21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 3417 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 20 mei 2026

De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de brief van 4 mei 2026 over de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3393).

De vragen en opmerkingen zijn op 13 mei 2026 aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voorgelegd. Bij brief van 20 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Den Hollander

Adjunct-griffier van de commissie, Prenger

Inhoudsopgave

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon

2

 

Inbreng D66-fractie

2

 

Inbreng VVD-fractie

13

 

Inbreng Groenlinks-PvdA-fractie

16

 

Inbreng CDA-fractie

20

 

Inbreng JA21-fractie

29

 

Inbreng BBB-fractie

35

 

Inbreng DENK-fractie

40

 

Inbreng SGP-factie

45

 

Inbreng CU-fractie

48

 

Inbreng SP-fractie

52

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon

Inbreng leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel. Deze leden onderstrepen dat een actief Europees handelsbeleid in deze geopolitieke tijd onmisbaar is voor economische weerbaarheid, diversificatie van waardeketens en het verdedigen van een op regels gebaseerde internationale orde. Daarover hebben deze leden de volgende vragen.

WTO

De leden van de D66-fractie delen de teleurstelling over de beperkte uitkomsten van de 14e Ministeriële Conferentie van de WTO. Juist in een tijd van toenemend protectionisme, geopolitieke fragmentatie en handelsconflicten is een sterke, moderne en op regels gebaseerde WTO van groot belang. Deze leden constateren dat er brede steun bestaat voor hervorming, maar dat gebrek aan consensus opnieuw concrete voortgang heeft geblokkeerd.

Welke concrete voorstellen steunt Nederland om de besluitvorming binnen de WTO te verbeteren?

1. Antwoord van het kabinet:

Nederland steunt aanpassingen die besluitvorming bij de World Trade Organization (WTO) flexibeler en pragmatischer maken, om de huidige verlamming in WTO-besluitvorming te doorbreken. De meest concrete manier om dat te doen is via plurilaterale akkoorden, dat wil zeggen afspraken tussen een groep landen maar niet alle WTO-leden. Momenteel zijn de onderhandelingen afgerond voor twee nieuwe plurilaterale akkoorden bij de WTO, namelijk het Investment Facilitation for Development Agreement (IFDA) en het E-Commerce Agreement (ECA). Nederland is, als lidstaat van de Europese Unie (EU), onderdeel van beide plurilaterale akkoorden. Bij de 14e ministeriële conferentie van de WTO (MC14) hebben de deelnemende landen afgesproken om de nodige stappen te zetten om deze akkoorden in werking te laten treden. Voor ECA is afgesproken het akkoord op voorlopige basis buiten de WTO toe te gaan passen, aangezien inwerkingtreding binnen de WTO wordt geblokkeerd. Nederland is voorstander van de snelle toepassing van beide plurilaterale akkoorden en ook van nadere plurilaterale samenwerking op andere WTO thema’s. Dit laat onverlet dat Nederland daarnaast pleitbezorger blijft van multilaterale samenwerking en hervormingen binnen de WTO.

Is het kabinet bereid binnen de EU te pleiten voor een werkprogramma waarin expliciet wordt gekeken naar besluitvorming zonder volledige unanimiteit, bijvoorbeeld voor procedurele besluiten of voor het opnemen van plurilaterale akkoorden binnen de WTO-architectuur? Welke gelijkgezinde landen wil het kabinet hiervoor actief mobiliseren richting de vervolggesprekken in Genève?

2. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet is daartoe bereid. Het kabinet zet zich in voor meer flexibele en pragmatische besluitvorming binnen de WTO, zowel via plurilaterale akkoorden als door bepaalde procedurele WTO-besluitvorming zonder volledige unanimiteit te laten plaatsvinden. Binnen de EU bestaat hiervoor reeds brede steun. Het kabinet zal de Europese Commissie oproepen de samenwerking te blijven zoeken met gelijkgezinde landen binnen de WTO en de Commissie ondersteunen in de eigen bilaterale contacten.

Deze leden vragen daarnaast naar het herstel van een goed functionerend systeem voor geschillenbeslechting. Welke stappen zet Nederland om de EU-inzet op herstel van de Appellate Body te versterken?

3. Antwoord van het kabinet:

Nederland is voorstander van hervorming en volledig herstel van bindende geschillenbeslechting bij de WTO. Momenteel functioneert het geschillenbeslechtingssysteem van de WTO inderdaad niet naar behoren omdat het beroepsorgaan (het Appellate Body) inactief is. De reden hiervoor is dat de Verenigde Staten (VS) de benoeming van leden van dit beroepsorgaan al enkele jaren blokkeert. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat de VS in de komende jaren deze blokkade zal opheffen, wat betekent dat de huidige situatie van een geschillenbeslechtingssysteem dat onvolledig functioneert zal voortduren. Vandaar dat Nederland momenteel vooral inzet op uitbreiding van het ledenbestand van het alternatieve beroepsorgaan, het Multi-Party Interim Appeal Arbitration Arrangement (MPIA). Het MPIA bestaat sinds 2020 en is opgericht als tijdelijk alternatief voor het reguliere beroepsorgaan. Het ledenbestand van het MPIA is in de afgelopen maanden weer gegroeid. Momenteel zijn 61 WTO-leden lid van het MPIA. Overigens wordt het WTO geschillenbeslechtingssysteem in eerste instantie ook door WTO-leden die geen partij zijn bij het MPIA – waaronder de VS – nog altijd goed gebruikt.

En welke landen probeert de EU te bewegen tot deelname aan de MPIA zolang het reguliere beroepsmechanisme niet functioneert?

4. Antwoord van het kabinet:

De EU is voorstander van een MPIA waar zoveel mogelijk WTO-leden onderdeel van zijn. Een groot ledenbestand is belangrijk voor een zo goed mogelijk functionerend geschillenbeslechtingssysteem bij de WTO. Deze boodschap wordt vanuit de EU uitgedragen in bilateraal contact met alle derde landen. Het ledental van het MPIA is inmiddels gegroeid naar 61, zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag.

Straat van Hormuz / Midden-Oosten en handel

De leden van de D66-fractie maken zich blijvende zorgen over de gevolgen van de afsluiting van de Straat van Hormuz voor internationale waardeketens, energieprijzen en voedselzekerheid. Zij roepen het kabinet op om binnen de EU te pleiten voor een actieve Europese diplomatieke inzet gericht op heropening van deze essentiële handelsroute.

Naast de impact op energieprijzen maken deze leden zich grote zorgen over verstoringen in de toeleveringsketens voor kunstmest. Welke impact voorziet het kabinet op oogsten, zowel in Europa als daarbuiten?

5. Antwoord van het kabinet:

De Golfregio levert 30 procent van de wereldwijd verhandelde grondstoffen en kant-en-klare meststoffen. Bijna twee miljoen ton kunstmest zit momenteel vast achter de blokkade. De future prijzen van ureum (een belangrijke grondstof voor kunstmest) zijn ruim 70 procent hoger dan begin dit jaar en op het hoogste niveau sinds oktober 2022. Bij een tekort aan kunstmest missen gewassen de bemesting op het juiste moment, dalen opbrengsten, en stijgen voedselprijzen. Het Wereldvoedselprogramma waarschuwt dat nog eens 45 miljoen mensen, voornamelijk in Azië en Afrika, in voedselonzekerheid terechtkomen als de Straat van Hormuz niet voor medio 2026 weer open gaat. Nederland en Europa zijn voor de import van kunstmest niet erg afhankelijk van het Midden-Oosten. Hoewel er geen lagere oogsten in Europa worden voorzien als gevolg van de blokkade, hebben Nederlandse en Europese boeren wel te maken met hogere prijzen.

Op welke manier werkt het kabinet, in Europees verband, aan het proactief verlichten van deze problematiek?

6. Antwoord van het kabinet:

Voor onder druk staande oogsten buiten Nederland zet het kabinet zich in voor een gecoördineerde internationale respons, zowel via de EU als via de internationale financiële instellingen. Daarbij is het van belang dat elk instrument op de juiste plek wordt ingezet. Het IMF heeft een centrale rol bij betalingsbalansdruk, reserves en macro-economische stabilisatie. De Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken kunnen landen ondersteunen bij het beschermen van prioritaire uitgaven, sociale vangnetten, voedselzekerheid, energievoorziening en hervormingen die de weerbaarheid vergroten. International Finance Corporation (IFC), Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) en regionale ontwikkelingsbanken kunnen daarnaast bijdragen aan handelsfinanciering, garanties en risicodekking voor kritieke importketens, waaronder energie, voedsel, kunstmest en medicijnen.

Binnen de EU pleit Nederland voor een respons die snel, gecoördineerd en doelgericht is, met aandacht voor de meest kwetsbare landen. Daarbij moet worden voorkomen dat Europese maatregelen, bijvoorbeeld op het gebied van energiezekerheid of opslag, onbedoeld de druk op kwetsbare importerende landen verder vergroten. De inzet van Nederland is dat beperkte middelen gericht worden ingezet voor korte-termijn crisisrespons en tegelijk moet er aandacht blijven voor de versterking van structurele weerbaarheid, waaronder voedselzekerheid, energiezekerheid en diversificatie van toeleveringsketens.

En hoe ondersteunt de EU kwetsbare landen die door stijgende energie- en kunstmestprijzen onevenredig hard worden geraakt?

7. Antwoord van het kabinet:

De EU ondersteunt kwetsbare landen op meerdere manieren. Allereerst via haar eigen instrumenten, waaronder het Global Europe raamwerk, gericht op voedselzekerheid, sociale bescherming en energievoorziening. Daarbij is het van belang dat steun terechtkomt bij landen die door hogere energie- en kunstmestprijzen het hardst worden geraakt.

Daarnaast zet Nederland erop in dat de EU haar rol als grootste ontwikkelingsfinancier en als belangrijke aandeelhouder in de internationale financiële instellingen strategisch gebruikt. Het International Monetair Fonds (IMF) is daarbij belangrijk voor landen met betalingsbalansdruk en afnemende reserves. De Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken kunnen helpen om prioritaire uitgaven, sociale vangnetten, voedselzekerheid en energievoorziening overeind te houden. Voor de private sector kunnen ontwikkelingsbanken ook handelsfinanciering en risicodekking inzetten om kritieke importketens, zoals voedsel, kunstmest, energie en medicijnen draaiende te houden.

Tot slot is het van belang dat de Europese respons zelf geen extra druk creëert op kwetsbare landen. Europese maatregelen voor energiezekerheid moeten daarom zo veel mogelijk gecoördineerd zijn en mogen er niet toe leiden dat lage-inkomenslanden verder uit de markt worden gedrukt. Nederland pleit binnen de EU voor een gerichte, gecoördineerde respons die acute prijsschokken helpt opvangen en tegelijk inzet op structurele weerbaarheid, waaronder voedselzekerheid, energietransitie en diversificatie van toeleveringsketens.

Handelsakkoorden en diversificatie

De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat het EU-Mercosur-akkoord eindelijk gedeeltelijk in werking is getreden. Dit akkoord biedt economische kansen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan en draagt bij aan de diversificatie van Europese handelsrelaties, juist nu de geopolitieke situatie Europa dwingt minder afhankelijk te worden van een beperkt aantal handelspartners. Deze leden zien in dat licht ook het belang van voortgang op handelsakkoorden met landen als India en Indonesië.

De leden vragen daarnaast specifiek aandacht voor de Indo-Pacific. Zij constateren dat er veel beweging is in de handelsrelatie met ASEAN-landen, waaronder de Filipijnen, Maleisië en Thailand. Juist in een regio die onder hoge geopolitieke druk staat, is het van belang dat de EU haar relaties verdiept met belangrijke partners voor de toekomst, die net als Europa belang hebben bij vrije handel, weerbare waardeketens en het hooghouden van de internationale rechtsorde. Deze leden vragen het kabinet daarom hoe het de voortgang in de onderhandelingen met de Filipijnen, Maleisië en Thailand beoordeelt, mede naar aanleiding van de voortgangsrapportage handelsakkoorden. Welke kansen ziet het kabinet om de handelsrelatie met deze landen verder te verdiepen? En hoe zet Nederland zich ervoor in dat deze akkoorden bijdragen aan economische veiligheid en duurzame ontwikkeling?

8. Antwoord van het kabinet:

Conform de beleidsbrief Buitenlandse Zaken 20261 zet het kabinet in op verdieping van relaties met gelijkgestemde partners en middenmachten en spoort het kabinet de Europese Commissie aan tot het sluiten van nieuwe handels- en investeringsverdragen. Hieronder vallen ook de Filipijnen, Maleisië en Thailand. Een zesde onderhandelingsronde met de Filipijnen is gepland in de week van 18 mei; een vierde ronde met Maleisië is gepland in juni dit jaar; hetzelfde geldt voor de negende onderhandelingsronde met Thailand, waarmee wederzijdse marktaanboden reeds gewisseld zijn. Het kabinet zet zich in voor economische veiligheid en duurzame ontwikkeling door, naast lagere tarieven, het belang van afspraken over toegang tot grondstoffen te benadrukken, evenals afspraken over duurzaamheid en het stimuleren van lokale economieën. De Kamer wordt via de periodieke voortgangsrapportage handelsakkoorden op de hoogte gehouden.

Algemeen Preferentieel Stelsel

De leden van de D66-fractie nemen met instemming kennis van het bereiken van een akkoord over de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel. Zij vinden het positief dat gunstige markttoegang nadrukkelijker wordt gekoppeld aan fundamentele arbeidsrechten en de Overeenkomst van Parijs. Tegelijkertijd vragen zij aandacht voor de uitvoerbaarheid hiervan voor partnerlanden. Deelt het kabinet de opvatting dat deze voorwaarden alleen effectief en ontwikkelingsgericht kunnen zijn wanneer landen ook voldoende worden ondersteund bij de naleving ervan?

9. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet hecht aan de ondersteuning van ontwikkelingslanden bij de implementatie van onder andere arbeidsrechten en duurzaamheidsstandaarden. In de EU verloopt technische assistentie via het Neighbourhood, Development and International Cooperation Instrument (NDICI). Dit is het EU instrument voor ontwikkelingssamenwerking en nabuurschapsbeleid voor de periode 2021–2027. Nederland heeft ook diverse programma’s die in ontwikkelingslanden bijdragen aan bijvoorbeeld de verduurzaming van waardeketens, naleving van arbeidsrecht en het verbeteren van arbeidsomstandigheden. Bovendien ondersteunt Nederland programma’s die de capaciteit van vakbonden en maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden vergroten.

Hoe zet Nederland zich er binnen de EU voor in dat landen in het mondiale Zuiden technische assistentie, capaciteitsopbouw en ruimte voor sociale dialoog krijgen om aan deze duurzaamheidsafspraken te voldoen?

10. Antwoord van het kabinet:

Zie het antwoord op vraag 9.

Op welke manier worden vakbonden en maatschappelijke organisaties in begunstigde landen betrokken bij de monitoring en uitvoering van de duurzaamheidsafspraken onder het APS?

11. Antwoord van het kabinet:

Voor landen die onder het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS) extra markttoegang krijgen (de zogenaamde APS+ landen waarvoor ook extra duurzaamheidsafspraken gelden) is een specifiek monitoringsregime van kracht om te toetsen of deze landen de internationale verdragen opgenomen in de verordening ratificeren en effectief implementeren. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden verzorgen monitoringsmissies in APS+ landen. Daar spreken zij ook met maatschappelijke actoren, waaronder met vakbonden en maatschappelijke organisaties, over de naleving van mensenrechten, arbeidsrechten, afspraken over milieu- en klimaatbescherming en goed bestuur. Op basis van deze monitoringsmissies wordt eens in de drie jaar een monitoringsrapport gepubliceerd met aanbevelingen voor het betreffende APS+ land. De naleving van internationale verdragen door standaard APS en EBA (Everything But Arms) landen wordt gemonitord via bestaande dialogen en monitoringsprocedures die losstaan van het APS, zoals een EU-mensenrechtendialoog en monitoring door de VN. In de herziene verordening wordt de belangrijke rol van het maatschappelijk middenveld bij monitoring expliciet benadrukt.

Handelsrelatie EU-Verenigd Koninkrijk

De leden van de D66-fractie zijn verheugd over de positieve beweging in de relatie tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk. Juist in deze geopolitieke tijd is nauwere samenwerking met het VK van groot economisch en strategisch belang. Deze leden nemen met bijzondere instemming kennis van de herintreding van het VK in het Erasmus+-programma, als belangrijke stap in het herstellen van de banden tussen jonge Europeanen en Britten.

Deze leden constateren dat de Britse regering inzet op verdere verdieping van de relatie met de EU, onder meer via afspraken over voedsel- en landbouwproducten, vermindering van grensbarrières, samenwerking op emissiehandel en een regeling voor jongerenmobiliteit. Tegelijkertijd blijven de Britse rode lijnen – geen terugkeer naar de interne markt, douane-unie of vrij verkeer – vooralsnog overeind.

Hoe beoordeelt het kabinet deze Britse inzet? Deelt het kabinet de opvatting dat Nederland, als handelsland en nauwe partner van het VK, belang heeft bij het zoveel mogelijk verlichten van handelsbarrières binnen de politieke ruimte die nu bestaat?

12. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet verwelkomt de huidige toenadering tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk (VK). Conform de beleidsbrief Buitenlandse Zaken 20262 zet het kabinet in op verdieping van relaties met gelijkgestemde partners en middenmachten, waaronder het VK. Daarbij deelt het kabinet de opvatting dat Nederland als handelsland en nauwe partner van het VK belang heeft bij het zoveel mogelijk verlichten van handelsbarrières. Het kabinet zet zich in om onderhandelingen over twee akkoorden over sanitaire en fytosanitaire (SPS) zaken en over de koppeling van emissiehandelssystemen (ETS) bij een volgende EU-VK Top af te ronden. Voorwaarden zijn dat de integriteit van de interne markt gewaarborgd blijft en de afspraken bijdragen aan een gelijk speelveld.

Welke concrete stappen ziet het kabinet om de handelsrelatie met het VK verder te verdiepen, bijvoorbeeld op het terrein van SPS-afspraken, douanesamenwerking, wederzijdse erkenning, emissiehandel, energie, beroepskwalificaties en jongerenmobiliteit? Deze leden vragen hoe Nederland zich binnen de EU opstelt richting een bredere EU-VK-reset. Is het kabinet bereid te pleiten voor een ambitieuze inzet, waarbij handelsbarrières worden verminderd, samenwerking op energie en klimaat wordt verdiept en uitwisseling van studenten, jongeren en professionals verder wordt vergemakkelijkt?

13. Antwoord van het kabinet:

Het VK is en blijft voor NL en de EU een zeer belangrijke partner. Het VK en de Europese Commissie werken aan verdieping van de relatie op basis van het Common Understanding opgesteld tijdens de eerste EU-VK Top. De Commissie en het VK hebben zich gecommitteerd aan drie resultaten bij de volgende Top, die naar verwachting eind juni zal plaatsvinden. Het gaat om de genoemde akkoorden over sanitaire en fytosanitaire zaken, koppeling van emissiehandelssystemen en jeugdmobiliteit. Nederland pleit tevens voor een snelle start van onderhandelingen over aansluiting van de elektriciteitsmarkten (conform het BNC-fiche3) en de daaraan gekoppelde onderhandelingen over een cohesiebijdrage van het VK, in lijn met het aangenomen Raadsmandaat. Op het gebied van buitenland, veiligheid- en defensiebeleid vindt nauwe samenwerking plaats tussen EU lidstaten en het VK. Het kabinet ziet kansen om samenwerking op het gebied van bijvoorbeeld defensie-industrie te versterken.

Handelsrelatie EU-Verenigde Staten

De leden van de D66-fractie nemen met teleurstelling kennis van de recente dreigingen van de Amerikaanse president om tarieven op de Europese auto-industrie te verhogen. Zij constateren dat president Trump de EU een deadline van 4 juli 2026 heeft gesteld om de afspraken uit de Turnberry-deal uit te voeren, met de dreiging van hogere tarieven indien de EU dat niet doet. Daarbij is onder meer gesproken over een verhoging van autotarieven van 15 naar 25 procent.

Deze leden benadrukken dat zij nog altijd zorgen hebben over de mate waarin de Verenigde Staten zich gebonden achten aan de afspraken die in Turnberry zijn gemaakt. Ook recente Amerikaanse waarschuwingen dat broodnodig Europees beleid rond technologische soevereiniteit strijdig zou zijn met handelsafspraken, dragen bij aan deze zorgen.

Hoe reflecteert het kabinet op deze dreigementen en uitspraken vanuit Amerikaanse zijde? Deelt het kabinet de zorg dat de betrouwbaarheid van de Verenigde Staten als handelspartner onder druk staat wanneer tariefdreigingen worden ingezet terwijl de EU bezig is met democratische en wetgevende procedures?

14. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet zich in voor een snelle implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde. Daarbij geldt dat het kabinet erop zal letten dat ook de VS zich aan de afspraken houdt, waarbij het mogelijk moet zijn de implementatie aan EU zijde op te schorten indien dat niet het geval is.

Voor wat betreft wet- en regelgeving geldt dat eventuele verschillen van inzicht kunnen bestaan in de trans-Atlantische relatie maar niet horen te worden geadresseerd door middel van economische machtsmiddelen, dreigementen of dwang. Nederland zal binnen de EU blijven benadrukken dat Europese wet- en regelgeving niet ter discussie kan staan onder druk van derde landen. Dit standpunt wordt in de EU breed gedeeld door andere lidstaten en de Europese Commissie.

Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds snelle inwerkingtreding van de Turnberry-afspraken en anderzijds de noodzaak om de EU voldoende te beschermen tegen nieuwe Amerikaanse tariefmaatregelen?

15. Antwoord van het kabinet:

De Amerikaanse heffingen en de aanhoudende onzekerheid die daarmee gepaard gaat, zijn in niemands voordeel. Tegelijkertijd blijven de Verenigde Staten (VS) een van de belangrijkste handelspartners van zowel Nederland als de EU. In het oordeel van het kabinet is de EU nog altijd beter af mét de Turnberry afspraken dan zonder. Een situatie waarin de meeste heffingen aan VS-zijde zijn geplafonneerd op 15 procent is beter dan een situatie zonder een dergelijk plafond. De gemaakte afspraken bieden bovendien een basis voor verdere onderhandelingen. Daarbij beschikt de EU over voldoende instrumenten om de Europese belangen te beschermen, mocht de VS haar afspraken onder de Turnberry deal niet nakomen.

