinet het realistisch dat het EDA daadwerkelijk vraagbundeling van defensieaanschaf kan realiseren, en welke aanvullende instrumenten of bevoegdheden zijn hiervoor noodzakelijk? Is het kabinet bereid om in Brussel in te zetten op een duidelijkere taakafbakening tussen het EDA, de Europese Commissie en de NAVO, en waar ziet het kabinet momenteel de grootste overlap of inefficiëntie? Welke concrete versterkingen van mandaat en/of middelen zal Nederland actief bepleiten om het EDA effectiever te maken? Op welk moment concludeert het kabinet dat het EDA onvoldoende bijdraagt aan de versterking van Europese defensiecapaciteiten en welke alternatieven ziet het kabinet in dat geval, zo vragen de leden van de D66-fractie.

Antwoord

Er is een duidelijke taakafbakening tussen de NAVO, EU en het European Defence Agency (EDA). NAVO stelt capaciteitsdoelstellingen vast en is daarmee leidend op het gebied van capaciteitsontwikkeling, het EDA faciliteert samenwerking in capaciteitsontwikkeling en vraagbundeling en de EU zet financiering en wetgeving om de defensie-industrie verder op te schalen. Het kabinet blijft wel aandringen op betere samenwerking tussen de verschillende instellingen, lidstaten en bondgenoten, op het gebied van defensie en veiligheid. Europese verantwoordelijkheid en samenwerking op deze terreinen worden immers steeds belangrijker.

Het EDA ondersteunt als intergouvernementeel agentschap lidstaten bij het vaststellen van gezamenlijke prioriteiten ten aanzien van militaire vermogens, de ontwikkeling van nieuwe capaciteiten en het bundelen van de vraag bij aanschaf. In deze faciliterende rol boekt het EDA reeds concrete resultaten, onder meer via de Coordinated Annual Review on Defence (het CARD-proces), waarin gezamenlijke kansen voor capaciteitsontwikkeling worden geïdentificeerd. Daarnaast heeft het EDA een government-to-government platform ontwikkeld waarop lidstaten nationale aanschaf- en ontwikkelingsprojecten kunnen publiceren. Ook lopen er succesvolle samenwerkingsprojecten, bijvoorbeeld op het gebied van loitering munitie en de training van dronepiloten. Het daadwerkelijk benutten van gezamenlijke kansen en dit omzetten in concrete aanschaf- of ontwikkeltrajecten is en blijft de verantwoordelijkheid van lidstaten. Een resultaatverplichting voor het EDA is daarom niet passend.

Momenteel bezien lidstaten hoe het EDA kan worden versterkt. Nederland ziet vooral een belangrijke rol voor het EDA in het ondersteunen van lidstaten voor samenwerking op defensieterrein. Specifiek zet Nederland in op een rol voor het EDA op de Priority Capability Areas (PCA’s), gezamenlijke ontwikkeling van militaire vermogens, vraagbundeling en opschaling van onderzoek, technologie en innovatie. Zo moet het EDA een centrale rol gaan spelen binnen het EU-defensie-domein en bestaande partnerschappen versterken en benutten, bijvoorbeeld door te zorgen voor betere synergie met de NAVO en haar agentschappen.

Vraag 2

Over de Europese Veiligheidsstrategie hebben de leden van de D66-fractie de volgende vragen: gaat Nederland zich in de RBZ Defensie actief inzetten voor meetbare en tijdgebonden doelstellingen in de EVS en hoe wordt voorkomen dat dit een breed maar niet-bindend document blijft? Welke concrete commitments wil Nederland opgenomen zien in de EVS ten aanzien van de steun aan Oekraïne, bijvoorbeeld op het gebied van productiecapaciteit en leveringen? Welke strategische afhankelijkheden wil het kabinet prioritair verminderen, en is het bereid om hiervoor ook economische of budgettaire consequenties te accepteren? Welke rol ziet het kabinet voor de EU in het tegengaan van hybride dreigingen, en waar ligt volgens het kabinet de grens ten opzichte van NAVO en nationale verantwoordelijkheden? Hoe wil Nederland borgen dat de voortgang op de EVS structureel wordt gemonitord en lidstaten worden aangesproken op naleving?

