Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201821501-07 nr. 1532

21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken

Nr. 1532 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 juni 2018

Hierbij zend ik u de geannoteerde agenda voor de Eurogroep en Ecofinraad van 12 en 13 juli te Brussel.

In de geannoteerde agenda wordt ook de reactie van het kabinet op het gezamenlijke standpunt van Duitsland en Frankrijk ten aanzien van het CCTB-voorstel gegeven, conform de toezegging aan het lid Snels (GroenLinks) tijdens het plenair debat van 12 juni jongstleden.

Het is mogelijk dat nog punten worden toegevoegd aan de agenda of dat bepaalde onderwerpen worden afgevoerd of worden uitgesteld tot de volgende vergadering.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Geannoteerde agenda ten behoeve van de Eurogroep en Ecofinraad op 12 en 13 juli

Eurogroep

Verdieping EMU

Document: N.v.t.

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Eurogroep zal van gedachten wisselen over de Economische en Monetaire Unie (EMU). Bij het schrijven van deze bijdrage is nog onduidelijk wat er precies zal worden besproken. Dit is afhankelijk van de uitkomst van de Eurotop van 29 juni, waar regeringsleiders ook zullen spreken over de EMU. De voorzitter van de Eurogroep, Mario Centeno, zal tijdens de Eurotop een terugkoppeling geven aan de regeringsleiders over de uitkomst van de discussie in de Eurogroep. Nederland heeft zich er samen met een groep gelijkgestemde lidstaten voor ingezet dat deze terugkoppeling een zo evenwichtig mogelijk beeld geeft van de posities van alle lidstaten.

Hoewel de president van de Europese Raad in december heeft aangegeven dat de prioriteit moet liggen bij het versterken van het ESM en de bankenunie, omdat hier de meeste convergentie van opvattingen over bestaat, heeft een aantal lidstaten aangegeven op korte termijn ook stappen te willen zetten op het gebied van het Europese begrotingsraamwerk, waaronder een stabilisatiefunctie en/of begroting voor de eurozone om asymmetrische schokken op te vangen. De discussie vond plaats in het licht van de Frans-Duitse verklaring van Meseberg van 19 juni jl. die beide Ministers dan ook actief hebben toegelicht in de vergadering. Zoals eerder aangegeven in het verslag van de Ecofin en Eurogroep, wordt onderstaand kort ingegaan op de standpunten die Nederland tijdens de Eurogroep ten aanzien van deze drie onderwerpen (ESM, bankenunie en begrotingsraamwerk) voor het voetlicht heeft gebracht. Nederland zal tijdens de aanstaande Eurogroep en Ecofin deze standpunten blijven uitdragen.

ESM

Ten aanzien van het ESM heeft Nederland aangegeven dat het proces omtrent steunprogramma’s in de toekomst slagvaardiger kan worden ingericht door het ESM te versterken. Het ESM is met de huidige vormgeving enkel verantwoordelijk voor de financiering van programma’s. Het uitonderhandelen en het monitoren van beleidsvoorwaarden is belegd bij de Commissie, die hierover in overleg treedt met de ECB en waar mogelijk met het IMF. Om de effectiviteit omtrent de besluitvorming van steunprogramma’s te vergroten, is Nederland van mening dat het ESM een grotere rol kan spelen bij het uitonderhandelen en monitoren van programma’s. Er was consensus onder lidstaten dat de rol van het ESM kan worden versterkt. Sommige lidstaten wezen erop dat dit niet mag leiden tot een duplicatie van taken. Nederland heeft daarbij aangegeven dat het versterken van het ESM de effectiviteit van programma’s moet vergroten, zonder de zeggenschap van lidstaten aan te passen. Ook andere lidstaten gaven aan te hechten aan behoud van de huidige besluitvormingsprocedures. Daarnaast heeft Nederland het belang van het versterken van het raamwerk voor de ordelijke herstructurering van onhoudbare overheidsschuld onderstreept, zodat verliezen neerslaan bij de partijen die de onderliggende risico’s zijn aangegaan en financiële steun enkel wordt verstrekt aan overheden met houdbare publieke financiën. Er bestaan verschillende opvattingen onder lidstaten over de wenselijkheid hiervan. De voorzitter van de Eurogroep heeft aangegeven dat de Eurogroep de hervorming van het ESM het komende halfjaar verder zal uitwerken. De focus moet daarbij liggen op het instrumentarium, de rol van het ESM bij programma’s, versterking van het raamwerk voor herstructurering van onhoudbare overheidsschuld, en de institutionele vormgeving van het ESM.

