Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202021501-20 nr. 1558

21 501-20 Europese Raad

Nr. 1558 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT EN VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juni 2020

Op woensdag 20 mei 2020 publiceerde de Europese Commissie haar voorstellen voor landspecifieke aanbevelingen en artikel 126(3)-rapporten over de buitensporigtekortprocedure in het kader van het Europees Semester (hierna: Semester).1 Het Semester is het jaarlijkse proces waarin EU-lidstaten hun economisch en budgettair beleid coördineren. Het Semester combineert het toezicht op macro-economische onevenwichtigheden, overheidsfinanciën en het bevorderen van inclusieve economische groei in Europa en goed arbeidsmarktbeleid.

De Europese Commissie heeft aangegeven dat de aanbevelingen dit jaar enerzijds ingaan op de onmiddellijke budgettaire-, economische-, gezondheids- en sociale uitdagingen n.a.v. de COVID-19 (Corona)-uitbraak en anderzijds gericht zijn op het bevorderen van hervormingen en het aangeven van investeringsprioriteiten. Dit laatste is belangrijk voor het realiseren van duurzame en inclusieve groei die bevorderlijk is voor het economisch herstel, de groene transitie en de digitale transformatie van de Europese Unie. Het kabinet heeft begrip voor de gekozen benadering van de Commissie en onderschrijft deze op hoofdlijnen.

Tegen deze achtergrond hebben alle lidstaten dit jaar een aantal vergelijkbare aanbevelingen gekregen, dit jaar voor het eerst op het gebied van gezondheidszorg. Nieuw is ook dat aanbevelingen op het gebied van overheidsfinanciën kwalitatief van aard zijn gezien het feit dat de algemene ontsnappingsclausule van het Stabiliteits- en Groeipact op 23 maart is geactiveerd.

Door de focus op maatregelen gericht op de directe uitdagingen die samenhangen met de uitbraak van de COVID-19 pandemie en op het bevorderen van direct economisch herstel is dit jaar een aantal aanbevelingen voor structuurversterkende hervormingen uit 2019 komen te vervallen, zowel voor Nederland als voor andere lidstaten. De uitkomsten van de macro-economische onevenwichtighedenprocedure en de analyse van de Europese Commissie in de landenrapporten (eind februari) geven hier geen aanleiding toe. In deze analyses konden echter ook niet de mogelijke gevolgen van de COVID-19 pandemie meegenomen worden. Het kabinet vindt dat aanbevelingen voor structuurversterkende hervormingen van groot belang blijven. Het opvolgen van dergelijke aanbevelingen is uiteindelijk onontbeerlijk voor een structureel en duurzaam economisch herstel van individuele lidstaten en zal daarmee ook de weerbaarheid van de gehele Europese Unie tegen mogelijke toekomstige crises versterken. In de overwegingen bij de landspecifieke aanbevelingen onderstreept de Europese Commissie evenwel de blijvende relevantie van de landspecifieke aanbevelingen uit 2019 en benadrukt zij dat de Commissie de uitvoering ervan blijft monitoren. Dit steunt het kabinet.

Bij de discussies over een Europees herstelfonds is het kabinet dan ook van mening dat dit gepaard moet gaan met een economisch beleid van de lidstaten gericht op het aanpakken van de structurele uitdagingen in hun economie. Uw Kamer wordt hierover separaat geïnformeerd in de kabinetsappreciatie van het op 27 mei door de Europese Commissie gepresenteerde herstelpakket.

De Commissie heeft net als voorgaande jaren lidstaten en stakeholders geconsulteerd om het nationaal eigenaarschap van de aanbevelingen te vergroten en de implementatie te ondersteunen.

In het artikel 126(3)-rapport, dat deel uitmaakt van het lentepakket, deelt de Europese Commissie de verwachting dat alle EU-lidstaten een nominaal begrotingstekort zullen hebben, wat exceptioneel is maar niet tijdelijk of marginaal, en daarom allemaal in de buitensporigtekortprocedure terechtkomen. Hieronder wordt dit verder toegelicht. Daarna gaat het kabinet in op de voorstellen van de Europese Commissie voor de aanbevelingen voor de periode 2020–2021.