Antwoord:

Op 13 maart jl. ontving uw Kamer de Nederlandse inzet voor de Europese veiligheidsstrategie.1 Om onze vrijheid te beschermen moet Europa een grotere verantwoordelijkheid nemen op het gebied van veiligheid en defensie. Dat begint bij het steunen van Oekraïne. Deze oorlog is onlosmakelijk verbonden met de toekomst van de Europese veiligheidsarchitectuur. Tegelijkertijd moet een burden shift binnen de NAVO plaatsvinden, waarbij Europese bondgenoten meer verantwoordelijkheid nemen. Daarnaast moet Nederland ongewenste afhankelijkheden afbouwen. Ook zijn investeringen in de Nederlandse en Europese defensie-industrie nodig om strategische afhankelijkheden te verminderen.

Hoewel een strategie van de Europese Commissie in beginsel niet juridisch bindend is, zien alle lidstaten de noodzaak om op basis van een gezamenlijk dreigingsbeeld meer verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen veiligheid. De voorstellen uit de strategie kunnen door de Europese Raad worden vertaald in politieke conclusies en vervolgens omgezet in concrete vervolgacties, waaronder – waar passend – afspraken over tijdslijnen, doelstellingen en rapportage. Het kabinet zal aan de hand van de strategie bepalen op welke punten het wenselijk is om zich in te zetten voor dergelijke afspraken.

Het tegengaan van hybride dreigingen is een nationale competentie. Tegelijkertijd heeft de EU een belangrijke rol in het ondersteunen van lidstaten en het coördineren van zowel weerbaarheidsmaatregelen als tegenmaatregelen. Het gezamenlijk optreden van lidstaten vergroot de effectiviteit van de aanpak. De EU heeft een grote verscheidenheid aan instrumenten tot haar beschikking zoals beschreven in de EU Hybrid Toolbox, de FIMI toolbox en de Cyber Diplomacy Toolbox. Nederland zet zich in voor effectieve implementatie van diverse EU-initiatieven die hieraan raken, zoals de Preparedness Union Strategy, ProtectEU, de EU Security Strategy en EU Democracy Shield. De instrumenten van de EU tegen hybride dreigingen vormen een waardevolle aanvulling op de capaciteiten van de NAVO, aangezien de NAVO zich primair richt op collectieve verdediging en militaire afschrikking terwijl de EU maatregelen kan nemen op civiel, economisch en juridische terrein. De EU en de NAVO werken ook steeds meer samen op dit gebied, bijvoorbeeld via coördinatie van strategische communicatie en gezamenlijke inzet op analyse, training en versterken van weerbaarheid via het Hybrid Center of Excellence in Helsinki.

In de Veiligheidsstrategie van Nederland uit 2023 staat dat risico’s van strategische afhankelijkheden in het bijzonder op het gebied van kritieke grondstoffen, (fossiele) energie, medische producten, kennis, technologie en voedselzekerheid moeten worden gemitigeerd. Ook zijn investeringen in de Nederlandse- en Europese defensie-industrie nodig om strategische afhankelijkheden te verminderen. Het kabinet beseft dat dit in voorkomend geval ook tot hogere kosten kan leiden, zeker als dit abrupt gebeurt zoals de afbouw van de import van Russische fossiele energie in 2022. Daarom vergt dit zorgvuldige afwegingen en besluitvorming.

Vraag 3

Verder vragen de leden van de D66-fractie waar voor Nederland in de RBZ Defensie de primaire prioriteit ligt: snelle capaciteitsopbouw, versterking van de Europese defensie-industrie of strategische autonomie? Is het kabinet bereid om in Brussel actief te kiezen voor coalities van lidstaten die sneller willen samenwerken, ook als niet alle lidstaten aansluiten? Hoe voorkomt het kabinet dat de toename van EU-defensie-initiatieven leidt tot meer coördinatie en bureaucratie, maar onvoldoende concrete militaire output, zo vragen deze leden.

Antwoord

Gezien de verslechterde veiligheidssituatie in Europa acht het kabinet snelle capaciteitsopbouw noodzakelijk. Tegelijkertijd zijn een sterke Europese defensie-industrie en grotere strategische autonomie belangrijke randvoorwaarden om ook op de langere termijn de defensiegereedheid te waarborgen.