Deze leden achten, ondanks de duidelijke mankementen, snelle inwerkingtreding van het akkoord van belang om verdere escalatie in de trans-Atlantische handelsrelatie te voorkomen. Tegelijkertijd vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen aanvullende waarborgen om de Amerikaanse zijde daadwerkelijk aan de afspraken te binden. Ziet het kabinet voldoende handvatten in het bestaande akkoord om te reageren op nieuwe Amerikaanse tarieven?

16. Antwoord van het kabinet:

Ja. Wat betreft de EU-verordeningen is het voor het kabinet van belang dat er voldoende bijsturingsmogelijkheden zijn mocht de VS zich niet aan haar afspraken houden. Daarom heeft Nederland zich in de Raad uitgesproken voor een stevige monitorings- en evaluatieclausule, zodat de impact van de EU-tariefverlagingen en implementatie aan VS-zijde goed kunnen worden gevolgd. Daarbij moet de mogelijkheid bestaan om de tariefverlagingen op te schorten bij niet-naleving van afspraken door de VS, zoals ook expliciet opgenomen in de Raadspositie. Ook het Europees Parlement is hier voorstander van. In meer algemene zin heeft de EU voldoende instrumenten om te reageren als de VS haar afspraken niet nakomt.

Hoe beoordeelt het kabinet de inzet van het Europees Parlement voor clausules die tariefpreferenties kunnen opschorten wanneer de VS nieuwe tarieven invoert, en voor een zogenoemde sunrise clause waarbij EU-concessies pas ingaan zodra de VS haar verplichtingen nakomt?

17. Antwoord van het kabinet:

De kabinetsinzet is gericht op een goede implementatie van de Turnberry deal, aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. Het is daarom zaak dat aan EU-zijde de triloog onderhandelingen over de EU-verordeningen ter implementatie van de Turnberry deal spoedig worden afgerond. Dat geeft de EU een betere uitgangspositie om de VS aan te spreken op de implementatie aan VS-zijde op die punten waar de EU ontevreden is, zoals de heffingen op staal- en aluminiumderivaten, en om de gesprekken over verdere carve outs met de VS te hervatten.

Het kabinet is geen voorstander van een sunrise clausule; een dergelijke clausule brengt het risico met zich mee dat de implementatie van het Joint Statement in een patstelling belandt. Zoals ook beschreven in het antwoord op de vorige vraag is het kabinet voorstander van maatregelen die erop zien dat de EU haar zijde van de deal kan opschorten als de VS de gemaakte afspraken niet nakomt.

Handelsrelatie met Israël en illegale nederzettingen

De leden van de D66-fractie nemen met teleurstelling kennis van het uitblijven van voldoende steun, ook bij besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, voor Europese maatregelen in de handelsrelatie met Israël in brede zin, en voor een Europees handelsverbod op producten uit illegale nederzettingen in het bijzonder.

Deze leden constateren dat de Raad Buitenlandse Zaken Handel een logisch moment biedt om opnieuw te pleiten voor een Europees handelsverbod op producten uit illegale nederzettingen. Is het kabinet bereid zich tijdens de RBZ Handel actief uit te spreken voor Europese handelsmaatregelen tegen illegale nederzettingen?

18. Antwoord van het kabinet:

Zoals uw leden constateren was er tijdens de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 11 mei jl. onvoldoende draagvlak voor Europese maatregelen op het gebied van handel. Het kabinet blijft zich inspannen om het draagvlak voor maatregelen in EU-verband te vergroten, parallel aan de inzet voor nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren. EU-maatregelen hebben de voorkeur van het kabinet, omdat deze doorgaans effectiever zijn, en daarmee een grotere impact hebben, dan nationale maatregelen. Deze inzet van het kabinet zal tijdens de RBZ Handel worden besproken met andere EU-handelsministers.

Wat is de inzet van het kabinet om lidstaten die zich hiertegen verzetten alsnog te overtuigen? Hoe benut het kabinet de mogelijkheden om met gelijkgezinde lidstaten een coalitie te vormen, om zo de invloed en overtuigingskracht richting terughoudende lidstaten te vergroten?

19. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zal zich in lijn met relevante moties en toezeggingen aan het parlement blijven inzetten voor het vergroten van draagvlak voor EU-maatregelen. Het kabinet staat hiervoor in contact met zowel gelijkgezinde lidstaten, als lidstaten die aanname van EU-maatregelen nog niet steunen. Tegelijkertijd blijft het kabinet samenwerken met landen die net als Nederland nationale maatregelen hebben aangekondigd ten aanzien van de handel in goederen afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen, met als doel om informatie uit te wisselen en waar mogelijk de effectiviteit en onderlinge coherentie van nationale maatregelen zoveel mogelijk te bevorderen.

Deze leden blijven daarnaast aandringen op het voortvarend presenteren van een nationaal handelsverbod op producten uit illegale nederzettingen, indien Europese besluitvorming uitblijft.

Russisch lng en economische veiligheid

De leden van de D66-fractie nemen met zorg kennis van berichtgeving dat Nederland in de eerste drie maanden van dit jaar nog altijd 12 procent van het geïmporteerde vloeibare gas uit Rusland betrok. Zij constateren dat dit moeilijk te rijmen is met de inzet om Europese afhankelijkheid van Russische energie zo snel mogelijk af te bouwen en te voorkomen dat Europese betalingen de Russische oorlogskas blijven spekken.

Hoe beoordeelt het kabinet deze aanhoudende import van Russisch lng? Kan het kabinet uitsplitsen welk deel hiervan daadwerkelijk voor Nederlands gebruik bestemd is en welk deel via Rotterdam wordt doorgevoerd naar andere Europese landen?

20. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet heeft zich in EU-verband de afgelopen jaren hard ingezet voor de afbouw van de import van Russische olie en gas. Per 1 januari 2027 zijn alle LNG-importen per REPowerEU-verordening en sanctiewetgeving verboden. Het Russisch LNG dat nog binnenkomt via de GATE terminal, wordt geïmporteerd op basis van langetermijncontracten die marktpartijen ruim voor de Russisch inval in Oekraïne met Russische producenten hebben gesloten. Conform het 19de sanctiepakket en de zogenaamde REPowerEU verordening (Verordening (EU) 2026/261) mag deze import tot uiterlijk 31 december 2026 doorgaan.

Het is niet aan te geven welk deel van dit Russisch gas wordt gebruikt in Nederland en welk deel wordt doorgevoerd naar andere landen. Dat gas wordt vanuit de GATE terminal ingevoerd in het Nederlandse gastransportnet waar het wordt gemengd met gas uit andere bronnen (bijoorbeeld de Nederlandse kleine velden en Noorwegen) waarna niet meer valt te achterhalen waar de Russische moleculen blijven.

Welke mogelijkheden ziet het kabinet om de import van Russisch lng sneller af te bouwen dan de Europese deadline van begin 2027, zonder de leveringszekerheid onevenredig te raken?

21. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet deelt de ambitie om de import van Russisch LNG naar Europa zo snel mogelijk te reduceren.

Op dit moment binnen de EU biedt de REPowerEU-verordening de mogelijkheid om de import van Russisch LNG uiterlijk per 31 december 2026 te beëindigen.

Het kabinet ziet echter geen mogelijkheid om de import van Russisch gas eenzijdig sneller af te bouwen. Dit hangt samen met het feit dat het hier gaat om een EU-bevoegdheid en een gereguleerde interne markt, waarbij importbeperkingen niet door afzonderlijke lidstaten eenzijdig kunnen worden opgelegd, en waarin het kabinet bovendien geen mogelijkheden heeft om in te grijpen in reeds gesloten lange termijncontracten tussen marktpartijen.

Het kabinet blijft zich in EU-verband inzetten voor snelle en consequente afbouw van de import van Russisch LNG binnen het afgesproken EU-kader. Het kabinet zet daarnaast actief in op diversificatie van importstromen.

En is het kabinet bereid zich in EU-verband te verzetten tegen uitstel van het volledige verbod op Russisch lng, ook nu de afsluiting van de Straat van Hormuz druk zet op de wereldwijde lng-markt?

22. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet is volledig gecommitteerd aan het doel om het Russische verdienvermogen verder te ondermijnen en de import van Russisch lng naar de Europese Unie volledig uit te faseren. Uitstel van de overeengekomen data in het kader van de Ruslandsancties en van het RePowerEU-afbouwplan is wat het kabinet betreft dan ook niet aan de orde.

Oeigoerse dwangarbeid

De leden van de D66-fractie blijven grote zorgen houden over producten die mogelijk met Oeigoerse dwangarbeid tot stand zijn gekomen. Zij wijzen op recente berichtgeving van Nieuwsuur dat de import van goederen uit Xinjiang naar Nederland de afgelopen jaren is verzesvoudigd en vorig jaar bijna 500 miljoen euro bedroeg, ondanks de ernstige mensenrechtenschendingen tegen Oeigoeren en andere minderheden in de regio. Ook zou Nederland een deadline hebben gemist voor de aanwijzing van een toezichthouder onder de nieuwe Europese regels tegen producten die met dwangarbeid zijn gemaakt.

Kan het kabinet toelichten waarom het de motie-Van Baarle/Bamenga als uitgevoerd beschouwt, terwijl de handel met Xinjiang toeneemt en de praktische handhaving nog in voorbereiding lijkt?

23. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet veroordeelt gedwongen arbeid waar ook ter wereld, en deelt de zorgen over de situatie van de Oeigoeren. De Anti-dwangarbeidverordening is een belangrijk Europees instrument om dwangarbeid wereldwijd tegen te gaan. De regels voor bedrijven gaan gelden vanaf 14 december 2027. Vanaf dat moment zal er ook gehandhaafd worden.

De Europese Commissie wordt verantwoordelijk voor het onderzoek doen naar en vaststellen van producten gemaakt met dwangarbeid buiten de Europese grenzen, waaronder in China. Het is dus van belang dat zij op de hoogte zijn van het risico op dwangarbeid aldaar en goed voorbereid zijn op het toezicht en de handhaving van de verordening. In lijn met de moties Van Baarle4 en Van Baarle/Bamenga5 heeft Nederland de afgelopen jaren regelmatig aandacht gevraagd bij de Commissie over het belang van het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. De Commissie is mede dankzij de inzet van Nederland beter geïnformeerd over het risico op dwangarbeid in China.

Daarnaast zet Nederland zich in om bedrijven actief te informeren over de Anti-dwangarbeidverordening en hen te ondersteunen bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid. Daarnaast vinden er regelmatig gesprekken plaats met het bedrijfsleven en andere stakeholders over de verordening. Bedrijven kunnen onder andere terecht bij het MVO-steunpunt (RVO) en het postennetwerk in China voor informatie en ondersteuning.

In het antwoord op vraag 25 hieronder wordt nader ingegaan op het toezicht in Nederland door een nog aan te wijzen Nederlandse toezichthouder.

Welke concrete stappen zet het kabinet om producten die met Oeigoerse dwangarbeid zijn gemaakt van de Nederlandse en Europese markt te weren?

24. Antwoord van het kabinet:

Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 23 wordt de Europese Commissie verantwoordelijk voor het onderzoek doen naar en vaststellen van producten gemaakt met dwangarbeid buiten de EU-grenzen, waaronder in China vervaardigde producten. Nederland heeft de afgelopen jaren op verschillende momenten in het kader van de Anti-dwangarbeidverordening aandacht gevraagd voor het belang van het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. Daarnaast worden bedrijven actief geïnformeerd over de verordening en ondersteund bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid.

Wanneer wordt de Nederlandse toezichthouder aangewezen?

25. Antwoord van het kabinet:

Lidstaten moesten voor 14 december 2025 één of meerdere toezichthouder(s) aanwijzen. Aan die verplichting is gedeeltelijk voldaan. Een aantal markttoezichthouders, namelijk de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), zijn aan de Commissie doorgegeven voor de handhaving van het verbod wanneer dwangarbeid is vastgesteld. De Kamer is hierover geïnformeerd via de geannoteerde agenda voor de RBZ Handel van 19 en 20 februari jl. Daarnaast moet elke lidstaat één leidende bevoegde autoriteit aanwijzen. Het ministerie voert al geruime tijd gesprekken met verschillende partijen die geschikt kunnen zijn. Deze rol omvat meerdere taken, waaronder het beoordelen van ingediende informatie, het onderzoek doen naar producten gemaakt met dwangarbeid in Nederland, en het nemen van besluiten of het verbod geschonden is. Het ministerie heeft samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gesprekken met potentiële kandidaten voor de rol van leidende bevoegde autoriteit geïntensiveerd. Het kabinet streeft ernaar op korte termijn een leidende bevoegde autoriteit aan te wijzen. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 23 en 24 hierboven treedt de Europese Commissie voor gevallen van dwangarbeid buiten de EU op als leidende bevoegde autoriteit.

En is het kabinet bereid ervoor te pleiten dat Xinjiang expliciet als risicoregio wordt opgenomen in de Europese risicodatabase?

26. Antwoord van het kabinet:

Ja, daar is het kabinet toe bereid.

Inbreng leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda met de inzet voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en de overige stukken. In een wereld van toenemende geopolitieke spanningen en instabiliteit benadrukt volgens de leden van de VVD-fractie nog maar eens het belang van een actief, strategisch en realistisch handelsbeleid. Deze leden hebben nog een aantal vragen.

De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de trans-Atlantische relatie de hoeksteen van onze economische welvaart vormt. Deze leden constateren dat er vanuit Washington stevige kritiek bestaat op de trage Europese uitvoering van het Turnberry-akkoord. Zij geven aan dat hoewel er vaak kritiek is op Washington, we ook eerlijk moeten zijn dat de Verenigde Staten wel een punt hebben als het gaat om trage Europese uitvoering van het Turnberry-akkoord. De Verenigde Staten zijn de grootste buitenlandse investeerder in Nederland, terwijl Nederland tegelijkertijd behoort tot de grootste investeerders in de Verenigde Staten. Dat wederzijdse belang vraagt volgens deze leden om nuchterheid, strategisch inzicht en een pragmatische koers.

De leden van de VVD-fractie steunen daarom de-escalatiestrategie van bondskanselier Merz. Wat deze leden betreft moet Europa laten zien dat het gemaakte afspraken serieus neemt in plaats van de confrontatie op te zoeken. Zij vragen de Minister daarom hoe hij er in Europees verband op aandringt dat de Europese Unie sneller uitvoering geeft aan de afspraken uit het Turnberry-akkoord. Welke concrete stappen zet Nederland om binnen de Europese Unie meer tempo te maken?

27. Antwoord van het kabinet:

De kabinetsinzet is gericht op een goede implementatie van de Turnberry deal, aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. Het kabinet zet in dat verband in op spoedige afronding van de triloog onderhandelingen over de EU-verordeningen ter implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde. De verwachting is dat deze triloog spoedig kan worden afgerond. Het kabinet zal zich in de Raad opnieuw uitspreken voor een spoedige implementatie aan EU-zijde.

Tegelijkertijd vinden de leden van de VVD-fractie wel dat moet worden voorkomen dat instrumenten als het Anti-Coercion Instrument lichtvaardig worden ingezet. Wat deze leden betreft dient dit instrument uitsluitend te worden gebruikt als drukmiddel bij ernstige geopolitieke chantage of existentiële dreigingen. Diplomatie richting onze belangrijkste handelspartner moet volgens deze leden altijd maximaal worden benut voordat verdere economische tegenmaatregelen worden overwogen.

Ten aanzien van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) constateren de leden van de VVD-fractie dat de uitkomsten van de 14e Ministeriële Conferentie in Yaoundé teleurstellend zijn. Deze leden maken zich in het bijzonder zorgen over het uitblijven van structurele WTO-hervormingen en het aflopen van het e-commerce moratorium. Wat de leden betreft verliest een Wereldhandelsorganisatie die structurele hervormingen blijft uitstellen haar geloofwaardigheid. Sinds 1998 vormt dit moratorium, dat invoerrechten op digitale overdrachten zoals software, data en streamingdiensten voorkomt, een fundament onder de wereldwijde digitale economie. Het wegvallen daarvan creëert volgens deze leden grote onzekerheid voor bedrijven en dreigt te leiden tot een versnippering van nationale digitale heffingen. Deze leden vragen daarom hoe de Minister de risico’s voor de Nederlandse techsector en digitale handel beoordeelt nu het moratorium onder druk staat. Welke inzet pleegt Nederland binnen de WTO om alsnog tot verlenging van het moratorium of alternatieve internationale afspraken te komen?

28. Antwoord van het kabinet:

Uiteraard betreurt het kabinet dat het niet gelukt is om het e-commerce moratorium opnieuw te verlengen tijdens de 14e Ministeriële Conferentie (MC14) van de WTO. De EU zal zich blijven inspannen om tot een oplossing te komen, waarbij het uitgangspunt blijft dat voorkomen moet worden dat landen heffingen op elektronische transmissies invoeren. In dat licht is het positief dat 66 WTO-landen, waaronder de EU, tijdens MC14 zijn overeenkomen om het zogenoemde E-Commerce Agreement (ECA) op voorlopige basis toe te gaan passen.6 Dit plurilaterale akkoord bevat onder meer een verbod op elektronische heffingen dat vergelijkbaar is met het e-commerce moratorium. Bovendien bevatten een aantal recente EU-handelsovereenkomsten een vergelijkbaar verbod op heffingen op elektronische transmissies, waardoor in de handelsrelaties met een aanzienlijk aantal andere landen rechtszekerheid op dit punt geborgd blijft.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie nadrukkelijk aandacht voor de positie van China binnen de WTO. Deze leden vinden het niet langer uitlegbaar dat de tweede economie ter wereld zich nog altijd beroept op de status van ontwikkelingsland. Daardoor blijft China volgens deze leden ruimte houden voor grootschalige staatssteun, marktverstoring en oneerlijke concurrentie, zonder de verantwoordelijkheden te dragen die passen bij zijn economische gewicht.

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister daarom welke concrete stappen Nederland samen met gelijkgestemde partners zet om de druk op China binnen de WTO op te voeren. Welke instrumenten of beperkende maatregelen worden overwogen indien China blijft weigeren zijn status en verplichtingen aan te passen aan de economische realiteit van vandaag?

29. Antwoord van het kabinet:

De drieslag van China als handelspartner, concurrent en systeemrivaal blijft onverminderd van belang.7 Daarbij deelt het kabinet de zorgen over het Chinese industrie- en handelsbeleid, die ook breder in de EU leven. Nederland zet zich in EU-verband dan ook in voor een versterking van het gelijk speelveld tussen industriële sectoren, via onder andere een effectieve inzet van het EU handelsinstrumentarium.

De status van ontwikkelingsland bij de WTO is een classificatie die landen voor zichzelf mogen bepalen en waarvoor geen vastgestelde criteria gelden. China heeft recent aangekondigd om in toekomstige WTO-overeenkomsten niet langer aanspraak te zullen maken op bepaalde voordelen die ontleend kunnen worden aan de status van ontwikkelingsland. Het kabinet beschouwt dit als een logisch en positief besluit, maar constateert tegelijk dat China in WTO-verband nog steeds aan de status van ontwikkelingsland vasthoudt. Nederland zal in EU-verband blijven benadrukken dat landen in de WTO geen oneigenlijk beroep mogen doen op de voordelen die de status van ontwikkelingsland kan bieden.

De leden van de VVD-fractie benadrukken dat in een wereld waarin de WTO steeds vaker vastloopt, handelsverdragen belangrijker worden. Zij constateren dat het succes van CETA laat zien dat stabiele en voorspelbare handelsafspraken een krachtig antwoord vormen op toenemend mercantilisme en economische fragmentatie.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de Europese Unie hierin een unieke positie heeft. De betrouwbaarheid van Europa maakt de Europese Unie aantrekkelijk voor landen die niet willen kiezen tussen Washington en Beijing. Wat deze leden betreft moet de Europese Unie daarom veel intensiever samenwerken met landen zoals Japan, Zuid-Korea, Australië en Canada, niet alleen via afzonderlijke handelsverdragen, maar ook via een breder strategisch netwerk gericht op economische veiligheid, leveringszekerheid en kritieke grondstoffen.

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister daarom of hij mogelijkheden ziet voor een bredere alliantie van gelijkgestemde middelmachten op het gebied van economische veiligheid, kritieke grondstoffen en de bescherming van vitale maritieme handelsroutes. Kan de Minister daarnaast een concreet tijdpad schetsen voor wanneer een formele top met deze partners zou kunnen plaatsvinden om dergelijke afspraken nader uit te werken en vast te leggen?

30. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet deelt het beeld dat een grote rol is weggelegd voor de EU op het gebied van economische veiligheid, zoals ook verwoord in de beoordeling van de Mededeling «Versterking van de economische veiligheid van de EU»8 die op 30 januari aan uw Kamer is gestuurd. Zoals in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 20269 uiteengezet, wil Nederland zijn risicovolle strategische afhankelijkheden afbouwen en de economische veiligheid versterken, onder meer via diversificatie van handelspartners, innovatie en gerichte investeringen, en door het verbreden en verdiepen van partnerschappen met gelijkgezinde landen, waaronder middelmachten als Japan, Zuid-Korea, Australië en Canada.

Het kabinet onderkent dat economische veiligheid alleen in gezamenlijkheid kan worden versterkt. Nederland werkt daarom al nauw samen met Europese partners en andere gelijkgestemde landen binnen bestaande kaders, zoals de EU, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), de G7 (via de EU) en via thematische partnerschappen op het gebied van economische veiligheid, kritieke grondstoffen en halfgeleiders. Hoewel het kabinet op dit moment geen aanleiding ziet om een afzonderlijke formele top te organiseren, is het wel de inzet om de samenwerking met deze gelijkgezinde landen verder te verdiepen en concretiseren.

Inbreng leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennis genomen van de agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.

