21 501-20 Europese Raad

Nr. 1141 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 juli 2016

De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 4 april 2016 over de uitvoering van de afspraken tussen de Europese Unie en Turkije over migratiebeheer (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1114).

De vragen en opmerkingen zijn op 28 april 2016 aan de Minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 17 mei 2016 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Azmani

De griffier van de commissie, Middelkoop

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inhoudsopgave

 
   

Inleiding

2

Berichten over mensenrechtenschendingen

3

Rechten van vluchtelingen in Turkije

13

Situatie in Griekenland

17

Relatie tussen de EU en Turkije

21

Overige onderwerpen

27

Inleiding

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken aangaande de EU-Turkije deal.

De leden van de CDA fractie hebben kennis genomen van de brief van de regering aangaande de uitvoering van het migratie-akkoord tussen de EU en Turkije.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken aangaande de EU-Turkije deal.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister waarin wordt ingegaan de Turkse naleving van het migratie-akkoord met de EU.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met een aan ontsteltenis grenzende verbazing kennis genomen van de brief van de regering in antwoord op het verzoek van het lid Van Tongeren.

Inleiding van het kabinet

Het kabinet dankt de fracties voor de gestelde vragen.

De aanpak van de Europese migratieproblematiek staat bovenaan de agenda van het kabinet. De problematiek is het gevolg van een veelvoud van uiteenlopende en dieper liggende oorzaken zoals de burgeroorlog in Syrië en het gebrek aan toekomstperspectieven in kwetsbare landen. Het betreft een mondiale problematiek waarvoor geen eenvoudige antwoorden voorhanden zijn. Dit vraagt om een gezamenlijke Europese aanpak, waarin Europese verantwoordelijkheid en solidariteit hand in hand gaan. Zoals aangegeven in de brief van het kabinet van 8 september1 «kan Europa niet alle vluchtelingen onderdak bieden, maar heeft wel mede de plicht veiligheid te bieden. We hebben ook de plicht de mensensmokkelaars de wind uit de zeilen te nemen.»

Het kabinet onderstreept dat de EU-Turkije Verklaring van 18 maart jl. onderdeel uitmaakt van de uitvoering van de brede aanpak van de Europese migratieproblematiek van het kabinet. Deze richt zich op het aanpakken van de grondoorzaken van migratie, een betere vorm van opvang in de regio, een EU-programma voor hervestiging, een op solidariteit gestoelde billijke verdeling van de verantwoordelijkheid voor asielzoekers en vluchtelingen binnen de EU, een gezamenlijke effectieve terugkeer van mensen zonder verblijfstitel, ontmanteling van het cynische bedrijfsmodel van mensensmokkel en zo de migratiestromen naar Europa verminderen en beter beheersbaar maken.

Vanaf 20 maart jl. worden de afspraken uit de Verklaring tussen de Europese Unie en Turkije daadwerkelijk uitgevoerd. De Verklaring beoogt een einde te maken aan de irreguliere migratie van Turkije naar de Europese Unie, en in het bijzonder naar Griekenland, en maakt in plaats daarvan reguliere migratie van Syrische vluchtelingen vanuit Turkije naar Europa mogelijk. De Europese Commissie werkt intensief samen met de Griekse en Turkse autoriteiten aan de uitvoering van de afspraken. Het kabinet verleent actieve steun aan de aanpak van de Europese Commissie.

Recente cijfers laten zien dat er een duidelijke daling is van de stroom van irreguliere migranten vanuit Turkije naar Griekenland. Substantieel minder migranten wagen de gevaarlijke overtocht over de Egeïsche Zee, waardoor er veel minder verdrinkingen zijn te betreuren en het criminele bedrijfsmodel van de mensensmokkelaars een slag is toegebracht. Mede als gevolg van de afsluiting van de zogenaamde Balkan-route leidt dit ertoe dat het aantal asielaanvragen in de gehele EU, met inbegrip van Nederland, sterk is gedaald.

Hoewel de Verklaring dus in termen van beperking van de instroom goede resultaten heeft geboekt, moet tegelijkertijd nog veel gebeuren om de uitvoering van de afspraken in alle aspecten beter te doen verlopen.

Nederland zet zich ervoor in dat in Europees verband Griekenland wordt bijgestaan in het adequaat vormgeven van asielprocedures en ondersteuning bij terugkeer. Het kabinet constateert dat de Griekse autoriteiten en de Europese Commissie in een zeer korte tijd in staat zijn geweest een uiterst complexe operatie op te zetten. Op de uitvoering hiervan wordt in de beantwoording van de vragen van de Kamer ingegaan.

Het kabinet maakt van deze gelegenheid gebruik om conform het verzoek van de Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie van uw Kamer te reageren op de zorgwekkende berichten en beelden van Human Rights Watch.

Het kabinet neemt deze berichten van Human Rights Watch zeer serieus, en verwacht dan ook zo spoedig mogelijk een bevredigende reactie van de Turkse autoriteiten. Het kabinet werkt op dit terrein nauw samen met de Europese Commissie, die toezicht houdt op uitvoering van de afspraken, en internationale organisaties zoals UNHCR. Het kabinet hecht veel belang aan het oordeel van UNHCR, dat bij uitstek gepositioneerd is om de ontwikkelingen te beoordelen.

Het uitgangspunt van de afspraken tussen de EU en Turkije over het beheersen van de migratiestromen is dat de uitvoering ervan in overeenstemming met Europees- en internationaalrechtelijke verplichtingen geschiedt. Het kabinet zal de Europese Commissie blijven aansporen om er op toe te zien dat dit ook gebeurt. Daarnaast zal het kabinet hierop in zijn eigen gesprekken met de Turkse autoriteiten blijven wijzen.

Berichten over mensenrechtenschendingen

De leden van de SP-fractie maken zich ernstig zorgen over de naleving van het migratie-akkoord dat bereikt werd tussen Turkije en de EU. Diverse internationale organisaties, waaronder de UNHCR, Amnesty, Human Rights Watch, Artsen Zonder Grenzen, het Rode Kruis, het Syrisch Observatorium voor de Mensenrechten, Save the Children en Kurds and Friends hebben zich kritisch uitgelaten over het akkoord, onder meer vanwege het niet-naleven van de afspraken van Turkse zijde. Ook betreuren de leden het feit dat het kabinet genoegen lijkt te nemen met de ontkenning van deze kritiek door de Turkse autoriteiten, terwijl steeds meer signalen in de richting wijzen van structurele uitzettingen en mensenrechtenschendingen door Turkije. Weliswaar is het in de eerste plaats aan de Europese Commissie om toe te zien op de naleving van het akkoord, de leden zijn evenwel van mening dat de Nederlandse regering in bilateraal verband alles op alles moet zetten om ervoor te zorgen dat Turkije te allen tijde alle onderdelen van het VN-vluchtelingenverdrag, inclusief het non-refoulementbeginsel, respecteert, en aan alle voorwaarden van het akkoord voldoet.

De leden van de SP-fractie constateren dat er grote perceptieverschillen bestaan wat betreft de naleving van het migratie-akkoord tussen enerzijds organisaties zoals Amnesty en anderzijds de Turkse weergave van de gebeurtenissen zoals opgetekend in de kabinetsreactie van 4 april jl. De leden van de SP-fractie willen graag van de regering weten op welke wijze de bewindslieden uitvoering geven aan het feit dat zij de berichten van Amnesty e.d. «uiterst serieus» nemen. In hoeverre is er bijvoorbeeld in bilateraal verband contact geweest met de Turkse autoriteiten naar aanleiding van deze berichten? De leden benadrukken daarbij dat Nederland altijd voorop heeft gesteld dat er, met inachtneming van het akkoord, op geen enkele wijze getornd mag worden aan Europese waarden zoals mensenrechten en fundamentele vrijheden, noch wanneer het vluchtelingen, noch wanneer het Nederlandse journalisten op Turkse bodem betreft. Ook vragen de leden de regering om een reactie op het bericht van Nieuwsuur2 waaruit blijkt dat Turkije actief en structureel Syrische vluchtelingen uitzet naar Syrië.

De leden van de CDA fractie vragen de Minister helderheid te geven over de veiligheid van vluchtelingen in Turkije. Zo heeft de Europese Commissie in haar monitoringsrapport aangegeven dat Turkije zich meer moet inzetten om de veiligheid van vluchtelingen te garanderen. Tevens hebben de leden van de CDA fractie de volgende zin in de brief van de regering gelezen en herlezen: «Het kabinet is op de hoogte van berichten van niet-gouvernementele organisaties dat op incidentele basis personen naar Syrië zijn teruggestuurd. De Turkse autoriteiten ontkennen met klem dat dit vluchtelingen betreft.» Begrijpen deze leden goed dat de Turkse regering wel mensen terugstuurt naar Syrië maar dat zij deze mensen niet als vluchteling beschouwt? Indien dat zo is, zouden de leden van de CDA fractie graag informatie ontvangen over het aantal mensen dat is teruggestuurd en welke mensen dat zijn en waarnaar zij zijn teruggestuurd.

De leden van de D66-fractie onderkennen dat een gezamenlijke aanpak cruciaal is in deze vluchtelingencrisis. Dit is echter alleen mogelijk indien de mensenrechten van vluchtelingen gewaarborgd worden, zowel aan Turkse als aan Griekse zijde. Wanneer de fractie alle bronnen in ogenschouw neemt lijkt hieraan niet te worden voldaan. De D66-fractie is teleurgesteld dat de Europese Commissie in haar rapport van 20 april aangaande de deal niet ingaat op de misstanden waarover NGO’s rapporteren. Ondanks het feit dat het kabinet vindt dat de Europese Commissie hier de verantwoordelijkheid draagt, is de D66-fractie van mening dat de premier in het kader van zijn rol als EU-voorzitter wel degelijk een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van deze deal dat ook de regering dient te reageren op de berichten dat mensenrechten worden geschonden in Turkije en Griekenland. De leden van de D66 fractie vragen daarom nogmaals met klem aan de Minister van Buitenlandse Zaken de deal op te schorten totdat zeker is dat mensenrechten worden gerespecteerd, en tevens te pleiten voor onafhankelijk toezicht op de uitvoering van deze deal door UNHCR.

Met betrekking tot het verbod op refoulement merken de leden van de D66-fractie op dat Nieuwsuur stelde dat uit verschillende bronnen blijkt dat Syriërs met bussen de grens over zijn gezet, terug het oorlogsgebied in.3 De premier stelde in het debat over de Europese Top op woensdag 13 april dat er «geen structureel terugkeerbeleid» in Turkije gehanteerd wordt. Echter zijn voornoemde leden van mening dat indien dat het geval zou zijn, ook het incidenteel uitzetten van vluchtelingen in oorlogsgebied het principe van non-refoulement en aldus het internationaal recht schendt. Graag een reactie van de Minister.

De leden van de D66-fractie menen dat hoe de deal nu uitgevoerd wordt, Europa onwaardig is. De leden verzoeken de regering de berichten over schendingen van mensenrechten zeer serieus te nemen en zelf hierin verantwoordelijkheid te nemen, te meer omdat de Europese Commissie nalaat dit te doen. De D66-fractie roept de Minister op onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de situatie aan de Turks-Syrische grens en in de Griekse detentiekampen. Om zorg te dragen voor de rechten van asielzoekers vraagt de D66-fractie om toezicht door UNHCR op deze deal. Totdat zeker is dat mensenrechten gerespecteerd worden, verzoeken de leden van de D66-fractie de Minister nogmaals met klem de deal op te schorten.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met grote bezorgdheid kennisgenomen van het feit dat het kabinet niet wil inzetten op een (tijdelijke) opschorting van het migratie-akkoord ondanks serieuze aanwijzingen dat Turkije de fundamentele mensenrechten van vluchtelingen met de voeten treedt. De leden van de ChristenUnie-fractie zijn er dan ook niet van overtuigd dat het kabinet dergelijke misstanden daadwerkelijk «uiterst serieus» neemt. Kan de Minister aangeven welke stappen zij hebben ondernomen naast het vragen van een reactie van de Turkse regering? Is de Minister voorts bereid om in gesprek te treden met de mensenrechtenorganisaties die de schending van de mensenrechten van vluchtelingen door Turkije hebben geconstateerd?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister aan te geven of de Commissie – na aandringen van Nederland – inderdaad bereid is gevonden om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de vermeende misstanden. Het is voor de genoemde leden onverteerbaar indien de Minister en Staatssecretaris simpelweg genoegen zouden nemen met de ontkenning van de Turkse regering. De Minister geeft aan dat het primair de verantwoordelijkheid is van de Commissie om te monitoren of er inderdaad sprake is van het schenden van mensenrechten aangezien het hier gaat om niet-Nederlandse onderdanen. De leden van de ChristenUnie-fractie herinneren de Minister eraan dat het hier gaat om mogelijke schending van fundamentele mensenrechten. Met het verdedigen van deze rechten is ook primair een Nederlands belang gediend. Het kabinet dient zich in dit verband dan ook pro-actiever op te stellen. Is de Minister bereid om die verantwoordelijkheid op zich te nemen?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren een algeheel gebrek aan urgentie bij de regering inzake het organiseren van adequate controle op de naleving van mensenrechten in het algemeen, en het VN-Vluchtelingenverdrag in het bijzonder, bij de uitvoering van de deal tussen Turkije en EU over migratiebeheersing. De leden van de GroenLinks-fractie verzoeken de regering als een van de initiatiefnemers tot de Turkijedeal de verantwoordelijkheid te nemen voor de correcte uitvoering ervan, en dienovereenkomstig te handelen.