Op defensieterrein wordt al regelmatig gekozen voor kleinere samenwerkingsverbanden, met name waar het gaat om samenwerking bij capaciteitsontwikkeling. Een voorbeeld hiervan is de samenwerking binnen de Priority Capability Areas (PCA's), waarbij in kleiner verband wordt gewerkt aan specifieke capaciteiten. Nederland heeft hierbij een coördinerende rol op de PCA Drones en counter-dronesystemen en de PCA militaire mobiliteit en heeft de eerste bijeenkomst georganiseerd. Het kabinet blijft kijken naar kansen waar samenwerking in kleinere verbanden van meerwaarde is.

Nederland pleit ervoor dat de EU zich inzet voor het vereenvoudigen van wet- en regelgeving voor krijgsmachten en de defensie-industrie. Belangrijke initiatieven op dit terrein zijn de Defensieomnibus en het Militaire Mobiliteitspakket.

Vraag 4

De leden van de D66-fractie zien kansen voor verdere Europese samenwerking nu de verkiezingen in Hongarije een nieuwe regering hebben opgeleverd. Verwacht het kabinet dat de Hongaarse blokkade van nieuwe steunpakketten voor Oekraïne vanuit de Europese Vredesfaciliteit zal worden opgeheven? Hoeveel compensatie verwacht het kabinet nog te ontvangen vanuit het fonds? Op welke manier zal Nederland zich inspannen om eventuele blokkades op te heffen? Zijn er (naast Oekraïne-gerelateerde zaken) nog andere voorstellen op het gebied van defensie en veiligheid die Hongarije in de afgelopen jaren heeft geblokkeerd met hun veto? Zo ja, welke inspanning gaan we zien vanuit het kabinet om deze voorstellen nieuw leven in te blazen?

Antwoord

De nieuwe Hongaarse regering treedt naar verwachting over enkele weken aan. Beoogd Hongaars premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Op basis van de eerste mediaoptredens van Magyar en de eerste contacten, is het kabinet hoopvol over een constructieve koers van Hongarije binnen de EU. Na het opheffen van de Hongaarse blokkades op de Ukraine Support Loan (USL) en het 20e sanctiepakket, kan overige besluitvorming omtrent steun aan Oekraïne mogelijk ook weer in beweging komen. Conform motie Van Lanschot c.s. zal het kabinet zich er bij de Commissie onder meer voor inzetten dat Hongarije zich opnieuw in lijn brengt met gedeelde waarden en het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, waaronder de steun aan Oekraïne (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3383).

De steunmaatregelen voor Oekraïne die via de Europese Vredesfaciliteit deels zouden worden gefinancierd, zijn momenteel geblokkeerd. Daardoor heeft de EU de lidstaten nog niet verzocht om de bijbehorende financiële bijdragen te leveren. Indien de blokkade wordt opgeheven zullen de lidstaten gevraagd worden om voor het geblokkeerde gedeelte, betreffende 6,6 miljard euro, bij te dragen conform BNI-verdeelsleutel. Over de precieze vorm (bijvoorbeeld in hoeveel jaar lidstaten deze contributie moeten betalen) zal dan nog moeten worden besloten. Nederland heeft de afgelopen jaren in verschillende EU-gremia opgeroepen tot een opheffing van de blokkade en zal dit blijven doen, ook tijdens de aanstaande RBZ Defensie op 12 mei.

Vraag 5

De leden van de D66-fractie hebben ook nog enkele vragen over Europese defensiesamenwerking. Hoe staat het kabinet tegenover het voorstel van Eurocommissaris Kubilius voor de oprichting van een Europese Defensie Unie buiten de EU met deelname van het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Oekraïne? Wat is de Nederlandse inzet bij de verdere operationalisering van Artikel 42.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie? Welke verwachtingen heeft Nederland van de interne markt richtlijn voor defensie waar de Europese Commissie mee zal komen? Hoe beoordeelt het kabinet de kritiek van Eurocommissaris Kubilius op het veelvuldig gebruik van Artikel 346 VWEU door EU-lidstaten? Hoe kijkt het kabinet in dat kader naar de aangekondigde aanpassing van Duitse wetgeving waarbij juist wordt ingezet op het vaker gebruikmaken van de uitzonderingsgrond?