Bankenunie

De keuze om het gemeenschappelijk resolutiefonds (SRF) bij het ESM onder te brengen, kon op brede steun rekenen. Ook Nederland heeft aangegeven in principe open te staan voor het onderbrengen van de achtervang voor het gemeenschappelijke resolutiefonds (SRF) bij het ESM. Er lijkt ook een consensus te ontstaan dat ter versterking van het ESM gelijktijdig een aantal andere veranderingen wordt doorgevoerd (zie bovenstaand). Nederland heeft erop ingezet dat het verstrekken van leningen aan de Single Resolution Board (SRB) unaniem wordt goedgekeurd door de Raad van bewind van het ESM. Op die manier houden de lidstaten volledige controle op het functioneren van de gemeenschappelijke achtervang. Dit was nog een punt van discussie. Voor de omvang van de achtervang moet enerzijds gekeken worden naar het doel van de achtervang. De achtervang moet de SRB in staat te stellen haar taken te volbrengen als het SRF tekortschiet. Anderzijds dient de achtervang op middellange termijn neutraal te zijn voor de begrotingen van lidstaten. Nederland heeft daarom benadrukt dat leningen aan de SRB dus beperkt moeten blijven tot wat met behulp van de heffingen op banken kan worden teruggevorderd. Deze opvatting werd gedeeld door verschillende andere lidstaten.

Wat betreft het moment van invoering van de achtervang heeft Nederland aangegeven vast te houden aan de routekaart uit 2016. Op basis van de routekaart uit 2016 kan de achtervang eerder dan eind 2023 operationeel worden na voltooiing van de maatregelen inzake risicoreductie. Voor het eerder dan 2023 operationeel worden van de achtervang moet wat het kabinet betreft, in lijn met moties van de Kamer, ook sprake zijn van bewezen risicoreductie.1 Deze insteek werd gedeeld door veel andere lidstaten. Sommige lidstaten hebben de wens uitgesproken om bij het eerder dan eind 2023 activeren van de achtervang het intergouvernementele verdrag aan te passen waarin afspraken zijn gemaakt over de afdrachten aan het SRF en de risicodeling binnen het SRF, ook wel de IGA (Intergovernmental Agreement) genoemd. Nederland heeft aangegeven dat aanpassing van de IGA geen onderdeel is van de routekaart uit 2016.

Nederland heeft aangegeven dat het Europees depositogarantiestelsel (EDIS) het sluitstuk is van de bankenunie. In de routekaart is afgesproken dat onderhandelingen op politiek niveau van start gaan zodra vooruitgang is geboekt met de maatregelen inzake risicoreductie. Indien er wordt gesproken over EDIS, wil Nederland parallel ook spreken over een betere prudentiële behandeling van staatsobligaties op bankbalansen. Nederland heeft benadrukt dat een goede weging van de risico’s op staatsobligaties dient te worden gerealiseerd voordat via een EDIS risico’s gedeeld kunnen worden. Aan verdere risicodeling via EDIS verbindt Nederland tevens de voorwaarde dat de bankensector in elke lidstaat gezond moet zijn. Hiervoor heeft Nederland het idee van een nieuwe gezondheidstoets (asset quality review, AQR) uitgedragen.2 Op basis van een toets kan de toezichthouder een oordeel vellen over de gezondheid van individuele banken. Er is in de Eurogroep opnieuw uitgesproken dat conform de routekaart uit 2016, risicoreductie en risicodeling in de juiste volgorde dienen plaats te vinden, ook wanneer verder gekeken wordt naar de start van politieke besprekingen.

