Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201821501-07 nr. 1501

21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken

Nr. 1501 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 maart 2018

Hierbij zend ik u het verslag van de Eurogroep en Ecofinraad van 12 en 13 maart 2018 te Brussel.

Verder wordt met dit verslag opvolging gegeven aan twee verzoeken die tijdens het AO Ecofin van 8 maart jl. aan uw Kamer zijn toegezegd. Allereerst, het verzoek van het lid Van Dijck (PVV) om een overzicht van de blootstelling van de Nederlandse overheid aan Griekenland. Dit is opgenomen bij het Eurogroepverslag over Griekenland. Ten tweede, de toezegging om uw Kamer te informeren over de afspraken die eerder zijn gemaakt ten aanzien van de gemeenschappelijke achtervang (backstop) voor het Single Resolution Fund (SRF). Dit is opgenomen bij het Eurogroepverslag Voorbereiding Eurotop maart.

Daarnaast wordt door middel van dit verslag uw Kamer geïnformeerd over de Nederlandse reactie op een discussiedocument van het Bazel Comité waarin wordt ingegaan op de prudentiële omgang met risico’s op overheden op bankbalansen. Een kort stuk hierover is opgenomen bij het Eurogroepverslag Voorbereiding Eurotop maart en de volledige reactie is toegevoegd als bijlage1.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Verslag Eurogroep en Ecofinraad van 12 en 13 maart 2018 in Brussel

Eurogroep

Griekenland

In de Eurogroep hebben de instellingen (Europese Commissie, ECB en IMF) aangegeven dat Griekenland voldaan heeft aan het pakket aan prior actions dat doorgevoerd moest worden voor de afronding van de derde voortgangsmissie. De laatste twee prior actions die de vorige Eurogroep nog openstonden zijn nu ook afgerond: (i) het tekenen van een presidentieel decreet voor de afronding van de herontwikkeling van het Hellenikon vliegveld; en (ii) de continue en ononderbroken uitvoering van elektronische veilingen van onderpand. Het kabinet heeft uw Kamer op 29 januari reeds hiervan op de hoogte gesteld.2

Nu de prior actions voor de afronding van de derde voortgangsmissie geïmplementeerd zijn, kan overgegaan worden tot uitkering van een volgend leningdeel van het ESM-programma. De Raad van Bewind van het ESM zal formeel besluiten over het verstrekken van dit leningdeel. Een datum daarvoor is nog niet vastgesteld, maar zal naar verwachting op korte termijn plaatsvinden. Het ESM heeft een voorstel gedaan voor een leningdeel van 6,7 miljard euro, verdeeld over twee uitkeringen van 5,7 miljard euro en 1,0 miljard euro. Het tweede deel zal pas uitgekeerd worden als de Griekse overheid haar betalingsachterstanden voldoende heeft teruggebracht.

Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 29 januari 20183 is het kabinet voornemens om op basis van de voortgangsrapportage en verificatie door de Eurogroup Working Group (EWG) dat alle prior actions geïmplementeerd zijn, in de Raad van Bewind van het ESM in te stemmen met het verstrekken van een volgend leningdeel. Daarbij zal de Raad van bewind van het ESM ook gevraagd worden om in te stemmen met een amendement in het Financial Assistance Facility Agreement (FFA) met Griekenland waarin het privatiseringfonds HCAP, dat nu volledig operationeel is, als partij wordt toegevoegd aan het FFA.

Ook is in de Eurogroep kort gesproken over de vierde voortgangsmissie. Deze kent 88 prior actions en dit zijn tevens de laatste prior actions in het kader van het ESM-programma voor Griekenland.

De instellingen koppelden terug van hun missie naar Athene die in de week van 26 februari plaatsvond. Daaruit bleek dat Griekenland voorbereidingen treft voor de implementatie van de laatste prior actions.

Toezegging over een overzicht van de Griekse schulden

Het lid Van Dijck (PVV) vroeg tijdens het AO Ecofin van 8 maart jl. om een overzicht van de blootstelling van de Nederlandse overheid aan Griekenland. De miljoenennota bevat een overzicht van deze blootstelling. Onderstaande tabel laat een geactualiseerd overzicht zien.