De leden van de GroenLinks-fractie stuit het tegen de borst dat de regering serieuze signalen van o.a. Amnesty International en de NOS dat Turkije vluchtelingen naar Syrië deporteert, afdoet met een verwijzing naar het feit dat de Turkse regering dit ontkent. Deze leden vragen de regering om nader uiteen te zetten waarom zij de Turkse regering in dezen geloofwaardiger acht dan Amnesty International.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering in het bijzonder in te gaan op de «vrijwillige» verklaringen die Turkije asielzoekers laat ondertekenen volgens het rapport van Amnesty. Deze leden vragen zich af of de regering het in dit licht geloofwaardig acht dat de Turkse regering stelt dat de asielzoekers die zijn gedeporteerd naar Syrië vrijwillig zijn teruggekeerd. Deze leden vragen de regering daarbij in te gaan op de bevindingen van Amnesty dat deze verklaringen zijn afgenomen onder dreiging van voortdurende detentie en dat de betreffende asielzoekers desgevraagd aangeven de verklaring niet begrepen te hebben, aangezien zij geen vertaling konden krijgen.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn in hoge mate bezorgd over het feit dat de regering aangeeft geen mogelijkheden te hebben om nader te onderzoek te doen naar deze signalen omdat het geen Nederlandse onderdanen betreft, en dat de regering wijst naar de Europese Commissie. Deze leden vragen de regering uiteen te zetten welke acties de Europese Commissie inmiddels heeft ondernomen naar aanleiding van de berichtgeving van Amnesty International. Deze leden verzoeken de regering bij haar antwoord voorts de uitvoering van de motie Voordewind c.s. (21 501-20-1121) over toezicht van de UNHCR op de naleving van het VN-vluchtelingenverdrag te betrekken.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering voorts toe te lichten hoe zij haar verantwoordelijkheid jegens de correcte uitvoering van de Turkijedeal precies ziet. Het komt deze leden voor dat door de gekozen constructie van de deal geen van de betrokken partijen een zwaarwegende verantwoordelijkheid lijkt te dragen voor (het controleren van) het naleven van de mensenrechten, en dat het tegenhouden van migranten naar Europa bovendien een zwaardere prioriteit wordt toegekend ten gunste hiervan. Deze leden vragen de regering wat er nog zou moeten gebeuren eer de regering aanneemt dat Turkije de materiële vereisten van het VN-vluchtelingenverdrag niet respecteert, zoals op verzoek van de Tweede Kamer4 door de regering bij de totstandkoming van de deal is geëist.

Antwoord van het kabinet

Zoals aangegeven in de brief van 4 april (Kamerstuk 21 501-20 nr. 1114) heeft het kabinet er naar aanleiding van de berichtgeving van Amnesty International bij de Commissie op aangedrongen om alles in het werk te stellen om de benodigde helderheid te verschaffen over berichten dat migranten zouden zijn teruggestuurd naar Syrië. De Commissie heeft deze berichten via verschillende fora op de verschillende niveaus bij de Turkse autoriteiten opgebracht en aangekaart.

Het kabinet wijst erop dat Turkije met meer dan 2,5 miljoen vluchtelingen verreweg de meeste vluchtelingen in de regio bescherming en opvang biedt. Turkije stelt dat de uitgaven die hiervoor zijn gedaan rond EUR 8 miljard liggen.

In de eigen contacten heeft het kabinet deze kwestie ook opgebracht, bijvoorbeeld in diverse gesprekken (o.a. met Amnesty International) tijdens het bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken aan Turkije op 9–10 april.

In dezelfde brief van 4 april heeft het kabinet uiteengezet dat Turkije met klem ontkent dat er sprake zou zijn van schending van het non-refoulementbeginsel. Bovendien heeft Turkije, als deel van de roadmap visumliberalisatie, wetgeving aangenomen en geïmplementeerd in lijn met het VN-Vluchtelingenverdrag. Het kabinet hecht veel waarde aan het kritische en constructieve werk van Amnesty International en andere NGO’s.

Over de beschuldiging dat Turkije 27 Afghanen onder dwang zou hebben teruggestuurd naar Afghanistan, waarnaar de leden van de GroenLinks-fractie vragen, heeft het kabinet de Kamer per brief van 4 april geïnformeerd. Het Turkse Directoraat-Generaal Migratiemanagement (DGMM) stelt dat de betrokken personen op vrijwillige basis zijn teruggekeerd en dat niemand van deze groep asiel heeft aangevraagd in Turkije. In verschillende contacten met zowel de Turkse overheid als met anderen heeft het kabinet hier navraag naar gedaan. Daar zijn geen nieuwe informatie of nieuwe feiten uit voort gekomen.

Turkije sinds de inwerkingtreding van de Wet op Vreemdelingen en Internationale Bescherming in april 2014 een nieuwe civiele organisatie heeft aangewezen (het Directoraat-Generaal migratiemanagement, DGMM) die verantwoordelijk is voor de coördinatie van migratiezaken binnen de Turkse overheid. Onder zijn taken vallen de registratie en opvang van vluchtelingen en de behandeling en beoordeling van asielaanvragen. DGMM draagt daarnaast zorg voor activiteiten met betrekking tot tijdelijke bescherming.

Het kabinet herhaalt, in reactie op de vraag van de fractie van GroenLinks, het standpunt dat het primair aan de Europese Commissie is om toe te zien op adequate uitvoering van de afspraken van 18 maart jl. Dit neemt echter niet weg dat het kabinet zich wel degelijk betrokken en verantwoordelijk voelt voor de wijze waarop dit gebeurt. Het kabinet verleent actieve steun aan de aanpak van de Europese Commissie. Dit is ook waarom het kabinet, mede in de rol als Voorzitter van Raad van de Europese Unie en op verzoek van uw Kamer, er voortdurend bij alle partijen op hamert dat de uitvoering geschiedt binnen de daarvoor geldende Europese en internationale kaders. Daarom levert Nederland, binnen de beperkte middelen die het ter beschikking heeft, een substantiële bijdrage aan de steun aan Griekenland via de inzet van de twee BST-teams in Chios en Lesbos, aan EASO en Frontex. Ook loopt Nederland daarom verhoudingsgewijs voor op het gebied van herplaatsing uit Griekenland en hervestiging uit Turkije. Het kabinet meent dat het daarmee een constructieve bijdrage levert om er voor te zorgen dat de afspraken op juiste wijze worden uitgevoerd.

Daarnaast laat het kabinet zich veelvuldig informeren via contacten met verschillende internationale (maatschappelijke) organisaties die betroken zijn bij de migratieproblematiek, in het bijzonder in Turkije en Griekenland. In dat kader hecht het kabinet aan de onafhankelijke rol en betrokkenheid van UNHCR.

Op de berichtgeving van Nieuwsuur, waarin wordt gesteld dat Turkije vluchtelingen terugstuurt naar Syrië, heeft het kabinet de Kamer per brief van 4 april 2016 geïnformeerd (Kamerstuk 21 501-20 nr. 1114) dat de Turkse autoriteiten met klem hebben ontkend dat er sprake zou zijn van schendingen van het non-refoulement-beginsel.

In reactie op vragen van onder andere de CDA-en D66-fracties over de veiligheid van vluchtelingen in Turkije en het terugsturen van vluchtelingen naar Syrië, benadrukt het kabinet in de eerste plaats zijn afschuw over deze berichten. Zoals gesteld verwacht het kabinet van de Turkse autoriteiten dat zij zo spoedig mogelijk een bevredigende reactie geven op deze berichten.

Het kabinet meent dat uitzettingen van personen die in Turkije bescherming hebben gevraagd, zonder dat er een beslissing is genomen op dat verzoek, een schending van hun recht op non-refoulement zou betekenen. Turkije is door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in enkele individuele gevallen eerder veroordeeld voor schendingen van artikel 3 EVRM.

UNHCR en andere organisaties hebben echter tot dusver geen berichten kunnen bevestigen dat er sprake is van structurele uitzettingen naar Syrië van personen die in Turkije bescherming hebben aangevraagd. Ook is geen informatie beschikbaar die bevestigt dat de personen die naar Syrië zijn teruggestuurd en waarover is bericht, in Turkije een verzoek zouden hebben gedaan tot internationale bescherming.

UNHCR tekent daar wel bij aan dat de Turks-Syrische grens ruim 900 km lang is en direct grenst aan een actief conflictgebied in Syrië, waardoor UNHCR begrip heeft voor enerzijds de complexe veiligheidsvraagstukken waar de Turkse autoriteiten zich mee geconfronteerd zien en anderzijds de uitdagingen die er zijn om berichten zoals van HRW bevestigd te krijgen.

Het kabinet stelt tegelijkertijd vast dat Turkije met meer dan 2,5 miljoen vluchtelingen verreweg de meeste vluchtelingen in de regio bescherming en opvang biedt. Herhaaldelijk heeft Turkije benadrukt dat er geen sprake is van gedwongen terugkeer naar Syrië. Syrische vluchtelingen kunnen in aanmerking komen voor een tijdelijke beschermingsmaatregel. Deze is door Turkije in het leven geroepen om het grote aantal Syrische vluchtelingen zo snel mogelijk bescherming en opvang te bieden via een versimpelde procedure. Wel heeft Turkije, naar aanleiding van de laatste ontwikkelingen in Syrië en Turkije, besloten de toestroom van Syrische vluchtelingen te beperken. Turkije laat evenwel nog altijd Syriërs toe, met name zeer kwetsbare personen. Door en via Turkije wordt humanitaire hulp in Syrië geboden door internationale humanitaire organisaties. In 2015 is 27% van de totale Europese humanitaire hulp aan Syrië vanuit Turkije bezorgd.

Zoals ook uit rapportages van verschillende organisaties5 blijkt en getuige de vele vluchtelingen die Turkije opvangt, gebeurt dit in lijn met de Europese en internationale kaders. Het kabinet hecht er stek aan dat Turkije, net als andere Europese landen, daarop daar kritisch op wordt gevolgd en ook wordt gecontroleerd op schendingen van bijvoorbeeld het principe van non-refoulement en schending van artikelen 3 en 5 van het EVRM6.

Ten aanzien van de veiligheid van vluchtelingen in Turkije en het respecteren van de materiële vereisten van het VN Vluchtelingenverdrag merkt het kabinet op dat UNHCR en migratiediensten van verschillende lidstaten ondersteunen het DGMM in zijn ontwikkeling door technisch advies en trainingen aan te bieden. Deze hervorming is mede het gevolg van de Turkse Europese aspiraties en ook de uitvoering van de visa roadmap die Turkije verplicht zijn vreemdelingenbeleid en wetgeving in lijn te brengen met Europese standaarden. Dit betekent onder meer ook dat Turkije, niet alleen via verdragen zoals het VN Vluchtelingenverdrag, maar ook op grond van de eigen wetgeving, gebonden is aan het respecteren van het principe van non-refoulement.