Ook is kort gesproken over liquiditeit na resolutie van banken. De eerste ervaringen met het gemeenschappelijke resolutiemechanisme hebben ertoe geleid dat in een technische ambtelijke werkgroep met de EU-lidstaten gekeken wordt naar de beschikbaarheid van liquiditeit van banken na resolutie. Nederland heeft erop gewezen dat deze discussie in den brede moet worden bekeken en dat er niet op bepaalde oplossingen moet worden voorgesorteerd.

Tot slot had uw Kamer tijdens het AO Eurogroep/Ecofin (AO d.d. 14/06) nog vragen over het verdere proces naar aanleiding van het Raadsakkoord op het bankenpakket. Dit pakket omvat onder andere de buffers voor bail-in (MREL) en de leverage ratio. Hierop heeft inmiddels ook het Europees Parlement zijn positie bepaald. De triloog onderhandelingen zullen binnenkort dan ook aanvangen. De voorzitter van de Raad van de EU voert namens de Raad deze onderhandelingen met het Europees Parlement. Vanaf juli is dit Oostenrijk. De ambitie is om op dit pakket eind 2018 een akkoord te bereiken. De inzet van Nederland is dat de risicoreductie die bereikt werd met het gehele pakket uit mei zo veel mogelijk behouden blijft. Ik zal uw Kamer informeren wanneer op dit pakket belangrijke ontwikkelingen zijn.

Begrotingsraamwerk

Verschillende lidstaten hebben tijdens en voorafgaand aan de Eurogroep aangegeven voorstander te zijn van een begrotingscapaciteit voor de eurozone om asymmetrische economische schokken op te vangen. Dat geldt ook voor Frankrijk en Duitsland in hun gezamenlijke verklaring van 19 juni jl. Nederland heeft in de Eurogroep uitgedragen dat de focus moet liggen op de bankenunie en het ESM, in lijn met de oproep van de voorzitter van de Europese Raad. Nederland heeft – conform de kabinetspositie zoals gecommuniceerd aan de Kamer in de brief over de toekomst van de EMU3 en in de kabinetsreactie op het AIV-advies «Is de Eurozone stormbestendig»4 – aangegeven geen voorstander te zijn van een stabilisatiefunctie voor de eurozone en gewezen op de verantwoordelijkheid van lidstaten om hun eigen huis op orde te brengen, omdat sterkere lidstaten een sterkere monetaire unie als geheel betekenen. Diverse andere lidstaten hebben hun twijfels geuit over nut en noodzaak van een separate eurozonebegroting. De Eurogroepvoorzitter heeft aangegeven regeringsleiders op dit punt om guidance te vragen.

Fiscal stance Eurozone

Document: N.v.t.

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

Om de fiscal stance vast te stellen, kijkt de Commissie naar de ontwikkeling van het structureel saldo voor de eurozone als geheel. Als deze verslechtert, dan is de fiscal stance expansief. Als het structureel saldo verbetert, is de fiscal stance juist restrictief. De Commissie voorspelt dat de fiscal stance in 2019 slightly expansionary zal zijn op basis van haar lenteraming en de plannen van de lidstaten. De Commissie oordeelt dat een broadly neutral fiscal stance passend zou zijn voor 2019. Dit kan volgens de Commissie worden bereikt door een gedifferentieerd begrotingsbeleid, waarbij lidstaten met relatief hoge schuldenniveaus hun economische buffers verhogen en schuld verlagen, terwijl lidstaten met begrotingsruimte deze ruimte benutten door extra te investeren. Daarnaast stelt de Commissie vast dat er sprake zou zijn van een restrictieve fiscal stance in 2019 indien lidstaten zich zouden houden aan de eisen in het SGP.