Antwoord

Het kabinet heeft kennisgenomen van de uitlatingen van Eurocommissaris Kubilius, maar constateert dat de precieze inhoud en uitwerking van het voorstel op dit moment nog onvoldoende duidelijk zijn. In algemene zin hecht het kabinet veel belang aan samenwerking met partners zoals het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Oekraïne.

De NAVO is de hoeksteen van onze collectieve veiligheid. De EU heeft een belangrijke aanvullende en complementaire rol te spelen, onder andere op het gebied van financiering, wetgeving en coördinatie. Europese bondgenoten nemen meer verantwoordelijkheid voor veiligheid op het Europese continent. Nederland werkt hieraan binnen de NAVO, de EU en via partnerschappen. In dit licht is Nederland voorstander van het verder operationaliseren van artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Concreet gaat het om een effectiever gebruik van het EU-instrumentarium en uit te werken hoe de brede EU-toolbox effectiever ingezet en versterkt kan worden, onder meer op het gebied van sanctiebeleid, civiele bescherming en hybride dreigingen. uit te werken hoe de brede EU-toolbox effectiever ingezet en versterkt kan worden. Dit draagt bij aan een betere voorbereiding van de EU en EU-lidstaten op een crisis. Samenwerking met de NAVO is hierbij essentieel, waarbij onnodige duplicatie moet worden voorkomen.

Met betrekking tot de aangekondigde mededeling interne markt voor defensie, onderschrijft het kabinet het belang van een meer geïntegreerde en effectieve Europese defensie-industrie. Daarbij moeten militaire behoeften leidend zijn, grensoverschrijdende toeleveringsketens worden versterkt, meer convergentie in exportbeleid worden nagestreefd en gezamenlijke aanbestedingen via bestaande raamcontracten worden vergemakkelijkt. Het doel is om de productiecapaciteit, -snelheid en standaardisatie binnen Europa te vergroten.

Op grond van de uitzonderingsbepaling in artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kunnen EU-lidstaten maatregelen nemen die zij noodzakelijk achten ter bescherming van hun wezenlijke veiligheidsbelangen, met name met betrekking tot de productie van en de handel in wapens en munitie. De mogelijkheid bestaat dat door de huidige geopolitieke omstandigheden lidstaten vaker een beroep doen op deze uitzonderingsbepaling. De Europese Commissie houdt toezicht op de toepassing van dit artikel om te borgen dat lidstaten deze bevoegdheid niet misbruiken. Het kabinet is niet bekend met een voorstel van de Duitse wetgever om met nationale wetgeving meer gebruik te maken van de uitzonderingsgrond.

Vraag 6

Tot slot hebben de leden van de D66-fractie nog enkele losse vragen. In lijn met de Europese ambities is in het coalitieakkoord afgesproken dat aanbestedingsprocedures voor defensiematerieel zullen worden vereenvoudigd. Welke actie zal het kabinet hier concreet op ondernemen en zal hier worden gewacht op het Europese voorstel? Wanneer zal de Kamer hierin worden meegenomen?

Antwoord

Er wordt gewerkt aan het verder brengen van het defensieomnibus-pakket, dat ook maatregelen bevat aangaande aanbestedingsprocedures. Bovendien heeft de Europese Commissie aangegeven de Aanbestedingsrichtlijn op defensie- en veiligheidsgebied dit jaar volledig te willen herzien om de efficiëntie, transparantie en concurrentiekracht van het EU-kader voor defensieaankopen te versterken. Conform de gangbare procedures zal uw Kamer hierin worden meegenomen.

Vraag 7

Nederland zou zich daarnaast inzetten voor een Europees defensiemechanisme en een Europese versie van Five Eyes. Op welke manier zal het kabinet zich hier concreet voor inzetten en wanneer hoort de Kamer daar meer over? Wanneer kan de Kamer de concreet uitgewerkte voorstellen verwachten voor de gezamenlijke Europese aanschaf van strategische capaciteiten in lijn met de aangenomen motie Belhirch c.s. (Kamerstuk 36 800 X, nr. 36)?