Nadat vluchtelingen zich bij het DGMM hebben geregistreerd, wordt hen een opvangplek aangeboden in een van de 26 daartoe ingerichte locaties. Vluchtelingen kunnen er ook zelf voor kiezen om zich buiten de opvangkampen te vestigen. In de opvangkampen wordt voedsel, gezondheidszorg en onderwijs aangeboden. Buiten de kampen heeft men ook recht op deze voorzieningen. Bovendien heeft Turkije additionele stappen gezet om de positie van Syrische en niet-Syrische vluchtelingen in Turkije verder te verbeteren, onder meer door het openstellen van de Turkse arbeidsmarkt. De EU ondersteunt Turkije hier ook financieel in via de Faciliteit voor Vluchtelingen in Turkije. Vanuit deze Faciliteit worden ook activiteiten van de UNICEF en het WFP gefinancierd.

De Europese Commissie heeft in de derde voortgangsrapportage nogmaals bevestigd dat Turkije alle relevante benchmarks uit de visa roadmap op het gebied van internationale bescherming heeft vervuld.7 Het heeft de volle aandacht van de Europese Commissie, maar ook van het kabinet, dat Turkije hieraan vasthoudt. Het kabinet merkt hierbij op dat Turkije ook aanvullende stappen zet om de asielprocedure in Turkije verder te versterken. Zo treft het DGMM maatregelen om er voor te zorgen dat de achterstand in de afhandeling van asielaanvragen wordt ingehaald en de gemiddelde doorlooptijd terug wordt gebracht naar zes maanden.8

Op het verzoek van de D66-fractie om de uitvoering van de afspraken van 18 maart jl. op te schorten merkt het kabinet het volgende op.

De Europese Commissie ziet toe op de uitvoering van deze afspraken, die specifiek zien op de terugkeer naar Turkije van alle migranten die vanaf 20 maart op een irreguliere wijze naar de Griekse eilanden zijn gekomen en daaropvolgend de hervestiging van Syrische vluchtelingen naar de EU. Het kabinet benadrukt dat door alle partijen met man en macht wordt gewerkt om er voor te zorgen dat de afspraken binnen de bestaande Europese en internationale juridische kaders plaatsvinden, zowel in Griekenland als in Turkije. Op dit vlak zijn diverse stappen in de goede richting gezet. Ook Nederland draagt daar actief aan bij. Doorlopend vindt overleg plaats, waarbij berichten over misstanden aan de orde worden gesteld. Er is in korte tijd veel werk verzet om de Verklaring binnen de Europese en internationale kaders uit te voeren, maar het kabinet meent, zoals ook in de inleiding gesteld, dat er tegelijkertijd nog veel moet gebeuren om de uitvoering van de afspraken in alle aspecten beter te doen verlopen. Alles afwegende acht het kabinet het opschorten de afspraken niet opportuun.

In reactie op het pleidooi van de fractie van D66 voor onafhankelijk toezicht van UNHCR op de uitvoering van de Verklaring verwijst het kabinet naar het verslag van de RBZ van 18 april 20169 waarin het kabinet invulling geeft aan de motie Voordewind c.s. Het kabinet blijft zich ervoor inspannen dat UNHCR zijn rol als hoeder van het VN Vluchtelingenverdrag in Griekenland en Turkije blijft uitoefenen en heeft daarover steeds contact met de Griekse en Turkse autoriteitenen met de Commissie. Het kabinet verwelkomt dan ook de afspraken die tussen Turkije en UNHCR zijn gemaakt m.b.t. de toegang van UNHCR tot de centra waar vanuit Griekenland teruggekeerde migranten worden opgevangen en de permanente zitting van UNHCR als waarnemer in de bezwaarcommissies.

Zoals eerder aan de Kamer bericht neemt het kabinet de berichten over mensenrechtenschendingen zeer serieus. De Europese Commissie is de aangewezen instelling om die berichtgeving na te gaan. Het kabinet deelt de inschatting van de fractie van D66 in dezen niet, als zou de Europese Commissie «niets» doen. Ten aanzien van het verzoek van de fractie van de ChristenUnie om meer verantwoordelijkheid te nemen, is het kabinet van mening dat Nederland die verantwoordelijkheid reeds ten volle neemt.

Ten aanzien van de oproep van de fractie van D66 tot onafhankelijk onderzoek naar de situatie aan de Turks-Syrische grens en in de Griekse centra is het kabinet van mening dat de Europese Commissie de meest geroepen instantie is om deze kwesties nader te bezien in de geregelde rapportages over de relaties tussen de EU en Turkije. Hiertoe bieden de voortgangsrapportage in het kader van de visumliberalisatie roadmap, de uitbreidingsrapporten, en de geregelde voortgangrapportage over de uitvoering van de afspraken tussen de EU en Turkije. Het kabinet wijst in dit verband ook op de afspraken tussen UNHCR en de Griekse en Turkse overheden.

Het kabinet is voortdurend in contact met maatschappelijke organisaties. De Ministers van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de Speciaal Gezant voor Migratie en vertegenwoordigers van het Ministerie van Veiligheid en Justitie hebben sinds 18 maart jl. diverse gesprekken gevoerd met maatschappelijke organisaties waaronder Amnesty International, Human Rights Watch, Save the Children, Artsen zonder grenzen en anderen. Tijdens deze gesprekken hebben deze organisaties hun zorgen over de uitvoering van de gemaakte afspraken toegelicht. Het kabinet wijst er in deze gesprekken op dat het uitgangspunt van de afspraken tussen de EU en Turkije over het beheersen van de migratiestromen is dat de uitvoering ervan geheel in overeenstemming met Europees- en internationaalrechtelijke verplichtingen geschiedt. Ook wordt gewezen op dat de Europese Commissie een belangrijke rol speelt bij het monitoren van de uitvoering van de afspraken door Turkije aangaande de rechten van vluchtelingen in Turkije.

Situatie aan de Turks-Syrische grens

De leden van de SP-fractie constateren met grote zorg dat vluchtelingenkampen in het Syrische grensgebied met Turkije regelmatig aangevallen worden door Islamitische Staat, terwijl Turkije de grens dichthoudt en Turkse grenswachten zelfs op vluchtelingen schieten die proberen de grens over te steken. Er verblijven volgens de VN momenteel zeker 250.000 vluchtelingen in kampen langs de grens. Het is noodzakelijk dat er zo snel mogelijk een oplossing voor deze situatie wordt gevonden. De leden van de SP-fractie willen van de regering horen over welke oplossingen in internationaal verband momenteel gesproken wordt, wat daarbij de rol is van Turkije, de EU en Nederland, en op welke wijze deze vluchtelingen zo snel mogelijk in veiligheid kunnen worden gebracht.

De leden van de D66-fractie constateren dat de situatie aan de Turks-Syrische grens nijpender wordt. De berichten dat er met scherp geschoten wordt aan de grens en dat Syriërs zonder procedure worden uitgezet10, worden door de Minister beantwoord door te stellen dat de Turkse autoriteiten dit ontkennen en het kabinet verder niet over indicaties beschikt dat er geschoten wordt op vluchtelingen. Zou de Minister uitgebreid kunnen toelichten op basis van betrouwbare en te verifiëren bronnen (en niet enkel op basis van informatie gedeeld op een besloten UNHCR bijeenkomst) wat de situatie aan de Turks-Syrische grens is? Kan de Minister een toelichting geven op het bericht van 20 april dat (wederom) Turkse grenswachten Syrische vluchtelingen hebben doodgeschoten toen zij probeerden de grens over te steken?11 Het bericht dat de Turkse autoriteiten dit ontkennen acht D66 niet voldoende, mede in het licht van de recente gebeurtenissen aangaande Ebru Umar.

Voornoemde leden merken op dat het al een tijd niet mogelijk voor Syriërs is om de grens over te steken en asiel aan te vragen, aangezien er door Turkije op deze grens een muur is gebouwd van 911 km lang en 3 meter hoog. Syrische asielzoekers worden bij officiële oversteekpunten consequent en op gewelddadige wijze toegang geweigerd.12 De voornoemde leden stellen dat dit ingaat tegen het recht op asiel en tevens een schending zou betekenen van artikel 3 EVRM. Kan de Minister dit bevestigen?

De leden van D66 wijzen op berichten van verschillende hulporganisaties waaruit blijkt dat er een grote groep Syriërs (ongeveer 250.000) vastzit aan de Syrische kant van de Turks-Syrische grens in een zogenoemde «safe zone».13 De Syriërs kunnen door de gesloten Turkse grens niet weg, terwijl enkele kampen zoals Ikdah worden overgenomen door IS en de daadwerkelijke frontlinie steeds dichterbij komt.14 In de EU-deal met Turkije staat vermeld dat de EU en haar lidstaten zullen werken aan een verbetering van de humanitaire situatie in Syrië dichtbij de Turkse grens. Kan de Minister toelichten wat voor stappen er op dit moment genomen worden om deze schrijnende situatie te verbeteren? Neemt de Minister maatregelen om Turkije aan te sporen de grens te openen voor Syriërs die asiel willen aanvragen?

De leden van de GroenLinks-fractie zijn zeer verontrust over herhaalde berichten dat het Turkse leger Syrische vluchtelingen, onder wie vrouwen en kinderen, beschiet bij hun pogingen om Turks grondgebied te bereiken.15 Heeft de regering informatie ingewonnen over deze berichten? De leden vragen de regering of Syriërs nog de mogelijkheid hebben om het geweld te ontvluchten en hoe zich dit verhoudt tot het VN-Vluchtelingenverdrag.

Antwoord van het kabinet

De situatie aan de Syrische kant van de grens is zorgelijk.

Hoewel NGO’s en hulporganisaties die actief zijn in Syrië in principe voldoende toegang hebben tot vluchtelingen en ontheemden in plaatsen als Idlib en Azaz, zijn vluchtelingen en ontheemden de laatste weken in toenemende mate slachtoffer geweest van de dynamiek van het conflict.

Rond Aleppo lijkt de recent overeengekomen hernieuwde wapenstilstand vooralsnog stand te houden. Desalniettemin is de enige toegangsweg voor hulp aan Aleppo te gevaarlijk om gebruikt te worden en hebben NGO’s geen toegang tot de stad. Er zijn voorraden in de stad aangelegd, maar het is de vraag hoe lang deze zullen volstaan.

Het kabinet heeft zijn afschuw over de aanvallen op Sarmada en Idlib uitgesproken en opgeroepen tot onafhankelijk onderzoek naar de nadere toedracht van het incident. Mede in het licht van het bovenstaande heeft Minister Koenders eveneens opgeroepen tot een spoedige zitting van de International Support group for Syria.

Turkije dient in zich aan internationale en Europese verplichtingen te houden waaronder de verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM. Het kabinet meent dat de weigering van vluchtelingen bij de grens die in Turkije bescherming zouden hebben gevraagd, een schending van hun recht op non-refoulement zou betekenen.

Zoals hierboven gesteld, laat Turkije nog altijd Syriërs toe, met name zeer kwetsbare personen. Wel heeft Turkije, naar aanleiding van de laatste ontwikkelingen in Syrië en Turkije, besloten de toestroom van Syrische vluchtelingen te beperken. Syriërs die aan de grens worden tegengehouden of deze op irreguliere wijze proberen te passeren, worden opgevangen in kampen aan de Syrische kant van de grens.

Vanuit Turkije wordt humanitaire steun geboden aan opvangkampen aan weerszijden van de Syrische grens. Nederland is via UNHCR en ngo’s die cross-border hulp leveren, in gesprek met Turkse autoriteiten over de situatie rond de Turks-Syrische grens. Nederland heeft er in EU-verband bij de Turkse autoriteiten op aangedrongen dat het zijn ruimhartige opvangbeleid voortzet. De EU ondersteunt Turkije hier ook in via, bijvoorbeeld, verschillende projecten (WFP, UNICEF) vanuit de Faciliteit voor Vluchtelingen in Turkije. Net zoals andere EU-lidstaten draagt Nederland aan deze faciliteit zijn evenredig deel bij (EUR 93,9 miljoen).

Rechten van vluchtelingen in Turkije

De leden van de SP-fractie hebben van diverse kanten vernomen dat Turkije tekortschiet in het voldoen aan de voorwaarden voor de «tijdelijke bescherming» van Syrische vluchtelingen in Turkije. Kan de regering aangeven wat deze «tijdelijke bescherming» precies inhoudt en in hoeverre zij door Turkije wordt nageleefd? Hoe is het gesteld met het recht op werk, onderwijs e.d. voor de in Turkije verblijvende Syriërs die onder deze regeling vallen? De leden vinden het zorgwekkend dat de selectie van de meest kwetsbare Syrische vluchtelingen niet onder auspiciën van de UNHCR gebeurt, maar dat Turkije hier zelf de leiding in neemt. Hoe oordeelt de regering over deze situatie? Deelt de regering de mening dat deze belangrijke taak, die met uiterste zorgvuldigheid uitgevoerd moet worden, het beste ondergebracht kan worden bij de UNHCR? Zo ja, welke inspanningen verricht de regering om dit streven te realiseren?