Op 18 juni is ook een paper van de European Fiscal Board (EFB) uitgebracht over de fiscal stance van de eurozone. Het is de tweede keer dat de EFB een dergelijk paper heeft gepubliceerd. De EFB komt tot de conclusie dat een somewhat restrictive fiscal stance passend zou zijn voor 2019. De EFB pleit daarom ook voor de nodige budgettaire bijsturing van lidstaten om een lichte restrictieve fiscal stance te bereiken op basis van de voorspelling dat de economische groei boven de potentiele groei zal uitkomen in 2019.

Het kabinet is geen voorstander van het concept van een fiscal stance voor de gehele Eurozone en vindt dat de eisen uit het SGP voor individuele lidstaten leidend moeten zijn. Daarnaast is het kabinet van mening dat de aantrekkende economie aangegrepen moet worden voor het afbouwen van schulden en het opbouwen van buffers.

Zomerraming Commissie

Document: Nog niet beschikbaar

Aard bespreking: Presentatie

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Europese Commissie zal haar tussentijdse zomerraming presenteren. Deze was op moment van schrijven nog niet gepubliceerd. De Europese Commissie is vanaf dit jaar teruggevallen op het publiceren van twee uitgebreide voorspellingen (lente en herfst) en twee tussentijdse voorspellingen (winter en zomer), in plaats van de drie uitgebreide voorspellingen in de winter, lente en herfst die ze elk jaar sinds 2012 hebben opgesteld. De tussentijdse prognoses hebben betrekking op het bbp en de inflatie op jaar- en kwartaalbasis voor het lopende jaar en de daaropvolgende jaren voor alle lidstaten en de eurozone, alsook voor EU-gemiddelden.

Ierland-Post Programme Surveillance

Document: Nog te publiceren. Persbericht: https://ec.europa.eu/info/news/economy-finance/statement-european-commission-and-ecb-staff-following-conclusion-ninth-post-programme-surveillance-mission-ireland-2018-may-18_en

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

Ierland heeft van 2011 tot eind 2013 financiële steun ontvangen van het IMF en de Europese Commissie. Met enige regelmaat voeren de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank post programma surveillance (PPS) missies naar Ierland uit. Tijdens de Eurogroep van juli zullen zij de Eurogroep informeren over de uitkomsten van de 9e PPS missie, die plaatsvond van 14–18 mei jongstleden.

Het voornaamste doel van PPS is te beoordelen of de lidstaat in kwestie voldoende capaciteit heeft om EU/IMF-leningen terug te betalen en indien nodig aanbevelingen te doen. In hun verklaring komen de Europese Commissie en de ECB tot het volgende oordeel:

  • Binnenlandse economische activiteit blijft naar verwachting robuust op de korte termijn, maar risico’s blijven bestaan. Deze risico’s beslaan onder meer de impact van Brexit en tekorten op de woningmarkt.

  • De overheidsfinanciën verbeteren. Naar verwachting zullen tekorten in de nabije toekomst verder afnemen. Enige risico’s wat betreft de volatiliteit van belastinginkomsten blijven wel bestaan.

  • Non-performing loans (NPL’s) blijven een aandachtspunt voor banken en toezichthouders. Wel blijft het aantal NPL’s teruglopen, onder meer door stijgende vastgoedprijzen.

  • Prijzen op de woningmarkt stijgen verder als gevolg van een gebrek aan aanbod. Huurprijzen zijn momenteel boven het niveau van 2008. Recente overheidsmaatregelen kunnen het aanbod vergroten, mits ze snel en efficiënt worden uitgevoerd.

Het kabinet kan zich vinden in de bevindingen van de instellingen.