Uitstaande leningen steunfondsen aan Griekenland, in EUR mrd euro

(Nederlands aandeel tussen haakjes)

Bilaterale leningen

52,9 (3,2)

EFSF

130,9 (8,0)

ESM

38,2 (2,2)

IMF

10,7

Het lid Van Dijck vroeg ook naar de Griekse overheidsschuld in reële termen in het kader van al genomen en mogelijke toekomstige schuldmaatregelen. Zoals ik tijdens het AO heb aangegeven is het zeer complex om een zuiver overzicht te geven van de netto contante waarde van de Griekse schuld, omdat hierbij rekening gehouden moet worden met inflatie- en renteprojecties over een lange looptijd. Het ESM heeft getracht om in haar jaarverslag van het jaar 20154 en 20165 een inschatting te maken van de netto contante waarde van de doorgevoerde schuldmaatregelen. Uw Kamer is eerder over de genomen schuldmaatregelen in 2011, 2012 en 2017 geïnformeerd.6 Deze maatregelen hadden als doel om de houdbaarheid van de Griekse schuld te verbeteren.

Voorop staat dat de schuldmaatregelen die genomen zijn en mogelijk nog genomen gaan worden niet leiden tot afschrijving van de nominale hoofdsom en dat Griekenland een rente over haar lening blijft betalen waarmee minimaal de financieringskosten van de crediteuren worden vergoed.

De Eurogroep heeft ditmaal niet inhoudelijk gesproken over de mogelijke nieuwe schuldmaatregelen om de houdbaarheid van de Griekse schuld te ondersteunen. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 29 januari7 heeft de Eurogroep op 15 juni jl. opnieuw bevestigd dat men bereid is om aan het einde van het programma, op voorwaarde dat het programma volledig is uitgevoerd, mogelijke nieuwe schuldmaatregelen in te zetten. De Eurogroep van 22 januari jl. heeft bevestigd dat de EWG technisch werk kan uitvoeren aan een groeimechanisme om de herprofilering van EFSF-leningen aan de groeirealisaties van de Griekse economie te koppelen. Deze schuldmaatregelen aan het einde van het Griekse ESM-programma kunnen alleen plaatsvinden als het programma succesvol is afgerond en als schuldmaatregelen daadwerkelijk noodzakelijk zijn. Dit komt ook terug in de Eurogroep statements van mei 2016, juni 2017 en januari 2018.

Voorbereiding van internationale vergaderingen: inflatie- en wisselkoersontwikkelingen

De Europese Commissie heeft de ontwikkelingen op het gebied van de inflatie in de eurozone en de wisselkoers van de euro toegelicht. De inflatie in de eurozone ontwikkelt zich in een gematigd tempo. De bespreking in de Eurogroep diende ter voorbereiding van een aantal aankomende internationale bijeenkomsten zoals de G7 en de voorjaarsvergadering van het IMF, waar tevens de wisselkoersontwikkeling van de euro en andere valuta zal worden besproken.

Voorbereiding Eurotop Maart

In de Eurogroep is een discussie gehouden ter voorbereiding van de Eurotop van 23 maart. Dan spreken de regeringsleiders over de verdieping van de Economische en Monetaire Unie (EMU) – ter opvolging van de Eurotop van 15 december 2017 (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1281). Op de Eurotop van december concludeerde voorzitter Tusk dat de Ministers van Financiën zich in de eerste helft van 2018 zouden moeten concentreren op de onderwerpen waarover het meeste overeenstemming bestaat. Daarbij heeft hij de Bankenunie en de transformatie van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) in een Europees Monetair Fonds (EMF) benoemd. De afgelopen Eurogroepen was er steun om op deze onderwerpen het werk voort te zetten. Na de Eurotop van maart zal er in juni een volgende Eurotop plaatsvinden.