De status van niet-Syrische vluchtelingen in Turkije is zeer onduidelijk, constateren voornoemde leden. De leden willen weten in hoeverre deze vluchtelingen de mogelijkheid hebben om asiel aan te vragen, en welke verschillen er bestaan in de behandeling van asielaanvragen op basis van afkomst. Ook vindt er gedwongen terugkeer plaats, zoals recent gebeurde met een groep Afghaanse vluchtelingen. Zijn er, voor zover bekend, groepen die geen asiel kunnen aanvragen, of wiens asielaanvragen regelmatig worden geweigerd? Kan de regering bevestigen dat er sinds 4 april geen gedwongen uitzettingen hebben plaatsgevonden en dat het non-refoulementbeginsel volledig wordt gerespecteerd? Hoeveel vluchtelingen zijn er dit jaar teruggestuurd naar het land van herkomst? Welke waarborgen zijn er opgenomen in het akkoord opdat niet-Syrische vluchtelingen asiel aan kunnen vragen in Turkije en een veilig onderkomen kunnen krijgen? Wat zijn de rechten van niet-Syrische vluchtelingen wat betreft de toegang tot werk, onderwijs, etc.? Worden deze rechten in de praktijk nageleefd, en op welke wijze wordt hierop toegezien? Ook informeren de leden naar de precieze afspraken die gemaakt zijn rondom de terugkeerovereenkomst met Pakistan, en willen zij weten of en in hoeverre de UNHCR in dit proces betrokken is. Tot slot vragen de leden met welke andere landen Turkije terugkeerovereenkomsten heeft gesloten, en wat de inhoud van deze afspraken is.

De leden van de SP-fractie wijzen er op dat volgens Amnesty vluchtelingen tijdens hun asielaanvraag een half jaar kunnen worden gedetineerd. Human Rights Watch wijst erop dat vluchtelingen die in het kader van het akkoord vanuit Griekenland zijn teruggestuurd naar Turkije geen contact mochten hebben met familie en vrienden in Griekenland, en dat bezoeken van mensenrechtenorganisaties aan deze vluchtelingen niet werden toegestaan16. De leden van de SP-fractie vragen de regering om in te gaan op deze feiten, met verwijzing naar het VN Vluchtelingenverdrag. Daarnaast wijzen de leden erop dat de Turkse autoriteiten geen inzicht willen geven in de aantallen asielaanvragen. Dit belemmert de controle op de naleving van het akkoord. Hoe oordeelt de regering hierover, en is zij bereid om druk uit te oefenen op de Turkse autoriteiten om inzicht te geven in deze aantallen?

Op basis van de vele berichten van NGO’s over de situatie aan de Turks-Syrische grens twijfelen de leden van de D66-fractie ten zeerste of Turkije daadwerkelijk aangemerkt kan worden als veilig derde land in de zin van artikel 38 Procedurerichtlijn (PRi). Ten eerste zijn er grote vraagtekens bij het respecteren van het verbod op refoulement (voorwaarde in artikel 38 lid 1 sub c), zoals hierboven uiteengezet. De regering lijkt niet daadwerkelijk op deze belangrijke voorwaarde in te gaan. Ten tweede kan men zich afvragen of een asielzoeker de mogelijkheid heeft om de vluchtelingenstatus in Turkije te verzoeken en tevens bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag (voorwaarde in artikel 38 lid 1 sub e Procedurerichtlijn). Syriërs krijgen sinds enige tijd niet meer de mogelijkheid de grens over te steken en aldus asiel aan te vragen. Tevens speelt de vraag of Turkije de bescherming biedt aan vluchtelingen zoals bepaald in het Vluchtelingenverdrag, mede gezien het feit dat Turkije een geografische beperking met betrekking tot het verdrag hanteert. Artikel 22 van dat verdrag stipuleert bijvoorbeeld dat vluchtelingen wat betreft lager onderwijs, hetzelfde behandeld moeten worden als de onderdanen van de verdragsluitende partij. De Syrische vluchtelingkinderen in Turkse opvangkampen kunnen slechts in zeer beperkte mate onderwijs ontvangen.17 Daarnaast stelt artikel 17 van het Vluchtelingenverdrag dat in bepaalde gevallen een vluchteling een werkvergunning moet krijgen. Begin april heeft slechts 0,074% van de 2,7 miljoen Syriërs in Turkije een werkvergunning ontvangen.18 Kan de Minister op basis van deze zorgen inzake Turkije als veilig derde land puntsgewijs toelichten waarom hij van mening is dat artikel 38 PRi van toepassing is op Turkije?

Tevens vraagt de D66-fractie of de Minister een toelichting zou kunnen geven op het feit dat Turkse universiteiten sinds de oprichting van EU-Turkey refugee facility in plaats van 100 euro nu 1.000 euro collegegeld vragen aan studerende vluchtelingen? Deelt u de mening van de leden van de D66-fractie dat het onwenselijk is dat er uiteindelijk toch geld uit dit fonds bij de Turkse regering belandt door het opdrijven van prijzen van onderwijs en hulpgoederen?

Antwoord van het kabinet

In antwoord op vragen van de leden van de SP-fractie over tijdelijke bescherming van Syriërs kan het kabinet het volgende opmerken. Op grond van de Temporary Protection Regulation d.d. 22 oktober 2014 komen Syriërs, statelozen en vluchtelingen komend vanuit Syrië in aanmerking voor tijdelijke internationale bescherming. Vluchtelingen die onder deze maatregel vallen ontvangen een identiteitsdocument, opvang, het recht op (tijdelijk) verblijf, gezondheidzorg, onderwijs, andere sociale voorzieningen en toegang tot de arbeidsmarkt. Om het laatste verder te faciliteren heeft Turkije begin dit jaar een aparte wet aangenomen om het voor Syriërs makkelijker te maken om zes maanden na te zijn geregistreerd een werkvergunning aan te vragen. Op grond van deze regeling zijn ook door Turkije werkvergunningen afgegeven. Ten aanzien van de naleving van deze regeling wijst het kabinet naar de ruim 2,5 miljoen Syrische vluchtelingen die in Turkije zijn geregistreerd en daarmee onder deze maatregel vallen en de circa 350.000 Syrische kinderen die het onderwijs biedt.

Het DGMM is verantwoordelijk voor de registratie en opvang van vluchtelingen en behandelt en beoordeelt ook de asielaanvragen. UNHCR heeft hier geen formele rol in, maar biedt het DGMM technisch advies en ondersteuning. Deze hervorming is mede het gevolg van de Turkse Europese aspiraties en ook de uitvoering van de visa roadmap die Turkije verplicht zijn vreemdelingenbeleid en wetgeving in lijn te brengen met Europese standaarden. Het kabinet is uiteraard voorstander van het feit dat nationale overheden hun verantwoordelijkheid hierin nemen. Wel hecht het kabinet, net als uw Kamer, belang aan de rol die UNHCR ook in Turkije moet kunnen blijven spelen als hoeder van het VN Vluchtelingenverdrag. Zoals eerder in deze beantwoording gesteld, verwelkomt het kabinet dan ook de recente afspraken die tussen Turkije en UNHCR zijn gemaakt m.b.t. de toegang van UNHCR tot de centra waar vanuit Griekenland teruggekeerde migranten worden opgevangen en de permanente zitting van UNHCR als waarnemer in de bezwaarcommissies. Deze afspraken versterken de rol van UNHCR als hoeder van het VN Vluchtelingenverdrag verder en dragen eraan bij dat UNHCR die rol beter kan uitvoeren.

Ten aanzien van de selectie van hervestigingskandidaten uit Turkije onder de één op één afspraken klopt het dat dossiers in eerste instantie worden voorgedragen door het DGMM. Het DGMM draagt de zaken evenwel aan bij UNHCR, die na een beknopte beoordeling de zaken voordraagt aan de verschillende Europese lidstaten. UNHCR is en wordt ook betrokken bij de totstandkoming van de gestandaardiseerde werkafspraken tussen de EU en Turkije en speelt een belangrijke rol in de uitvoering van procedures. Dit betreft de één op één afspraken als ook het vrijwillig humanitaire toelatingsprogramma. Op basis van de kandidaten die tot dusver door het DGMM via UNHCR zijn voorgelegd, stelt het kabinet vast dat het DGMM zeer kwetsbare vluchtelingen heeft geselecteerd voor hervestiging en daarmee invulling geeft aan de doelstelling om via hervestiging een duurzame oplossing in Europa te bieden voor de meest kwetsbare vluchtelingen. Ook in Nederland zijn inmiddels circa 50 Syrische vluchtelingen hervestigd uit zowel Turkse opvangkampen als uit stedelijke gemeenschappen.

Op grond van de in april 2014 in werking getreden Wet op Vreemdelingen en Internationale Bescherming bestaan verschillende categorieën bescherming. Niet-Syriërs afkomstig uit landen die zijn aangesloten bij de Raad van Europa komen in aanmerking voor een vluchtelingenstatus op grond van het VN Vluchtelingenverdrag. Niet-Syriërs afkomstig uit andere landen komen in aanmerking voor een zogenoemde conditional refugee status. De mate van bescherming en de bijbehorende rechten en plichten komen overeen met het VN Vluchtelingenverdrag. Op basis van deze status hebben vluchtelingen recht op een identiteitsdocument, opvang, het recht op (tijdelijk) verblijf, gezondheidzorg, onderwijs, andere sociale voorzieningen en toegang tot de arbeidsmarkt.

Daarnaast kent Turkije ook subsidiaire bescherming voor vluchtelingen die niet onder de eerste twee categorieën vallen, maar wel bescherming nodig hebben. Voor zover het kabinet bekend maakt het DGMM in de afhandeling van asielaanvragen geen onderscheid naar nationaliteit. Iedereen kan in Turkije bescherming aanvragen, ongeacht nationaliteit. Alleen voor Syrische vluchtelingen, staatlozen en vluchtelingen uit Syrië (met een andere nationaliteit) wordt, zoals hierboven reeds toegelicht, onderscheid gemaakt omdat zij (groepsgewijs) onder de Temporary Protection Regulation vallen.

Met verwijzing naar verschillende rapportages van de Commissie waarin cijfers met betrekking tot de afhandeling van asielaanvragen in Turkije zijn opgenomen, stelt het kabinet vast dat Turkije wel degelijk inzicht geeft in cijfers omtrent asielaanvragen.19 Zoals hierboven al genoemd, treft Turkije ook verdere maatregelen om de afhandeling van openstaande asielaanvragen, expliciet die van niet-Syriërs, te bespoedigen en de doorlooptijd in te korten tot gemiddeld zes maanden.

Het kabinet heeft geen exacte cijfers over uitzettingen vanuit Turkije naar landen van herkomst tot zijn beschikking. In algemene zin merkt het kabinet op dat het Turkije, net als alle andere landen, vrij staat om migranten die onrechtmatig op het grondgebied verblijven en dus ook geen verzoek hebben gedaan tot internationale bescherming van het grondgebied te verwijderen. Uiteraard dient dit ook in Turkije plaats te vinden binnen gebruikelijk Europese en internationale juridische kaders, waarbij in het bijzonder het principe van non-refoulement dient te worden gerespecteerd.

Als onderdeel van een van de benchmarks voor het visumliberalisatieproces dient Turkije met de belangrijkste landen van herkomst bilaterale Terug- en Overnameovereenkomsten te onderhandelen. Turkije heeft dergelijke overeenkomsten afgesloten met Bosnië-Herzegovina, Griekenland, Kosovo, Kirgizië, Montenegro, Moldavië, Nigeria, Pakistan, Roemenië, Rusland, Syrië, Ukraine, Wit-Rusland en Yemen. Daarnaast is Turkije in onderhandeling met Afghanistan, Algerije, Bangladesh, DRC, Eritrea, Ghana, Irak, Iran, Kameroen, Marokko, Myanmar, Somalië, Sudan en Tunesië.