Spanje-Post Programme Surveillance

Document: Nog te publiceren. Persbericht: https://ec.europa.eu/info/news/economy-finance/statement-european-commission-and-ecb-staff-following-conclusion-ninth-post-programme-surveillance-mission-ireland-2018-may-18_en

Aard bespreking: Toelichting

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De eurogroep zal een terugkoppeling ontvangen over de vierde missie naar Spanje in het kader van post-programma surveillance (PPS), die plaatsvond van 9–10 april jongstleden. Het doel van PPS is het verkleinen van het risico dat een land dat steun heeft ontvangen terugvalt op «oud beleid». De voornaamste bevindingen van de missie waren positief. De economie laat een robuuste groei zien. Banken verbeterden hun winstgevendheid en verhoogden hun kapitaalbuffers, en het aandeel non-performing loans (NPL’s) daalde tot dichtbij het EU-gemiddelde. De hoge private en publieke schuldlast en de hoge werkloosheid blijven wel kwetsbaarheden. De instellingen (ECB, ESM en Europese Commissie) wijzen erop dat Spanje zijn groeipotentieel moet vergroten en de productiviteitgroei moet verhogen. Spanje moet daarnaast de gunstige economische omstandigheden aangrijpen om budgettair te consolideren met oog op het verlagen van de overheidsschuld en het opbouwen van buffers. Het kabinet kan zich vinden in de bevindingen van de instellingen.

Ecofinraad

Btw algemene verleggingsregeling

Document: Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG Betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: Unanimiteit

Toelichting:

Tijdens de Ecofin worden lidstaten verzocht van gedachten te wisselen over het voorstel voor een tijdelijke toepassing van een algemene verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel. Dit dossier heeft lange tijd stil gelegen na een blokkade in Ecofin van juni 2017. Tijdens de Ecofin van mei is de discussie heropend. Het Oostenrijkse voorzitterschap wil de bespreking graag voortzetten, naar aanleiding van een verzoek van Tsjechië. Nederland juicht voortzetting van de bespreking toe en staat net als de overgrote meerderheid van lidstaten positief ten opzichte van het voorstel. De verwachting is echter dat net als tijdens de Ecofin in mei de eerdere blokkade nog niet is opgeheven. Officieel werd in mei aangevoerd dat er zorgen zijn over de uitvoering en dat de pilot een belemmering zou kunnen zijn voor het invoeren van het definitieve btw-systeem. De indruk bestaat echter dat de oorzaak voor de blokkade is dat er een koppeling wordt gemaakt met de onderhandelingen over het voorstel over e-publications.

In het kader van de strijd tegen btw-carrouselfraude wordt het voor lidstaten die aan bepaalde voorwaarden voldoen mogelijk gemaakt, via een derogatieverzoek, tijdelijk een algemene verlegging van verschuldigde btw naar de afnemer van de levering of dienst in het binnenland toe te passen. Met dit voorstel wordt het voor lidstaten mogelijk de verschuldigde btw op binnenlandse diensten en levering tussen ondernemers te verleggen naar de afnemer van die prestatie. Bij de toepassing van deze algemene verleggingsregeling zal, bij B2B (Business to Business) leveringen en diensten, geen sprake meer zijn van een gefractioneerde betaling, maar zal de gehele btw-afdracht plaatsvinden door de laatste schakel in de keten, die levert aan de (particuliere) eindconsument. Op dit moment is het al mogelijk de verleggingsregeling toe te passen in bepaalde fraudegevoelige sectoren. Met dit voorstel wordt deze verleggingsregeling uitgebreid naar alle binnenlandse leveringen van goederen en diensten met een factuurbedrag boven de 10.000 euro.

Nederland steunt het voorstel om lidstaten de mogelijkheid te bieden tijdelijk een algemene verleggingsregeling te hanteren. Het voorstel biedt lidstaten die zeer ernstige btw-carrouselfraude ondervinden en geen andere mogelijkheid hebben dit goed te beteugelen naar verwachting een effectieve maatregel. Nederland is vooralsnog zelf niet van plan in te zetten op deze vorm van fraudebestrijding, maar is geïnteresseerd in de effecten daarvan in lidstaten die de maatregel wel willen inzetten, zoals Tsjechië. Nederland heeft sinds 2007 tot nu toe verzoeken om een pilot van lidstaten voor het invoeren van een algehele verlegging gesteund onder de voorwaarden dat de pilot gepaard gaat met vergaren van informatie over verschuiving van de fraude en hoe het toezicht kan worden vormgegeven om afdracht van belastingen te verzekeren.