Nederland heeft aangegeven de vervolmaking van de Bankenunie en de routekaart hiervoor te steunen. Daarbij is het wel van belang dat voldoende risicoreductie plaatsvindt voordat overgegaan kan worden tot verdere risicodeling. Zo moeten afspraken gemaakt worden over adequate buffers voor bail-in. Ook is een goede risicoweging van staatsobligaties op bankbalansen nodig voordat via een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS) risico’s verder worden gedeeld. Naar mening van het kabinet past dit binnen de kaders van de routekaart. Voor de gezondheid van banken is het verder van belang dat sommige banken hun huidige hoeveelheid niet-presterende leningen (NPLs) aanpakken alsook zorgen dat in de toekomst de opbouw van nieuwe NPLs zo laag mogelijk blijft. Nederland heeft ook aangegeven voordelen te zien in het beter meetbaar en zichtbaar maken van risicoreductie.

Ten aanzien van het doorontwikkelen van het ESM heeft Nederland aangegeven dat het een goed idee is om het ESM verder te ontwikkelen op het gebied van programmamanagement en dat het intergouvernementele karakter dient te worden gewaarborgd waarbij besluitvorming bij de lidstaten blijft. Ook dient volgens Nederland het ontwikkelen van het ESM gepaard te gaan met het verder ontwikkelen van het raamwerk voor de ordelijke herstructurering van onhoudbare overheidsschulden. Verder vindt Nederland besluitvorming over het onderbrengen van een achtervang voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (SRF) bij het ESM prematuur. Nederland heeft daarnaast duidelijk gemaakt geen voorstander te zijn van een begrotingscapaciteit voor de Eurozone (fiscal capacity). Nederland is niet overtuigd van de noodzaak van een dergelijk instrument.

In de Eurogroep was brede steun voor de vervolmaking van de Bankenunie. Meerdere lidstaten gaven aan dat vastgehouden dient te worden aan de afspraken en volgordelijkheid uit de routekaart8. De routekaart bevat onder andere de afspraak dat eerst voldoende vooruitgang moet worden gerealiseerd op de maatregelen inzake risicoreductie voordat onderhandelingen op politiek niveau over het oprichten van een EDIS van start gaan. Een aantal lidstaten gaf aan dat volgens hen risicoreductie hand in hand dient te gaan met risicodeling. Verschillende andere lidstaten benoemden dat op het gebied van risicoreductie al veel stappen zijn gezet. Daarnaast gaven veel lidstaten aan er voor te zijn dat het ESM een sterkere rol krijgt bij het ontwikkelen en monitoren van programma’s. Ook spraken in de Eurogroep verschillende lidstaten steun uit voor het onderbrengen bij het ESM van een achtervang voor het SRF. Sommige lidstaten pleitten voor aanpassing van de besluitvorming over programma’s, bijvoorbeeld door te stemmen met versterkte gekwalificeerde meerderheid, omdat steunprogramma’s in hun ogen dan effectiever tot stand komen. Daarnaast toonden verschillende lidstaten zich terughoudend ten aanzien van automatische schuldherstructurering, omdat het volgens hen tot disrupties op financiële markten zou kunnen leiden. Tot slot waren er meerdere lidstaten die pleitten voor een aparte begrotingscapaciteit voor de eurozone (fiscal capacity).

De Eurogroup mandateerde de Eurogroup Working Group (EWG) om de verschillende vormgevingsopties voor het versterken van het ESM te verkennen. Meer specifiek zal gekeken worden naar de rol van het ESM in steunprogramma’s, de verschillende financiële instrumenten die het ESM ter beschikking heeft en het onderbrengen van een achtervang voor het SRF bij het ESM. De voorzitter van de Eurogroep gaf ook aan dat wat betreft de Bankenunie de routekaart leidend blijft en hier wat hem betreft geen elementen aan moeten worden toegevoegd. Verder werk om risicoreductie beter inzichtelijk te maken kan echter volgens de voorzitter van de Eurogroep ook nuttig zijn. Daarnaast gaf de voorzitter aan er voorstander van te zijn om de discussies over de toekomst van de EMU zoveel mogelijk in inclusief verband, ook met de niet-eurolanden, te voeren.