De leden lezen dat de Raad tijdens de lunch zal spreken over de implementatie van handelsakkoorden. In dat kader hebben de leden van deze fractie enkele vragen over Investor-State Dispute Settlement (ISDS), het mechanisme in internationale investeringsverdragen dat buitenlandse investeerders het recht geeft om een staat aan te klagen buiten de nationale rechtbanken om. De leden wijzen erop dat Nederland zelf bijvoorbeeld geconfronteerd wordt met rechtszaken van ExxonMobil en Shell vanwege de sluiting van het gasveld in Groningen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet of zij herinneren dat eind vorige maand in Colombia een historische conferentie plaatsvond, de eerste conferentie over de transitie weg van fossiele brandstoffen, gezamenlijk georganiseerd door Colombia en Nederland, en of zij herinneren dat daar op de agenda specifiek werd verwezen naar ISDS als een obstakel voor een groene transitie. Ook vragen zij het kabinet of zij bekend zijn met de vooraf aan de conferentie verstuurde brief door 220 economen en rechtsgeleerden aan de Colombiaanse president Gustavo Petro, waarin zij oproepen tot maatregelen inzake ISDS.

31. Antwoord van het kabinet:

Tijdens de eerste conferentie «Transitioning away from Fossil Fuels» is inderdaad onder meer gesproken over het investeerder-staatgeschillenbeslechtingsmechanisme (ISDS). Investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s), waarvan ISDS deel kan uitmaken, hebben als doel investeringen van de investeerder van de ene verdragspartij op het grondgebied van de andere verdragspartij bescherming te bieden in aanvulling op de bescherming die voortvloeit uit nationale wetten en regelingen van de verdragspartijen. Investeringsbescherming draagt daarmee bij aan het versterken van het investeringsklimaat, waaronder ten behoeve van investeringen die nodig zijn voor de groene transitie. Het kabinet is op de hoogte van de brief die is verstuurd aan president Gustavo Petro. Het kabinet zet in op modernisering van het ISDS systeem en niet op de afschaffing daarvan.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af of de Minister kan uitweiden over de discussies die zijn gevoerd over ISDS op deze conferentie. De Nederlandse regering liet bij monde van Minister van Veldhoven na afloop weten dat «verschillende partijen en verschillende landen verschillende standpunten» hadden ingenomen, maar niet welke standpunten. De leden vragen welke positie de Nederlandse regering heeft ingenomen in de discussies over ISDS. Deelt de Nederlandse regering de mening van de Colombiaanse Minister Irene Vélez Torres, die zei dat ISDS regeringen al jaren belemmert om doortastender klimaatmaatregelen te nemen, en die een stappenplan heeft ontwikkeld om uit ISDS te stappen? Erkent de Minister, net als zijn Colombiaanse collega, dat ISDS een obstakel vormt voor de groene transitie? Zo nee, waarom niet?

32. Antwoord van het kabinet:

Over ISDS wordt inderdaad verschillend gedacht door verschillende landen en door verschillende maatschappelijke organisaties. Nederland heeft tijdens de conferentie aangegeven voorstander te zijn van een hervorming van het ISDS mechanisme en in te zetten op een modernisering van het systeem op zowel nationaal, Europees als multilateraal niveau. Nederland beschouwt het ISDS systeem niet als een obstakel voor de energietransitie. Het ISDS-systeem is sectorneutraal, dus ook investeringen die noodzakelijk zijn voor de transitie worden hierdoor beschermd, zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag.

Welke positie gaat Nederland innemen bij toekomstige verdragen die ter tafel komen als daarin een vorm van ISDS is opgenomen? Hoeveel bilaterale of multilaterale handels- en investeringsverdragen waarin Nederland op dit moment partij is, bevatten een vorm van ISDS? Welke daarvan lopen binnen deze kabinetsperiode af? Welke van de vrijhandelsverdragen of investeringsverdragen die nu door Europa in onderhandeling zijn (onder andere met Indonesië, India, en Mexico) bevatten een vorm van ISDS?

33. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet hecht belang aan investeringsbeschermingsverdragen en beschouwt dergelijke verdragen als één van de instrumenten voor een actief en ambitieus internationaal handels- en investeringsbeleid. Derhalve staat Nederland in beginsel positief tegenover toekomstige verdragen die ISDS elementen bevatten. Dit wel met inachtneming van de inzet op modernisering van het ISDS-systeem, zoals is voorzien in het Nederlandse en Europese beleid ten aanzien van ISDS10.

Op dit moment is Nederland partij bij ongeveer 75 in werking zijnde handels- en investeringsverdragen die een vorm van ISDS bevatten. Geen van deze verdragen loopt tijdens deze kabinetsperiode af.

In de Voortgangsrapportage handelsakkoorden van 6 mei jl.11 is uw Kamer geïnformeerd over de status van de lopende onderhandelingen en recent afgeronde akkoorden. Wat betreft de EU vrijhandels- en investeringsverdragen waar ISDS onderdeel van is, lopen op dit moment enkel nog onderhandelingen over een investeringsbeschermingsakkoord met India. De onderhandelingen tussen de EU en Indonesië over een investeringsbeschermingsovereenkomst zijn in oktober 2025 afgerond. De onderhandelingen over de gemoderniseerde EU-Mexico Global Agreement zijn in januari 2025 afgerond. Dit gemoderniseerde verdrag bevat bepalingen over de totstandkoming van een permanent investeringshof (Investment Court System) dat bestaat uit een Gerecht van eerste aanleg en een Hof van Beroep. De procedures voor het investeringshof zullen transparant zijn en de mogelijkheid bieden voor inbreng van geïnteresseerde derden die een relevant belang hebben bij het geschil. Daarnaast zijn er gedragscodes opgenomen die de onafhankelijkheid van de leden van het investeringshof moeten garanderen. Het kabinet beschouwt deze afspraken als een belangrijke stap in de modernisering van het internationale ISDS-systeem.

Over het handelsverdrag met Indonesië vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich af hoe risico’s op ontbossing en landrechten bij de uitvoering van dit verdrag worden gewaarborgd. Hoe kijkt Nederland naar het idee om de handelsvolumes van producten met ontbossingsrisico naar de EU na de invoering bij te houden, om te zien of er daadwerkelijk sprake is van een stijging?

34. Antwoord van het kabinet:

In het bijhouden van handelsvolumes is het niet mogelijk om onderscheid te maken tussen producten met een ontbossingsrisico en producten die daadwerkelijk bijgedragen hebben aan ontbossing. Bovendien zal onder de EU Verordening Ontbossingsvrije producten een verbod opgelegd worden aan het op de EU-markt brengen van producten die bijgedragen hebben aan ontbossing. Het handelsakkoord heeft geen impact op de eisen van de ontbossingsverordening.

Is Nederland het eens dat de EU aanzienlijke middelen en diplomatieke inspanningen moet inzetten om duurzame productie te stimuleren in partnerlanden zoals Indonesië? En is de Nederlandse regering het eens dat het maatschappelijk middenveld een rol moet krijgen in het houden van toezicht op de wijze waarop het Palmolieprotocol moet worden uitgevoerd?

35. Antwoord van het kabinet:

Nederland is een belangrijke toevoerhaven naar Europa en streeft mede daarom naar een gelijk speelveld binnen de EU op het gebied van duurzame handel. Nederland roept daarom de EU en andere lidstaten op om met eenduidige lijnen te komen richting partnerlanden, inclusief Indonesië, om duurzame productie te stimuleren. In multilaterale context zet het kabinet in op het verhogen van productiestandaarden wereldwijd. In handelsakkoorden en andere bilaterale instrumenten zet het kabinet ook in op het maken van afspraken over verduurzaming van productie. Middels unilaterale wetgeving zoals de EU Verordening Ontbossingsvrije Producten wordt duurzame productie in partnerlanden eveneens gestimuleerd. Hierbij wordt ook bijgedragen aan flankerend beleid ter ondersteuning van implementatie van deze wetgeving.

Op het gebied van duurzame productie in Indonesië ondersteunt Nederland de verduurzaming van de palmolieketen middels technische assistentie via het NISCOPS II programma. Daarnaast draagt Nederland bij aan het Team Europe Initiatief ontbossingsvrije waardeketens, dat als doel heeft om duurzame, ontbossingsvrije toeleveringsketens te bevorderen door middel van technische assistentie aan producenten en overheden.

In het Palmolieprotocol is afgesproken dat de verdragspartijen de betrokkenheid van relevante stakeholders in de EU en Indonesië bij de implementatie van het protocol zullen stimuleren. Het kabinet onderschrijft het belang van de rol van het maatschappelijk middenveld, ook in het kader van het Palmolieprotocol.

Over de conferentie over de hervorming van de WTO, delen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de mening van het kabinet dat het teleurstellend is dat er geen consensus is bereikt over noodzakelijke hervormingen. De leden wijzen erop dat een goed functionerende WTO belangrijk is voor een mondiaal handelssysteem gebaseerd op regels, en dat hervormingen noodzakelijk zijn om recht te doen aan landen in het mondiale Zuiden. Zij vragen het kabinet om aan te geven hoe zij denken dat een weg uit deze impasse eruit kan zien.

36. Antwoord van het kabinet:

De Nederlandse inzet bij de WTO zal er, ook na de teleurstellende uitkomst van MC14, op gericht blijven om hervormingen bij de WTO door te voeren die het gelijk speelveld tussen landen kunnen verbeteren en die het multilaterale handelssysteem sterker en eerlijker maken. Daarvoor zal nadrukkelijk de samenwerking worden gezocht met landen die hetzelfde doel voor ogen hebben, ook in het Mondiale Zuiden.

Bij 14e ministeriële conferentie (MC14) is nogmaals duidelijk geworden dat multilaterale besluitvorming bij de WTO zeer moeilijk is om te bewerkstelligen, maar dat plurilaterale samenwerking wel mogelijkheden biedt om tot nieuwe internationale handelsafspraken te komen. Nederland ziet plurilaterale samenwerking dan ook als een mogelijkheid om de impasse in besluitvorming bij de WTO te doorbreken. Nederland zet derhalve in op totstandkoming van een aantal nieuwe plurilaterale verdragen in de komende periode, zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 1.

Tot slot lezen de leden van deze fractie dat het in de Raad zal gaan over de Turnberry-deal tussen de EU en de VS. Zij vragen het kabinet hoe het staat met de onderhandelingen tussen de Raad en het Europees Parlement, en of de verwachting is dat belangrijke aanpassingen van het Europees Parlement – in het bijzonder een sunset clause; een sunrise clause voor staal en aluminium; opschortingsclausules bij ernstige schendingen van mensenrechten en fundamentele democratische beginselen; formele koppeling met het Anti-Coercion Instrument – in de uiteindelijke overeenkomst zullen komen. Is het kabinet het eens dat, zelfs als de overeenkomst verbetert, fundamentele zorgen over de deal – zoals de zwakke onderhandeling vanuit de EU, de zeer onevenwichtige uitkomst, en zorgen over de juridische basis voor de tarieven en WTO-conformiteit – overeind blijven en niet worden weggenomen?

37. Antwoord van het kabinet:

De Amerikaanse heffingen en de aanhoudende onzekerheid die daarmee gepaard gaat, zijn in niemands voordeel. Tegelijkertijd blijven de Verenigde Staten (VS) een van de belangrijkste handelspartners van zowel Nederland als de EU. In het oordeel van het kabinet is de EU nog altijd beter af mét de Turnberry afspraken dan zonder. Een situatie waarin de meeste heffingen aan VS-zijde zijn geplafonneerd op 15 procent is beter dan een situatie zonder een dergelijk plafond. De gemaakte afspraken bieden bovendien een basis voor verdere onderhandelingen. Daarbij beschikt de EU over voldoende instrumenten om de Europese belangen te beschermen, mocht de VS haar afspraken onder de Turnberry deal niet nakomen.

Voor wat betreft de EU-verordeningen ter implementatie aan EU-zijde is het voor het kabinet van belang dat er voldoende bijsturingsmogelijkheden zijn mocht de VS zich niet aan haar afspraken houden. Daarom heeft Nederland zich in de Raad steeds uitgesproken voor een stevige monitorings- en evaluatieclausule, zodat de impact van de EU-tariefverlagingen en implementatie aan VS-zijde goed kunnen worden gevolgd. Daarbij moet de mogelijkheid bestaan om de tariefverlagingen op te schorten bij niet-naleving van afspraken door de VS, zoals ook expliciet opgenomen in de Raadspositie. Ook het Europees Parlement is hier voorstander van. Het kabinet kan zich ook vinden in een sunset clausule. Het kabinet is echter geen voorstander van een sunrise clausule; een dergelijke clausule brengt het risico met zich mee dat de implementatie van het Joint Statement in een patstelling belandt.

Het kabinet verwacht dat de triloog over de EU-verordeningen spoedig kan worden afgerond. Tijdens de aanstaande Raad Buitenlandse Zaken Handel zal het kabinet opnieuw aandringen op spoedige implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde.

Hoe ziet het kabinet een overeenkomst waarin Europa belooft om grote hoeveelheden vloeibaar gas te kopen, als verenigbaar met onze nationale en internationale verplichtingen om af te stappen van fossiele energie?

38. Antwoord van het kabinet:

De EU heeft in het kader van de Turnberry deal met de VS aangegeven om voor 700 miljard dollar Amerikaanse energieproducten aan te kopen. De Turnberry deal betreft een politieke afspraak tussen de VS en de EU, die als zodanig geen energie inkoopt. De vraag naar energieproducten wordt bepaald door inkopende bedrijven. Het kabinet beschouwt aardgas als transitiebrandstof in de omschakeling naar een koolstofvrij energiesysteem in 2050. Het kabinet voert actief beleid om per 2050 klimaatneutraal te zijn, overeenkomstig het doel van de EU. Dat laat onverlet dat de EU voorlopig voor haar energiebehoefte deels afhankelijk is van de import van aardgas, waaronder uit de Verenigde Staten.

Inbreng leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026, de voortgangsrapportage handelsakkoorden, de brief over de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel, de brief over de EU-Canada handelsrelatie, de reactie op de grondstoffenalliantie tussen de VS, Japan en de EU en de EU-signalering.

De leden van de CDA-fractie beoordelen deze agenda vanuit één centrale overtuiging: in een wereld waarin handelsroutes worden verstoord, bondgenootschappen verschuiven en protectionisme toeneemt, moet Europa zijn strategische autonomie op het gebied van handel, grondstoffen en voedselzekerheid veel actiever vormgeven. Europa is voor cruciale grondstoffen voor de landbouw, zoals fosfaat en kali, afhankelijk van Rusland, Belarus en Marokko. Voor plantaardige eiwitten voor veevoer is de EU grotendeels aangewezen op Brazilië en de VS. De afsluiting van de Straat van Hormuz laat zien hoe kwetsbaar toeleveringsketens zijn wanneer geopolitieke spanningen oplopen. Het regeerakkoord onderstreept terecht dat Nederland de banden verder moet aanhalen met gelijkgezinde landen als Canada, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Noorwegen, en dat diversificatie van kritieke grondstoffen essentieel is. De leden van de CDA-fractie vinden dat voedselgrondstoffen en eiwitstromen in dat rijtje thuishoren. Juist de samenwerking met zogenoemde middenmachten – landen als Canada, Australië, Brazilië en Marokko, die landbouwgrond, grondstoffen of verwerkingscapaciteit hebben die Europa nodig heeft – biedt perspectief voor een weerbare Europese handelspositie. Vanuit dit perspectief stellen deze leden de volgende vragen.

Wereldhandelsorganisatie (WTO)

De leden van de CDA-fractie delen de teleurstelling over de magere uitkomst van de 14e Ministeriële Conferentie van de WTO in Yaoundé. Juist in een tijd van geopolitieke spanning, handelsconflicten en groeiend protectionisme is een sterke WTO immers nodig. Voornoemde leden constateren dat er geen akkoord is gekomen over een WTO-hervorming en dat er ook geen verlenging is van het e-commerce moratorium (afspraak binnen de WTO dat landen geen invoerheffingen mogen opleggen op elektronische transmissies). Kan de Minister precies aangeven wat de Nederlandse inzet wordt in Genève? Welke concrete stappen wil Nederland dat de EU zet om alsnog tot resultaat te komen?

39. Antwoord van het kabinet:

De Nederlandse inzet bij de World Trade Organization (WTO) in Genève zal in eerste instantie gevormd worden door de prioriteiten en de inzet zoals beschreven in de kaderinstructie voor de 14e ministeriële conferentie (MC14). Dit document is op 29 januari 2026 met uw Kamer is gedeeld.12 Plurilaterale samenwerking in en rond de WTO zal in de komende jaren belangrijker worden om de impasse in besluitvormingsprocessen bij de WTO te doorbreken. Dit is een ontwikkeling die Nederland onderschrijft, zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 1 hierboven. Om tot plurilaterale akkoorden te komen zal samenwerking met gelijkgezinde landen van groot belang zijn. Nederland zal zich daarom actief inzetten voor een EU die het vizier openhoudt en samenwerkingsgronden zoekt met een brede groep aan landen.

De leden van de CDA-fractie vragen ook hoe realistisch het kabinet het acht dat de WTO via consensus nog tot stevige hervormingen kan komen. Is het kabinet bereid om binnen de EU te pleiten voor meer samenwerking met gelijkgezinde middenmachten, zoals Canada, Japan, Australië en het Verenigd Koninkrijk, als hervorming met alle WTO-leden niet zou lukken?

40. Antwoord van het kabinet:

Ja, het kabinet is bereid om binnen de EU te pleiten voor meer samenwerking met gelijkgezinde middenmachten, zowel binnen de WTO als daarbuiten. MC14 heeft wederom getoond dat het zeer moeilijk is om tot besluitvorming met consensus te komen bij de WTO. De verwachting is helaas ook niet dat dit in de komende jaren zal veranderen. Een inzet bij de WTO die meer de nadruk legt op plurilaterale samenwerking en waarbij duidelijker wordt opgetrokken met gelijkgezinde landen is een pragmatische manier om toch voortgang te boeken in internationale handelsafspraken.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet aankijkt tegen plurilaterale akkoorden binnen of naast de WTO. Kunnen zulke akkoorden een praktische uitweg bieden als sommige leden hervorming blijven blokkeren? Waar liggen voor Nederland hierbij de grenzen?

41. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet is voorstander van plurilaterale samenwerking in en rond de WTO, zoals ook aangegeven in de antwoorden op de twee voorgaande vragen. Momenteel zijn de onderhandelingen afgerond voor twee nieuwe plurilaterale akkoorden bij de WTO, namelijk het Investment Facilitation for Development Agreement (IFDA) en het E-Commerce Agreement (ECA). Nederland is, als lidstaat van de Europese Unie (EU), onderdeel van beide plurilaterale akkoorden. Bij de 14e ministeriële conferentie van de WTO (MC14) hebben de deelnemende landen afgesproken om de nodige stappen te zetten om deze akkoorden in werking te laten treden. De inwerkingtreding van plurilaterale akkoorden binnen het WTO-acquis heeft de voorkeur, maar als dit door langdurige blokkades door enkele WTO-leden onmogelijk wordt gemaakt, is de tijdelijke inwerkingtreding van plurilaterale akkoorden buiten de WTO een pragmatische oplossing om toch tot besluitvorming op internationale handelsthema’s te komen.

Sommige thema’s binnen de WTO zullen echter multilaterale besluitvorming blijven vergen. Het gaat bijvoorbeeld om onderwerpen die van invloed zijn op de handelspositie van elk WTO-lid, zoals afspraken omtrent toegestane subsidies of het gebruik van nationale veiligheidsgronden om unilaterale handelsmaatregelen te nemen.

De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over oneerlijke concurrentie door industriële subsidies, staatsbedrijven en marktverstoring. Kan de Minister aangeven hoe Nederland binnen de EU inzet op stevigere WTO-regels voor industriële subsidies? Wordt daarbij ook expliciet gekeken naar de rol van China?

42. Antwoord van het kabinet:

Hervormingen die de bestaande WTO-regels omtrent industriële subsidies verduidelijken en aanscherpen zijn een belangrijke prioriteit binnen de Nederlandse inzet bij de WTO. Grootschalige marktverstorende industriële subsidies door bepaalde landen, waaronder China, leiden tot oneerlijke concurrentie op wereldmarkten. Het doel van zulke hervormingen moet volgens Nederland dan ook zijn dat het mondiale gelijke speelveld tussen industriële sectoren wordt versterkt en dat marktverstorende industriële steunmaatregelen effectief geadresseerd worden.

In dit verband wijzen de leden van de CDA-fractie op de analyse van Anne Applebaum in Autocracy, Inc., waarin zij beschrijft hoe autocratische regimes – waaronder China, Rusland en Iran – niet langer op ideologische gronden samenwerken, maar op basis van wederzijds economisch en politiek belang. Zij zetten industriële subsidies, staatsbedrijven en kleptocratische financieringsstructuren in om hun machtspositie te versterken, waarbij zij het internationale handelssysteem naar hun hand zetten. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij deze analyse deelt en welke consequenties hij hieruit trekt voor de Nederlandse en Europese handelspolitiek. Is het kabinet bereid om, in lijn met Applebaums oproep aan democratieën om gezamenlijk op te trekken, binnen de EU te pleiten voor een coherente strategie die de handelsverstoringen door autocratische netwerken adresseert, bijvoorbeeld door steviger optreden tegen staatssteun aan buitenlandse staatsbedrijven, strengere investeringsscreening en het tegengaan van marktverstoring via gedumpt aanbod?

43. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet erkent dat het huidige op regels gebaseerde handelssysteem onder druk staat, mede door de inzet van bijvoorbeeld industriële subsidies en andere marktverstorende praktijken door grote economische spelers. Een belangrijk onderdeel van het antwoord op deze problematiek is het verdiepen van samenwerking met gelijkgezinde partners en het diversifiëren van handelsrelaties, onder meer via nieuwe handelsakkoorden. Nieuwe partnerschappen kunnen helpen tegenwicht te bieden aan de groeiende economische invloed van andere machtsblokken. Daarnaast steunt Nederland de effectieve en gerichte inzet van het bestaande EU-handelsinstrumentarium, om waar nodig op te treden tegen oneerlijke concurrentie en marktverstoring.