Artikel 126(3)-rapport

Als onderdeel van het lentepakket heeft de Europese Commissie rapporten op basis van artikel 126(3) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)2 gepubliceerd.3 Dergelijke rapporten worden opgesteld indien een lidstaat de referentiewaarden uit de correctieve arm overschrijdt of dreigt te overschrijden. Ook voor Nederland is een dergelijk rapport opgesteld omdat het EMU-tekort (nominaal begrotingstekort) in 2020 naar verwachting boven de 3% uitkomt volgens de lenteraming van de Commissie.4 De Commissie geeft aan dat het buitensporig tekort weliswaar exceptioneel is maar niet tijdelijk of marginaal (marginaal wil zeggen: dichtbij de 3% bbp). Daarom concludeert de Europese Commissie dat Nederland prima facie niet voldoet aan het tekortcriterium van de correctieve arm.

Vervolgens heeft de Europese Commissie in haar rapport gekeken naar verschillende relevante factoren, in het bijzonder de impact van de COVID-19 pandemie op de economische activiteit en de overheidsfinanciën. Omdat de publieke schuldquote volgens de raming van de Commissie boven de 60%-norm uitkomt in 2020 kunnen de relevante factoren echter niet worden meegewogen, zoals voorgeschreven in artikel 2 lid 4 van de Verordening (EG) Nr. 1467/97 van de Raad.5 Daarom komt de Europese Commissie in haar slotconclusie tot de vaststelling dat Nederland niet voldoet aan het tekort-criterium van de correctieve arm. De Europese Commissie is bij alle lidstaten tot deze conclusie gekomen. De Europese Commissie heeft geen uitspraak gedaan over de noodzakelijkheid van het openen van een buitensporigtekortprocedure. Het is nu aan het Economisch en Financieel Comité om middels een opinie advies uit te brengen over het verslag van de Commissie in lijn met lid 4 van artikel 126 VWEU. Het is aan de Europese Commissie om te besluiten of zij een (formeel) voorstel wil doen voor het openen van een buitensporigtekortprocedure.

Het kabinet blijft gecommitteerd aan de Europese begrotingsregels zoals vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact. Houdbare overheidsfinanciën zijn en blijven een cruciale voorwaarde voor duurzame economische groei. Het kabinet benadrukt dat de geplande overschrijding van het tekort-criterium geheel toe te schrijven valt aan de economische krimp ten gevolge van COVID-19 en de getroffen maatregelen om de economische gevolgen te mitigeren.

Landspecifieke aanbevelingen voor Nederland

Binnen de kaders van het bovenstaande stelt de Europese Commissie dit jaar voor Nederland vier landspecifieke aanbevelingen voor die zich uitstrekken over meerdere beleidsterreinen: (1) economische maatregelen, budgettair beleid en het zorgsysteem; (2) de gevolgen van de crisis op de arbeidsmarkt en sociale bescherming voor zelfstandigen; (3) publieke en private investeringen in de groene en digitale transities met speciale aandacht voor digitale vaardigheden, duurzame infrastructuur, schone en efficiënte energie, missiegedreven onderzoek en innovatie; en (4) agressieve belastingplanning en anti-witwasbeleid.

Op hoofdlijnen herkent het kabinet de door de Europese Commissie geschetste uitdagingen voor Nederland. De aanbevelingen zijn deels in lijn met eerdere aanbevelingen en benadrukken het belang van een spoedig economisch herstel.