Toezegging over gemeenschappelijke achtervang voor het SRF

Tijdens het AO Ecofin van 8 maart jl. heb ik toegezegd u te informeren over de afspraken die eerder zijn gemaakt ten aanzien van de gemeenschappelijke achtervang (backstop) voor het Single Resolution Fund (SRF9). Daarover zijn een aantal principes neergelegd in de raadsconclusies van 17 juni 2016 met de routekaart voor het vervolmaken van de Bankenunie. Allereerst zijn de eerdere afspraken10 bevestigd, namelijk dat de achtervang op zijn laatst operationeel moet zijn aan het einde van de overgangsperiode (eind 2023). Tijdens deze overgangsperiode wordt het SRF gevuld met bijdragen door de banken in de eurozone tot het streefbedrag van 1% van gedekte deposito’s (op dit moment geschat op 55 miljard euro). Tot en met 2023 worden de nationale compartimenten in het fonds stapsgewijs gemutualiseerd. Voorts benoemt de routekaart, dat wanneer het werk aan de vormgeving van de gemeenschappelijke achtervang is voltooid, kan worden besloten om het achtervangmechanisme voor het eind van de overgangsperiode operationeel te laten worden, in het verlengde van de risicoreductiemaatregelen die zijn genoemd in dezelfde raadsconclusies. Het gaat daarbij om maatregelen ten aanzien van o.a. TLAC, MREL, crediteurenhiërachie, NSRF, faillissementswetgeving, moratorium tool waartoe de Commissie in 2016 voorstellen heeft gedaan. De onderhandelingen op een aantal van deze onderdelen zijn vooralsnog, ondanks ambities van het Bulgaarse en eerdere voorzitterschappen, niet afgerond. Tot slot is afgesproken dat de gemeenschappelijke achtervang begrotingsneutraal moet zijn op middellange termijn. Dat impliceert dat uitgeleende middelen in een beperkte periode opgehaald moeten kunnen worden bij de bankensector. Op het moment dat een gemeenschappelijke achtervang wordt ingevoerd zal de huidige brugfinanciering voor de nationale compartimenten komen te vervallen. Hierbij is het goed om op te merken dat een eventuele vervroegde invoering van de achtervang niet automatisch betekent dat de nationale compartimenten in het SRF versneld mutualiseren tot een gemeenschappelijk fonds.

De Commissie heeft op 6 december 2017 een voorstel gepubliceerd ter introductie van het Europees Monetair Fonds, dat het ESM zou vervangen. Daarin wordt ook voorgesteld om het EMF te laten fungeren als achtervang voor het SRF. De commissie stelt een omvang voor de achtervang voor van 60 miljard euro. Zoals ook in het BNC-fiche over dit voorstel11 is opgemerkt, is het onduidelijk waar het bedrag van 60 miljard euro op is gebaseerd. Voor het kabinet is het belangrijkste criterium voor het bepalen van de omvang van de achtervang dat deze op middellange termijn begrotingsneutraal moet zijn. Het voorstel maakt onvoldoende duidelijk of daar bij het vaststellen van het initiële plafond afdoende rekening mee is gehouden. Momenteel brengt een ambtelijke EU werkgroep de voor en nadelen van verschillende opties om de achtervang vorm te geven uit. Op basis van het technische werk in deze werkgroep moet nog een besluit worden genomen waar de achtervang ondergebracht zal worden. Een van de opties die bekeken wordt is het ESM. Het ESM kan een effectieve en efficiënte manier zijn om de achtervang te realiseren.