Omdat Nederland geen partij is bij deze verdragen tussen Turkije en genoemde landen, is Nederland ook niet bekend met de inhoud van de afspraken of de rol die UNHCR daarin speelt.

Niet-Syrische migranten die op basis van de verklaring van 18 maart jl. terug worden gestuurd van de Griekse eilanden naar Turkije worden in Turkije opgevangen in specifieke centra. UNHCR en de Turkse overheid hebben onderlinge afspraken gemaakt over de toegang van UNHCR tot deze centra. Deze migranten kunnen op grond van de Turkse Wet op Vreemdelingen en Internationale Bescherming altijd een aanvraag indienen voor internationale bescherming. Turkije heeft dit specifiek aan de Europese Commissie bevestigd.20

Om het concept «veilig derde land» toe te passen is het, zoals de Europese Commissie ook eerder heeft toegelicht, niet noodzakelijk dat een land het VN Vluchtelingenverdrag ook volledig heeft geratificeerd, zolang de mate van geboden bescherming daar wel mee in lijn is. Ten aanzien van de toepassing het concept veilig derde land op basis van artikel 38 van de Procedurerichtlijn verwijst het kabinet kortheidshalve naar de voorgaande beantwoording waarin wordt ingegaan op de procedures, status, rechten en plichten in Turkije van zowel Syrische als niet-Syrische vluchtelingen. Ook wijst het kabinet op de eerder genoemde waarborgen die Turkije heeft bevestigd en de verschillende maatregelen die Turkije treft om procedures verder te versterken en de sociaaleconomische situatie van vluchtelingen te verbeteren door o.a. toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken. De D66 fractie wijst in dit verband onder andere op een in hun ogen relatief beperkt aantal Syriërs die op grond van nieuwe wetgeving een arbeidsvergunning heeft gekregen. Het deelt de wens van de D66 fractie dat dit aantal snel stijgt, ook onder niet-Syriërs. Dan is het volgens het kabinet wel van belang dat vluchtelingen ook daadwerkelijk een dergelijke vergunning aanvragen. Zover bekend, gebeurt dit nu nog op een zeer beperkte schaal. Onder meer via de Faciliteit voor Vluchtelingen in Turkije zullen activiteiten worden geïnitieerd om de bekendheid van deze maatregel en de toegang tot de arbeidsmarkt voor vluchtelingen in Turkije verder te bevorderen.

Uit de informatie die het kabinet heeft kunnen achterhalen, blijkt niet dat de Turkse universiteiten de collegegelden voor studerende vluchtelingen recentelijk hebben aangepast. Op basis van Turkse wetgeving van september 2014 en augustus 2015 worden de collegegelden voor Syrische studenten juist gedragen door de Turkse autoriteiten via de Turkse Raad voor Hoger Onderwijs (YOK).

Situatie in Griekenland

Naast de situatie in Turkije baren de berichten over de detentiecentra op Lesbos en Chios de D66-fractie ernstige zorgen. Al in 2011 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uitgesproken dat de opvangfaciliteiten in Griekenland inhumaan zijn.21 Dit is door het Hof van Justitie van de EU herhaald:22 onder de Dublin-verordening mochten geen asielzoekers meer naar Griekenland worden teruggestuurd. Kan de Minister toezeggen dat de situatie in de Griekse opvangkampen nu beduidend beter is? Kan de Minister reageren op de verontrustende berichten over een tekort aan voedsel, dekens, privacy en adequate toegang tot gezondheidszorg?23

Tevens spreken de leden van de D66-fractie zich uit tegen de massale willekeurige detentie van duizenden asielzoekers op de Griekse eilanden. Dit gebeurt zonder individueel rechterlijk bevel, zonder dat asielzoeker informatie over hun situatie hebben en zonder een daadwerkelijk rechtsmiddel om zich tegen het beroven van hun vrijheid te verzetten. Dit is naar mening van de leden van de D66-fractie een schending van artikel 5 lid 1 en 13 EVRM. Kan de Minister dit beamen? De voornoemde leden zijn van mening dat detentie van asielzoekers enkel kan op bevel van de rechter en als laatste redmiddel. Het feit dat de Europese Commissie in haar rapport van 20 april spreekt over «increasing detention capacity» verontrust de D66-fractie: het detineren van asielzoekers is blijkbaar een permanente oplossing. Is de Minister bereid er bij de Europese Commissie en Griekse autoriteiten op aan te dringen niet langer asielzoekers onrechtmatig en op volledig arbitraire wijze te detineren?

Daarnaast spreken de leden van de D66-fractie specifiek hunzorgen uit over de gedetineerde kinderen en baby’s op de Griekse eilanden. Kinderen die al oorlogsslachtoffer zijn horen niet opgesloten te zitten. De voornoemde leden vragen met klem de Minister zijn Griekse collega op te roepen niet langer kinderen te detineren.

Daarnaast vraagt de D66 fractie hoeveel experts er door Nederland zijn toegezegd aan Griekenland, en of deze inmiddels naar de Griekse eilanden zijn afgereisd? Kan de Minister toelichten hoe de bestaande personele tekorten (van de 1.500 door Frontex gevraagde escort officers zijn er nu bijvoorbeeld 318) in korte tijd zullen worden weggewerkt?

Ook maakt de D66-fractie zich zorgen over de wijze waarop asielzoekers worden uitgezet naar Turkije. Volgens internationale media waren enkele van hen niet op de hoogte dat ze uitgezet zouden worden, wat in gaat tegen de procedurele waarborgen zoals vastgelegd in artikel 38 lid 3 sub a van de Procedurerichtlijn. Ook zouden enkele personen zijn uitgezet zonder dat zij asiel konden aanvragen, terwijl zij wel de wens hebben geuit dit te willen.24 Na de uitzettingen op 4 en 8 april is het proces stil gelegd, om «het proces te verbeteren». Kan de Minister uiteenzetten wat er op dit moment gedaan wordt om het proces te verbeteren, en garanderen dat de procedurele waarborgen zoals vastgelegd in EU regelgeving in de toekomst wel gerespecteerd worden?

Daarnaast vraagt de D66-fractie aandacht voor de 46.000 vluchtelingen die vastzitten op het vasteland in Griekenland, sinds de sluiting van de Macedonische grens op 7 maart. Deze mensen leven in angst en onzekerheid over hun situatie. De D66-fractie vraagt de Minister zich in te zetten om deze groep vluchtelingen zo snel mogelijk te hervestigen.

De leden van de CDA fractie willen specifiek ingaan op de situatie in Griekenland. Elke migrant die aankomt in Griekenland heeft het recht om asiel aan te vragen, schrijft de regering. Rapporten van de migranten die zijn teruggestuurd, geven aan dat zij niet wisten dat zij teruggestuurd zouden worden en geen gelegenheid gehad hebben om een asielaanvraag in te dienen in Griekenland. Hebben de EU en de Nederlandse regering deze berichten geverifieerd. Ofwel: kan de Minister duidelijkheid verschaffen of alle migranten die zijn teruggestuurd de gelegenheid hebben gehad asiel aan te vragen in Griekenland?

De leden van de GroenLinks-fractie verzoeken de regering nader in te gaan op de juridische basis waarop «irreguliere migranten» vanuit Griekenland kunnen worden teruggezonden naar Turkije. Volgens de regering zou dit kunnen op basis van een bilaterale readmissieovereenkomst tussen Griekenland en Turkije. Het komt deze leden voor dat ondanks deze bilaterale readmissieovereenkomst het VN-vluchtelingenverdrag, het EVRM en de Procedurerichtlijn van toepassing zijn op Griekenland, en dat op basis hiervan geen sprake kan zijn van het terugzenden van migranten naar gevaarlijk gebied (non-refoulement). De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering zo specifiek mogelijk uiteen te zetten hoe in de Griekse asielprocedure wordt getoetst op de waarborgen uit hoofde van het VN-vluchtelingenverdrag, het EVRM en de Procedurerichtlijn.

De leden van de GroenLinks-fractie verzoeken de regering voorts de stelling dat de reeds door Griekenland geëffectueerde deportaties hebben plaatsgevonden «met respect voor de Europese en internationale afspraken» nader te onderbouwen. Deze leden verzoeken de regering met de Kamer te delen welk onderzoek hier blijkbaar door de regering naar is verricht. Ook verzoeken deze leden hierbij in te gaan op de bevindingen van Human Rights Watch over deze uitzettingen.25

De leden van de GroenLinks-fractie zijn verbaasd over het feit dat de regering meldt dat de Europese Commissie samen met Turkije en Griekenland zich inzet om de asielprocedure zo spoedig mogelijk volledig operationeel te hebben. Deze leden vragen de regering toe te lichten waarom reeds is aangevangen met het deporteren van migranten van Griekenland naar Turkije terwijl de asielprocedure in Griekenland nog niet volledig operationeel is. Deze leden vragen zich af of de regering dit handelen proportioneel, zorgvuldig en internationaalrechtelijk houdbaar acht.

Antwoord van het kabinet

De leden van de D66-fractie vragen naar de situatie in de Griekse opvangkampen. Begin april zijn er berichten in de media geweest over voedseltekorten in opvangfaciliteiten in Griekenland.

Zoals per brief op 13 april 201626 aan uw Kamer meegedeeld, heeft het kabinet de berichtgeving onmiddellijk geverifieerd en bleken er geen aanwijzingen te zijn voor het bestaan van voedseltekorten. Op de andere genoemde vlakken is door de Griekse autoriteiten, in samenwerking met de Commissie en andere organisaties, hard gewerkt aan verbetering.

Nederland heeft mede in zijn rol van voorzitter van de Raad regelmatig contact met UNHCR en NGO’s ter plaatse om de situatie te monitoren, en dringt er bij de Griekse autoriteiten op aan dat, waar nodig, ondersteuning wordt gevraagd door de EU. Verder verwijst het kabinet kortheidshalve naar de brieven die het kabinet eerder stuurde aan uw Kamer.27 Sindsdien is het Civiele Beschermingsmechanisme geactiveerd. Voorts zijn de Griekse autoriteiten begonnen met het overbrengen van kwetsbare personen, onder wie kinderen, vanuit de opvangfaciliteit in Moria naar de open faciliteit in Kara Tepe. Ook worden migranten tussen eilanden verplaatst om overbezetting van opvangfaciliteiten te voorkomen. Tijdens zijn bezoek aan Griekenland op 25-26 april jl. heeft Staatssecretaris Dijkhoff de situatie in de Griekse opvangkampen besproken, en hierbij geen signalen ontvangen die directe aanleiding geven tot zorgen.

Wat betreft de vragen van D66 over het verbeteren van het Griekse asielproces onderstreept het kabinet, net zoals in de brieven aan uw Kamer van 4 april jl. en van 21 maart jl.28, dat de gemaakte afspraken moeten worden geïmplementeerd binnen de Europese en internationale juridische kaders. Nederland zet zich ervoor in dat in Europees verband Griekenland wordt bijgestaan in het adequaat vormgeven en uitvoeren van asielprocedures en het terugkeerproces. De Griekse autoriteiten hebben in samenwerking met de Commissie in korte tijd een omvangrijke en uiterst complexe operatie in gang gezet. Door ondersteuning van de Europese agentschappen Frontex en EASO is er inmiddels sprake van een gecoördineerde inzet van asielexperts en personeel voor grensmanagement op de Griekse eilanden. Nederland draagt bij door onder andere diverse experts vanuit de IND, het COA en de DT&V in te zetten, zowel in de hotspots als op het vasteland. Hieronder valt onder andere de inzet van geïntegreerde Border Security Teams op de eilanden Chios en Lesbos. In de rol van Raadsvoorzitter dringt Nederland er voorts bij alle lidstaten steeds op aan om personele en materiële capaciteit beschikbaar te stellen, zodat er voldoende ondersteuning beschikbaar is ten behoeve van die onderdelen waarvoor de EU ondersteuning kan bieden. De beschikbaarheid van experts en tolken is een punt van aandacht. De Commissie heeft hierbij een coördinerende rol.