Ten aanzien van het e-commerce moratorium vragen de leden van de CDA-fractie welke gevolgen het verlopen van dit moratorium kan hebben voor Nederlandse bedrijven, in het bijzonder voor mkb-bedrijven en digitale dienstverleners. Welke landen overwegen volgens het kabinet invoerheffingen op elektronische transmissies? En wat doet de EU om schade voor Europese bedrijven te voorkomen?

44. Antwoord van het kabinet:

Uiteraard betreurt het kabinet dat het niet gelukt is om het e-commerce moratorium opnieuw te verlengen tijdens de MC14 van de WTO. Dit betekent dat het WTO-landen nu in principe vrijstaat om invoerheffingen op elektronische transmissies in te voeren, tenzij zij zich in een bilaterale handelsovereenkomst hebben verbonden om daar onderling van af te zien, zoals de EU met een aantal landen heeft gedaan. Vooralsnog heeft het kabinet echter geen signalen ontvangen dat derde landen op dit moment daadwerkelijk overwegen om een dergelijke heffing te introduceren. Ondertussen blijft de EU zich onverminderd inzetten voor voortzetting van het moratorium. Ook is het positief dat een groep van 66 WTO-leden, waaronder de EU, tijdens MC14 overeen zijn gekomen om het e-commerce agreement (ECA) op voorlopige basis toe te passen.13 Dit plurilaterale akkoord bevat onder meer een verbod op elektronische heffingen dat vergelijkbaar is met het e-commerce moratorium, waarmee in ieder geval in deze groep landen een zekere mate van rechtszekerheid blijft bestaan.

Economische veiligheid: De impact van de situatie in het Midden-Oosten op handel

De leden van de CDA-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten voor handel, energieprijzen, voedselzekerheid en mondiale stabiliteit. Deze leden steunen de inzet dat vrije doorvaart moet worden hersteld. Zij vragen de Minister welke concrete rol de EU hierbij kan spelen. Gaat het hierbij alleen om diplomatieke druk, of ook om praktische ondersteuning van internationale of humanitaire initiatieven?

45. Antwoord van het kabinet:

In het licht van het fragiele staakt-het-vuren tussen de VS en Iran en de voortdurende belemmeringen van vrije doorvaart in de Straat van Hormuz zet het kabinet zich onverminderd in voor een diplomatieke oplossing. Het kabinet roept hier in verschillende Europese fora en bilaterale contacten consistent toe op. De uitbreiding van het sanctie-instrument om Irans belemmering van de vrije doorvaart in de Straat van Hormuz te adresseren is bijna een feit, en hier zal door de EU spoedig opvolging aan worden gegeven. Ook zet het kabinet zich in om het huidige momentum te benutten om de samenwerking tussen de EU en de Golfstaten te versterken.

Welke bijdrage is Nederland bereid te leveren als de veiligheidssituatie dat toelaat?

46. Antwoord van het kabinet:

Zoals eerder aan de Kamer gemeld onderzoekt Nederland een mogelijke militaire bijdrage in coalitieverband. Frankrijk en het VK plannen voor een missie met een brede internationale coalitie. Nederland is betrokken bij deze planning.

De plannen zijn nog in ontwikkeling, en eventuele activatie is pas aan de orde zodra een aantal randvoorwaarden is bereikt, waaronder een einde aan de vijandelijkheden. Eventuele Nederlandse inzet als onderdeel van een internationale militaire presentie vergt dan eerst nationale politieke besluitvorming conform de artikel 100-procedure.

De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland inzet op EU-sancties tegen Iraanse personen en entiteiten die betrokken zijn bij het belemmeren van vrije doorvaart. Kan de Minister aangeven welke sanctie-opties op tafel liggen?

47. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet sinds de aanvang van de Hormuz crisis in op het sanctiespoor, waarbij de inzet is om verantwoordelijken voor de sluiting van de Straat van Hormuz op de sanctielijst te kunnen plaatsen. Verdere details zullen volgen wanneer de besluitvorming van de EU hierover rond is.

De leden van de CDA-fractie vragen ook naar de gevolgen voor lage-inkomenslanden. Juist deze landen zijn vaak afhankelijk van import van olie, gas en kunstmest uit de Golfregio. Wat doet Nederland, bilateraal en via de EU, om te voorkomen dat deze crisis leidt tot hogere voedselprijzen en nieuwe schuldenproblemen in kwetsbare landen?

48. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet deelt de zorg dat lage-inkomenslanden hard kunnen worden geraakt door de economische gevolgen van de blokkade van de Straat van Hormuz. Veel van deze landen zijn sterk afhankelijk van import van energie, voedsel en kunstmest, hebben beperkte begrotingsruimte en kampen in veel gevallen al met hoge schuldendienst. Hogere energie- en kunstmestprijzen kunnen daardoor snel doorwerken in voedselprijzen, inflatie, betalingsbalansdruk en nieuwe schuldenproblemen.

Nederland zet zich daarom in voor een gecoördineerde internationale respons, zowel via de EU als via de internationale financiële instellingen. Daarbij is het van belang dat elk instrument op de juiste plek wordt ingezet. Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) heeft een centrale rol bij betalingsbalansdruk, reserves en macro-economische stabilisatie. De Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken kunnen landen ondersteunen bij het beschermen van prioritaire uitgaven, sociale vangnetten, voedselzekerheid, energievoorziening en hervormingen die de weerbaarheid vergroten. International Finance Corporation (IFC), Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) en regionale ontwikkelingsbanken kunnen daarnaast bijdragen aan handelsfinanciering, garanties en risicodekking voor kritieke importketens, waaronder energie, voedsel, kunstmest en medicijnen.

Binnen de EU pleit Nederland voor een respons die snel, gecoördineerd en doelgericht is, met aandacht voor de meest kwetsbare landen. Daarbij moet worden voorkomen dat Europese maatregelen, bijvoorbeeld op het gebied van energiezekerheid of opslag, onbedoeld de druk op kwetsbare importerende landen verder vergroten. De inzet van Nederland is dat beperkte middelen gericht worden ingezet voor korte-termijn crisisrespons en tegelijk dat er blijvende aandacht is voor de versterking van structurele weerbaarheid, waaronder voedselzekerheid, energiezekerheid en diversificatie van toeleveringsketens.

Kan de Minister daarnaast aangeven wat de gevolgen zijn voor Nederlandse sectoren zoals landbouw, transport, energie-intensieve industrie en chemie?

49. Antwoord van het kabinet:

Nederlandse sectoren worden primair geraakt door hogere productiekosten (voornamelijk energie) en problemen in de toeleveringsketens. Dit kan neerwaartse druk zetten op de winstgevendheid en het concurrentievermogen van Nederlandse bedrijven.

Heeft het kabinet scenario’s klaarliggen voor het mitigeren van de gevolgen van verdere verstoring van energie-, kunstmest-, aluminium- of heliummarkten?

50. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet heeft de Kamer op 20 april jl. geïnformeerd over maatregelen voor het mitigeren van de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten.14 In deze brief gaat het kabinet in op verschillende scenario’s, waaronder een verslechtering van de situatie.

Lunch implementatie handelsakkoorden

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe hij de discussie over het versnellen van procedures voor handelsakkoorden ingaat. Waar ziet het kabinet ruimte voor versnelling? En waar trekt het kabinet een duidelijke grens?

51. Antwoord van het kabinet:

Handelsakkoorden bieden grote kansen voor onze economie en voor verduurzaming. Daarnaast dragen ze bij aan het vergroten van de economische weerbaarheid en slagvaardigheid van Nederland en de EU. Het kabinet steunt daarom de Commissie in haar ambitieuze inzet om na de afronding van onderhandelingen het proces richting ondertekening en ratificatie te versnellen. Versnelling zou mogelijk zijn in het proces van vertalingen van de onderhandelde teksten en het juridisch opschonen (legal scrubbing) van een tekst.

Het kabinet steunt initiatieven die Europese procedures versnellen, maar ze mogen geen inbreuk maken op de integriteit van nationale procedures, besluitvorming, of verminderde beschikbaarheid van informatie, zoals impactanalyses, die de gevolgen van een akkoord breed in kaart brengen.

Deze leden vragen ook hoe de Kamer tijdig betrokken blijft bij nieuwe handelsakkoorden. Kan de Minister toezeggen dat versnelling niet ten koste gaat van parlementaire controle, transparantie en een goede beoordeling van gevolgen voor landbouw, milieu, arbeidsrechten en strategische afhankelijkheden?

52. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet stuurt de Kamer vier keer per jaar een voortgangsrapportage van alle lopende onderhandelingen. Daarnaast wordt de Kamer per brief geïnformeerd over tussentijdse relevante ontwikkelingen. Na een onderhandelaarsakkoord en formele voorlegging aan de EU-lidstaten beoordeelt het kabinet het akkoord op zijn merites, waarin een breed palet aan onderwerpen wordt meegenomen. Dit betreft onder meer gevolgen voor Nederlandse economische sectoren en duurzaamheids- en sociaal-maatschappelijke aspecten van een akkoord, zoals bijvoorbeeld arbeidsrechten, en tevens de geopolitieke relevantie van een akkoord. Uw Kamer ontvangt hiervoor standaard een kabinetsappreciatie, zodanig dat uw Kamer de mogelijkheid heeft hierover desgewenst in gesprek te treden met het kabinet, alvorens Nederland een definitieve positie inneemt in de Raad. Nederland geeft bij de Commissie aan dat eventuele versnellingen in het Brusselse proces niet mogen leiden tot onzorgvuldige besluitvorming of verminderde transparantie, en dat nationale parlementaire processen gerespecteerd dienen te worden.

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet ervoor zorgt dat bestaande handelsakkoorden beter worden benut door Nederlandse ondernemers. Veel mkb-bedrijven kennen de mogelijkheden van handelsakkoorden onvoldoende. Welke concrete stappen zet het kabinet samen met RVO, ambassades en brancheorganisaties om die benutting te vergroten?

53. Antwoord van het kabinet:

Goede implementatie van handelsakkoorden is essentieel om ervoor te zorgen dat de kansen die handelsakkoorden bieden ook daadwerkelijk worden benut en gemaakte afspraken worden nageleefd. Het kabinet zet via verschillende kanalen in op informatievoorziening aan het bedrijfsleven. Op websites van onder andere de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), de Douane, de Kamer van Koophandel en de Rijksoverheid staan handelsakkoorden uitgelegd en wordt verhelderd aan welke voorwaarden moet worden voldaan voor het gebruik hiervan. Tevens kunnen bedrijven bij deze organisaties terecht met vragen. Voorlichting aan het Nederlands bedrijfsleven over kansen die handelsakkoorden bieden gebeurt doorlopend binnen de inzet van het brede handelsinstrumentarium. Dit wordt gezamenlijk uitgevoerd door de RVO, ambassades en consulaten-generaal, Netherlands Business Support Offices (NBSOs), en het Trade and Innovate NL netwerk.

Daarnaast worden bedrijven door koepelorganisaties, waaronder door VNO-NCW, actief ingelicht over (de mogelijkheden van) nieuwe handelsakkoorden. In samenwerking met de Europese Commissie bestaan verschillende initiatieven, zoals het online Access to Markets platform en het organiseren van markttoegangsdagen, die bijdragen aan de kennis over handelsakkoorden.

De leden van de CDA-fractie zijn positief over het versterken van handelsrelaties met gelijkgezinde landen zoals Canada en Mexico. De motie-Kamminga/Boswijk vroeg terecht aandacht voor verdieping van deze relaties en voor het veiligstellen van toeleveringsketens voor kritieke grondstoffen. Deze leden constateren dat de handel met Canada sinds de voorlopige toepassing van CETA sterk is gegroeid. Ook lezen zij dat Canada beschikt over belangrijke kritieke grondstoffen, zoals lithium, koper en zeldzame aardmetalen. Kan de Minister aangeven welke concrete resultaten de samenwerking met Canada inmiddels oplevert voor Nederlandse bedrijven en voor de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen?

54. Antwoord van het kabinet:

Concrete resultaten voor Nederlandse bedrijven van de samenwerking tussen Nederland en Canada op kritieke grondstoffen zijn twee handelsmissies (maart 2025 en 2026) naar de Prospectors & Developers Association of Canada (PDAC) beurs, onder leiding van voormalig Minister Klever en Speciaal Vertegenwoordiger Grondstoffenstrategie Allard Castelein. In 2025 en 2026 hebben respectievelijk 18 en 22 Nederlandse bedrijven aan PDAC deelgenomen. Deze en toekomstige handelsmissies stellen Nederlandse bedrijven – ondersteund door het bredere handelsinstrumentarium – in staat direct hun positie te versterken in de Canadese waardeketen voor kritieke grondstoffen. Aanvullend is in 2025 een samenwerkingsintentie ondertekend met de provincie Québec gericht op waardeketenintegratie, recycling en Environmental, Social and Governance (ESG)-standaarden. In februari 2026 hebben acht Canadese bedrijven gespecialiseerd in kritieke grondstoffen recycling Nederland bezocht om samenwerking met Nederlandse bedrijven te verkennen.

Voorts verkent het kabinet actief de mogelijkheden voor het stimuleren van nieuwe waardenketen-ontwikkeling tussen Canada, Nederland en Europa ten behoeve van leveringszekerheid van kritieke grondstoffen. Het doet dit in samenwerking met Nederlandse en Canadese marktpartijen, het Nederlands Materialen Observatorium, Europese partners en de Canadese overheid. De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft de Tweede Kamer toegezegd om deze zomer een brief over de Nederlandse bijdrage aan de Critical Raw Materials Act te sturen. Daarin wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de stand van zaken en de kabinetsinzet wat betreft het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen, waaronder de inzet onder de diversificatiepijler van de Nationale Grondstoffenstrategie.

De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet bereid is om met Canada een meerjarig actieplan op te stellen voor kritieke grondstoffen, met aandacht voor mijnbouw, raffinage, recycling, onderzoek, investeringen en hoge ESG-standaarden.

55. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet ziet geen meerwaarde in het opstellen van een apart meerjarig actieplan voor kritieke grondstoffensamenwerking met Canada. Voor internationale grondstoffensamenwerking heeft het kabinet een Europese en internationale aanpak die zich richt op de hele waardeketen, mede omdat de Nederlandse industrie deze grondstoffen niet of nauwelijks direct importeert of gebruikt. Nederland importeert vooral producten waar kritieke grondstoffen in verwerkt zitten. Tegelijk onderneemt Nederland reeds de nodige activiteiten, o.a. in samenwerking met Canada zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag.

Ten aanzien van Mexico vragen de leden van de CDA-fractie wanneer ondertekening van het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord wordt verwacht.

56. Antwoord van het kabinet:

De ondertekening door Mexico en de EU van het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord is voorzien op 22 mei a.s., tijdens de EU-Mexico top.

Welke kansen ziet het kabinet voor Nederlandse bedrijven?

57. Antwoord van het kabinet:

Het akkoord biedt diverse kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven, zoals uiteengezet in de kabinetsappreciatie van de modernisering van de EU-Mexico Global Agreement die 14 november 2025 met uw Kamer is gedeeld.15 Zo creëert het akkoord aanvullende markttoegang voor landbouwproducten, hetgeen kansen kan bieden voor het Nederlandse bedrijfsleven. Hierbij kan specifiek worden gedacht aan de export van vlees- en zuivelproducten. Ook biedt het akkoord aanvullende marktoegang op het gebied van diensten en overheidsaanbestedingen.

En hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de uitvoering?

58. Antwoord van het kabinet:

Wanneer het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord in werking is getreden, zal de implementatie van het akkoord worden meegenomen in het jaarlijkse rapport van de Europese Commissie dat ziet op de implementatie van EU-handelsakkoorden. Dit rapport is openbaar en te raadplegen op de website van de Europese Commissie. Dit rapport wordt daarnaast regulier geagendeerd op de RBZ Handel, waarover uw Kamer wordt geïnformeerd als onderdeel van de RBZ cyclus.

Algemeen Preferentieel Stelsel

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Deze leden steunen het doel om ontwikkelingslanden betere toegang tot de Europese markt te geven. Handel kan immers bijdragen aan armoedebestrijding, werkgelegenheid en economische ontwikkeling.

Tegelijk lezen de leden van de CDA-fractie dat het APS ook voorwaarden stelt op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, goed bestuur, milieu en klimaat. Kan de Minister aangeven hoe de EU deze voorwaarden in de praktijk gaat controleren? Welke capaciteit is daarvoor beschikbaar?

59. Antwoord van het kabinet:

Voor landen die onder het APS extra markttoegang krijgen (de zogenaamde APS+ landen waarvoor ook extra duurzaamheidsafspraken gelden) is een specifiek monitoringsregime van kracht om te toetsen of deze landen de internationale verdragen opgenomen in de verordening ratificeren en effectief implementeren. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden verzorgen monitoringsmissies in APS+ landen. Daar spreken zij ook met maatschappelijke actoren, waaronder met vakbonden en maatschappelijke organisaties, over de naleving van mensenrechten, arbeidsrechten, afspraken over milieu- en klimaatbescherming en goed bestuur. Op basis van deze monitoringsmissies wordt eens in de drie jaar een monitoringsrapport gepubliceerd met aanbevelingen voor het betreffende APS+ land. De naleving van internationale verdragen door standaard APS en EBA (Everything But Arms) landen wordt gemonitord via bestaande dialogen en monitoringsprocedures die losstaan van het APS, zoals een EU-mensenrechtendialoog en monitoring door de VN.

Daarnaast vragen deze leden hoe de nieuwe koppeling met terugkeersamenwerking in de praktijk gaat werken. Het kabinet geeft zelf aan dat besluitvorming over visummaatregelen vaak traag verloopt. Is het kabinet bereid om binnen de EU te pleiten voor een helder escalatiemechanisme, waarbij handelsvoordelen onder het APS automatisch worden opgeschort wanneer een partnerland structureel niet meewerkt aan terugkeer?

60. Antwoord van het kabinet:

De tijdelijke gedeeltelijke of volledige intrekking van tariefpreferenties kan grote economische gevolgen hebben voor APS-landen. Dit besluit is daarom onderhevig aan verschillende besluitvormingsprocedures. Zo zijn de terugkeerafspraken in de APS herziening afhankelijk van besluitvorming onder de Visumcode over visummaatregelen bij onvoldoende samenwerking op terugkeer. Daarnaast is ruimte ingebouwd voor overleg met het betreffende APS-land.

Het kabinet is geen voorstander van het automatisch opschorten van tariefpreferenties, omdat het kabinet hecht aan het behoud van een genereus en ruimhartig stelsel voor ontwikkelingslanden. Bovendien hecht het kabinet aan brede relaties met partnerlanden, gebaseerd op wederzijdse belangen, waaronder op het gebied van migratie. Bij dergelijke brede relaties is het van belang eerst een dialoog te voeren en een zorgvuldig proces te doorlopen voordat tot maatregelen wordt overgegaan.

En hoe voorkomt de Minister dat de koppeling met migratie ertoe leidt dat juist de armste landen, waar de noden het grootst zijn, als eerste hun handelspreferenties verliezen?

61. Antwoord van het kabinet:

In besluitvorming over de mogelijke tijdelijke gedeeltelijke of volledige intrekking van tariefpreferenties bij onvoldoende terugkeersamenwerking wordt rekening gehouden met de kwetsbare positie van minst ontwikkelde landen. De drempel voor de intrekking van tariefpreferenties ligt hoger bij minst ontwikkelde landen, ook omdat die landen vaak beperkte capaciteit hebben om maatregelen te implementeren.

Inbreng leden van de JA21-fractie

De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026. Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de fractie van JA21 maken zich zorgen over de ratificatie en uitvoering van de Turnberry deal die spoedig dient te worden afgerond. Deze leden zijn van mening dat een pragmatische houding die zorgt voor voorspelbaarheid voor bedrijven nu van het grootste belang is. Daarom vragen zij het kabinet in de Raad te pleiten voor een zo snel mogelijke verwerking van de Turnberry deal. Deelt het kabinet dit standpunt van deze leden?

62. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet deelt de visie dat bedrijven aan beide kanten van de Atlantische oceaan belang hebben bij voorspelbaarheid en stabiliteit in de trans-Atlantische handelsrelatie. Tijdens de aanstaande Raad Buitenlandse Zaken Handel zal het kabinet opnieuw aandringen op spoedige implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde.

Kan zij toezeggen zich hiervoor hard te maken in de Raad? Welke discussiepunten maken het nu dat de triloog nog niet heeft kunnen worden afgerond?

63. Antwoord van het kabinet:

Ja, dat kan het kabinet toezeggen. Voor wat betreft de EU-verordeningen ter implementatie aan EU-zijde is het voor het kabinet van belang dat er voldoende bijsturingsmogelijkheden zijn mocht de VS zich niet aan haar afspraken houden. Daarom heeft Nederland zich in de Raad steeds uitgesproken voor een stevige monitorings- en evaluatieclausule, zodat de impact van de EU-tariefverlagingen en implementatie aan VS-zijde goed kunnen worden gevolgd. Daarbij moet de mogelijkheid bestaan om de tariefverlagingen op te schorten bij niet-naleving van afspraken door de VS, zoals ook expliciet opgenomen in de Raadspositie. Ook het Europees Parlement is hier voorstander van. Het kabinet kan zich ook vinden in een sunset clausule, zoals voorgesteld door het Europees Parlement. Het kabinet is echter geen voorstander van een sunrise clausule zoals het Europees Parlement voorziet; een dergelijke clausule brengt het risico met zich mee dat de implementatie van het Joint Statement in een patstelling belandt.

Het kabinet verwacht dat de triloog over de EU-verordeningen spoedig kan worden afgerond. Tijdens de aanstaande Raad Buitenlandse Zaken Handel zal het kabinet opnieuw aandringen op spoedige implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde.

De leden van de fractie van JA21 zijn van mening dat escalatoire handelsreacties vanuit de Europese Unie zeer terughoudend moeten worden ingezet. Deze leden wijzen erop dat extra Europese tegenheffingen uiteindelijk ook Europese bedrijven, producenten en consumenten raken, zeker voor een open economie als Nederland. Zij vragen het kabinet daarom expliciet of het zich in EU-verband verzet tegen een automatische logica van dreigingen tot vergeldingsmaatregelen richting de Verenigde Staten. Deelt het kabinet de opvatting dat het economisch onverstandig is om als reactie op Amerikaanse handelsbarrières zelf opnieuw barrières op te werpen die de Europese economie verder belasten?