Presentatie van het Werkprogramma van het voorzitterschap

Document: Het werkprogramma is te vinden op: https://www.eu2018.at/

Aard bespreking: Presentatie

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De tweede helft van 2018 is Oostenrijk de voorzitter van de Raad. In de Ecofinraad geeft Oostenrijk prioriteit aan het agenderen van de voltooiing van de bankenunie, het verder ontwikkelen van de kapitaalmarktunie, het verdiepen en versterken van gecoördineerd economisch beleid en het vergroten van efficiëntie ten aanzien van belastingen. Het volledige programma is te vinden op de website van het Oostenrijkse voorzitterschap5. Nederland kan zich in algemene zin vinden in de beleidsprioriteiten van het Oostenrijkse voorzitterschap.

Follow-up ER

Document: ER-conclusies; na de ER van 29 juni openbaar gemaakt

Aard bespreking: Gedachtewisseling

Besluitvormingsprocedure: N.v.t.

Toelichting:

De Ecofinraad zal van gedachten wisselen over zaken die besproken worden op Europese Raad van 29 juni, waar regeringsleiders ook zullen spreken over de Economische Monetaire Unie (EMU). Bij het schrijven van deze bijdrage is nog onduidelijk wat er precies zal worden besproken. De voorzitter van de Eurogroep, Mario Centeno, zal tijdens de Eurotop een terugkoppeling geven aan de regeringsleiders over de uitkomst van de discussie in de Eurogroep. Nederland heeft zich er samen met een groep gelijkgestemde lidstaten voor ingezet dat deze terugkoppeling een zo evenwichtig mogelijk beeld geeft van de posities van alle lidstaten. Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij het agendapunt «Verdieping EMU», dat op de Eurogroepagenda staat.

Voorbereiding G20 vergadering 19 en 20 maart

Document: EU Terms of Reference for the G20 Finance and Central Bank Ministerial and Central Bank Governors meeting 21–22 July 2018

Aard bespreking: Aanname EU Terms of Reference.

Besluitvormingsprocedure: Gekwalificeerde meerderheid

Toelichting:

Op 21 en 22 juli vindt onder Argentijns voorzitterschap in Buenos Aires de G20 vergadering voor Ministers van Financiën en Centrale Bankpresidenten plaats. De voorbereiding van de EU-inbreng wordt vooraf gecoördineerd middels een Terms of Reference (ToR).

In de ToR roept de EU de G20 op om de positieve economische vooruitzichten te gebruiken om de economische risico’s voor de toekomst aan te pakken, waarbij de aandacht zou moeten verschuiven naar het opnieuw opbouwen van financiële buffers en het waarborgen van langetermijngroei. De EU verwelkomt de prioriteit van het Argentijnse G20 voorzitterschap ten aanzien van de financiering van infrastructuur.

De EU benadrukt het belang van een open wereldeconomie en het belang van rules based multilateralisme. Ook benadrukt de EU dat het van belang is om voortgang te boeken met de implementatie van financiële regelgeving. Daarnaast wordt opgeroepen tot voortgang van het werk van de Financial Stability Board (FSB)op het gebied van cybersecurity en de uitdagingen die voortvloeien uit technologische veranderingen zoals crypto-assets. De EU roept daarnaast de G20 op om de hoogste prioriteit te geven aan het vinden van oplossingen voor de belasting van de digitale economie. Op het gebied van internationale belastingen is het tevens van belang dat de G20 het werk ten aanzien van fiscale transparantie intensiveert en dat het onder het Turks voorzitterschap omarmde Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) raamwerk wordt geïmplementeerd en gemonitord.

Nederland kan zich goed vinden in deze EU-inzet. Nederland zal verder conform de kamerbrief over de G20 van 1 december 2017 jongstleden6 aandacht vragen voor de reductie van schulden en inclusieve groei met behulp van structurele hervormingen.