Nederlandse reactie op discussiedocument Bazel Comité

Het Bazel Comité heeft op 7 december jl. een discussiedocument gepubliceerd waarin zij ingaat op de prudentiële omgang met risico’s op overheden op bankbalansen. Nederland heeft op deze discussiepaper gereageerd om haar standpunt, om te komen tot een andere omgang met de risico’s op blootstellingen op overheden, kracht bij te zetten. Hierbij stuur ik u mijn reactie op dit discussiedocument (zie bijlage). Het discussiedocument is door het Bazel Comité gepubliceerd naar aanleiding van de bevindingen van de Bazelse high-level task force voor blootstellingen op overheden. Binnen het Bazel Comité kon over deze bevindingen van de task force geen consensus worden bereikt, maar het comité staat open voor de opvattingen van andere relevante partijen. De Nederlandse reactie geeft aan dat de risico’s op blootstellingen aan overheden beter moeten worden meegenomen in het prudentiële kader voor banken. Dergelijke blootstellingen zijn niet risicovrij en het krediet-, markt- en concentratierisico moet zodoende beter worden gereflecteerd. In de reactie wordt tevens aangegeven dat Nederland verder werk op dit vlak binnen het Bazels Comité aanmoedigt, maar ook in Europees verband hieraan verder zal werken in lijn met de routekaart voor de vervolmaking van de bankenunie uit 2016.

Ecofinraad

Ecofin ontbijt

Tijdens het ontbijt kregen de Ministers een terugkoppeling uit de Eurogroup en een update over de economische situatie in de EU. Daarnaast gaf de Commissie een update over de recente belastingontwikkelingen in de Verenigde Staten (VS). Begin februari is de Commissie begonnen met een analyse van de impact van de hervorming op Europese landen en Europese bedrijven. Nederland levert hier ook input voor en de resultaten van deze analyse worden de komende maanden verwacht.

Verder is bij het ontbijt gesproken over maatregelen inzake risicoreductie banken dat voor de Ecofinraad geagendeerd stond. Tijdens het ontbijt is besloten om het onderwerp van de Ecofin agenda te halen. Het Bulgaarse voorzitterschap had de ambitie om deze Ecofin een concept Raadsakkoord aan de Ministers voor te leggen. In aanloop naar deze bespreking is echter vanuit meerdere lidstaten kritiek geuit op het proces. Lidstaten bleken inhoudelijk nog te ver uit elkaar te liggen om tot een Raadsakkoord te komen, bijvoorbeeld over de hoogte en kwaliteit van de buffers die bail-in makkelijker moeten maken («de MREL»). Het agendapunt wordt doorgeschoven naar een van de volgende Ecofinraden.

Nederland zet zich in de Raad zoals bekend in voor aanscherping van de Commissievoorstellen. Nederland benadrukte het belang van de implementatie van internationale minimumstandaarden. Ook heeft Nederland benadrukt dat banken moeten beschikken over voldoende buffers om verliezen op te vangen, maar ook om zichzelf – indien nodig – door middel van bail-in van kapitaal te kunnen voorzien. De eis hiervoor (MREL) moet voldoende hoog en van voldoende kwaliteit zijn. Zo kunnen eventuele problemen bij banken worden opgelost zonder een beroep te doen op externe middelen of besmetting van het systeem te veroorzaken. Daarom zet Nederland ook in op voldoende bevoegdheden voor de autoriteiten die gaan over het afwikkelen van banken die in de problemen komen. Ook zet Nederland in op een opslag in de leverage ratio voor systeembanken. Zoals ook per brief in november 2017 richting de kamer gecommuniceerd, blijft Nederland vasthouden aan afspraken uit de routekaart ter voltooiing van de Bankenunie.12 Wat het kabinet betreft, betekent dit dat de komende tijd dan ook afspraken moeten worden gemaakt over een goede weging van de risico’s van staatsobligaties op bankbalansen. Binnenkort ontvangt uw Kamer ook een overzicht van risicoreductie in de Europese bankensector, conform eerdere toezeggingen.