Antwoord

In lijn met het coalitieakkoord verkent het kabinet de mogelijkheid voor het oprichten van een intergouvernementeel defensiemechanisme (Multilateraal Defensiemechanisme, MDM). Hierbij wordt nauw opgetrokken met NAVO-partners binnen en buiten de Europese Unie. Het doel van een MDM is het bieden van financiering voor (gezamenlijke) defensieprojecten. Het kabinet zet zich in voor het intensiveren van inlichtingensamenwerking op Europees niveau. Voorbeeld hiervan is de Single Intelligence Analysis Capacity (SIAC) dat het exclusieve toegangsportaal is voor het delen van strategische inlichtingen met Europese instellingen. Het maakt inlichtingenproducten voor EU-beleidsmakers op basis van vrijwillige inlichtingenbijdragen door EU-lidstaten. De inlichtingendiensten dragen bij aan de versterking van SIAC. Zo is in 2025 het aantal inlichtingenbijdragen van de diensten aan SIAC meer dan verdubbeld ten opzichte van 2024. Deze bijdragen versterkten de inlichtingenpositie van onder andere de Europese Commissie, de Europese Dienst voor Extern Optreden en de Raad van de Europese Unie.

Daarnaast werken de inlichtingendiensten veelvuldig samen met internationale partners. De samenwerking tussen Europese diensten is van oudsher hecht en effectief. Gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen bestaat in het bijzonder aandacht voor de Europese inlichtingen- en veiligheidsgemeenschap en manieren waarop inlichtingen effectiever en doelmatiger kunnen worden gedeeld om de nationale en internationale veiligheid te beschermen. De details omtrent multilaterale samenwerkingsverbanden zijn geheim. De Kamer wordt daarover geïnformeerd via de geëigende kanalen.

Ook kijkt Nederland actief naar mogelijkheden om verder samen te werken: bijvoorbeeld binnen de EU Proriority Capability Areas onderzoekt het hoe capaciteitsontwikkeling en -aankoop met andere landen kan worden geïnitieerd.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie steunen Oekraïne, omdat het een soeverein land is dat door de Russische agressor onrechtmatig is binnengevallen. Tegelijkertijd heeft Nederland inmiddels al heel veel aan Oekraïne betaald. Het is nu aan andere landen om meer bij te dragen, zodat Nederland zich weer kan richten op de eigen problemen en de Nederlanders.

Vraag 8

De leden van de PVV-fractie willen daarom substantieel minder financiële steun geven aan Oekraïne en vinden dat Nederland eerst zijn eigen problemen moet oplossen. In verhouding heeft Nederland al aanzienlijk meer bijgedragen dan veel andere landen in Europa, met name landen in Zuid-Europa. De Minister moet juist die landen aanspreken om extra bij te dragen.

Antwoord

Nederland moet, gezien het belang van de uitkomst van het conflict voor de Europese veiligheid, zijn verantwoordelijkheid nemen. Het kabinet roept in internationaal verband, zoals tijdens de Ukraine Defense Contact Group (UDCG), partners en bondgenoten op om hun bijdrage te leveren. Daarnaast zet het kabinet zich in voor multilaterale initiatieven zoals de Ukraine Support Loan (USL), die het mogelijk maken om substantiële middelen te mobiliseren en de kosten te spreiden over de deelnemende landen.

Vraag 9

De leden van de PVV-fractie verzetten zich tegen de Ukraine Support Loan, een financieel steunpakket van 90 miljard euro. Kan de Minister aangeven welke financiële risico’s Nederland loopt bij deze lening en in hoeverre Nederland garant staat voor eventuele verliezen?

Antwoord

Het is van existentieel belang voor Oekraïne en de bredere veiligheid van Europa dat Oekraïne zich kan blijven verweren tegen de voortdurende Russische agressie. Het verloop van de oorlog in Oekraïne raakt de Europese en daarmee de Nederlandse veiligheid fundamenteel. Met de steunlening draagt de EU bij aan essentiële militaire en macro-financiële steun voor Oekraïne.

De totale EU-lening aan Oekraïne bedraagt maximaal 90 miljard euro in 2026–2027. Deze middelen voor de leningen leent de Commissie namens de Unie op de kapitaalmarkt. Oekraïne zal de lening pas terug hoeven te betalen wanneer Rusland de oorlog beëindigt en herstelbetalingen heeft gedaan. Oekraïne blijft dan verantwoordelijk voor de terugbetaling van de lening.