64. Antwoord van het kabinet:

Europese bedrijven hebben inderdaad baat bij stabiliteit en voorspelbaarheid in de trans-Atlantische handelsrelatie. Daarom zet het kabinet in op een spoedige implementatie van de Turnberry-Deal. Een situatie waarin de Amerikaanse heffingen geplafonneerd zijn is beter dan een situatie zonder een dergelijk plafond. Mochten de VS zich echter niet houden aan de Turnberry-Deal en nieuwe heffingen invoeren, dan kan het noodzakelijk zijn om proportionele en gerichte tegenmaatregelen te nemen om het Europese belang te beschermen.

De leden van de fractie van JA21 zijn van mening dat de Europese reactie op drukzettende Amerikaanse importheffingen handelsdiversificatie moet zijn in plaats van escalatie. Die handelsdiversificatie wordt mede aangemoedigd door de Kamer bij monde van de motie Hoogeveen c.s. (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2344). Hoe vervult het kabinet deze aanjagersrol in de Raad?

65. Antwoord van het kabinet:

De inzet van het kabinet op het afbouwen van risicovolle strategische afhankelijkheden door verdere diversificatie van handelspartners is uiteengezet in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken16. Het kabinet geeft hieraan invulling door in EU-verband de Commissie aan te sporen onderhandelingen met derde landen te versnellen en nieuwe partnerschappen aan te gaan. De voorlopige toepassing van het handelsdeel van het EU-Mercosur akkoord per 1 mei jl., de aanstaande ondertekening van het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord en de recente afronding van onderhandelingen met Australië, India en Indonesië zijn belangrijke mijlpalen in dit opzicht.

De Minister was onlangs in Egypte; is daar ook gesproken over verdieping van het Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met het land?

66. Antwoord van het kabinet:

In 2011 kreeg de Commissie een mandaat om te onderhandelen over verbreding en verdieping van het Associatieakkoord tussen de EU en Egypte, met afspraken over onder meer dienstenhandel en investeringen. Een dialoog over deze zogenoemde Deep and Comprehensive Free Trade Area (DCFTA) is gestart in juni 2013; de onderhandelingen liggen momenteel stil. Dit onderwerp is niet ter sprake gekomen tijdens het bezoek aan Egypte dat plaatsvond van 4 tot en met 7 mei jongstleden.

Kan het kabinet tevens toelichten wanneer gesprekken zullen beginnen met de Gulf Cooperation Council over een handelsakkoord?

67. Antwoord van het kabinet:

In 2024 zijn door de Europese Commissie verkennende gesprekken gevoerd over het hervatten van de onderhandelingen over een EU-Gulf Cooperation Council (GCC) handelsakkoord. Hierbij is gebleken dat de ambitieniveaus van enerzijds de EU en anderzijds de Golfstaten ver uit elkaar liggen. Voor zowel de EU als Nederland gaat het hierbij om onderwerpen zoals beleidsruimte in de energiesector, arbeidsrechten, staatssteun en investeringen. De inschatting is dat, ondanks de veranderde context, die situatie niet is veranderd. Conform de motie Hoogeveen c.s.17 blijft het kabinet zich inzetten voor het verkennen van een bredere handelsovereenkomst met de GCC. Ondertussen wordt ook het spoor van onderhandelingen met individuele GCC-staten verkend, waarbij voor de VAE geldt dat deze onderhandelingen al lopen.

De leden van de fractie van JA21 vragen daarnaast specifiek aandacht voor China. Deze leden erkennen dat de handelsrelatie met China complex is en dat er terechte zorgen bestaan over economische veiligheid, staatssteun, marktverstoringen en strategische afhankelijkheden. Tegelijkertijd constateren deze leden dat China een van de belangrijkste handelspartners van de Europese Unie blijft en dat duidelijke en afdwingbare handelsafspraken juist kunnen bijdragen aan meer wederkerigheid, voorspelbaarheid en het verminderen van handelsirritaties.

Deze leden wijzen erop dat het Comprehensive Agreement on Investment (CAI), waarover in 2020 in principe overeenstemming werd bereikt, mede bedoeld was om Europese bedrijven betere markttoegang te geven, regels af te spreken over staatsbedrijven en gedwongen technologieoverdracht tegen te gaan. De ratificatie van het akkoord werd in 2021 politiek bevroren. De leden van de fractie van JA21 vragen het kabinet daarom of het bereid is in de Raad te verkennen of onderdelen van het CAI of vergelijkbare afspraken over markttoegang, investeringsbescherming en wederkerigheid opnieuw bespreekbaar kunnen worden gemaakt. Zo nee, waarom niet?

68. Antwoord van het kabinet:

De EU heeft de goedkeuringsprocedure van de Comprehensive Agreement on Investment (CAI) in mei 2021 stilgelegd, als reactie op Chinese sancties op Europese politici. Het Europees Parlement heeft bovendien aangegeven het CAI niet te zullen behandelen zolang deze sancties van kracht zijn. Hervatting van het goedkeuringsproces of heropenen van onderhandelingen over onderdelen van het CAI is op dit moment niet aan de orde. Naast de politieke situatie dient daarbij ook te worden meegewogen op welke wijze de EU-China handels- en investeringsrelatie het beste in balans kan worden gebracht; hierover loopt een bredere discussie binnen de Europese Unie, zoals ook uiteen gezet in de verslagen van de recente bijeenkomsten van de Raad Buitenlandse Zaken Handel waar de EU-China relatie op de agenda stond.

Hoe voorkomt het kabinet dat het Europese China-beleid doorslaat van noodzakelijke de-risking naar economisch schadelijke ontkoppeling?

69. Antwoord van het kabinet:

De drieslag van China als partner, concurrent en systeemrivaal blijft van belang en is het uitgangspunt voor «de-risking, not decoupling».18 Het kabinet hanteert derhalve een gebalanceerde aanpak en onderkent dat de Chinese economie, gezien haar omvang en innovatiekracht, belangrijke kansen biedt voor het Nederlandse verdien- en innovatievermogen. Via handels- en innovatiemissies, economische dialogen en ondersteuning door RVO en de posten wordt hier actief op ingezet. Tegelijkertijd is het kabinet zich bewust van de risico’s van risicovolle strategische afhankelijkheden en zet het gericht in op het verminderen daarvan, onder meer via de Nationale Grondstoffenstrategie, de EU Critical Raw Materials Act en het bredere economische veiligheidsinstrumentarium.

De leden van de fractie van JA21 constateren dat binnen de Europese Unie in toenemende mate wordt gesproken over zogenoemde «local content»-eisen en «Made in Europe»-criteria binnen industrie- en aanbestedingsbeleid. Deze leden begrijpen de wens om strategische afhankelijkheden te verminderen, maar waarschuwen tegelijkertijd voor een ontwikkeling richting impliciet protectionisme en verstoring van internationale waardeketens. Deze leden vragen het kabinet daarom hoe het aankijkt tegen dergelijke lokale inhoudseisen. Deelt het kabinet de opvatting dat het opleggen van vergaande Europese local content-verplichtingen uiteindelijk kan leiden tot hogere kosten, minder concurrentie, verstoring van mondiale productieketens en tegenmaatregelen van handelspartners?

70. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet hanteert een terughoudende positie ten aanzien van Europese voorkeurscriteria zoals lokale inhoudsvereisten en zet zich zo veel als mogelijk in voor een Made with Europe benadering die in overeenstemming is met de internationale verplichtingen de EU, waaronder die van de World Trade Organization (WTO) en bilaterale EU handelsovereenkomsten. Daarbij is het kabinet van mening dat de handel verstorende effecten van een dergelijk voorkeursprincipe beperkt moeten blijven, tenzij economische weerbaarheidsoverwegingen tot een andere afweging nopen. Sterke economische betrekkingen tussen de EU en derde landen zijn immers in het Nederlands belang. Niet alleen vanwege de diversificatie-mogelijkheden om risicovolle strategische afhankelijkheden af te bouwen, maar ook omdat de Nederlandse welvaart baat heeft bij open handel met een hoge mate van concurrentie.19 Daarmee sluit het kabinet aan op de motie Hoogeveen op dit punt.20

Hoe voorkomt het kabinet dat de Europese Unie, in reactie op protectionistische tendensen elders in de wereld, zelf vergelijkbare handelsverstorende instrumenten gaat inzetten? Is het kabinet bereid zich in de Raad uit te spreken tegen de trend richting local content-eisen en te blijven pleiten voor open markten, wederkerigheid en diversificatie van handelspartners?

71. Antwoord van het kabinet:

Zoals in het antwoord op vraag 70 hierboven uiteengezet draagt het kabinet een terughoudende positie uit ten aanzien van een Europees voorkeursprincipe zoals lokale inhoudsvereisten. Daarnaast spoort het kabinet de Europese Commissie actief aan nieuwe handels- en investeringsverdragen te sluiten om onze handelsrelaties te diversifiëren. Ook zet Nederland zich in EU-verband in voor het bevorderen van een internationaal gelijk speelveld, waar handelsmaatregelen tegen concurrentievervalsing en marktverstorende praktijken onderdeel van zijn.21 Het kabinet is zich ervan bewust dat een aantal handelspartners wel een nationaal voorkeursbeleid hanteert. De EU zet zich daarom continu in voor betere toegang van EU-bedrijven tot derde markten. Dit kan onder andere door nieuwe handelsovereenkomsten te sluiten en door derde landen aan te spreken op marktverstorende handelspraktijken. Indien nodig, treft de EU daar maatregelen tegen door bijvoorbeeld inzet van het handelsdefensieve instrumentarium of recentere instrumenten zoals het Instrument voor Internationale Overheidsopdrachten (International Procurement Instrument, IPI).

De leden van de fractie van JA21 constateren voorts dat de Europese Unie steeds meer inzet op handelsakkoorden met duurzaamheidshoofdstukken, keteneisen en aanvullende regelgeving. Deze leden onderschrijven het belang van eerlijke handel en basisnormen, maar vragen tegelijkertijd aandacht voor het risico dat Europese regeldruk en complexe compliance-eisen de praktische markttoegang voor handelspartners bemoeilijken. Hoe weegt het kabinet dit risico mee in de onderhandelingen over nieuwe handelsakkoorden?

72. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet herkent het risico dat Europese wetgeving bij kan dragen aan regeldruk en handelsbelemmeringen, en het kabinet zet zich er dan ook voor in om handelsbeperkende effecten van EU wetgeving zo veel mogelijk te bepreken om er voor te zorgen dat de EU een betrouwbare en aantrekkelijke handelspartner blijft voor derde landen. Bovendien is het van belang dat nieuwe wetgeving in lijn is met internationale verplichtingen van de EU, waaronder die in handelsakkoorden.

Handelsakkoorden worden gesloten om markttoegang over en weer daadwerkelijk te verbeteren. Het kabinet ziet handelsakkoorden voorts als een goed instrument om mogelijke onduidelijkheid over EU wetgeving weg te nemen. Handelsakkoorden en de onderhandelingen daarover bieden een platform om wederzijdse ontwikkelingen in wetgeving te bespreken om zo voorspelbaarheid voor bedrijven uit derde landen te vergroten en handelsbelemmerende effecten waar mogelijk tegen te gaan. Het is echter niet mogelijk om derde landen een voorkeursbehandeling te bieden in handelsakkoorden bij de toepassing van EU wetgeving.

Deelt het kabinet de opvatting dat de EU moet waken voor een situatie waarin handelsakkoorden op papier markttoegang vergroten, maar aanvullende regelgeving die toegang in de praktijk juist complexer maakt?

73. Antwoord van het kabinet:

Zie het antwoord op vraag 72.

De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de antwoorden van het kabinet op het schriftelijk overleg over de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026. Deze leden vragen het kabinet nader in te gaan op de positie van het Koninkrijk ten opzichte van Venezuela. Het kabinet stelt dat «het bereid is een constructieve rol te spelen om de situatie te verbeteren waardoor in de toekomst mogelijk ook de randvoorwaarden ontstaan voor verantwoorde economische kansen.» Aan welke constructieve rol wordt hier specifiek gedacht?

74. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet benadrukt, ook richting de Venezolaanse autoriteiten, dat verdere concrete stappen richting herstel van de rechtsstaat en democratie in Venezuela noodzakelijk zijn, ook om de sociaaleconomische situatie duurzaam te verbeteren. Sociaaleconomische ontwikkeling in Venezuela is gekoppeld aan herstel van rule of law en institutionele hervormingen. Het is uiteraard aan Venezuela zelf om dergelijke processen vorm te geven. Het kabinet is bereid, waar mogelijk, een constructieve rol te spelen die kan bijdragen aan herstel van de rechtsstaat en democratie, bijvoorbeeld in de facilitatie van politieke dialoog.

Hoe worden de landen Aruba en Curaçao, mede in het licht van hun reeds uitgesproken ambities, binnen het buitenlandbeleid in de optimale positie gebracht om nieuwe economische kansen met Venezuela te kunnen grijpen?

75. Antwoord van het kabinet:

Herstel van de rechtsstaat en democratie in Venezuela is belangrijk om in de toekomst op verantwoorde wijze naar economische kansen te kijken. Economische aangelegenheden vallen echter binnen de autonome bevoegdheden van Curaçao en Aruba en dus buiten het mandaat van Nederland en het Koninkrijk.

Tenslotte willen de leden van de fractie van JA21 een verzoek doen betreffende de gevolgen van een mogelijke opschorting van het handelsdeel van het associatieakkoord met Israël. Tijdens het plenaire debat over de situatie in het Midden-Oosten van 16 april jongstleden heeft de Minister van Buitenlandse Zaken aangegeven dat er weinig zicht is op de mogelijke gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven en toeleveringsketens. Hij gaf daarbij aan wel bereid te zijn te kijken of daar meer informatie over verstrekt zou kunnen worden. Zou het kabinet bereid zijn per brief de Kamer hierover te informeren met daarover beschikbare informatie?

76. Antwoord van het kabinet:

Het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord (hierna: opschorting) is niet aangenomen door de Raad. Indien dit voorstel wel zou worden aangenomen, zouden zowel Israël als de EU geen aanspraak meer kunnen maken op preferentiële behandeling onder titel II, titel III en hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel IV van de Associatieovereenkomst zolang de opschorting van kracht zou zijn. In de praktijk betekent dit dat wederzijdse handel zou plaatsvinden onder de voorwaarden van de Wereldhandelsorganisatie (most favoured nation, MFN). Dit heeft rechtstreeks invloed op kosten van de handel in bepaalde goederen, maar niet op de beschikbaarheid van deze goederen.

Opschorting zou een beperkt deel van de totale goederenstroom tussen de EU en Israël treffen. 63 procent van de export van Israël naar de EU en bijna 70 procent van de EU-export naar Israël vindt namelijk al plaats onder MFN-voorwaarden, waarbij veelal sprake is van een nultarief. De handelsstroom die momenteel wel onder preferentiële voorwaarden plaatsvindt, zou bovendien in beperkte mate worden getroffen omdat de gemiddelde toegepaste MFN-heffingen van Israël en de EU respectievelijk 1,9 en 3 procent zijn. De effecten verschillen wel per productcategorie; heffingen voor landbouwproducten zijn doorgaans (beduidend) hoger dan voor industriegoederen.

Aangezien Israël niet tot de voornaamste handelspartners van Nederland behoort, zouden de directe economische gevolgen van opschorting voor de Nederlandse economie naar verwachting zeer gering zijn. Er is beperkt zicht op de mogelijke gevolgen voor specifieke bedrijven, sectoren en toeleveringsketens, onder meer omdat de effecten van een verhoging van invoerheffingen variëren op basis van de prijselasticiteit van specifieke goederen.

En wat is de laatste stand van zaken omtrent die voornemen in Europees verband?

77. Antwoord van het kabinet:

Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei jl. bleek onvoldoende steun voor het gedeeltelijk of volledig opschorten van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft gericht op het vergroten van draagvlak voor EU-maatregelen onder andere lidstaten.

Inbreng leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en hebben hierover nog enkele vragen.

Impact Midden-Oosten op handel, energieprijzen en kunstmest

De leden van de BBB-fractie lezen dat de Raad zal spreken over de impact van het conflict in het Midden-Oosten op handel en internationale waardeketens. Deze leden lezen ook dat prijseffecten kunnen optreden op onder meer gas-, aluminium- en kunstmestmarkten. Kan de Minister aangeven welke Nederlandse sectoren volgens het kabinet op dit moment het meest kwetsbaar zijn voor deze prijsstijgingen en verstoringen, specifiek in de landbouw, visserij, transportsector, maakindustrie en energie-intensieve industrie?

78. Antwoord van het kabinet:

De genoemde sectoren zijn inderdaad kwetsbaar voor verstoringen en prijsstijgingen. Met name energie-intensieve industrie, zoals chemie en glastuinbouw, worden geraakt door hogere gasprijzen. De landbouw wordt onder andere geraakt door hogere kunstmestprijzen. Voor wat betreft verstoringen in de aluminiummarkt wordt dit met name gevoeld in de bouw en de maakindustrie. De prijseffecten zullen op termijn echter breed doorwerken in de economie door middel van hogere inflatie. De kwetsbaarheid van specifieke bedrijven voor deze verstoringen hangt onder andere af van hun mogelijkheid om hogere prijzen door te belasten aan de eindgebruikers.

De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Commissie tijdelijk ruimere staatssteunregels toestaat via het Middle East Crisis Temporary State Aid Framework. Kan de Minister aangeven of het kabinet voornemens is gebruik te maken van deze verruimde staatssteunruimte, bijvoorbeeld voor bedrijven die hard worden geraakt door hogere kosten voor energie, brandstof en kunstmest? Zo ja, voor welke sectoren, onder welke voorwaarden en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

79. Antwoord van het kabinet:

Voor Nederland is het gebruik van het steunkader nu niet aan de orde, Nederland heeft een evenwichtig pakket staan: het kabinet heeft bijna EUR 1 miljard vrijgemaakt voor ondernemers en huishoudens. Het kabinet houdt ook rekening met de onzekerheid van de huidige situatie. Daarom zijn verschillende scenario’s uitgewerkt en houdt het kabinet bewust ruimte om op te schalen als de situatie verder verslechtert. Daarnaast werkt het kabinet aan het structureel afbouwen van de afhankelijkheid van fossiele energie. Dat maakt ondernemers en onze economie op de lange termijn sterker en minder kwetsbaar.

Deze leden vragen hoe de Minister voorkomt dat Nederlandse bedrijven op achterstand komen te staan wanneer andere lidstaten wel gebruikmaken van deze ruimere staatssteunruimte. Is de Minister bereid in kaart te brengen welke lidstaten gebruikmaken van deze mogelijkheden en welke gevolgen dit heeft voor het Europese gelijke speelveld?

80. Antwoord van het kabinet:

In hoeverre het tijdelijk crisiskader negatieve gevolgen heeft voor de interne markt hangt af van de mate waarin andere EU-lidstaten gebruik gaan maken van de verruimde mogelijkheden om staatssteun te verlenen. Een verstoring van het gelijke speelveld is in zo’n situatie denkbaar, als de verschillen tussen EU-lidstaten groot zijn. Het is aan de Europese Commissie toe te zien op de effecten op de interne markt en het kabinet houdt eventuele steunverlening door andere EU-lidstaten in de gaten.

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast hoe de Minister deze kwestie in Europees verband aan de orde stelt. Deelt de Minister de zorg dat verschillen in nationale steunmaatregelen kunnen leiden tot concurrentieverstoring binnen de interne markt, juist voor sectoren die al onder zware druk staan?

81. Antwoord van het kabinet:

Nederland heeft eerder in de reactie op de consultatie over het voorstel voor het Tijdelijk crisiskader richting de Europese Commissie aangegeven van mening te zijn dat een tijdelijk crisiskader in algemene zin nu nog niet noodzakelijk is. Dit geldt voor staatssteun voor alle type sectoren, dus ook in bijvoorbeeld de agrarische sector. Indien de noodzaak later wel ontstaat, moet een crisiskader zo gericht en tijdelijk mogelijk zijn vanwege mogelijke nadelige effecten op het gelijke speelveld op de interne markt en aan bepaalde randvoorwaarden voldoen. Dit gaat met name om prijsprikkels voor de vermindering van fossiel energieverbruik. Zoals in het antwoord op vraag 80 is aangegeven is een verstoring van het gelijke speelveld in zo’n situatie denkbaar, als de verschillen tussen EU-lidstaten groot zijn.

Voedselzekerheid en handelsmissie Egypte

De leden van de BBB-fractie constateren dat begin mei een economische tuinbouwmissie naar Egypte heeft plaatsgevonden. Deze leden hebben begrepen dat samenwerking op het gebied van land- en tuinbouw, water, zaaizaad, pootgoed, glastuinbouw, precisielandbouw en voedselzekerheid daarbij belangrijke thema’s waren. Kan de Minister aangeven welke concrete resultaten deze missie heeft opgeleverd? Kan de Minister daarbij ingaan op de vraag welke kansen deze missie concreet biedt voor Nederlandse boeren, tuinders, veredelaars, watertechnologiebedrijven, kennisinstellingen en het mkb? Hoe wordt ervoor gezorgd dat deze missie niet blijft steken in gesprekken en netwerkbijeenkomsten, maar leidt tot concrete handelskansen en projecten?

82. Antwoord van het kabinet:

De economische tuinbouwmissie naar Egypte heeft concrete vervolgstappen opgeleverd voor samenwerking rond voedselzekerheid, duurzame land- en tuinbouw en efficiënt watergebruik in een snel groeiende landbouwmarkt. Zo namen aan een van de programmaonderdelen, een door Nederland georganiseerde conferentie, ruim 600 deelnemers deel en er vonden bijna 100 gerichte matchmakinggesprekken plaats, waaruit direct bedrijfsbezoeken en vervolgafspraken zijn voortgekomen. Dit heeft mede geleid tot aanvullende investeringsplannen voor de komende jaren, met name in bedekte teelt, post-harvest technologie, supply chain management en zadenteelt.