Aanname van A-items (hamerpunten)

In de Ecofinraad zijn de op dat moment voorliggende reeds afgestemde en goedgekeurde voorstellen officieel bekrachtigd. Een daarvan was een wijziging van de lijst met niet-coöperatieve jurisdicties op het gebied van belastingen (ook wel aangeduid als de «zwarte lijst»). De Raad heeft hiermee ingestemd.13

Tijdens de Ecofinraad van 5 december 2017 is de eerste versie van de EU-lijst vastgesteld. Doordat een aantal jurisdicties zich gecommitteerd had om uiterlijk in 2018 aan de internationale en EU-standaarden te voldoen is de zwarte lijst tijdens de Ecofinraad van 23 januari jl. aangepast.14

Door de nieuwe wijziging zijn Bahrein, de Marshalleilanden en Saint Lucia verplaatst van de «zwarte lijst» naar de lijst van coöperatieve jurisdicties (hierna «grijze lijst»). Verder zijn zes Caribische eilanden beoordeeld die, als gevolg van de orkaan Irma, uitstel van beoordeling hadden gekregen tot 1 maart jl. Op basis daarvan zijn de Bahamas, Saint Kitts en Nevis en de Amerikaanse Maagdeneilanden op de zwarte lijst gezet.

In totaal staan nu negen jurisdicties op de zwarte lijst15. Dat zijn: (i) de Amerikaanse Maagdeneilanden, (ii) Amerikaans Samoa, (iii) de Bahamas, (iv) Guam, (v) Namibië, (vi) Palau, (vii) Samoa, (viii) Sint Kitts en Nevis en (ix) Trinidad en Tobago.

Mandatory Disclosure

Tijdens de Ecofinraad is een akkoord gesloten over Mandatory Disclosure.16 Dit voorstel kan gezien worden als één van de antwoorden van de EU op de Panama Papers en zorgt ervoor dat belastingdiensten worden geïnformeerd over potentiële misbruiksituaties (i.e. agressieve belastingstructuren). Het belangrijkste doel is om rapportageverplichtingen op te leggen aan financiële tussenpersonen. Naar aanleiding van de ontvangen informatie kan de belastingdienst in kwestie waar nodig maatregelen treffen. Daarnaast is het idee dat er een preventieve werking vanuit gaat en dat potentiële ontwijkingstructuren niet meer worden geadviseerd.

Nederland is een groot voorstander van fiscale transparantie. Daarbij moet wel rekening gehouden worden met de administratieve lasten voor de belastingdienst en het bedrijfsleven. Het akkoord dat is gesloten in de Ecofinraad is volgens Nederland een goede balans die enerzijds zorgt voor een brede informatievoorziening en anderzijds rekening houdt met de administratieve lasten. Tijdens de vergadering heeft Nederland dan ook steun uitgesproken voor het voorstel.

Alle lidstaten waren akkoord met het voorstel. Sommige lidstaten gaven aan eigenlijk nog verder te willen gaan. Een aantal andere lidstaten riep op te waken voor hoge administratieve lasten en vroeg aandacht voor de proportionaliteit van het voorstel.

Inhoudelijk ziet dit voorstel op de automatische uitwisseling van grensoverschrijdende potentieel agressieve structuren waarbij financiële tussenpersonen (denk hierbij aan fiscale adviseurs, advocaten, notarissen, trustkantoren etc.) in principe verantwoordelijk zijn om deze informatie te verstrekken aan de belastingdienst. Als een voorgestelde structuur voldoet aan één van de vijf zogenoemde «Hallmarks» die verschillende potentieel agressieve structuren omschrijven, dan moet de desbetreffende tussenpersoon deze informatie doorgeven aan de belastingdienst waar de tussenpersoon is gevestigd. Er zijn situaties denkbaar dat de tussenpersoon deze informatie niet kan doorgeven omdat deze aan geheimhouding is gehouden of dat de tussenpersoon niet gevestigd is in de EU. Als dat zich voordoet, dient de belastingplichtige de informatie zelf aan de belastingdienst doorgeven. De belastingdienst stuurt deze informatie vervolgens door naar een door de Commissie beheerde centrale database. De belastingdiensten van andere lidstaten hebben vervolgens toegang tot deze informatie.

Het voorstel dient vanaf 1 januari 2020 in nationale wetgeving te zijn geïmplementeerd, de uitwisseling zal vanaf 1 juli 2020 plaatsvinden. Om eventueel misbruik te voorkomen, dienen potentieel agressieve structuren gemeld te worden die zijn geadviseerd vanaf de datum waarop de richtlijn formeel is aangenomen.