De headroom onder het Eigenmiddelenbesluit, wat op mei 2021 door uw Kamer is geratificeerd, dient als garantie voor de leningen die de Unie aangaat voor de financiering van deze steunlening aan Oekraïne. Het Nederlandse aandeel in deze garantie is 6,6% van de hoofdsom van maximaal 90 miljard euro. Daarmee staat Nederland garant voor circa 6 miljard euro. Bij wijzigingen in het BNI-aandeel en wijzigingen in de inschatting van de rentelasten zal in de toekomst ook de omvang van de garantie wijzigen. De rentelasten worden niet aan Oekraïne doorbelast en zijn derhalve geen onderdeel van de garantie. De rentekosten van ca. 1 miljard in 2027 worden naar verwachting gedekt onder het plafond van het Meerjarig Financieel Kader. De dekking van de rentelasten voor de periode vanaf 2028 zal worden meegenomen in de bredere onderhandelingen over het nieuwe MFK 2028–2034.

Vraag 10

Kan de Minister concreet maken welk aandeel andere lidstaten bijdragen en hoe dit zich verhoudt tot de Nederlandse bijdrage? Welke voorwaarden worden gesteld aan Oekraïne bij deze leningen en hoe wordt toezicht gehouden op de besteding? Oekraïne mag, wat de leden van de PVV-fractie, betreft nooit lid worden van de NAVO of de Europese Unie.

Antwoord

De headroom onder het Eigenmiddelenbesluit, wat op mei 2021 door uw Kamer is geratificeerd, dient als garantie voor de leningen die de Unie aangaat voor de financiering van deze steunlening aan Oekraïne. Door het gebruik van de headroom om de lening te garanderen is sprake van evenredige lastendeling, gezien deelnemende lidstaten hier naar rato garant voor staan op basis van hun BNI-aandeel. De maximale totale blootstelling van Nederland aan het kredietrisico op Oekraïne uit hoofde van deze lening is volgens het BNI-aandeel van Nederland in de nauwere samenwerking (van 6,6%) circa 6 miljard euro voor 2026–2027. Dit is de raming voor het maximale risico over de gehele periode waarin leningen uitstaan. De rentelasten worden niet aan Oekraïne doorbelast en zijn derhalve geen onderdeel van de garantie. De rentekosten in 2027 worden naar verwachting gedekt onder het plafond van het Meerjarig Financieel Kader (MFK). De dekking van de rentelasten voor de periode vanaf 2028 zal worden meegenomen in de bredere onderhandelingen over het nieuwe MFK 2028–2034. Onderdeel van de voorwaarden van de lening is dat Oekraïne de lening pas terug hoeft te betalen wanneer Rusland de oorlog beëindigt en herstelbetalingen heeft gedaan. Oekraïne blijft dan verantwoordelijk voor de terugbetaling van de lening. Tussen de Commissie en Oekraïne wordt een leenovereenkomst gesloten waarin afspraken worden opgenomen over onder andere het terugbetalingsschema. Op termijn zal in geval van terugbetalingen van de leningen door Oekraïne ook de omvang van de garantie afnemen.

De controle op de rechtmatige besteding van de EU-steun aan Oekraïne vindt op meerdere niveaus plaats. De Commissie is primair verantwoordelijk voor het toezicht en beoordeelt vooraf de voorwaarden voor uitbetaling, waaronder hervormingsstappen, corruptiebestrijding en rechtsstatelijkheid. Dit zijn voor Nederland belangrijk onderwerpen. Onder de Ukraine Support Loan is de begrotingssteun voor Oekraïne gekoppeld aan gepaste conditionaliteit. De voorwaarden en governance van het instrument zijn vastgelegd in de relevante EU-wetgeving, waaronder de wijziging van de MFK-verordening, de onderliggende verordening voor het instrument en de leenovereenkomst tussen de Commissie en Oekraïne. De inzet en mobilisatie van begrotingsmiddelen vindt plaats in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure, waarbij de Commissie de Raad en het Europees Parlement tijdig informeert over de financiële implicaties en de inzet van begrotingsgaranties. De Commissie ziet toe op de uitvoering binnen de vastgestelde juridische kaders en rapporteert hierover periodiek aan de Raad en het Europees Parlement.