Landspecifieke aanbeveling 1

Overeenkomstig de algemene ontsnappingsclausule alle nodige maatregelen nemen om de pandemie doeltreffend aan te pakken, de economie te stimuleren en het daaropvolgende herstel te ondersteunen. Als de economische omstandigheden dit toelaten, begrotingsbeleid voeren dat gericht is op het tot stand brengen van prudente begrotingssituaties op middellange termijn en het waarborgen van de houdbaarheid van de schuld, daarbij de investeringen verhogend. De veerkracht van het gezondheidszorgstelsel versterken, onder meer door de bestaande tekorten aan zorgmedewerkers aan te pakken en de uitrol van digitale zorg te versnellen.6

Maatregelen in reactie op COVID-19. Het kabinet onderschrijft de activering van de algemene ontsnappingsclausule in het Stabiliteits- en Groeipact om lidstaten in staat te stellen om de acute en breed verspreide economische schok ten gevolge van de COVID-19 pandemie en de ingestelde crisismaatregelen te dempen. De genomen maatregelen zoals geschetst in het noodpakket banen en economie van 17 maart jl. zijn gaandeweg aangevuld en verlengd, zoals in diverse Kamerbrieven is geschetst. Het kabinet zal de ontwikkelingen nauwlettend monitoren en bijpassende maatregelen treffen indien nodig.

Prudent budgettair beleid. Het kabinet onderschrijft het belang van gezonde overheidsfinanciën. De prioriteit van het kabinet is nu om de noodzakelijke maatregelen te nemen om de economische schade als gevolg van de coronacrisis zoveel mogelijk te beperken. Doordat de genomen COVID-19 maatregelen bovenop de bestaande begrotingsplannen komen, gaan de maatregelen niet ten koste van andere uitgaven, zoals investeringsuitgaven. Het kabinet kan deze maatregelen mede nemen dankzij de gunstige budgettaire en economische uitgangspositie voorafgaand aan de crisis. Naast het stabiliseren van de economie is het van belang ervoor te zorgen dat er ook in de toekomst voldoende buffers zijn om economische schokken op te vangen. Het is op dit moment echter nog te vroeg om te kunnen beoordelen hoe groot het effect op de overheidsfinanciën zal zijn, en wat nodig is om te komen tot gezonde overheidsfinanciën op langere termijn.

Het zorgsysteem versterken. Ondanks dat het zorgsysteem geen deel uitmaakt van het Semester, onderschrijft het kabinet de noodzaak om het tekort aan zorgmedewerkers aan te pakken en de inzet van effectieve e-health-instrumenten te intensiveren. Om te zorgen dat er nu en in de toekomst voldoende toegerust en tevreden personeel aan het werk is, is in 2018 het Actieprogramma Werken in de Zorg7 gestart. Om de arbeidsmarkttekorten in de zorg als gevolg van de COVID-19 uitbraak te verlichten, zijn er verschillende aanvullende instrumenten ingezet en initiatieven van brancheorganisaties ondersteund. Denk hierbij aan de lancering van het platform Extra handen voor de zorg, de introductie van de Nationale Zorgklas, de uitbreiding van de subsidieregeling SectorplanPlus en het bieden van mentale ondersteuning voor zorgprofessionals via Sterk in je Werk. Ook is het tijdelijk mogelijk gemaakt dat voormalige verpleegkundigen en artsen onder voorwaarden weer zelfstandig ingezet kunnen worden in de zorg.

Door de COVID-19 pandemie is ook het gebruik van digitale toepassingen toegenomen, bijvoorbeeld voor het verlenen van zorg op afstand en zelfmonitoring. Ook voor het inhalen van uitgestelde zorg is e-health cruciaal. Het kabinet stimuleert de versnelling van de toepassing van e-e-health en omarmt daarbij het principe digitaal, waar mogelijk en wenselijk. E-health maakt het daarnaast mogelijk om de zorg efficiënter te organiseren.

Landspecifieke aanbeveling 2

De effecten op de werkgelegenheid en de sociale effecten van de crisis beperken en adequate sociale bescherming van zelfstandigen stimuleren.