Reactie kabinet op Duits-Frans gezamenlijke standpunt over het CCTB-voorstel (19 juni 2018)

Het Kamerlid Snels heeft tijdens het plenair debat van 21 juni jl. verzocht om een schriftelijke reactie op het gezamenlijke standpunt van Duitsland en Frankrijk over het CCTB-voorstel. Verder is besloten om dit onderwerp te behandelen tijdens het AO Eurogroep en Ecofinraad van 5 juli a.s. Hieronder wordt nader ingegaan op het gezamenlijke Duits-Franse standpunt.

In de zogenoemde Meseberg-verklaring7 zetten Duitsland en Frankrijk een gezamenlijke standpunt uiteen wat betreft de toekomst van de EU. In deze verklaring wordt aangegeven dat Duitsland en Frankrijk een akkoord hebben gesloten over een gezamenlijke positie8 ten aanzien van het voorstel van de Europese Commissie voor een gemeenschappelijke grondslag voor de vennootschapsbelasting9 (hierna: CCTB). Het doel van deze gezamenlijke positie is tweeledig, enerzijds willen zij de diepgaande samenwerking over de gehele linie tussen lidstaten van de Europese Unie bevorderen en anderzijds willen dat het CCTB voorstel zo snel mogelijk door de lidstaten wordt aangenomen.

De Meseberg-verklaring heeft geen directe impact op de behandeling van het voorstel binnen de EU. Dat komt onder andere omdat unanimiteit tussen de lidstaten is vereist en diverse landen (waaronder Nederland) sceptisch tegenover dit voorstel staan. Sinds het oorspronkelijke CCCTB-voorstel van 201110 worden uitgebreide discussies gevoerd. Overigens is destijds ook door Duitsland en Frankrijk in een green paper over Duits-Franse samenwerking op het gebied van vennootschapsbelasting gepubliceerd11 zonder dat er een akkoord op EU-niveau is bereikt.

Op dit moment zijn de onderhandelingen inzake het CCTB-voorstel en het nieuwe CCCTB-voorstel12 opgeschort om lidstaten de mogelijkheid te bieden om door middel een eigen impact assessment meer inzicht te krijgen in de financiële effecten van de voorstellen. Hoewel Duitsland en Frankrijk aangeven dat zij lidstaten willen verenigen om zo snel mogelijk het CCTB voorstel aan te nemen, wordt er geen concrete termijn of datum in de Meseburg verklaring voorgesteld, terwijl dit wel het geval is voor de voorstellen inzake de belastingheffing van de digitale economie.

Nederland is zoals bekend zeer terughoudend met betrekking tot het CCTB-voorstel. Het kabinet en beide Kamers hebben de subsidiariteit en proportionaliteit van het voorstel negatief beoordeeld. De belangrijkste bezwaren zijn de inperking van de fiscale soevereiniteit, de twijfels van het kabinet of het voorstel effectief belastingontwijking bestrijdt, de toename in complexiteit van de winstbelastingen in Nederland en zeer forse uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst.13

Op inhoudelijk vlak lijken er door Duitsland en Frankrijk enige stappen te zijn gemaakt. Desalniettemin lijkt er vooral sprake te zijn van een herhaling van al bekende standpunten. Zo spreken Duitsland en Frankrijk op het gebied van anti-misbruik maatregelen hun voorkeur uit voor een zogenoemde switch-over rule en een minimum belastingtarief. Tijdens de onderhandelingen van de anti-tax avoidance directive14 (hierna: ATAD-richtlijn) hebben Duitsland en Frankrijk hier ook op ingezet. Voor beide maatregelen was echter te weinig steun, zodat deze uiteindelijk in de aangenomen richtlijn niet zijn opgenomen. Voorts zijn Duitsland en Frankrijk tegen het opnemen van specifieke belastingvoordelen, zoals het fiscaal stimuleren van speur- en ontwikkelingswerk, of een extra aftrekpost voor groei en investeringen. Zoals in het BNC-fiche is aangegeven, is het Nederlandse kabinet een voorstander van het fiscaal stimuleren van speur- en ontwikkelingswerk.15 De aftrek voor groei en investeringen zoals voorgesteld door de Europese Commissie is afhankelijk van de mutatie van het eigen vermogen. Hoewel het kabinet geen voorstander is van de voorgestelde maatregel in het CCTB-voorstel onderschrijft het kabinet wel het doel van de bepaling om tot een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen te bewerkstelligen.16