De GroenLinks-fractie vraagt waarom reeds is aangevangen met het terugbrengen van migranten van Griekenland naar Turkije terwijl de asielprocedure in Griekenland nog niet volledig operationeel is. Onderscheid dient gemaakt te worden tussen de migranten die geen asiel hebben willen aanvragen maar daartoe wel de gelegenheid hebben gekregen, en diegenen die wel asiel hebben aangevraagd. Met betrekking tot de eerste groep vragen de CDA-fractie en de GroenLinks-fractie in hoeverre de Nederlandse regering de berichten heeft geverifieerd dat deze groep geen gelegenheid zou hebben gehad om asiel aan te vragen. Het kabinet heeft deze berichten via de Commissie geverifieerd, en is tot de conclusie gekomen dat deze migranten in de gelegenheid zijn gesteld om asiel aan te vragen. Van de tweede groep migranten, de mensen die wel asiel hebben aangevraagd, loopt de asielprocedure momenteel nog. Zij worden lopende de procedure dan ook niet teruggestuurd. Dit strookt met de op 10 september 2015 aangenomen motie van de leden Pechtold en Klaver29.

In reactie op de vragen van de D66-fractie en de GroenLinks-fractie over de Griekse asielprocedure en de bijbehorende waarborgen het volgende. Artikel 8 van de Opvangrichtlijn (richtlijn 2013/33/EU) en artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115/EG) zien op de bewaring van asielzoekers en irreguliere migranten. De Terugkeerrichtlijn kent een maximale detentietermijn van 18 maanden, inclusief verlenging. De Opvangrichtlijn stipuleert geen maximale termijn voor de bewaring van asielzoekers, maar legt vast dat de bewaring niet langer dient te duren dan noodzakelijk. Er is een maximale beslistermijn en er zijn beperkte gronden voor bewaring. De Griekse wetgever heeft deze richtlijnen geïmplementeerd. De procedurele waarborgen zijn neergelegd in de Procedurerichtlijn. De Kwalificatierichtlijn (richtlijn 2011/95/EU) bepaalt wie er in aanmerking voor verlening van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus. De Griekse wetgever heeft ook deze richtlijn geïmplementeerd. Het is aan de Commissie, als hoedster van de verdragen, om te beoordelen of de wijze waarop Griekenland de Europese richtlijnen heeft omgezet in nationale regelgeving, voldoet. In de Procedurerichtlijn zelf is geen toets op het VN-Vluchtelingenverdrag en het EVRM voorzien. Naast het feit dat Turkije gebonden is aan het EVRM, is in de EU-Turkije Verklaring uitdrukkelijk vastgelegd dat migranten in Turkije zullen worden beschermd in overeenstemming met de relevante internationale standaarden, waarbij het principe van non-refoulement wordt gerespecteerd. Meent een derdelander ondanks deze waarborgen voor zijn persoon te vrezen te hebben, dan kan hij of zij in Griekenland een asielverzoek indienen dat individueel wordt beoordeeld.

De D66-fractie vraagt om inzet op hervestiging voor de migranten die vastzitten op het Griekse vasteland. Ervan uitgaande dat de D66-fractie herplaatsing bedoelt in plaats van hervestiging, kan het kabinet bevestigen dat herplaatsing voor deze migranten nog steeds een optie is indien ze een asielaanvraag indienen in Griekenland, en voor zover het migranten betreft met een nationaliteit waarbij de kans op een inwilliging van de asielaanvraag in de EU minstens 75 procent is. Er is voor asielzoekers dus een alternatief voorhanden. Als voorzitter van de EU roept Nederland de lidstaten op om voldoende plaatsen beschikbaar te stellen voor de asielzoekers die zich melden als herplaatsingskandidaat, zodat de herplaatsing snel kan plaatsvinden.

Relatie tussen de EU en Turkije

De leden van het CDA merken op dat de verhouding tussen de EU en Turkije op een veelheid van vraagstukken gespannen is. Het valt deze leden op dat de EU, Turkije op een totaal andere wijze tegemoet treedt dan dat andere landen dat doen. De duidelijkste illustratie hiervan is wellicht de zin die de heer Tusk uitsprak tijdens zijn bezoek aan Turkije afgelopen weekend: «Turkey is the best example for the whole world how we should treat refugees. No one has the right to lecture Turkey what you should do». Het tweede deel van deze zin verdween in de officiële communicatie van de Europese Commissie. Dit geeft de essentie van de relatie aan, daarom vragen de leden van de CDA fractie aan de Minister of het is toegestaan om kritiek op Turkije te hebben en op welke momenten de Nederlandse regering kritiek op Turkije heeft gehad de afgelopen weken? En hoe beoordeelt de Nederlandse regering dat de geschreven tekst en de gesproken tekst van de voorzitter van de Europese Raad op zo’n belangrijk punt niet overeen komen?

Visumliberalisatie

De leden van de D66-fractie merken op dat Premier Davutoglu op 19 april stelde dat indien het visum-vrij reizen niet door gaat, de vluchtelingendeal ook geen doorgang meer zal vinden.30 In de vereisten voor visumliberalisatie staat o.a. dat Turkije met betrekking tot vluchtelingen moet handelen conform het EU acquis en het EVRM.

Is de Minister het met de voornoemde leden eens dat het visumvrij reizen enkel van start kan gaan indien Turkije aan alle voorwaarden, gesteld in de Roadmap, voldoet? Kan de Minister dan tevens beamen dat indien de Turks-Syrische grens hermetisch afgesloten blijft, Turkije niet aan deze voorwaarden voldoet?31

Hoe kijkt de Minister in deze context aan tegen het bericht van de EU Observer van 23 maart dat Turkije geen intentie heeft haar nationale wetten aan te passen aan Europese asielwetgeving?32

De leden van de CDA fractie vragen de Minister om de UNHCR op een prominentere manier te betrekken in de monitoring van de Turkse naleving van het migratie-akkoord. De reden waarom de leden van de CDA fractie dit van belang vinden is vanwege de keuze van de regering om bij dit migratie-akkoord ook visumliberalisatie en toetredingsgesprekken te betrekken. Door het betrekken van deze beide zaken in deze migratie-deal lopen afspreken en belangen door elkaar. De leden van de CDA fractie zijn tegen deze koppeling en willen door een actievere betrokkenheid van de UNHCR bij de monitoring van het deel van het akkoord over de vluchtelingen zodat hoofd van bijzaken gescheiden kunnen worden. De leden van de CDA fractie vragen de Minister of hij eveneens belangenverstrengeling signaleert tussen de aanpak van vluchtelingen, toetredingsgesprekken en visumliberalisatie? De Turkse premier heeft immers een dreigement geuit dat de deal niet doorgaat wanneer visumliberalisatie niet doorgaat. De leden van de CDA fractie vragen specifiek een reactie van de Minister op deze uiting van de premier van Turkije.

Hoewel de leden van het CDA tegen de koppeling zijn van visaliberalisatie en de vluchtelingecrisis heeft de regering er voor gekozen dat toch te doen. De leden van de CDA fractie willen dan ook van de Minister weten hoe het gesteld is met de voortgang van de voorwaarden waaraan Turkije moet voldoen voor de visumliberalisatie. Tevens vragen de leden van de CDA fractie de Minister nogmaals de toezegging doet dat er niet gemarchandeerd wordt met de voorwaarden voor visumliberalisatie.

De visumliberalisatie is onderdeel van een separate vraag van de Tweede Kamer aan de regering. Daarin vraagt de Tweede Kamer expliciet op elk van de 72 punten aan te geven hoe de voortgang in Turkije is. Op precies een punt willen de leden van de CDA fractie in dit overleg ingaan, namelijk de voorwaarde: «Turkey should fulfill the following requirements: § Ensure that freedom of movement of citizens of Turkey is not subject to unjustified restrictions, including measures of a discriminatory nature, based on any ground such as sex, race, colour, ethnic or social origin, genetic features, language, religion or belief, political or any other opinion, membership of a national minority, property, birth, disability, age or sexual orientation. Carry out related full investigations when needed.» De leden van de CDA fractie verzoeken de regering aan te geven welke tekortkomingen Turkije precies op dit punt heeft en daarbij heel specifiek in te gaan op de situatie van Turkse burgers in steden in Zuid Oost Turkije. Hoe beoordeelt de Minister hun mensenrechten op dit moment?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van de Europese Commissie, bekendgemaakt op een persconferentie op 20 april j.l., dat de visumliberalisatie voor Turkije uiterlijk eind juni 2016 een feit zou moeten zijn. Zij begrijpen niet dat de Commissie deze belofte kan afgeven, aangezien in de tweede voortgangsrapportage over het visumliberalisatietraject van Turkije (4 maart j.l.) slechts aan 19 van de 72 benchmarks werd voldaan. Zij vinden het zeer onverstandig en procedureel onjuist dat de Europese Commissie een voorstel wil indienen om Turkije op de lijst met visumvrije landen te plaatsen, voordat Turkije daadwerkelijk aan álle benchmarks heeft voldaan. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister en de Staatssecretaris of zij dit standpunt delen. Zij vragen de Minister en de Staatssecretaris om aan te geven aan hoeveel benchmarks Turkije momenteel voldoet. Verwachten de Minister en de Staatssecretaris dat uit de voortgangsrapportage die op 4 mei zal verschijnen, zal blijken dat Turkije veel voortgang zal hebben geboekt ten opzichte van de vorige voortgangsrapportage? De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich in het bijzonder zorgen over de mensenrechtensituatie in Turkije, bijvoorbeeld de behandeling van journalisten. Volgens genoemde leden kan er absoluut geen sprake zijn van visumliberalisatie, als Turkije elementaire en fundamentele vrijheden en mensenrechten blijft schenden. Zij vragen de Minister en de Staatssecretaris om hierin duidelijk stelling te nemen en in geen geval te marchanderen met de criteria. Zijn de Minister en de Staatssecretaris het met genoemde leden eens dat Turkije niet alleen procedureel moet voldoen aan de benchmarks, maar ook in de praktijk moet laten zien dat het de benchmarks naleeft, voordat überhaupt een voorstel tot visumliberalisatie in behandeling kan worden genomen door de Raad?

Toetredingsonderhandelingen

De leden van de CDA-fractie merken op dat in het monitoringsrapport wordt gesteld dat opening van enkele hoofdstukken in toetredingsproces mogelijk moet zijn. Hieronder valt ook het hoofdstuk over «recht, vrijheden en veiligheid». De leden vragen de Minister hoe dit mogelijk is gezien de geluiden uit Turkije over sluiten van kranten en opsluiten van journalisten.

Antwoord van het kabinet

Op 4 mei jl. presenteerde de Commissie het derde voortgangsrapport in het visumliberalisatietraject van Turkije, vergezeld van een wetsvoorstel om Turkije over te hevelen naar de lijst van visumvrije landen.

De Commissie concludeert dat Turkije ten tijde van het verschijnen van het rapport aan 65 van de 72 benchmarks voldeed. De Commissie gaat ervan uit dat Turkije voor eind juni de volgende vijf benchmarks zal kunnen vervullen: het implementeren van de anti-corruptie-aanbevelingen van de Raad van Europa, de aanpassing van wetgeving op het gebied van persoonsgegevens in overeenstemming met het EU acquis, het afsluiten van een operationele samenwerkingsovereenkomst met Europol, justitiële samenwerking in strafzaken met EU-lidstaten en het beter in lijn met Europese standaarden brengen van het wettelijk kader inzake georganiseerde misdaad en terrorisme.

Voor wat betreft de benchmark over biometrische paspoorten stelt de Commissie voor dat de visumvrijheid alleen gaat gelden voor Turken met nieuwe biometrische paspoorten die aan de Europese standaarden voldoen en werken met «Extended Access Control»-encryptie. Dat betekent dat eventuele visumvrijheid alleen geldt voor Turkse burgers met een na 1 juni uitgegeven paspoort en het visumvrije reizen dus pas geleidelijk voor meer Turken mogelijk zal zijn. Het kabinet kan instemmen met deze benadering.

Ten aanzien van de benchmark over de volledige implementatie van de EU-Turkije Terug- en Overnameovereenkomst en het opbouwen van een solide track record merkt de Commissie het volgende op. Hoewel de terugnameverplichting al sinds 2013 van kracht is, zal de verplichting tot overname van derdelanders pas per 1 juni in werking treden. De Commissie gaat ervan uit dat Turkije iets meer tijd nodig heeft om aan te tonen dat het duurzaam aan deze benchmark voldoet. Het kabinet deelt dit oordeel van de Commissie en onderstreept in dit verband opnieuw het belang van voortgezette monitoring.