Een gezamenlijke «Shared Agenda» met het Egyptische Agricultural Research Center verankert afspraken over onder meer bescherming van kwekersrechten, zaadkwaliteit en inspectiecapaciteit, toegang tot biologische bestrijdingsmiddelen en substraten, en verdere samenwerking op kassenbouw, pootgoed en citrus ketens. Daarmee ontstaan duidelijke kansen voor Nederlandse boeren, tuinders, veredelaars, watertechnologiebedrijven, kennisinstellingen en het midden- en kleinbedrijf. In het belang van vertrouwelijkheid en een gelijk speelveld wordt niet ingegaan op resultaten van individuele bedrijven, maar de missie is nadrukkelijk gericht op concrete handels- en samenwerkingsprojecten en niet alleen op netwerkbijeenkomsten.

De leden van de BBB-fractie vragen ook hoe de samenwerking met Egypte op het terrein van voedselzekerheid past binnen de bredere handelsagenda van het kabinet. Ziet de Minister voedselzekerheid als een vast en herkenbaar onderdeel van het Nederlandse handelsbeleid, juist omdat Nederland op dit gebied veel kennis en praktijkervaring te bieden heeft?

83. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet onverminderd in op de Nederlandse kennis en kunde op het gebied van land- en tuinbouw als belangrijk onderdeel van onze internationale handelsstromen. In de handelsrelatie met veel landen, waaronder Egypte, staat deze sector centraal. Onder andere middels een vanuit ontwikkelingssamenwerking gefinancierde zogeheten Combitrack, komen lokale marktontwikkeling en marktkansen voor de Nederlandse land- en tuinbouwsector samen in Egypte. Deze Combitrack laat zien dat voedselzekerheid en agrohandel nauw met elkaar verbonden zijn. Zij worden als zodanig benoemd als prioriteit in de gezamenlijke beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026.

Handelsakkoorden en kansen voor Nederlandse ondernemers

De leden van de BBB-fractie lezen dat tijdens de lunch zal worden gesproken over de implementatie van handelsakkoorden en het versnellen van procedures. Deze leden onderschrijven dat handelsakkoorden alleen waarde hebben wanneer ondernemers ze ook echt kunnen gebruiken. Kan de Minister aangeven hoe het kabinet ervoor zorgt dat vooral mkb’ers, regionale bedrijven en ondernemers in de agrofoodsector beter worden geïnformeerd over concrete kansen uit nieuwe en bestaande handelsakkoorden?

84. Antwoord van het kabinet:

Goede implementatie van handelsakkoorden is essentieel om ervoor te zorgen dat de kansen die handelsakkoorden bieden ook daadwerkelijk worden benut en gemaakte afspraken worden nageleefd. Het kabinet zet via verschillende kanalen in op informatievoorziening aan het bedrijfsleven. Op websites van onder andere de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), de Douane, de Kamer van Koophandel en de Rijksoverheid staan handelsakkoorden uitgelegd en wordt toegelicht aan welke voorwaarden moet worden voldaan voor het gebruik hiervan. Tevens kunnen bedrijven bij deze organisaties terecht met eventuele vragen. Voorlichting aan het Nederlands bedrijfsleven over kansen die handelsakkoorden bieden gebeurt doorlopend binnen de inzet van het brede handelsinstrumentarium. Dit wordt gezamenlijk uitgevoerd door de RVO, ambassades en consulaten-generaal, Netherlands Business Support Offices (NBSOs), en het Trade and Innovate NL netwerk.

Daarnaast worden bedrijven door koepelorganisaties, waaronder door VNO-NCW, actief ingelicht over (de mogelijkheden van) nieuwe handelsakkoorden. In samenwerking met de Europese Commissie bestaan verschillende initiatieven, zoals het online Access to Markets platform en het organiseren van markttoegangsdagen, die bijdragen aan de kennis over handelsakkoorden.

Kan de Minister aangeven of bij de implementatie van handelsakkoorden standaard wordt gekeken naar de gevolgen voor Nederlandse boeren, tuinders, familiebedrijven en mkb’ers? Zo ja, hoe wordt die beoordeling gemaakt? Zo nee, is de Minister bereid dit voortaan explicieter mee te nemen?

85. Antwoord van het kabinet:

Bij de beoordeling van een handelsakkoord door het kabinet worden verschillende impactanalyses meegenomen in de beoordeling. In deze beoordeling is speciale aandacht voor de impact op mkb-bedrijven. Daarnaast gaan de analyses in op specifieke sectoren, waaronder verschillende landbouwsectoren.

WTO en weerbaarheid van de Nederlandse economie

De leden van de BBB-fractie lezen dat de uitkomsten van MC14 beperkt waren en dat er geen afspraken zijn gemaakt over WTO-hervormingen en het voortzetten van het e-commerce moratorium. Kan de Minister aangeven wat het uitblijven van deze afspraken concreet betekent voor Nederlandse ondernemers?

86. Antwoord van het kabinet:

De Nederlandse inzet bij de WTO is erop gericht om hervormingen door te voeren binnen de WTO en in het multilaterale handelssysteem, met als doel het gelijke speelveld tussen landen te verbeteren en om het handelssysteem sterker en eerlijker te maken. Dit is nodig omdat veel handelsregels uit de vorige eeuw dateren en verouderd raken. Ze sluiten steeds minder goed aan bij de huidige geo-economische situatie en de machtsverhoudingen tussen landen. Het doorvoeren van hervormingen moet bijdragen aan het moderniseren en het stabieler en voorspelbaarder maken van het handelssysteem waarin Nederlandse bedrijven dagelijks opereren. Het is daarom teleurstellend dat het bij 14e ministeriële conferentie (MC14) van de WTO niet is gelukt een concreet hervormingsplan aan te nemen.

Het verlopen van het e-commerce moratorium bij de WTO betekent dat er geen multilateraal verbod meer is op het invoeren van importheffingen op elektronische transmissies. In principe staat het WTO-leden nu dus vrij dergelijke heffingen in te voeren, hetgeen kan leiden tot hogere kosten voor bedrijven en consumenten. Vooralsnog heeft het kabinet echter geen signalen ontvangen dat derde landen op dit moment daadwerkelijk overwegen om een dergelijke heffing te introduceren. Daarbij speelt mee dat het onduidelijk is hoe zulke heffingen er in de praktijk uit moeten zien. Voorts geldt dat in bilaterale handelsakkoorden, waaronder een aantal van de akkoorden van de EU, een vergelijkbaar verbod op e-commerce heffingen is opgenomen. Ook hebben 66 WTO-leden tijdens MC14 besloten om het e-commerce agreement (ECA) met een met het moratorium vergelijkbaar verbod op voorlopige basis toe te gaan passen.

De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister zich in Europees verband inzet voor een handelsbeleid dat open handel combineert met bescherming van vitale Nederlandse belangen. Deze leden vinden dat Nederland handelsland is en moet blijven, maar dat dit niet naïef mag zijn. Kan de Minister aangeven hoe het kabinet in de Raad inzet op minder strategische afhankelijkheden, betrouwbare handelsroutes en eerlijke concurrentievoorwaarden voor Nederlandse bedrijven?

87. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet erkent dat de wereld om ons heen snel verandert en deelt de noodzaak om de geo-economische positie van de EU en Nederland te verstevigen. Dat vraagt enerzijds om het versterken van ons verdienvermogen en anderzijds om de afbouw van onze risicovolle strategische afhankelijkheden. Nederland zet zich daarom in EU-verband in voor een actief handelsbeleid, waaronder het sluiten van nieuwe of moderniseren van bestaande handels- en investeringsakkoorden. Daarmee diversifiëren we onze handelspartners en vergroten we de weerbaarheid van onze waardeketens. Dat is cruciaal voor zowel ons verdienvermogen als de bescherming van onze vitale belangen. Tegelijkertijd spant Nederland zich in voor de bevordering van een internationaal gelijk speelveld voor Europese bedrijven, zoals door de inzet van handelsmaatregelen tegen concurrentievervalsing en marktverstorende praktijken.22 Ook daarmee draagt het handelsbeleid bij aan de bescherming van onze vitale belangen.

Inbreng leden van de DENK-fractie

De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele vragen en opmerkingen.

In de brief gaat de Minister in op de uitvoering van een motie over het voorkomen dat producten die gefabriceerd zijn met Oeigoerse dwangarbeid op de Nederlandse markt komen. De leden van de DENK-fractie maken zich in dit kader ernstige zorgen over de voortgaande groei van de handelsrelatie met Xinjiang (Oost-Turkestan), terwijl er sprake is van structurele en grootschalige mensenrechtenschendingen tegen de Oeigoerse bevolking, waaronder de inzet van dwangarbeid. Deze leden vragen de Minister hoe hij deze ontwikkeling beoordeelt in het licht van de recente bevindingen van Nieuwsuur, waaruit blijkt dat de handel tussen Nederland en Xinjiang (Oost-Turkestan) de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen en in 2024 bijna een half miljard euro bedroeg.

88. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet veroordeelt dwangarbeid waar ook ter wereld, en deelt de zorgen van de DENK-fractie over de situatie van de Oeigoeren. In de verslaggeving van Nieuwsuur worden cijfers van de Chinese douane gebruikt. Het kabinet kan deze cijfers niet verifiëren. Een mogelijke verklaring voor de toename van import uit Xinjiang is dat de regio een belangrijke import- en exporthub is geworden. Daardoor zijn niet alle producten die China via Xinjiang verlaten ook daar geproduceerd. Ook kan uit de toename van de import uit Xinjiang niet automatisch worden geconcludeerd dat de toegenomen instroom van producten geheel middels dwangarbeid is vervaardigd. Bovendien zijn niet alle producten die via Nederland binnenkomen bestemd voor de Nederlandse markt. De Anti-dwangarbeidverordening is een belangrijk Europees instrument om te voorkomen dat producten gemaakt met dwangarbeid, waaronder Oeigoerse dwangarbeid, op de Europese markt aangeboden worden. Vanaf 14 december 2027 gaan de regels voor bedrijven gelden en wordt er gehandhaafd. Nederland heeft in lijn met de moties Van Baarle (Kamerstuk 36 600 V, nr. 53 en Kamerstuk 35 207, nr. 90) en Van Baarle/Bamenga (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 41) de afgelopen jaren regelmatig aandacht gevraagd bij de Commissie over het belang van het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. De Commissie is mede dankzij de inzet van Nederland beter geïnformeerd over het risico op dwangarbeid in China.

Voorts vragen de leden van de DENK-fractie welke concrete stappen Nederland sinds de aanneming van de Europese anti-dwangarbeidverordening heeft gezet om producten die vervaardigd zijn met dwangarbeid uit de Nederlandse en Europese markt te weren.

89. Antwoord van het kabinet:

In lijn met de moties Van Baarle23 en Van Baarle/Bamenga24 heeft Nederland de afgelopen jaren regelmatig aandacht gevraagd bij de Commissie over het belang van het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. De Commissie is mede dankzij de inzet van Nederland beter geïnformeerd over het risico op dwangarbeid in China. Daarnaast zet Nederland zich in om bedrijven actief te informeren over de Anti-dwangarbeidverordening en hen te ondersteunen bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid. Er vinden regelmatig gesprekken plaats met het bedrijfsleven en andere stakeholders over de verordening. Bedrijven kunnen onder andere terecht bij het MVO-steunpunt (RVO) en het postennetwerk in China voor informatie en ondersteuning.

In dat kader vragen deze leden tevens of het klopt dat Nederland nog altijd geen nationale toezichthouder heeft aangewezen voor de uitvoering en handhaving van deze verordening. Indien dat het geval is, vernemen deze leden graag waarom dit nog niet is gebeurd, op welke termijn alsnog een toezichthouder zal worden aangewezen en welke gevolgen het uitblijven hiervan heeft voor de handhaving op producten die mogelijk met Oeigoerse dwangarbeid zijn vervaardigd.

90. Antwoord van het kabinet:

Lidstaten moesten voor 14 december 2025 één of meerdere toezichthouder(s) aanwijzen. Aan die verplichting is gedeeltelijk voldaan. Een aantal markttoezichthouders, namelijk de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), zijn aan de Commissie doorgegeven voor de handhaving van het verbod wanneer dwangarbeid is vastgesteld. De Kamer is hierover geïnformeerd via de geannoteerde agenda voor de RBZ Handel van 19 en 20 februari jl. Daarnaast moet elke lidstaat één leidende bevoegde autoriteit aanwijzen. Het ministerie voert al geruime tijd gesprekken met verschillende partijen die geschikt kunnen zijn. Deze rol omvat meerdere taken, waaronder het beoordelen van ingediende informatie, het onderzoek doen naar producten gemaakt met dwangarbeid in Nederland, en het nemen van besluiten of het verbod geschonden is. Het ministerie heeft samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gesprekken met potentiële kandidaten voor de rol van leidende bevoegde autoriteit geïntensiveerd. Het kabinet streeft ernaar op korte termijn een leidende bevoegde autoriteit aan te wijzen.

Wel geldt dat de Europese Commissie verantwoordelijk is voor het onderzoek doen naar en vaststellen van producten gemaakt met dwangarbeid buiten de EU-grenzen, waaronder in China vervaardigde producten. Lidstaten zijn verantwoordelijk voor het onderzoek en vaststellen van dwangarbeid binnen de eigen landsgrenzen. Pas als de Anti-dwangarbeidverordening van toepassing is in december 2027, kan daadwerkelijk worden gehandhaafd. Tot die tijd treft Nederland voorbereidingen voor een effectieve implementatie van de verordening. Er lopen gesprekken met een veelvoud aan toezichthouders en de Douane om na te gaan hoe deze verordening in de Nederlandse context het best kan worden uitgevoerd.

Welke andere stappen zet de regering nationaal ter voorbereiding op de verordening, wensen de leden ook te vragen.

91. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet werkt momenteel aan de effectieve implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening in Nederland. Naast de gesprekken met potentiële toezichthouders en de Douane voert het kabinet gesprekken met andere EU lidstaten en de Europese Commissie. Het kabinet werkt voorts aan de uitvoeringswet, laat de regeldrukeffecten van de verordening in kaart brengen, en ondersteunt en informeert bedrijven, o.a. via het MVO-steunpunt. Daarnaast vinden er regelmatig gesprekken met het bedrijfsleven en andere stakeholders plaats over de Anti-dwangarbeidverordening.

Het kabinet heeft vorig jaar een onderzoek laten uitvoeren dat een eerste inzicht biedt in landen en productgroepen met een potentieel risico op dwangarbeid in de Nederlandse import.25 Het kabinet heeft dit onderzoek aan de Europese Commissie en andere EU lidstaten gepresenteerd en hierover nadere gesprekken gevoerd met de Europese Commissie.

Daarnaast vragen de leden van de DENK-fractie of de Minister bereid is zich in Europees verband in te zetten voor een verzwaarde bewijslast voor producten afkomstig uit Xinjiang (Oost-Turkestan), vergelijkbaar met de Amerikaanse Uyghur Forced Labor Prevention Act, waarbij bij producten uit deze regio standaard wordt vermoed dat zij met dwangarbeid zijn vervaardigd tenzij het tegendeel wordt bewezen. Indien de Minister hiertoe niet bereid is, verzoeken deze leden uiteen te zetten waarom niet.

92. Antwoord van het kabinet:

De Anti-dwangarbeidverordening is reeds in werking getreden en kan niet meer worden gewijzigd. In tegenstelling tot de Amerikaanse Uyghur Forced Labor Prevention Act is de verordening landenneutraal. De Europese Commissie komt met richtsnoeren over o.a. de bewijsstandaard en staatsgeleide dwangarbeid. Bij het prioriteren van zaken zal de toezichthouder op grond van de verordening rekening houden met de omvang en de ernst van de dwangarbeid. Bij staatsgeleide dwangarbeid zal de omvang en ernst groot zijn. Het kabinet verwacht dat de verordening reeds voldoende ruimte biedt om producten gemaakt met staatsgeleide dwangarbeid van de Europese markt te weren. Aanvullende stappen nemen voorafgaand aan de toepassingsdatum acht het kabinet prematuur.

Voorts vragen de leden de Minister uiteen te zetten wat sinds aanneming van de motie Van Baarle (Kamerstuk 36 600 V, nr. 53) door de regering specifiek is gedaan op het gebied van het weren van producten die mogelijk met Oeigoerse dwangarbeid tot stand zijn gekomen.

93. Antwoord van het kabinet:

Sinds aanneming van de motie-Van Baarle (Kamerstuk 36 600 V, nr. 53) heeft het kabinet verschillende acties in gang gezet26 waaronder het organiseren van een bijeenkomst voor EU-lidstaten en de Europese Commissie over de implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening en is binnen dit kader en in het Unienetwerk tegen met dwangarbeid vervaardigde producten specifiek het tegengaan van (staatsgeleide) Oeigoerse dwangarbeid geagendeerd. Daarnaast heeft het kabinet zorgen over de mensenrechtensituatie in China aangekaart, zowel in bilaterale gesprekken met China als in multilateraal verband met gelijkgezinden en is er input van experts en andere stakeholders aangeleverd voor de EU-richtsnoeren over staatsgeleide dwangarbeid, gepaste zorgvuldigheid en de op te zetten database met risicoproducten en -regio’s. Tot slot heeft het kabinet zich ingespannen voor de implementatie van de aanbevelingen van het OHCHR-rapport over de mensenrechtensituatie in Xinjiang, waaronder door dit aan te kaarten in de nationale verklaringen tijdens de Mensenrechtenraden in Genève in maart en september jl.

Tot slot wensen de leden van de DENK-fractie te vragen hoe de regering concreet zich tot de Europese Commissie wendt om de implementatie van de antidwangarbeidverordening zo streng mogelijk te maken op het gebied van Oeigoerse dwangarbeid. Welke mogelijkheden biedt de verordening hiertoe, wensen de leden te vragen. Is de regering bijvoorbeeld bereid om aan de Europese Commissie te vragen om geheel Xinjiang (Oost-Turkestan) tot risicogebied aan te wijzen, vragen deze leden.

94. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet spreekt regelmatig met de Europese Commissie over de Anti-dwangarbeidverordening en zal dit blijven doen. In deze gesprekken zal het kabinet blijvend aandacht vragen voor effectieve implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening, ook met het oog op het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. De Europese Commissie zal verantwoordelijk worden voor besluiten over dwangarbeid buiten de EU. Producten waar het besluit over gaat mogen de EU-markt niet op, en worden aan de EU-grens tegengehouden of moeten van de markt af worden gehaald. Nederland zal – net als andere EU lidstaten – worden betrokken bij deze besluitvorming. Het Unienetwerk tegen met dwangarbeid vervaardigde producten, waarin de Europese Commissie en EU lidstaten vertegenwoordigd zijn, is een belangrijk platform om deze gesprekken te voeren.

Het kabinet is ertoe bereid aan de Europese Commissie te vragen om Xinjiang op te nemen in de database met risicoregio´s en -producten van de Anti-dwangarbeidverordening.

De leden van de DENK-fractie vragen verder of mensenrechtenschendingen tegen de Oeigoeren expliciet onderdeel zullen zijn van de gesprekken tijdens de aankomende handelsmissie naar China.

95. Antwoord van het kabinet:

Tijdens het aanstaande werkbezoek staan de kansen en uitdagingen in de economische relatie met China centraal. Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen en het tegengaan van dwangarbeid is daar onderdeel van. Er wordt op dit moment nog gewerkt aan de invulling van het programma, daarom is het niet mogelijk vooruit te lopen op de agenda van het bezoek.

Tevens vragen deze leden of de Minister bereid is tijdens deze handelsmissie nadrukkelijk aandacht te vragen voor de situatie van de Oeigoeren en de inzet van dwangarbeid in Xinjiang (Oost-Turkestan). Indien de Minister daartoe niet bereid is, vernemen deze leden graag waarom dit het geval is.

96. Antwoord van het kabinet:

Er wordt op dit moment nog gewerkt aan de invulling van het programma. Het kabinet kan op dit moment nog niet aangeven welke onderwerpen expliciet onderdeel zullen zijn van het werkbezoek. IMVO-gerelateerde onderwerpen, waaronder het tegengaan van dwangarbeid in waardeketens, zijn voor het kabinet en bedrijven die actief zijn in China zeker relevant.

Op de agenda staat ook het Midden-Oosten, merken de leden op. Daarom vragen de leden van de DENK-fractie of de Minister tijdens de komende Raad bereid is zich in te zetten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-associatieakkoord met Israël, conform meerdere aangenomen oproepen uit de Kamer. Indien de Minister daartoe niet bereid is, verzoeken deze leden dit nader toe te lichten.

97. Antwoord van het kabinet:

Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 11 mei jl. bleek onvoldoende steun voor het gedeeltelijk of volledig opschorten van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft gericht op het vergroten van draagvlak onder andere lidstaten voor EU-maatregelen.27 Deze inzet van het kabinet zal tijdens de RBZ Handel worden besproken met andere EU-handelsministers.

Tevens vragen deze leden hoe effectief de Minister het huidige Europese beleid acht ten aanzien van de etikettering van producten afkomstig uit illegale Israëlische nederzettingen. Daarbij vernemen deze leden graag hoeveel controles de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden op de correcte etikettering van dergelijke producten, hoeveel overtredingen daarbij zijn vastgesteld en welke sancties of maatregelen worden opgelegd wanneer producten uit illegale nederzettingen onjuist zijn geëtiketteerd of ten onrechte profiteren van handelsvoordelen.