Europees Semester

De Europese Commissie heeft een presentatie gegeven over de landenrapporten 2018 die binnen het Europees Semester worden gepubliceerd.17 Deze landenrapporten bevatten diepteonderzoeken over mogelijke macro-economische onevenwichtigheden in lidstaten en een overzicht van implementatie van landenspecifieke aanbevelingen. In een overkoepelende mededeling heeft de Commissie de oordelen over de Macro-economische Onevenwichtighedenprocedure (MEOP) uitgebracht.18 De Commissie heeft drie landen ingedeeld in de categorie «excessive imbalances» (Cyprus, Kroatië en Italië) en acht landen in de categorie «imbalances» (België, Duitsland, Ierland, Spanje, Frankrijk, Nederland, Portugal en Zweden).19

De discussie in de Ecofin richtte zich specifiek op de uitdagingen op het vlak van productiviteitsontwikkeling. Veel van de landenspecifieke aanbevelingen hebben een effect op productiviteit. Het gaat bijvoorbeeld om aanbevelingen ten aanzien van het ondernemingsklimaat, de toegang tot financiering, de compositie van overheidsfinanciën, structureel beleid en arbeidsmarktbeleid. Vorig jaar hebben 27 landen een aanbeveling ontvangen op het gebied van productiviteitsontwikkeling.

Nederland en Ierland hebben in de Ecofinraad hun ervaringen ten aanzien van productiviteitsontwikkeling gedeeld. Daarbij heeft Nederland een toelichting gegeven op de maatregelen in het Regeerakkoord die bijdragen aan productiviteitsgroei, zoals extra investeringen in onderwijs en innovatie, en de verlaging van de vennootschapsbelasting.

Tot slot heeft de Ecofinraad conclusies aangenomen over het rapport van de Europese Rekenkamer (ERK)20 over de MEOP.21 Deze conclusies zijn zonder verdere discussie aangenomen. De ERK beveelt de Europese Commissie onder meer aan om de koppeling te versterken tussen de onevenwichtigheden die in de MEOP worden geconstateerd en de landenspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester. Ook zou de Commissie de correctieve arm van de MEOP moeten openen wanneer sprake is van buitensporige onevenwichtigheden. De ERK is verder van mening dat het scorebord van de MEOP niet cruciaal is voor de diepteanalyse door de Commissie in landenrapporten. Ook zou de Commissie volgens de ERK systematisch oog moeten hebben voor beleid met grensoverschrijdende effecten om symmetrische aanpassingen in de Eurozone te bevorderen. De Commissie accepteert de meeste ERK-aanbevelingen en zal deze meenemen in de eigen MEOP-evaluatie in 2019.

Voorbereiding G20 vergadering maart

In de Ecofin is de G20 vergadering voor Ministers van Financiën en Centrale Bank presidenten voorbereid die zal plaatsvinden op 19 en 20 maart onder Argentijns voorzitterschap in Buenos Aires. De voorbereiding van de EU-inbreng wordt vooraf gecoördineerd middels een Terms of Reference (ToR).

In de G20 ToR roept de EU de G20 op om de positieve economische vooruitzichten te gebruiken om de economische risico’s voor de toekomst aan te pakken, waarbij de aandacht zou moeten verschuiven naar het opnieuw opbouwen van financiële buffers en het waarborgen van langetermijngroei. De EU verwelkomt de prioriteit van het Argentijnse G20-voorzitterschap ten aanzien van de financiering van infrastructuur. Nederland kan zich goed vinden in deze EU-inzet.


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1480.

X Noot
3

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1480.

X Noot
6

Kamerstuk 21 501-07, nrs. 1369 en 1412.

X Noot
7

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1480.

X Noot
9

Voor uitleg over dit door het banken gevulde fonds zie Kamerstuk 21 501-07, nr. 1346, p. 3 e.v.

X Noot
11

Kamerstuk 34 856, nr. 3.

X Noot
12

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1472.

X Noot
14

Kamerstuk 21 501-07, nr. 1481.