Het kabinetsbeleid ten aanzien van visumliberalisatie is strikt en fair: enkel wanneer Turkije aan de benchmarks van de Roadmap voldoet, kan Nederland instemmen met het invoeren van visumvrijheid voor Turkse burgers. Dit is in lijn met de motie-Verhoeven/Klaver van 15 maart 2016 (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1097).

Aangezien de Commissie heeft vastgesteld dat Turkije weliswaar belangrijke voortgang heeft geboekt, maar nog niet aan alle benchmarks voldoet, is besluitvorming nu nog niet aan de orde. Eerst moet de Commissie beoordelen of aan de benchmarks van de Roadmap is voldaan. Het is naar verwachting pas op zijn vroegst eind juni mogelijk hierover een definitief oordeel te vellen.

Conform uw verzoek zal u een brief toegaan inzake de derde voortgangsrapportage en het voorstel van de Europese Commissie van 4 mei 2016 om het visumvrij reizen voor Turkije mogelijk te maken.

In reactie op de vraag of Turkije op dit moment voldoet aan de voorwaarden voor het openen van de rechtsstatelijkheidshoofdstukken, is het kabinet van mening dat het duidelijk is dat de situatie ten aanzien van de rechtsstaat en mensenrechten in Turkije zorgen baart. Dat Turkije in de huidige omstandigheden niet voldoet aan de criteria voor toetreding is evident. Hierbij benadrukt het kabinet echter ook dat toetredingsonderhandelingen de beste manier blijven vormen om hervormingen in Turkije te bevorderen. De rechtsstaatshoofdstukken 23 en 24 vormen het belangrijkste kader om op structurele wijze hervormingen van de rechtsstaat in Turkije te bespreken en Turkije aan te spreken op de geconstateerde tekortkomingen. Op beide hoofdstukken rust een unilaterale blokkade van Cyprus en deze hoofdstukken worden dus ook nog niet besproken. Dit wil ook zeggen dat er nog geen openingsbenchmarks zijn vastgesteld en dat niet kan worden vastgesteld of Turkije op dit moment voldoet aan de voorwaarden voor het openen van deze hoofdstukken.

Voorzitter Tusk heeft zijn uitspraken gedaan in de openbaarheid. Het kabinet ziet geen aanleiding deze te becommentariëren.

Europese Steun aan Griekenland en Turkije

De leden van de D66-fractie merken op dat volgens de EU-Turkije deal zo snel mogelijk de eerder toegewezen 3 miljard euro en de daaraan toegevoegde 3 miljard uitbetaald zal worden aan Turkije. In het rapport van de Commissie over de implementatie van de deal op 20 april wordt beschreven dat 16 lidstaten inmiddels aan dit bedrag hebben bijgedragen. Kan de Minister verduidelijken waarom nog niet alle lidstaten hebben bijgedragen aan de refugee facility? De leden van de D66 fractie vragen de Minister inzichtelijk te maken waaraan dit geld wordt uitgegeven en toe te lichten of hier toezicht op bestaat. Zou de Minister daarnaast kunnen duiden welk tijdspad er ligt voor het uitgeven van de middelen uit het EU-Turkey refugee facility?

De leden van de CDA fractie willen aandacht van de Minister vragen over de naleving van Europese zijde van het akkoord. Het niet nakomen van afspraken geeft Turkije een motief om Europa uit elkaar te spelen, bovendien moet er gezamenlijk verantwoordelijkheid genomen worden voor gemaakte afspraken. De deal met tussen EU en Turkije is niets waard wanneer van beide kanten afspraken niet worden nagekomen. Deze week presenteerde de Europese Commissie een rapport waaruit blijkt dat 12 landen, ondanks de afspraken, nog geen financiële bijdragen geleverd hebben aan het fonds van 3 miljard euro dat bedoeld is om de omstandigheden in de opvangkampen in Turkije te verbeteren. De leden van de CDA fractie vragen de Minister een overzicht te geven van de stand van zaken aangaande de bijdrage van deze 12 lidstaten aan het fonds en welke maatregelen tegen deze landen zal worden genomen. De Europese Commissie gaf eveneens aan dat van de 1.550 gevraagde extra grenswachten nog maar de helft daadwerkelijk is toegezegd. Ook heeft Griekenland specifiek gevraagd extra technische assistentie om de registratie goed te kunnen laten verlopen. De leden van de CDA fractie willen van de Minister weten welke landen in gebreken blijven en hoe het is gesteld met de bijdrage van Nederland. Het wordt tijd dat alle landen in de Europese Unie hun verantwoordelijkheid gaan nemen, de problemen zullen niet minder worden door niets te doen. De leden van de CDA fractie vragen de Minister welke acties hij zal ondernemen als voorzitter van de Europese Unie om lidstaten aan hun afspraken te houden. De premier was begin dit jaar zeer gretig om deadlines te stellen aan de migratiecrisis, daarom vragen de leden van de CDA fractie nu een deadline aan de Minister voor het nakomen van lidstaten van gemaakte afspraken rondom.

Antwoord van het kabinet

De Europese Commissie heeft een goede start gemaakt met het financieren van projecten uit het «Turkey Refugee Facility». Op 4 maart zijn de eerste contracten ter waarde van EUR 77 mln. getekend en op 18 maart zijn de eerste betalingen gedaan. Uw Kamer is op 21 maart jl. via de kabinetsappreciatie bij de mededeling van de Europese Commissie over de implementatie van de EU-Turkije deal geïnformeerd over de financiële stand van zaken (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1112). In totaal zijn vanuit de Faciliteit projecten ter waarde van bijna EUR 190 mln. goedgekeurd waarvan een deel is gecontracteerd. Hiervan is meer dan EUR 93 mln. uitbetaald.

De projecten gefinancierd vanuit de Facility zijn onder te verdelen in humanitaire hulp, onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en socio-economische hulp. Humanitaire hulp is onderverdeeld in drie categorieën: (1) het op korte termijn voortzetten en uitbreiden van bestaande humanitaire ondersteuning door de EU in Turkije, (2) het opzetten van een geïntegreerd «resource transfer system» waarmee vluchtelingen maandelijkse transfers zullen ontvangen om in hun basis behoeften te voorzien, en (3) het ondersteunen van beschermingsactiviteiten en het bieden van specifieke aanvullende hulp. Voor de eerste categorie van humanitaire hulp is de eerste tranche van EUR 90 mln. al goedgekeurd en zal zo snel mogelijk worden gecontracteerd, en de tweede tranche van EUR 165 mln. is voorzien voor juli. De tweede en derde categorie zijn voorzien voor juli en augustus en zullen naar schatting EUR 435 mln. bedragen.

Reeds goedgekeurd / stavaza

Bedrag (in mln. euro)

Mei

 

– Humanitaire hulp 1e categorie.

90

– educatie

40

– verbetering opvang van migranten die vanuit Griekenland naar Turkije zijn teruggestuurd

60

Totaal:

190

Voorzien

Bedrag (in mln. euro)

   

juli

 

– Humanitair 1e categorie

165

– Humanitair 2e en 3e categorie

435

Totaal:

600

Totaal t/m augustus

790

De Europese Commissie zal toezien op de juiste aanwending van de fondsen. Via de stuurgroep, bestaande uit vertegenwoordigers uit alle lidstaten, zullen ook EU-lidstaten, waaronder Nederland, toezicht houden op de besteding van de fondsen. Zowel voor de rechtstreeks gefinancierde projecten als voor projecten in samenwerking met de Turkse overheid (o.m. onderwijs) is sprake van stringente financiële controle. Voorts zullen de Europese Commissie en andere spelers toegang hebben tot de betreffende projecten. Bij deze monitoring kan ook het oordeel van UNHCR worden betrokken.

Volgens de laatste informatie die is gedeeld door de Europese Commissie zijn op 25 april jl. van 20 lidstaten de zogenaamde «contribution certificates» ontvangen, hiermee is 1,63 van de benodigde 2 mld. EUR toegezegd. Door het ondertekenen van deze certificates verbinden de lidstaten zich juridisch tot het betalen van hun «fair share». Nederland heeft half maart zijn certificaat bij de Europese Commissie ingeleverd. In dit document geven lidstaten aan wanneer ze welk deel overmaken van hun afgesproken aandeel. Nederland doet dit evenredig in 2016 en 2017. Nederland zal in zijn hoedanigheid als Raadsvoorzitter andere lidstaten aan blijven sporen zo snel mogelijk de toegezegde bijdragen over te maken.

Om de beoogde terugkeer in goede banen te leiden heeft Frontex verzocht om 1.500 escorts en 50 terugkeerexperts. Daar is nu de helft van het aantal escorts en meer dan de gevraagde terugkeerexperts toegezegd. In antwoord op vragen van de CDA-fractie over de bijdrage van Nederland verwijst het kabinet kortheidshalve naar de brieven van 12 januari jl. en van 30 maart jl. over de inzet van de Nederlandse Border Security Teams in Griekenland.33 Aan het tweede BST team zijn ook twee Nederlandse terugkeerexperts toegevoegd. Op dit moment is het aantal migranten dat in aanmerking komt voor terugkeer beperkt, waardoor Frontex heeft laten weten dat de huidige inzet (318 escorts en 21 terugkeer experts) vooralsnog voldoende is. Daarom wordt ook nu vanuit de BSTs geen bijdrage voorzien aan escortering. Verwacht wordt dat het aantal migranten dat dient terug te keren de komende tijd zal stijgen.

Het kabinet dringt er, vanuit de rol als Voorzitter van Raad van de Europese Unie, voortdurend bij alle lidstaten op aan om hun gedane toezeggingen gestand te doen en te vergroten. Het kabinet acht het niet noodzakelijk om hier deadlines aan te stellen. Bij de lidstaten heerst brede overeenstemming over het belang van deze afspraken en de noodzaak om deze op ordentelijk wijze binnen de Europese en internationale kaders uit te voeren. In dat verband is het ook van belang dat de nodige en toegezegde steun gefaseerd wordt ingezet zodat alle experts op juiste wijze kunnen worden voorbereid.

Overige onderwerpen

Juridische status en beoordeling akkoorden

Gegeven het feit dat diverse internationale organisaties hun ernstige twijfels hebben geuit bij de rechtmatigheid van het migratie-akkoord, vragen de leden van de SP-fractie de regering om haar oordeel over het akkoord in het licht van het VN Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Is de regering er voorstander van om het Europees Hof van Justitie om een appreciatie van het akkoord te vragen?

De leden van de CDA fractie vragen de Minister duidelijkheid te verschaffen over de juridische status van het verdrag. De EU Turkije-deal wordt als verdrag aangeduid. De leden van de CDA fractie vragen de Minister of hij de mening deelt dat wanneer het een verdrag is de leden van de Kamer instemmingsrecht hebben.

Antwoord van het kabinet

Het kabinet heeft steeds gesteld dat de EU-Turkije Verklaring binnen de internationale en Europeesrechtelijke kaders moet worden uitgevoerd.

Zoals ook in het verslag van de RBZ van 26 april gemeld (Kamerstuk 21 501-02 nr. 1607), is het kabinet van mening dat uit de inhoud en de vorm van de Verklaring blijkt dat het niet gaat om een overeenkomst of verdrag tussen de EU en Turkije, waarvoor goedkeuring van het Europees parlement is vereist. De verklaring geeft uitdrukking aan een reeks politieke afspraken tussen de EU en Turkije.

Om dezelfde reden, en vanwege het feit dat de verklaring is afgelegd door de EU en niet door de EU en de lidstaten gezamenlijk, komt nationale parlementaire goedkeuring niet in beeld.

Voor de opvolging van separate onderdelen van de verklaring, zoals steun voor de verbetering van de situatie van vluchtelingen in Turkije, visumliberalisatie en toetredingsonderhandelingen, worden de daarvoor geldende procedures en instrumenten in de EU-verdragen gebruikt. De Kamer wordt hierin op gebruikelijke wijze betrokken. Hiermee wordt dezelfde procedure gevolgd als bij het in het najaar tussen de EU en Turkije overeengekomen actieplan.

De Juridische Dienst van het Europees parlement is dezelfde opvatting toegedaan, zoals bleek tijdens de vergadering van de commissie LIBE (Burgerlijke vrijheden) van het Europees parlement op 10 mei 2016.34

Een adviesaanvraag bij het Hof van Justitie kan volgens art. 218 lid 11 VWEU worden gedaan voor een voorgenomen overeenkomst. In het licht van het bovenstaande is geen sprake van een overeenkomst. Een adviesaanvraag is derhalve niet aan de orde.