Sociale- en werkgelegenheidseffecten beperken. Het kabinet herkent de uitdaging om de sociale en werkgelegenheidsimpact van de crisis te verzachten en heeft in het noodpakket banen en economie diverse noodmaatregelen genomen en gaandeweg aangevuld met maatregelen voor specifieke sectoren om werkenden, bedrijven en ondernemers te ondersteunen. Een belangrijk nieuw element in de uitbreiding van het noodpakket op 20 mei jl. is dat werkgevers die subsidie ontvangen wordt gevraagd om hun werknemers te stimuleren om aan bij- of omscholing te doen.8

Sociale bescherming van zelfstandigen stimuleren. Binnen het noodpakket is specifiek gekozen om middels de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)9 zelfstandigen te ondersteunen, zodat zij na de crisis hun bedrijf kunnen voortzetten. De COVID-19 crisis maakt de relevantie van sociale bescherming in het algemeen duidelijk en geeft extra relevantie aan reeds in gang gezet beleid om sociale bescherming voor zelfstandigen vorm te geven. Eerder dit jaar hebben de sociale partners, op verzoek van het kabinet, een voorstel gedaan voor de vormgeving van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Voor de zomer van 2020 zal het kabinet een reactie aan uw Kamer sturen op het voorstel van sociale partners.

Daarnaast heeft het kabinet bezien hoe zelfstandigen zich vrijwillig kunnen aansluiten bij een pensioenregeling. Momenteel wordt gekeken naar een fundamentele herziening van de pensioenwetgeving. In dit traject zullen ook de resultaten meegenomen worden van sectorale experimenten waarin zelfstandigen kunnen meedoen in tweede pijler pensioenregelingen.

Landspecifieke aanbeveling 3

Mature publieke investeringsprojecten vervroegen en private investeringen aanmoedigen om het economisch herstel te bevorderen. De investeringen toespitsen op de groene en digitale transitie, met name op de ontwikkeling van digitale vaardigheden, duurzame infrastructuur, het schoon en efficiënt opwekken en gebruiken van energie, en missiegedreven onderzoek en innovatie.

Het kabinet zal zich de komende maanden buigen over wat nodig is op het gebied van investeringen om het economisch herstel en verdienvermogen van Nederland te stimuleren, en welke rol het vervroegen van investeringsprojecten en private investeringen daarbij kan spelen. In de miljoenennota is tevens het investeringsfonds aangekondigd; het kabinet zal uiterlijk rond Prinsjesdag een brief met de contouren van het investeringsfonds aan uw Kamer sturen.

Investeringen toespitsen op duurzaamheid en digitalisering. Het kabinet erkent dat een ambitieus klimaat- en energiebeleid en digitaliseringsbeleid essentieel is voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Momenteel wordt ambtelijk een analyse uitgevoerd naar de impact van COVID-19 op het nationale klimaat- en energiebeleid. Het streven is om uw Kamer hierover voor de zomer nader te informeren.

Investeringen in schone en efficiënte energieproductie en -gebruik zijn hierbij noodzakelijk. Via de SDE+(+)-regeling wordt de komende jaren geïnvesteerd in hernieuwbare energieprojecten en CO2-reductie. Daarnaast investeert het kabinet middels verschillende regelingen in innovaties die bijdragen aan het behalen en versnellen van de energie- en klimaatdoelen en stimuleert het onder andere kleinschalige hernieuwbare energieproductie door huishoudens.

Het kabinet onderschrijft ook het belang van investeringen in duurzame infrastructuur. Nationaal wordt ook ingezet op het actualiseren van relevante Europese richtlijnen zoals die voor infrastructuur alternatieve brandstoffen (AFID) en voor hernieuwbare energie (RED). Nederland kiest daarbij voor investeringen in alternatieve brandstoffen en voertuigen, de bijbehorende infrastructuur en in het stimuleren van het maken van bewuste keuzen, zowel voor goederen- als personenvervoer. Naast de investeringen in het kader van het Klimaatakkoord, lopen er reeds investeringen zoals in duurzame modaliteiten als de fiets, het openbaar vervoer,10 internationaal personenvervoer per spoor, het Europees beveiligingssysteem ERTMS en structurele uitbreiding van de capaciteit van het spoorsysteem. Met de Goederenvervoeragenda (Kamerstuk 34 244, nr. 2) zet Nederland gericht in op het verplaatsen van transport van goederen over de weg naar spoor, water en buisleidingen. Ook investeringen in de circulaire economie, zoals de recyclinginfrastructuur, zijn nodig voor het realiseren van de klimaatambities en de ambitie om duurzamer met grondstoffen om te gaan.