Verder is het onduidelijk of Duitsland en Frankrijk bij voorbaat akkoord gaan met de onderdelen zoals opgenomen in het CCTB-voorstel waarover het gezamenlijk standpunt geen opmerkingen over maakt. In dit kader is het voor Nederland bijvoorbeeld van belang dat dotaties aan een pensioenvoorziening aftrekbaar zijn van de winst. Duitsland en Frankrijk verschillen op dit punt qua wetgeving. Zo is aftrekbaarheid van pensioenbijdrages niet mogelijk in Frankrijk.

Opmerkelijk is tot slot dat Duitsland en Frankrijk geen voorstander lijken te zijn van de in het voorstel opgenomen bevoegdheid voor de Europese Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen. Dit omdat zij van mening zijn dat alle materiële regelgeving direct in de richtlijn moet worden opgenomen. Ten aanzien van dit voorstel is Nederland een voorstander van een heldere afbakening van het werkterrein van gedelegeerde handelingen om zo mogelijke onderhandse soevereiniteitsuitholling tegen te gaan. Maar als lidstaten akkoord gaan met deze richtlijn en dus met de overdracht van bevoegdheden aan de Commissie, dan zijn gedelegeerde handelingen wel nodig om de zogenaamde niet essentiële onderdelen van de vastgestelde richtlijn te kunnen wijzigen en aan te vullen. Concreet kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het precies vaststellen van de categorieën van vaste activa die aan afschrijving onderhevig zijn.

Al met al lijkt het gezamenlijke standpunt van Duitsland en Frankrijk over de CCTB eerder te gaan over een gedeeltelijk standpunt dan over een allesomvattend standpunt en kan dit document eerder worden opgevat als een politiek signaal van Duitsland en Frankrijk dat zij warme voorstander zijn van verdere verdieping van de Europese Unie en een impuls willen geven aan de discussie over de CCTB op EU niveau. De gezamenlijke standpunten zullen de insteek zijn van beide landen tijdens de verdere behandeling van de CCTB op EU-niveau, terwijl de andere landen (waaronder Nederland) hun eigen standpunten in zullen brengen.


X Noot
1

Kamerstuk 21 501-20, nr. 1292.

X Noot
2

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1472.

X Noot
3

Kamerstuk 21 501-20, nr. 1262.

X Noot
4

Kamerstuk 21 501-20, nr. 1263.

X Noot
6

Kamerstuk 32 429, nr. 3.

X Noot
9

Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB), Brussel, COM (2016) 685 final.

X Noot
10

Voorstel voor Richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag (CCCTB), Brussel, COM (2011) 121/4.

X Noot
11

Grünbuch der Deutsch-Französischen Zusammenarbeit – Konvergenzpunkte bei der Unternehmensbesteuerung, http://www.france-allemagne.fr/IMG/pdf/120206_Livre_vert_convergece_fiscale.pdf.

X Noot
12

Voorstel voor Richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag (CCCTB), Brussel, COM (2016) 683 final.

X Noot
13

Zie verder het BNC-fiche inzake het CCTB-voorstel: Kamerstuk 34 604, nr. 4.

X Noot
14

Richtlijn tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, Richtlijn 2016/1164, 12 juli 2016, PbEU L 193/3.

X Noot
15

Kamerstuk 34 604, nr. 4, p. 8–9.

X Noot
16

Kamerstuk 34 604, nr. 4, p. 9.