98. Antwoord van het kabinet:

Het etiketteringsbeleid is gebaseerd op EU-wetgeving met betrekking tot juiste en niet-misleidende herkomstaanduiding. Deze wetgeving is bedoeld om consumenten van correcte informatie te voorzien en is algemeen van toepassing, ongeacht het land of gebied waar producten vandaan komen. Er zijn dus geen specifieke regels voor de door Israël bezette gebieden of voor welk ander gebied of land dan ook.28 Derhalve staat het etiketteringsbeleid ook los van gerichte handelspolitieke maatregelen, zoals tarifaire of kwantitatieve beperkingen.29

Hoewel dezelfde etiketteringsregels van toepassing zijn op alle landen en gebieden, heeft het EU Hof van Justitie wel nadere toelichting gegeven over de manier waarop deze regels moeten worden toegepast in de context van de (onrechtmatige nederzettingen in) de door Israël bezette gebieden. Specifiek heeft het Hof op 12 november 2019 verduidelijkt dat op levensmiddelen afkomstig uit een door Israël bezet gebied, dit gebied moet worden vermeld. Indien levensmiddelen afkomstig zijn uit een Israëlische nederzetting binnen dat gebied, moet ook deze herkomst worden vermeld.30

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is verantwoordelijk voor toezicht op de geldende etiketteringswetgeving. De NVWA controleert risicogericht en sanctioneert conform het staande interventiebeleid. Sinds begin 2025 heeft de NVWA zes meldingen ontvangen over herkomstetikettering van producten die mogelijk onterecht als «producten uit Israël» gezien konden worden. Van deze zes waren er vier onterecht gemeld, één melding heeft niet geleid tot maatregelen en één melding is opgevolgd met een waarschuwingsbrief aan het betreffende bedrijf.

Ten slotte vragen de leden in het kader van overige onderwerpen welke concrete stappen de regering naar aanleiding van de aanneming van de motie van het lid Van Baarle c.s. (Kamerstuk 36 180, nr. 209) zal zetten om de Europese Commissie te verzoeken om de rol van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) in de oorlog in Sudan bespreekbaar te maken en hierin Europese medestanders te vinden. De leden wensen te vragen of de Minister dit de aankomende Raad zal doen.

99. Antwoord van het kabinet:

Conform de motie van het lid Van Baarle c.s.31 heeft het kabinet recentelijk in Brussel het conflict in Soedan onder de aandacht gebracht van Commissie en EU-lidstaten in relatie tot het onderhandelingsmandaat.

In dit kader vragen deze leden ook of de rol van de VAE in de oorlog in Sudan momenteel wordt betrokken bij handelsafwegingen, diplomatieke contacten of onderhandelingen met de VAE. Indien dit niet het geval is, verzoeken deze leden de regering uiteen te zetten waarom dit niet het geval is.

100. Antwoord van het kabinet:

Nederland onderhoudt een brede bilaterale relatie met de VAE, een belangrijke partner voor Nederland en de EU. Binnen deze relatie spreekt het kabinet op politiek en hoogambtelijk niveau met de VAE over de situatie in de regio en regionale stabiliteit, waaronder ook de oorlog in Soedan. Daarbij zet Nederland in op constructief engagement met de VAE waarbij aandacht wordt besteed aan de humanitaire situatie, de gevolgen van de oorlog voor Soedan, de regio en de EU, en over wapenleveranties van derde partijen aan de strijdende partijen.

Inbreng leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026.

De leden van de SGP-fractie hebben nog een aantal vragen over versoepeling van staatssteunregels, de handelsrelatie met Israël en de (herziening van de) APS-verordening.

Economische veiligheid

De leden van de SGP onderschrijven het belang dat het kabinet hecht aan de opening van de Straat van Hormuz, die illegaal geblokkeerd wordt door de Islamitische Republiek Iran. Primair moet de druk op het ayatollahregime daartoe verder worden opgevoerd. Het kabinet geeft aan dat de leveringszekerheid vooralsnog niet in gevaar komt. Toch kunnen er bedrijven zijn waarvan de aanvoerketens zodanig onder druk raken dat zij door de oorlog in het Midden-Oosten in de problemen komen. De Europese Commissie staat tijdelijk toe dat lidstaten tot het einde van het jaar extra staatssteun verlenen. Zo kunnen lidstaten tot 70 procent van de extra kosten voor energie en kunstmest compenseren. Is het kabinet voornemens van deze mogelijkheid gebruik te maken? Zo nee, hoe waarborgt het kabinet een gelijk speelveld wanneer andere lidstaten wél gebruikmaken van deze versoepeling van de staatssteunregels?

101. Antwoord van het kabinet:

Voor Nederland is het gebruik van het steunkader nu niet aan de orde. Nederland heeft een evenwichtig pakket staan: het kabinet heeft bijna EUR 1 miljard vrijgemaakt voor ondernemers en huishoudens. Het kabinet houdt ook rekening met de onzekerheid van de huidige situatie. Daarom zijn verschillende scenario’s uitgewerkt en houdt het kabinet bewust ruimte om op te schalen als de situatie verder verslechtert. Daarnaast werkt het kabinet aan het structureel afbouwen van de afhankelijkheid van fossiele energie. Dat maakt ondernemers en onze economie op de lange termijn sterker en minder kwetsbaar.

In hoeverre het Tijdelijk crisiskader negatieve gevolgen heeft voor de interne markt hangt af van de mate waarin andere EU-lidstaten gebruik gaan maken van de verruimde mogelijkheden om staatssteun verlenen. Het is aan de Europese Commissie toe te zien op de effecten op de interne markt en het kabinet houdt eventuele steunverlening door andere EU-lidstaten in de gaten.

Handel met Israël

De leden van de SGP-fractie constateren dat de lidstaten in de Raad van de Europese Unie een politiek akkoord hebben bereikt over een nieuw sanctiepakket tegen kolonisten. Over de inhoud van deze sancties is nog weinig bekend. De leden van de SGP kunnen zich voorstellen dat deze sancties door Israël niet los worden gezien van pleidooien vanuit verschillende lidstaten voor opschorting van het handelsdeel van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël. Kan het kabinet inzichtelijk maken welke gevolgen de voorgenomen sancties en een eventuele opschorting van het handelsdeel van de associatieovereenkomst kunnen hebben voor de handelsrelatie met Nederland? Kan het kabinet daarnaast aangeven in hoeverre rekening wordt gehouden met mogelijke Israëlische tegenmaatregelen en de Kamer hierover te informeren zodra hierover meer duidelijkheid is?

102. Antwoord van het kabinet:

De Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) bereikte recentelijk een politiek akkoord over het derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Dit pakket wordt binnenkort formeel aangenomen en gepubliceerd. Daarmee worden dan ook de individuele sancties tegen personen en/of organisaties bekend. De directe gevolgen hiervan zijn het bevriezen van tegoeden van deze entiteiten en een inreisverbod in de EU. Ook mogen EU personen en bedrijven geen zaken meer doen met personen en entiteiten op de sanctielijst.

Het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord (hierna: opschorting) is niet aangenomen door de RBZ. Indien dit voorstel wel zou worden aangenomen, zouden zowel Israël als de EU geen aanspraak meer kunnen maken op preferentiële behandeling onder titel II, titel III en hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel IV van de Associatieovereenkomst zolang de opschorting van kracht zou zijn. In de praktijk betekent dit dat wederzijdse handel zou plaatsvinden onder de voorwaarden van de Wereldhandelsorganisatie (most favoured nation, MFN). Dit heeft rechtstreeks invloed op kosten van de handel in bepaalde goederen, maar niet op de beschikbaarheid van deze goederen.

Opschorting zou een beperkt deel van de totale goederenstroom tussen de EU en Israël treffen. 63 procent van de export van Israël naar de EU en bijna 70 procent van de EU-export naar Israël vindt namelijk al plaats onder MFN-voorwaarden, waarbij veelal sprake is van een nultarief. De handelsstroom die momenteel wel onder preferentiële voorwaarden plaatsvindt, zou bovendien in beperkte mate worden getroffen omdat de gemiddelde toegepaste MFN-heffingen van Israël en de EU respectievelijk 1,9 en 3 procent zijn. De effecten verschillen wel per productcategorie; heffingen voor landbouwproducten zijn doorgaans (beduidend) hoger dan voor industriegoederen.

Aangezien Israël niet tot de voornaamste handelspartners van Nederland behoort, zouden de directe economische gevolgen van opschorting voor de Nederlandse economie naar verwachting zeer gering zijn. Mogelijke politieke en diplomatieke gevolgen zijn onderdeel van de discussie over deze maatregel in EU-verband. Eventuele Israëlische tegenmaatregelen zijn evenwel niet op voorhand te voorspellen. Indien van toepassing zal het kabinet de Kamer hierover informeren.

APS

Met interesse hebben de leden van de SGP de brief gelezen over de herziening van de verordening over het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). De SGP steunt tariefpreferenties voor ontwikkelingslanden, omdat dit één van de meest effectieve vormen van beleidscoherentie is. Vrijhandel vormt een cruciale voorwaarde voor marktontwikkeling en industrialisatie, waardoor minst ontwikkelde landen en lage-inkomenslanden beter in staat zijn armoede terug te dringen en een goed functionerende samenleving op te bouwen. Bij ernstige marktverstoringen door import van bepaalde (landbouw)producten uit lagere middeninkomenslanden moet de EU, zoals het kabinet terecht aangeeft, vrijwaringsmaatregelen kunnen nemen. Kan het kabinet recente voorbeelden geven dat de Europese Commissie hiertoe moest overgaan?

103. Antwoord van het kabinet:

Een recent voorbeeld van vrijwaringsmaatregelen in het kader van APS is de tijdelijke intrekking van tariefpreferenties voor ethanol uit Pakistan in juni 2025 naar aanleiding van een ernstige verstoring van de Europese markt.32

Ernstige en systematische schendingen van bepaalde internationale verdragen kunnen aanleiding zijn om tariefpreferenties gedeeltelijk of geheel in te trekken. Het kabinet noemt in dit verband Wit-Rusland (2007) en Cambodja (2020). Kunnen de leden van de SGP uit de geannoteerde agenda opmaken dat dit de enige voorbeelden zijn, of is dit instrument vaker toegepast? Wat de leden van de SGP blijft intrekking van preferenties gelden als een ultimum remedium, dat niet lichtvaardig moet worden ingezet wanneer de waarden van de EU en bijvoorbeeld Afrikaanse handelspartners uiteenlopen.

104. Antwoord van het kabinet:

Wit-Rusland en Cambodja zijn van de huidige APS-landen de enige voorbeelden van de volledige en gedeeltelijke intrekking van APS-tariefpreferenties wegens ernstige en systematische schendingen van internationale verdragen. De intrekking van APS-tariefpreferenties is een laatste redmiddel.

Inbreng leden van de ChristenUnie fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Ze hebben een aantal vragen.

CSDDD/ IMVO

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de Minister kijkt naar de implementatie van de Wet zorgplicht kinderarbeid (WZK), nu de definitieve CSDDD na afzwakking niet toereikend is om aan de verplichtingen zoals gesteld in de WZK te voldoen. Is de Minister voornemens de WZK te implementeren? Zo nee, waarom niet? Als de Minister niet van plan is de WZK te implementeren, hoe borgt de Minister dat Nederland de verplichtingen om kinderarbeid tegen te gaan, die middels de WZK reeds in een aangenomen wet waren vervat, straks niet worden verzwakt?

105. Antwoord van het kabinet:

Inzet van het kabinet is nog steeds om de Wet Zorgplicht Kinderarbeid (WZK) in te trekken en te vervangen door de Wet internationaal verantwoord ondernemen (Wivo), de implementatiewet voor de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD). Daarmee kiest het kabinet nadrukkelijk voor een Europese én bredere zorgvuldigheidsverplichting. Dat draagt bij aan het gelijke speelveld in Europa, voorkomt onnodige regeldruk en is naar verwachting effectiever. Zo richt de WZK ziet uitsluitend op kinderarbeid, terwijl de CSDDD alle mensenrechten- en milieurisico’s adresseert. Ook ziet de CSDDD in tegenstelling tot de WZK op alle stappen van het gepaste zorgvuldigheidsproces en is in de Wivo een uitgebreid toezicht- en handhavingsinstrumentarium voorzien.

Het kabinet ziet de CSDDD daarmee als een geschikt instrument om kinderarbeid tegen te gaan, in aanvulling op reeds bestaande nationale wetgeving tegen kinderarbeid, de verwachting dat alle Nederlandse bedrijven handelen in lijn met de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s), en in combinatie met bestaande instrumenten om bedrijven te helpen om kinderarbeid in hun waardeketens tegen te gaan, zoals het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen (SPVO). Tot slot is ook de Anti-dwangarbeidverordening van belang in dit verband. Die verbiedt het op de EU-markt brengen van producten gemaakt met dwangarbeid, inclusief gedwongen kinderarbeid, onafhankelijk van de grootte van het bedrijf en is van toepassing met ingang van 14 december 2027.

De leden van de ChristenUnie zien dat er in andere EU-lidstaten al wetten bestaan die zorgen voor de bescherming van mensenrechten, zoals de Lieferkettengesetz in Duitsland en de devoir de vigilance in Frankrijk. Op welke manieren zorgen deze lidstaten ervoor dat de implementatie van de CSDDD in nationale wetgeving er niet voor zorgt dat de bescherming van mensenrechten, milieu of klimaat wordt afgezwakt?

106. Antwoord van het kabinet:

In algemene zin is voor het antwoord op deze vraag artikel 1, lid 2 van de CSDDD (de zogenaamde non-regressiebepaling) van belang. Hieruit volgt dat lidstaten het niveau van de bescherming van de mensen-, arbeids- en sociale rechten, of van de bescherming van het milieu of de bescherming van het klimaat, in beginsel niet mogen verlagen als gevolg van de CSDDD. tenzij er al nationale wetgeving over gepaste zorgvuldigheid van toepassing was op het moment van de vaststelling van de CSDDD. Dan mogen lidstaten wel bepalingen, met name ten aanzien van de reikwijdte, van die nationale wetgeving aanpassen om deze in overeenstemming te brengen met deze richtlijn. Het is aan Frankrijk en Duitsland om te besluiten op welke manier zij uitvoering geven aan deze bepalingen in de CSDDD in relatie tot hun reeds bestaande gepaste zorgvuldigheidswetgeving.

De leden van de ChristenUnie vragen ook naar de uitvoering van de aangenomen motie-Ceder/Hirsch (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3144) over een concreet doel en plan zodat meer bedrijven de OESO-richtlijnen onderschrijven. Wanneer kunnen de leden dit plan verwachten?

107. Antwoord van het kabinet:

Het Nederlandse IMVO-beleid is reeds gebaseerd op de OESO-richtlijnen en bestaat uit een doordachte mix van maatregelen om meer bedrijven te stimuleren hiermee aan de slag te gaan (Kamerstuk 26 485, nr. 337). Dit jaar wordt het IMVO-beleid geëvalueerd, waarbij ook aanbevelingen zullen worden gedaan over hoe het IMVO-beleid effectiever en doelmatiger kan worden ingezet. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen over de BHOS-begroting van januari jl.33 betrekt het kabinet de motie Ceder-Hirsch (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3144) graag bij de reactie op deze evaluatie. De evaluatie zal naar verwachting begin 2027 aan uw Kamer worden toegestuurd.

Handelsakkoord tussen EU en Indonesië

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister kan schetsen hoe de huidige mensenrechtensituatie is in West-Papua. Welk beeld schetsen gerenommeerde NGO’s over deze situatie?

108. Antwoord van het kabinet:

De mensenrechtensituatie in de Papoea provincies van Indonesië is zorgelijk. Verschillende (mensenrechten)organisaties, waaronder Human Rights Watch en Amnesty International, rapporteren onder andere over geweld en inbreuken op eigendommen van de inheemse bevolking. Er vallen ook slachtoffers door geweld gebruikt door lokale gewapende groepen.

De leden vragen op welke wijze de EU de situatie in West-Papua concreet heeft aangekaart, zowel binnen als buiten de onderhandelingen over het handelsakkoord?

109. Antwoord van het kabinet:

In het kader van de onderhandelingen over het handelsakkoord wordt in bredere zin gesproken over de naleving van mensenrechten en arbeidsrechten. Gezien de vertrouwelijke status van de onderhandelingen, kan niet gedeeld worden welke specifieke punten aan de orde zijn gekomen.

Buiten de context van de onderhandelingen vond in februari van dit jaar tussen de EU en Indonesië de reguliere mensenrechtendialoog plaats; hierbij zijn verschillende punten van zorg gewisseld.

Tevens vragen de leden welke stappen het kabinet zet om de situatie van de Papua’s te verbeteren, alvorens het handelsakkoord wordt getekend.

110. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet volgt de situatie in de Papoea provincies nauwlettend, onder andere via de Nederlandse ambassade in Jakarta. Ter bevordering van de bescherming van mensenrechten ondersteunt de Nederlandse ambassade in Jakarta verschillende projecten en brengt het bezoeken aan verschillende provincies door heel Indonesië, inclusief Papoea. De Nederlandse ambassade in Jakarta heeft het bezoek van een delegatie van de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken aan Indonesië in juli 2025 ondersteund, en gefaciliteerd dat de leden onder andere met de Indonesische mensenrechtencommissie over de situatie in Papoea hebben gesproken. Deze inzet zal zich niet beperken tot de fase voordat het handelsakkoord met Indonesië getekend is, maar zal ook daarna voortgezet worden. Bovendien biedt het handelsakkoord een aanvullend platform om te spreken over mensenrechten, met name arbeidsrechten, en duurzame ontwikkeling.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of Nederland, vanuit de historische verantwoordelijkheid die ons land heeft, kartrekker wil zijn in het pleiten om het akkoord niet te sluiten, tenzij de mensenrechtensituatie van de Papua’s aanzienlijk verbetert en met Indonesië afspraken over verbeteringen wordt gemaakt. Zo nee, waarom niet?

111. Antwoord van het kabinet:

Hoewel de mensenrechtensituatie in de Papoea provincies zorgelijk is, is het kabinet niet bereid te pleiten voor het niet sluiten van het akkoord. Dit akkoord is in bredere zin belangrijk voor het versterken van de relatie tussen de EU en Indonesië en biedt bovendien een extra platform om de situatie in de Papoea provincies van Indonesië aan te kaarten. Het afhouden van het sluiten van het handelsakkoord zou een negatieve impact hebben op de relatie tussen de EU en Indonesië, wat druk op verbetering van de mensenrechtensituatie niet dichterbij brengt.

Handelsakkoord tussen EU en de VAE

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of hij kan schetsen wat de betrokkenheid is van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) ten aanzien van de situatie in Sudan en welk beeld gerenommeerde NGO’s schetsen over die betrokkenheid?

112. Antwoord van het kabinet:

Het conflict in Soedan is buitengewoon complex. Veel landen in de regio hebben belangen en spelen een rol in Soedan. De Verenigde Arabische Emiraten (VAE) maakt onderdeel uit van het Quad initiatief – een samenwerkingsverband met de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Egypte, met als doel het beëindigen van het conflict.

De leden van de Quad, andere landen uit de regio en vertegenwoordigers van het Quintet (de Verenigde Naties (VN), de Europese Unie (EU), de Liga van Arabische Staten (LAS), de Intergovernmental Authority on Development (IGAD) en de Afrikaanse Unie (AU)) hebben zich op 30 april jl. gecommitteerd aan de Berlin Principles for Sudan, waarin wordt opgeroepen tot een onmiddellijke wapenstilstand, bescherming van burgers, berechting van verantwoordelijken voor oorlogsmisdaden en het stoppen van externe steun aan de strijdende partijen.

Tegelijkertijd zijn er in de media en vanuit non-gouvernementele organisaties diverse berichten verschenen over de betrokkenheid van regionale actoren bij het voortduren van het conflict.

Het kabinet spreekt binnen de brede bilaterale relatie met de VAE op politiek en hoogambtelijk niveau over de situatie in Soedan. Inzet van de gesprekken is constructief engagement met de VAE als relevante actor die aangeeft bij te willen dragen aan een einde van het conflict en als belangrijk lid van de Quad. In deze gesprekken onderstreept het kabinet de noodzaak van een onmiddellijk staakt-het-vuren, ongehinderde humanitaire toegang, en het stoppen van wapenleveranties van derde partijen aan de strijdende partijen. Verder zet Nederland zich in voor aanvullende EU-sanctiemaatregelen tegen actoren en sectoren die het conflict voeden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen dan ook in hoeverre er met de VAE bij de onderhandelingen over het akkoord wordt gesproken over de situatie in Sudan. Is de Minister het met de leden eens dat er geen handelsakkoord met de VAE kan worden gesloten zolang de humanitaire ramp in Sudan voortduurt? Welke stappen zouden er volgens de Minister moeten worden gezet voordat een handelsakkoord zou kunnen worden gesloten?

113. Antwoord van het kabinet:

De EU is exclusief bevoegd als het gaat om de handelspolitiek en de Europese Commissie voert op dit moment de onderhandelingen over een handelsakkoord met de VAE, op basis van een mandaat van de Raad. In dit soort onderhandelingen gaat het primair om handels- en markttoegangsonderwerpen. Dat laat onverlet dat de situatie in de regio, waaronder die in Sudan, voor Nederland en de EU belangrijke aandachtspunten zijn in de bredere politieke dialoog met de VAE. Juist onze economische banden maken het mogelijk om ook over andere onderwerpen – waaronder Soedan – een constructieve dialoog te voeren. Conform de motie van het lid Van Baarle c.s.34 heeft het kabinet recentelijk in Brussel het conflict in Soedan onder de aandacht gebracht van Commissie en EU-lidstaten in relatie tot het onderhandelingsmandaat. Het kabinet zal, zodra er een onderhandelingsresultaat voorligt t.a.v. het handelsakkoord, dit akkoord in zijn geheel en op zijn merites beoordelen.

Inbreng leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie zien grootschalige conflicten in de wereld die buiten de afspraken van het internationaal recht blijven plaatsvinden. Ook Nederland moet zich inzetten bij betrokken de (handels)partners om tot vrede te komen. Daarom hierover een aantal vragen.

Een van de verdragen die onze eigen wapenexportcriteria afbreekt, is het Verdrag van Aken. Kan de Minister aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot toetreding tot dit verdrag? Hoe is hierbij gewogen dat hoewel op papier wapenexportcriteria hetzelfde zijn, er signalen zijn dat deze in de praktijk door bijvoorbeeld Frankrijk anders worden toegepast?

114. Antwoord van het kabinet:

Middels de brief over het Nederlands exportcontrolebeleid in 202435 d.d. 27 juni 2025 is de Kamer geïnformeerd dat Nederland formeel is uitgenodigd om toe te treden tot het Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (ook wel bekend als het Verdrag van Aken) waar Duitsland, Frankrijk, Spanje en sinds december 2025 ook het Verenigd Koninkrijk bij zijn aangesloten. In reactie op deze uitnodiging wordt momenteel gewerkt aan de parlementaire goedkeuringsstukken. Binnen afzienbare tijd zullen deze stukken gereed zijn en zal het verdrag aanhangig worden gemaakt bij de Raad van State. Hierna volgt het parlementaire goedkeuringstraject.