Het kabinet onderschrijft de analyse van de Europese Commissie dat technische en digitale vaardigheden en gekwalificeerde professionals cruciaal zijn voor het vermogen van de Nederlandse economie om te innoveren en voor inclusieve en duurzame productiviteitsgroei. Investeringen in menselijk kapitaal en een activerend arbeidsmarktbeleid door bijvoorbeeld omscholing/herscholing en daarmee een betere match van vraag en aanbod zijn daarom van belang. Ook speciale aandacht voor digitale vaardigheden en een goede balans tussen meer geavanceerde digitale vaardigheden en basisvaardigheden is hierbij een aandachtspunt.

De Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS)11 bundelt kabinetsbreed de ambities en doelstellingen voor een succesvolle digitale transitie in Nederland met digitale vaardigheden en inclusie als één van de hoofdprioriteiten. De Digitaliseringsagenda primair en voortgezet onderwijs, het Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT voor het hoger onderwijs, de strategische digitaliseringsagenda mbo en het kabinetsprogramma Tel mee voor Taal zijn voorbeelden van maatregelen op dit terrein. Verder bieden ook de nieuwe samenwerkingen in het onderwijs die in de COVID-19 crisis tot stand zijn gekomen kansen. Een update van de NDS waarin de impact van COVID-19 is verwerkt, wordt naar verwachting medio juni naar uw Kamer verzonden.

Investeringen in missiegedreven onderzoek en innovatie. Het kabinet onderschrijft dat aandacht voor missiegedreven onderzoek en innovatie kan bijdragen aan het vinden van oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen, waaronder verduurzaming en digitalisering. Het kabinet heeft in de zomer van 2018 uw Kamer geïnformeerd over het Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid. In november 2019 is het Kennis- en Innovatieconvenant (KIC) gesloten tussen publieke en private partijen waarin het voornemen is vastgelegd om vanaf 2020 per jaar bijna 5 miljard euro in te zetten op de zes kennis- en innovatie agenda’s (KIA’s). Er wordt naar gestreefd om dit beleid zoveel als mogelijk doorgang te laten vinden, ondanks de COVID-19 crisis. In aanvulling daarop is het van belang dat deze additionele thematische investeringen in onderzoek en innovatie complementair zijn aan investeringen in vrij en ongebonden onderzoek en innovatie. Een juiste balans in het systeem, tussen fundamenteel en vrij en ongebonden onderzoek ten opzichte van meer thematisch onderzoek, is hierin van belang. Mede daarom is het belangrijk om te blijven streven naar de in voorgaande jaren gepubliceerde aanbeveling, namelijk om meer te investeren in onderzoek en innovatie, zodat we de doelstelling van 2,5% van het BBP naar O&I investeringen kunnen bereiken. Zowel publieke investeringen als het ontlokken van private investeringen zijn hierbij van belang.

Landspecifieke aanbeveling 4

Stappen ondernemen voor een volledige aanpak van de kenmerken van het belastingstelsel die agressieve fiscale planning mogelijk kunnen maken voor uitgaande betalingen in het bijzonder, met name door de vastgestelde maatregelen ten uitvoer te leggen en de doeltreffendheid ervan te waarborgen. Zorgen voor effectief toezicht op en handhaving van het kader voor de bestrijding van witwaspraktijken.

Agressieve belastingplanning. Het kabinet onderschrijft de noodzaak om agressieve belastingplanning aan te pakken om het belastingsysteem efficiënter en eerlijker te maken. Het kabinet is verheugd dat de Europese Commissie aangeeft dat de door dit kabinet aangekondigde fiscale maatregelen,12 inclusief de conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen een belangrijke stap zijn om agressieve belasting- planning via Nederland tegen te gaan. Hierbij noemt de Europese Commissie dat het belangrijk is dat deze maatregelen daadwerkelijk worden ingevoerd en dat verzekerd wordt dat ze daadwerkelijk effectief zijn. Het kabinet onderschrijft dit uitgangspunt. Zo is de wetgeving (bronbelasting 2021) al aangenomen door het parlement.13 Deze wetgeving zal per 1 januari 2021 inwerkingtreden.