Migratieroutes en mensensmokkel

De Europese Commissie stelt dat het business model van mensensmokkelaars wordt gebroken, het aantal vluchtelingen loopt immers terug. De leden van de CDA fractie willen van de Minister weten om hoeveel smokkelaars het gaat welke door Turkije zijn opgepakt en wat er met hen gebeurt. De Europese Commissie geeft bovendien in haar monitoringrapport aan dat alternatieve migratie routes in de gaten worden gehouden en de Europese Commissie snel kan optreden mochten deze alternatieve routes werkelijkheid worden. De leden van de CDA fractie vragen de Minister om welke routes dat dan gaat en welke mandaat de Europese Commissie heeft om snel te reageren? Valt er dan te denken aan nieuwe routes via bijvoorbeeld Georgië, over de zwarte zee of Libië?

Antwoord van het kabinet

Sinds het Gemeenschappelijke EU-Turkije Actieplan van 29 november 2015 heeft Turkije zijn inspanningen om mensensmokkel tegen te gaan aanzienlijk geïntensiveerd. Op basis van het van de door de Commissie gepubliceerde voortgangsrapportages35 is het kabinet bekend dat Turkije in de eerste helft van januari 230 smokkelaars en in februari bijna 700 smokkelaars heeft opgepakt. Zij zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen of wachten hun berechting in hechtenis af.

De Europese Commissie noemt het in de eerste voortgangsrapportage van EU-Turkije Verklaring36 de landgrens Griekenland en Albanië, de Italiaans-Griekse en Albanese zeeroute, de landgrens tussen Turkije en Bulgarije/Griekenland, de Grieks-Bulgaarse landgrens en de centrale Middellandse Zeeroute. Nieuwe migratiestromen via de Zwarte Zee en Oekraïne, de Arctische route (grenzen tussen Finland, Noorwegen en Rusland) en de westelijke Middellandse Zeeroute. Deze routes worden door de Commissie en Frontex van nabij gevolgd. De Europese Commissie heeft tot dusver geen significante verschuivingen van de migratiestromen waargenomen.

De Europese Commissie heeft geen specifiek mandaat gekregen om te reageren op deze routes. In het kader van de bestrijding van de grondoorzaken voert de Europese Commissie mede in het kader van de uitkomsten van de Valletta Top migratiedialogen met verschillende landen van herkomst en is in EU-verband de maritieme operatie SOPHIA ingezet om mensensmokkel te bestrijden. Voorts staat het de Europese Commissie vrij om de lidstaten nieuwe voorstellen te doen.

Hervestigingsprogramma

In paragraaf 4 van het EU Turkije deal wordt gesteld dat: «Once irregular crossings between Turkey and the EU are ending, or at least have been substantially and sustainably reduced, the Voluntary Humanitarian Admission Scheme will be activated. EU Member States will contribute on a voluntary basis to this scheme». Er wordt dus gesproken over een nieuw programma voor hervestigingen. Dergelijk programma zal dan plaatsvinden naast de afgesproken maatregelen omtrent het 1–1 programma. De leden van de CDA fractie vragen de Minister om de details van een dergelijk nieuw hervestigingsprogramma toe te lichten en kan de Minister aangeven of Turkije aan de voorwaarden voor dergelijk hervestigingsprogramma voldoet. De leden van de CDAfractie hebben bovendien enkele vragen over de clausule bij paragraaf 4: wanneer verwacht de Nederlandse regering dat dit onderdeel in werking zal treden? welke landen hebben tot nu toegezegd dat zij zullen meedoen? Hoeveel vluchtelingen zal Nederland maximaal opnemen onder dit onderdeel van het programma? Welke landen nemen op dit moment deel aan het her-locatiemechanisme en welke landen daarin niet participeren?

Antwoord van het kabinet:

Het hervestigingsprogramma waar de CDA-fractie vermoedelijk op doelt, betreft het Vrijwillige Humanitaire Toelatingsprogramma dat voortkomt uit de aanbeveling van de Europese Commissie van 15 december 2015. Uw Kamer is hierover geïnformeerd via een appreciatie van het kabinet. 37 Daarnaast is hier op verschillende momenten over gesproken tijdens de algemene overleggen ter voorbereiding op de JBZ-raden.

Voor het gebruik van dit hervestigingsprogramma bestaan geen voorwaarden waar Turkije aan moet voldoen. Voor de inwerkingtreding van dit programma is geen vast tijdspad afgesproken. Het programma wordt pas geactiveerd wanneer de toestroom vanuit Turkije naar Griekenland significant en duurzaam is gedaald. Vooruitlopend daarop worden wel voorbereidingen getroffen zoals het maken van gestandaardiseerde werkafspraken tussen de EU, UNHCR en Turkije. Deelname aan het programma is vrijwillig. Over de verdere invulling van het programma en deelname daaraan vinden op dit moment intensieve gesprekken plaats.

Op dit moment vindt hervestiging vanuit Turkije, zoals in de afspraken van 18 maart jl. afgesproken, plaats op basis van de een-op-een-systematiek. Daarin wordt ook nauw samengewerkt met UNHCR. Naast Nederland werken meerdere lidstaten, zoals Duitsland, Finland, Litouwen en Zweden hier aan mee en worden doorlopend voorbereidingen getroffen om Syrische vluchtelingen vanuit Turkije naar Europa te hervestigen.

Statistieken

De leden van de CDA-fractie ontvangen graag een aantal statistieken over migranten die in Turkije zijn aangekomen sinds 20 maart: Hoeveel migranten zijn aangekomen in Griekenland vanuit Turkije? Hoeveel migranten hebben de gelegenheid gehad met asiel aan te vragen, hoeveel migranten hebben dat gedaan en hoeveel migranten zijn afgewezen? Hoeveel migranten zijn teruggestuurd naar Turkije en welke nationaliteit hadden zijn? Hoeveel Syrische vluchtelingen uit Turkije zijn onder deze deal naar EU-landen overgebracht. Kunt u hierbij precies aangeven hoeveel vluchtelingen naar welk land zijn overgebracht?

Antwoord van het kabinet:

Sinds 20 maart zijn er circa 7.600 migranten aangekomen op de Griekse eilanden. In het eerste kwartaal van 2016 kwamen er 151.45238 migranten aan in Griekenland.

De Griekse autoriteiten hebben, met steun van de Europese Commissie, een grote en complexe operatie opgezet om de capaciteit voor asielprocedures op de eilanden te vergroten. Exacte cijfers zijn hieromtrent niet te geven. Naar Turkije zijn sinds 4 april 386 migranten teruggestuurd. Het betrof voornamelijk Afghanen, Pakistanen en enkele Syriërs, die vrijwillig terugkeerden of geen asiel wensten aan te vragen.

Sinds 4 april zijn 120 Syrische vluchtelingen hervestigd naar Nederland, Duitsland, Finland, Litouwen en Zweden39.

Verslag reis van Europese leiders naar Turkije

Ten slotte willen de leden van de CDA fractie een verslag van de reis van Tusk, Merkel en Timmermans naar Turkije. Heeft de Nederlandse regering een verslag ontvangen van de reis die EU-leiders aan Turkije gebracht hebben het afgelopen weekend? Zo ja, kan de Nederlandse regering die delen met het Nederlandse parlement en de Nederlandse bevolking?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet heeft geen verslag van deze reis ontvangen.

Uitvoering motie-Voordewind

De leden van de ChristenUnie-fractie wachten nog altijd op een schriftelijke reactie van het kabinet over hoe zij uitvoering zal geven aan de motie-Voordewind over toezicht van de UNHCR op de naleving van het Vluchtelingenverdrag.40 Kan de Minister aangeven hoe er uitvoering is gegeven aan deze motie en of er hierover in Europees verband overeenstemming is bereikt? Kan de Minister aangeven of zij inmiddels in gesprek is getreden met het UNHCR over de vraag op welke wijze zij de naleving van het VN-Vluchtelingenverdrag in Turkije zullen monitoren? Kan de Minister voorts aangeven welke consequenties er zullen volgen voor het migratie-akkoord indien de motie niet uitgevoerd kan worden?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet verwijst naar het verslag van de RBZ van 18 april (Kamerstuk 21 501-02 nr. 1607) waarin uiteen wordt gezet hoe opvolging wordt gegeven aan de motie Voordewind c.s. Zoals aan de Kamer heeft geschreven, interpreteert het kabinet de motie zo dat deze ziet op de bestaande rol en verantwoordelijkheid van UNHCR ter waarborging van de rechten en het welzijn van vluchtelingen op basis van het VN Vluchtelingenverdrag. Het kabinet zal zich ervoor blijven inspannen dat UNHCR zijn rol als hoeder van het VN Vluchtelingenverdrag in Griekenland en Turkije blijft uitoefenen.

Ook op andere manieren zal het kabinet de rol van de UNHCR actief bevorderen in zowel Griekenland als in Turkije. Dit gebeurt onder meer via de vele contacten die plaatsvinden met de UNHCR en met de autoriteiten van beide landen. Zoals hierboven reeds uiteengezet is Turkije met UNHCR overeengekomen om medewerkers van UNHCR toegang te verschaffen tot «removal centres» en om toe te staan dat UNHCR beschermingsprocedures monitort. UNHCR heeft in Griekenland en in Turkije als waarnemer zitting in bezwaarcommissies. Daarnaast heeft UNHCR zijn werkzaamheden hervat in Griekse opvangcentra.

Ten slotte zal Nederland ervoor ijveren dat de input van de UNHCR steeds wordt betrokken bij de rapportages en monitoring van de implementatie van de afspraken tussen de EU en Turkije, die regelmatig plaatsvindt.


X Noot
1

Kamerstuk 19 637 nr. 2030.

X Noot
4

Motie Klaver/Roemer, Kamerstuk 21 501-20, nr. 1105

X Noot
5

Zie o.a. COM(2016) 144 final, SWD(2016) 97 final bij COM(2016) 140 final en SWD (2016) 161 final bij COM(2016) 278 final en European Council on Refugees and Exiles AIDA Country Report: Turkey, 15 December 2015.

X Noot
6

Zie bijvoorbeeld uitspraak van het EHRM in de zaak Babajanov vs. Turkije (no. 78774/13) d.d. 10 mei 2016.

X Noot
7

Zie SWD (2016) 161 final bij COM(2016) 278 final.

X Noot
8

Zie ook SWD (2016) 161 final bij COM(2016) 278 final.

X Noot
9

Kamerstuk 21 501-02 nr. 1607.

X Noot
19

Zie o.a. COM(2016) 144 final, SWD(2016) 97 final bij COM(2016) 140 final en SWD (2016) 161 final bij COM(2016) 278 final.

X Noot
20

SWD (2016) 161 final bij COM(2016) 278 final

X Noot
21

EHRM, M.S.S. t. België en Griekenland, appl. No. 30696/09

X Noot
22

HvJEU, C-411/10 N.S. e.a.

X Noot
26

Kamerstuk 32 317, nr. 407

X Noot
27

Kamerstuk 21 501-20, nr. 1114 en nr. 1112

X Noot
28

Kamerstuk 21 501-20, nr. 1114 en nr. 1112

X Noot
29

Kamerstuk 19 637, nr. 2045

X Noot
31

Onderdeel van de Roadmap is:

Adopt and effectively implement legislation and implementing provisions, in compliance with the EU acquis and with the standards set by the Geneva Convention of 1951 on refugees and its 1967 Protocol, thus excluding any geographical limitation, so as to ensuring the respect of the principle of non-refoulement, taking into account also the European Convention on Human Rights, the possibility to lodge an asylum request and to obtain the refugee status protection or a subsidiary form of protection for any person in need of international protection, and allowing the UNHCR to effectively fulfil its mandate on the Turkish territory without restrictions;

X Noot
33

Kamerstuk 32 317, nr. 379 en 405.

X Noot
35

COM(2016) 144 final d.d. 4 maart 2016 en Annex 1 bij COM(2016) 85 final d.d. 10 februari 2016.

X Noot
36

COM (2016) 231 final d.d. 20 april 2016.

X Noot
37

Zie bijvoorbeeld Kamerstuk 34 370, nr 2 d.d. 8 januari

X Noot
40

Kamerstuk 21 501-20, nr. 1121.

Naar boven