Vraag 11

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen om de bijdrage aan de EUMAM te verlengen tot november 2028. Defensie werkt zelf aan een enorme opschaling en verkort al trainingen om de doorstroom op peil te houden, terwijl er tegelijkertijd sprake is van een tekort aan opleiders. Kan de Minister aangeven wat de afwegingen zijn bij het verlengen van de EUMAM tot 2028? Kan de Minister aangeven wat de invloed is van de verlenging van de EUMAM op de eigen trainingscapaciteiten en de operationele slagkracht? En kan de Minister toelichten of andere landen deze inzet (deels) kunnen overnemen, zodat de druk op de Nederlandse defensieorganisatie wordt verlicht, zo vragen deze leden.

Antwoord

De strijd van Oekraïne gaat over de veiligheid van Nederland en Europa. De aanhoudende oorlog maakt dat het opleiden van Oekraïense militairen nog altijd een absolute noodzaak is. De opleidingen stellen Oekraïense militairen in staat de door Nederland en andere partners en bondgenoten geleverde goederen en systemen goed te gebruiken en vergroten zowel de gevechtskracht als de overlevingskansen van de Oekraïense militairen. Via de EU Military Assistance Mission for Ukraine (EUMAM) zijn per begin 2026 al 86.000 Oekraïense militairen getraind door Nederland en andere landen, en de behoefte vanuit Oekraïne voor de opleidingen binnen EUMAM blijft hoog.

De Nederlandse bijdrage aan EUMAM gaat gepaard met verdringingseffecten. De ingezette eenheden kunnen tenslotte niet worden ingezet in het kader van een andere missie, het opleiden van nieuwe militairen of gereedstelling. Om een balans te vinden tussen het steunen van Oekraïne en gereedstelling voor Hoofdtaak 1 worden er mitigerende maatregelen genomen. Zo dienen eenheden die de opleidingen verzorgen een bepaald basisgereedstellingsniveau te hebben. Bovendien moet de opleiding die de eenheid geeft ook passen bij de taakstelling van de eenheid en een gedeeld nut en belang hebben voor zowel Oekraïne als Nederland. Hierdoor leert men van de op te leiden Oekraïense militairen relevante lessen voor het eigen optreden, wat de krijgsmacht in staat stelt om beter op te treden in toekomstige conflicten.

Vraag 12

De leden van de PVV-fractie hebben vragen over het internationale onderzoek naar het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen. Over de uitkomsten van dit onderzoek zou de Kamer worden geïnformeerd. Kan de Minister aangeven wat de Nederlandse inzet is binnen dit onderzoek? Zet Nederland zich actief in om het proces te versnellen en is de Minister bereid om waar mogelijk extra ondersteuning te bieden om dit te realiseren? Kan de Minister toezeggen dat de Kamer tijdig en volledig wordt geïnformeerd over de uitkomsten? Kan de Minister daarnaast aangeven wie volgens het kabinet verantwoordelijk is voor het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen en wanneer daar duidelijkheid over wordt verwacht? Is Nederland voornemens om alle directe en indirecte schade op de daders te verhalen, zo vragen de leden van de PVV-fractie.

Antwoord

Er is geen internationaal onderzoek naar de explosies tegen Nord Stream 1 en 2 waarin Nederland een rol speelt. Duitse autoriteiten zijn nog bezig met een onderzoek. In augustus 2025 hebben Duitse autoriteiten naar buiten gebracht meerdere verdachten in beeld te hebben. Het is aan de Duitse autoriteiten met informatie over het onderzoek naar buiten te komen. Dit onderzoek heeft nog niet geleid tot een gerechtelijke uitspraak. Het is niet aan het kabinet om vooruit te lopen op de uitkomsten van het Duitse onderzoek.

De Nord Streaminfrastructuur maakt geen onderdeel uit van de Nederlandse energie-infrastructuur. Het belang van de Gasunie in Nord Stream 1 is eind 2022 volledig afgeschreven, zoals u eerder op 20 september 2024 bent geïnformeerd door de Minister van Defensie, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken op uw vragen hierover (Kamerstuk AH-TK 2024–2025 nr. 14). Het kabinet heeft daarom geen voornemen schade te verhalen.


X Noot
1

Kamerstuk 22 112, nr. 4294


X Noot
1

Kamerstuk 22 112, nr. 4294

Naar boven