Bestrijding van witwaspraktijken. Het kabinet herkent de analyse van de Europese Commissie dat het raamwerk dat ziet op het voorkomen van witwassen en het daarbij horende toezicht en handhaving, versterkt dient te worden. Het kabinet zet internationaal en nationaal sterk in op het voorkomen en bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering. In het plan van aanpak witwassen van 30 juni 2019 is een scala aan maatregelen aangekondigd om de barrières voor witwassen en de effectiviteit van de poortwachtersfunctie en het toezicht te vergroten, en de opsporing en vervolging te versterken. Daarnaast pleit het kabinet in EU-verband voor een versterking van het EU-raamwerk inzake witwassen en terrorismefinanciering door middel van de introductie van een verordening en een onafhankelijke Europese toezichthouder. Bovendien zijn er extra middelen toebedeeld aan De Nederlandsche Bank in het kader van haar toezichthoudende taak.

Voorts merkt de Commissie op dat er witwasrisico’s zijn omdat een open economie als de Nederlandse is blootgesteld aan directe buitenlandse investeringen, mede via complexe juridische structuren. De Commissie noemt in dit kader specifiek trustkantoren en belastingadviseurs. Het kabinet erkent de belangrijke poortwachtersfunctie van andere partijen dan financiële instellingen. Sinds 1 januari 2019 kent Nederland de strengste eisen aan trustdienstverlening binnen de Europese Unie. Het kabinet onderkent echter dat dit onvoldoende is gebleken, omdat de wetgeving niet volledig wordt nageleefd. Daarom heeft het kabinet op 14 januari 2020 aangekondigd om scherpe nadere maatregelen te nemen ten aanzien van de trustsector. Daarnaast is structureel extra capaciteit voor de toezichthouder, op onder andere belastingadviseurs, onderdeel van het eerdergenoemde plan van aanpak.

De Commissie benadrukt bij deze aanbeveling voorts het belang van de invoering van een register met uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten (UBO-register), met name vanwege de complexe juridische structuren. Het kabinet onderschrijft het belang van het UBO-register als hulpmiddel in de strijd tegen witwassen en financieren van terrorisme. Het Nederlandse UBO-register is inmiddels in technisch opzicht gereed, en het wetsvoorstel waarmee dit register wordt geïmplementeerd ligt momenteel ter behandeling voor in de Eerste Kamer. Het kabinet zet in op spoedige inwerkingtreding.

Vervolg

Medio juni zullen de aanbevelingen aan de orde komen in de Ecofinraad en de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken, waarna ze door de Europese Raad zullen worden bekrachtigd. De Ecofinraad van 10 juli zal de aanbevelingen formeel aannemen. De beide Kamers worden op de gebruikelijke wijze betrokken bij het voorbereiden van de vakraden en de Europese Raad.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra


X Noot
6

Dit betreft een generieke aanbeveling, die voor alle lidstaten is opgenomen in hun aanbevelingen.

X Noot
7

Het Actieprogramma Werken in de Zorg: Kamerstuk 29 282, nr. 303.

X Noot
8

Kamerbrief Noodpakket banen en economie 2.0, 20-05-2020: Kamerstuk 35 420, nr. 38.

X Noot
9

Kamerbrief Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (27-03-2020): Kamerstuk 35 420, nr. 11.

X Noot
10

Denk aan Contouren OV Toekomstbeeld 2040 (Kamerstukken 23 645 en 34 914, A).

X Noot
11

De Nederlandse digitaliseringsstrategie: Kamerstuk 26 643, nr. 541.

X Noot
12

Brief van 23 februari 2018: Kamerstuk 25 087, nr. 188.

X Noot
13

Wet bronbelasting 2021: https://wetten.overheid.nl/BWBR0042952/2020-01-01.