Het Verdrag berust op het vertrouwen dat de Verdragspartijen hebben in elkaars wapenexportcontrolesystemen die gestoeld zijn op het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB) en het Wapenhandelsverdrag. Vertrouwen stellen in Europese partners is daarbij niet nieuw, maar vormt de basis van de Europese samenwerking.

Daarnaast draagt het Verdrag bij aan convergentie van het wapenexportbeleid omdat het ruimte biedt voor intensief overleg met de andere verdragspartijen om potentiële exportbestemmingen te bespreken en risico-inschattingen te delen. Verdragspartijen kunnen eventuele zorgen vroegtijdig identificeren en bespreekbaar maken middels de overlegstructuren die het Verdrag daartoe biedt. Hiermee gaat het verdrag verder dan huidige Europese samenwerking op het wapenexportbeleid waar EU-lidstaten elkaar achteraf informeren over afgewezen vergunningen.

Binnen de Europese Commissie ligt er een plan om regels voor de wapenexportvergunningen te versimpelen door met Algemene overdrachtsvergunningen te gaan werken. Lidstaten verliezen zo zicht op de uiteindelijke bestemming van wapens, Nederland verliest haar eigen exportcontroletoets, rapportageverplichtingen beperkt en uitzonderingen voor wapentransfers zonder vergunningen worden uitgebreid.

Kunt u op deze punten inzicht geven wat dit voor Nederlandse wapenexport en toepassing van criteria betekent?

115. Antwoord van het kabinet:

Hiervoor verwijst het kabinet graag naar het Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-fiche36 over de beoordeling van het kabinet van het Defence Readiness Omnibus pakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn (2009/43/EG) en wordt u spoedig middels de kabinetsreactie op de reactie van Stop Wapenhandel c.s. over versimpeling van de intra-EU-overdrachten richtlijn verder geïnformeerd.

Welke inbreng heeft Nederland hierop in Europa geleverd?

116. Antwoord van het kabinet:

Hierover bent u geïnformeerd middels het BNC-fiche37 over de beoordeling van het kabinet van het Defence Readiness Omnibus pakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn (2009/43/EG) en wordt u spoedig middels de kabinetsreactie op de reactie van Stop Wapenhandel c.s. over versimpeling van de intra-EU-overdrachten richtlijn verder geïnformeerd.

Wat is de invloed van lobby van wapenfabrikanten geweest op de totstandkoming van dit plan en bent u bereid hier inzicht in te geven of hier meer informatie over te verkrijgen?

117. Antwoord van het kabinet:

De wijzigingsvoorstellen zijn gepubliceerd in de context van de notie dat het geen oorlog is, maar ook geen vrede, en dat veel regelgeving in de EU niet op die situatie is toegerust. Bevorderen van de Europese defensie-industriesamenwerking en versterking van de Nederlandse en Europese defensie-industrie is van belang voor onze veiligheid en om die reden is het evident dat de Europese Commissie ook met de industrie overlegt om de eventuele knelpunten voor het opschalen van de Europese defensie-industrie te identificeren.

Verschillende Europese landen hebben zich al negatief opgesteld tegen dit plan, die de Commissie allerlei gedelegeerde bevoegdheden geeft. Gaat de regering zich hierbij aansluiten en niet instemmen met het huidige voorstel?

118. Antwoord van het kabinet:

Voor de positie van Nederland verwijst het kabinet graag naar het BNC-fiche38 over de beoordeling van het kabinet van het Defence Readiness Omnibus pakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn en wordt u spoedig middels de kabinetsreactie op de reactie van Stop Wapenhandel c.s. over versimpeling van de intra-EU-overdrachten richtlijn verder geïnformeerd.

Is de Minister het eens met de stelling dat het versimpelen van het wapenexportbeleid op geen enkele manier de huidige Europese exportcriteria mag ondermijnen?

119. Antwoord van het kabinet:

De intra-EU-overdrachten richtlijn heeft betrekking op de overdracht van militaire goederen binnen de EU en heeft als doel de regels en procedures hiervoor te vereenvoudigen, ten einde de behoorlijke werking van de interne markt te waarborgen. De richtlijn en de voorgestelde wijzigingen zien niet toe op de uitvoer van militaire goederen naar landen buiten de EU. Alle EU lidstaten zijn gebonden aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag.

En hoe ziet verdere besluitvorming er uit, wanneer wordt de Tweede Kamer over de uitkomst van de onderhandelingen geïnformeerd en wanneer besluit het kabinet hierover?

120. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet heeft uw Kamer middels het BNC-fiche39 vooraf geïnformeerd over de beoordeling en de inzet van het kabinet van het Defence Readiness Omnibus pakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn. De onderhandelingen tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie (trilogen) hierover zijn begin 2026 van start gegaan en zijn nog gaande. Het kabinet kan hier niet op vooruit lopen en zal uw Kamer na afronding van de onderhandelingen informeren over de uitkomsten hiervan.

De Verenigde Arabische Emiraten spelen een belangrijke rol in de wapenstromen richting Soedan. Het kabinet heeft aangegeven dat zij voldoende doet om wapenexport te controleren en dat zij geen aanwijzingen ziet dat via de VAE een omleiding heeft plaatsgevonden naar Soedan onder Nederlandse vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen. Het artikel van Follow the Money liet zien dat dit in Yemen wel is gebeurd, ondanks waarschuwingen vanuit het ministerie. Waar baseert de Minister het uitsluiten van het omleidingsrisico op?

121. Antwoord van het kabinet:

Het ministerie toetst elke vergunningaanvraag voor de uitvoer van militaire goederen voorafgaand aan de uitvoer op basis van een risicoanalyse. Risico’s zijn daarbij nooit volledig uit te sluiten. De toetsing vindt plaats aan de hand van de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake Wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag waarbij per geval wordt gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik en (de situatie in) het land van eindbestemming. Bij vergunningaanvragen voor de VAE wordt zorgvuldig getoetst aan het omleidingsrisico naar Soedan (criterium 7) en wordt alle relevante informatie meegenomen in de beoordeling. Indien aan de hand van de op dat moment beschikbare informatie duidelijke risico’s bestaan op ongewenst eindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechtenschendingen of omleiding, wordt een vergunningaanvraag afgewezen.

Welke stappen zijn er gezet na de illegale acties van de VAE in Yemen om dit risico uit te sluiten?

122. Antwoord van het kabinet:

Nederland heeft blijvend aandacht voor het risico op ongewenst eindgebruik en omleiding bij vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen naar de VAE en heeft ook in EU-verband de risico’s van omleiding van wapens naar Soedan meermaals onder de aandacht gebracht. Vergunningaanvragen worden zorgvuldig en per geval getoetst aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag, waarbij alle relevante en op dat moment beschikbare informatie wordt betrokken. Daarbij is er specifiek aandacht voor het risico op omleidingsrisico naar ongewenste eindgebruikers. Indien op basis van de beschikbare informatie duidelijke risico’s bestaan op ongewenst eindgebruik of omleiding, wordt een vergunningaanvraag afgewezen.

Het kabinet geeft aan de VAE een belangrijke partner te vinden en solidair te zijn als het gaat om de veiligheidsbehoeftes van de VAE door de oorlog in Iran. Hoe kan worden uitgesloten dat deze veiligheidsbehoeftes niet gebruikt worden om wapens door te sluizen naar Soedan?

123. Antwoord van het kabinet:

Als gevolg van het conflict tussen de Verenigde Staten, Israël en Iran worden landen in de regio geconfronteerd met toenemende spanningen en veiligheidsrisico’s. Met inachtneming van de zorgvuldige wapenexportcontroletoets aan het Europees Gemeenschappelijk Standpunt inzake Wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag heeft Nederland oog voor de legitieme veiligheidsbehoefte van de Golfstaten gedurende de crisis. Nederland blijft alle aanvragen voor de uitvoer van militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik zorgvuldig en per geval aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag toetsen. Hierbij is voor de VAE specifiek aandacht voor het risico op omleiding naar Soedan. Indien aan de hand van de op dat moment beschikbare informatie duidelijke risico’s bestaan op ongewenst eindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechtenschendingen of omleiding, wordt een vergunningaanvraag afgewezen.

Hoe staat het daarnaast met het handelsakkoord tussen de VAE en Europa en hoe wordt daar juist dit punt, van het steunen van strijdende partijen in Soedan, op tafel gelegd tijdens de onderhandelingen over het handelsakkoord? Zoals het Clingendael-rapport aangeeft, geeft een goed bondgenootschap juist reden om sterke kritiek te leveren.

124. Antwoord van het kabinet:

De EU is exclusief bevoegd als het gaat om de handelspolitiek en de Europese Commissie voert op dit moment de onderhandelingen over een handelsakkoord met de VAE, op basis van een mandaat van de Raad. In dit soort onderhandelingen gaat het primair om handels- en markttoegangsonderwerpen. Dat laat onverlet dat de situatie in de regio, waaronder die in Sudan, voor Nederland en de EU belangrijke aandachtspunten zijn in de bredere politieke dialoog met de VAE. Juist onze economische banden maken het mogelijk om ook over andere onderwerpen – waaronder Soedan – een constructieve dialoog te voeren. Conform de motie van het lid Van Baarle c.s.40 heeft het kabinet recentelijk in Brussel het conflict in Soedan onder de aandacht gebracht van Commissie en EU-lidstaten in relatie tot het onderhandelingsmandaat.

Vandaag werd bekend dat Nederland 110 miljoen euro levert aan technologie aan Israël. De leden van de SP-fractie snappen niet hoe na 3 jaar aan genocide, en Europese regels die regelen geen spionagesoftware te exporteren naar landen waar mensenrechten onder druk staan, Nederland hier lak aan heeft en handel voor laat gaan op moraal. Is de Minister het met ons eens dat niet uitgesloten kan worden dat technologie wordt ingezet voor mensenrechtenschendingen? Is de Minister het met ons eens dat een handelsdeal met Israël haaks staat op de noodzaak druk uit te oefenen op de Israëlische regering om mensenrechtenschendingen in de Westelijke Jordaanoever en genocide in Gaza te stoppen?

125. Antwoord van het kabinet:

Vergunningaanvragen voor de uitvoer van strategische goederen (dual-use en militair) worden zorgvuldig getoetst op het risico op ongewenst eindgebruik, zoals schending van mensenrechten. Aanvragen worden per geval strikt beoordeeld door te kijken naar de aard van de goederen, de aannemelijkheid van het opgegeven eindgebruik, de eindgebruiker en het land van bestemming. Een vergunning zal niet worden toegewezen wanneer de inschatting is dat er een risico bestaat dat goederen en technologie worden ingezet bij mensenrechtenschendingen.

Is de Minister bereid openheid van zaken te geven over de contracten die zijn aangegaan, zoals andere lidstaten wel hebben gedaan, en direct te stoppen met onderhandelingen voor nieuwe aanbestedingen die deze Europese regels overtreden?

126. Antwoord van het kabinet:

Op het terrein van openheid inzake vergunningverlening van strategische goederen is Nederland één van de meest transparante landen van Europa. Tijdige publicatie van de maandrapportages over onder meer de export van dual use goederen en technologie zijn belangrijk voor het kabinet. De laatste rapportage op de website van de Rijksoverheid is van april dit jaar.41 Voorts is er bij de export van dual use goederen en technologie sprake van een transactie tussen marktpartijen, waarbij de Nederlandse overheid een rol speelt bij het al dan niet verlenen van vergunningen voor goederen die vergunningplichtig zijn. De Nederlandse overheid heeft in dat kader geen aanbestedende rol en is ook geen partij bij onderhandelingen voor aanbestedingen die de Europese regels op het gebied van exportcontrole zouden kunnen overtreden.

Hoe kan het exportbeleid naar Israël zijn aangescherpt, zoals het ministerie aangeeft, terwijl er nog steeds niet uit te sluiten is dat deze dual-use-technologie ook kan worden ingezet voor militaire doeleinden? Dan is het toch noodzakelijk om deze technologie niét te exporteren?

127. Antwoord van het kabinet:

Export wordt altijd zorgvuldig en voorafgaand aan de export getoetst, behalve als er sprake is van algemene vergunningen. In 2025 heeft het kabinet uw Kamer geïnformeerd middels een Kamerbrief42 over het besluit om Israël uit te sluiten van de algemene vergunning, die gebruikt kon worden voor de uitvoer van laag-risico bulkgoederen. Het gaat hierbij om informatiebeveiligingsproducten (apparatuur en programmatuur) die bedoeld zijn om de interne infrastructuur van (civiele) eindgebruikers te ondersteunen.

Door deze wijziging dienen exporteurs een individuele of globale vergunning aan te vragen om deze goederen te mogen exporteren. Dit betekent dat op dit moment alle transacties van dual-use goederen naar Israël voorafgaand aan de uitvoer worden getoetst aan de geldende criteria.

Kan de Minister verantwoorden waarom deze licenties toch afgegeven zijn terwijl het wist dat er risico bestond op schending van mensenrechten en burgerslachtoffers?

128. Antwoord van het kabinet:

Vergunningaanvragen voor dual-use goederen worden zorgvuldig getoetst op het risico op ongewenst eindgebruik, zoals schending van mensenrechten. Een vergunning zal niet worden toegewezen wanneer de inschatting is dat er een risico bestaat dat goederen en technologie worden ingezet bij mensenrechtenschendingen.

Alleen exporteurs met een vooraf door de Douane goedgekeurd Internal Compliance Program (ICP) kunnen een globale vergunning voor dual-use goederen aanvragen. In een ICP geven exporteurs aan hoe ongewenste eindgebruikers worden geïdentificeerd en ongewenst eindgebruik wordt voorkomen. Daarnaast dienen exporteurs periodiek te rapporteren over wat er naar welke eindgebruikers is geëxporteerd. Dit wordt gecontroleerd door de Douane. Wanneer er onregelmatigheden worden geconstateerd of toch indicaties blijken te zijn dat er ongewenst eindgebruik heeft plaatsgevonden, kan daarop actie worden ondernomen.

Vorige week bracht de Minister een bezoek aan de grensovergang aan Rafah. Tot welke conclusies is de Minister gekomen met betrekking tot het beleid dat nu gevoerd wordt in Nederland en Europa als het gaat om druk op Israël?

129. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de humanitaire situatie in de Gazastrook. Mijn bezoek aan de Noord-Sinaï in Egypte, waaronder de Egyptische kant van de grensovergang bij Rafah, heeft deze indruk bevestigd. Ik bracht, vergezeld door de gouverneur van de Noord-Sinaï, onder meer een bezoek aan het logistiek centrum van de Egyptische Rode Halve Maan. Ik zag daar met eigen ogen hoe moeilijk het voor hulporganisaties is om humanitaire goederen Gaza in te krijgen. Grote hoeveelheid hulpgoederen worden door Israël niet toegelaten en staan vast voor de grensovergang met Gaza. Wat ik zag maakte duidelijk hoe belangrijk het is dat Nederland, zowel bilateraal als in multilateraal (EU-)verband, constant Israël oproept om veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang aan alle professionele humanitaire organisaties te verlenen. Dat geldt voor de VN en de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging, en eveneens voor de relevante internationale ngo’s. Het is cruciaal dat Israël op dit gebied stappen zet. Daarnaast is de snel verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, zeer zorgelijk.

Zoals uw Kamer bekend heeft Nederland, naar aanleiding van zorgen over de situatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, in de EU het initiatief genomen om de Israëlische naleving van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren. De kabinetsinzet blijft er op gericht om voldoende steun te vergaren voor binnen de EU voorgestelde maatregelen, naar aanleiding van deze evaluatie en de aanhoudende verslechtering van de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Daarbij onderstreept het kabinet dat maatregelen zijn bedoeld om de druk op te voeren zodat Israël van koers verandert op de bovengenoemde kwesties. Het kabinet verwelkomt de aanname van het derde pakket aan sancties tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties en zet zich in voor een vierde pakket. Het kabinet werkt, als bekend, tevens aan nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren van de Nederlandse markt.

Welke «klemmende oproep» heeft deze Minister gedaan aan zijn Israëlische collega en wat was daarop het antwoord?

130. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de humanitaire situatie in de Gazastrook. Het kabinet brengt deze zorgen consequent bij de Israëlische autoriteiten onder de aandacht en wijst hen daarbij op hun verantwoordelijkheden onder het internationaal recht.

Welke boodschap neemt de Minister mee naar zijn Europese collega’s?

131. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet spreekt met EU-lidstaten om het draagvlak voor EU-maatregelen te vergroten en staat daarvoor in contact met zowel gelijkgezinde lidstaten als lidstaten die aanname van EU-maatregelen nog niet steunen, in lijn met relevante moties en toezeggingen aan de Kamer.

Tenslotte heeft de Minister aangegeven 5 miljoen euro toe te zeggen aan het VN-fonds voor de wederopbouw van Gaza. Is het duidelijk waar dit geld naartoe gaat?

132. Antwoord van het kabinet:

De toezegging betreft een bijdrage aan het Horizon Fund van de VN, dat een brug gaat slaan tussen humanitaire hulp en vroeg herstel van basisvoorzieningen in de Palestijnse Gebieden. Hiermee zal de VN werken aan puin ruimen, basisvoorzieningen als energie, onderwijs, en gezondheid, aan werkgelegenheid, en aan de versterking van de publieke instanties.

Wordt dit geld nu al uitgegeven of pas als het vredesplan van Trump wordt uitgevoerd? Indien dat laatste, betekent dat dat Trump uiteindelijk over deze gelden gaat beschikken en deze mogelijk gaat uitgeven aan zijn «Riviera van het Midden-Oosten»?

133. Antwoord van het kabinet:

Het Horizon Fund is al operationeel en de eerste uitgaven zullen op korte termijn plaatsvinden om de in het antwoord op vraag 132 genoemde doeleinden te financieren. Het fonds wordt beheerd door de VN. De inzet van middelen is daarmee onafhankelijk van de structuren van de Board of Peace. Wel neemt het fonds VNVR-resolutie 2803 en het vredesplan als strategisch uitgangspunt. Het is zaak dat het vredesplan slaagt en het kabinet vindt het belangrijk om daaraan bij te dragen.

Daarnaast lezen de leden van de SP-fractie dat Unicef heeft gepubliceerd dat elke week er een kind gedood wordt op de Westelijke Jordaanoever, dat 93 procent van deze doden gepleegd zijn door Israëlische strijdkrachten en dat maart 2026 de maand was met de meeste Palestijnse gewonden door kolonistenaanvallen in 20 jaar. Het kabinet deelt de mening van de SP-fractie dat de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever illegaal zijn. Wat gaat de Minister doen om dit geweld in te temmen en uiteindelijk volledig te mitigeren?

134. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet deelt inderdaad in lijn met het advies van 19 juli 2024 van het Internationaal Gerechtshof (IGH) dat de Israëlische bezetting onrechtmatig is en er sprake is van annexatie van grote delen van de Westelijke Jordaanoever. Het kolonistengeweld op de Westelijke Jordaanoever is het afgelopen jaar toegenomen. Het kabinet veroordeelt kolonistengeweld. Het kabinet brengt deze boodschap consequent over en benadrukt daarbij dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor de bescherming van de bevolking en voor het vervolgen van plegers van dit geweld. De Raad Buitenlandse Zaken ging op 11 mei jl. akkoord met het derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Dit pakket is op initiatief van Nederland tot stand gekomen en het kabinet werkt aan een volgend sanctiepakket.

Welke stappen worden er nu in Europees verband gezet door het aannemen van de kolonistensancties en welke mogelijke escalatie-ladder houdt het kabinet rekening mee als het geweld aanhoudt?

135. Antwoord van het kabinet:

Zoals uw Kamer bekend heeft Nederland zich ingezet voor de aanname van het derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en organisaties. Daarnaast heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van april jl. aangekondigd te werken aan een vierde pakket sancties, in lijn met de moties Van Lanschot/Van der Werf, Hirsch en Van Baarle43. Deze inzet is gericht op het verder verhogen van de druk op betrokkenen die zorgen voor verdere verslechtering van de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Dit is onderdeel van een voortdurende aanpak van het kabinet, waarbij pakketten van individuele listings van personen en organisaties onderdeel uitmaken van een bredere diplomatieke inzet, bestaande uit meerdere instrumenten.

Tenslotte willen de leden van de SP-fractie nog kort stilstaan bij de aangenomen motie over de Blocking Statute, Kamerstuk 21 501-02-3371. Kan de Minister aangeven of, en zo ja op welke wijze, het instellen van het EU Blocking Statute recent is besproken bij de vergaderingen van de EU? Zo ja, wat was de Nederlandse inbreng hierbij en was deze in lijn met de aangenomen motie?

136. Antwoord van het kabinet:

In algemene zin is de Nederlandse inbreng inzake de motie voor het instellen van het Blocking Statute dat het aan de Europese Commissie is om een voorstel te doen ter activering van de antiboycotverordening (het Blocking Statute). Dat vergt een zorgvuldige afweging. Het kabinet pleit in lijn met motie-Dobbe c.s.44 bij de Europese Commissie, binnen de Raad en bij het Europees Parlement voor het treffen van de noodzakelijke voorbereidingen om het Blocking Statute zo snel mogelijk toe te passen voor als de Commissie daartoe een voorstel doet. Indien de VS nieuwe sancties afkondigen die het functioneren van het Hof naar verwachting ernstig zullen belemmeren, dan zal het kabinet zich conform de moties in EU-verband hard maken voor het daadwerkelijk activeren van de antiboycotverordening.

Heeft Nederland in EU-verband, inclusief bij de Europese Commissie, gepleit voor en aangedrongen op het instellen van het EU Blocking Statute? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe dan? Bent u bereid om als kabinet zich publiekelijk uit te spreken voor het activeren van het EU Blocking Statue, zoals ook Spanje en Slovenië hebben gedaan?

137. Antwoord van het kabinet:

Zie het antwoord op vraag 136 hierboven.


X Noot
3

Kamerstuk 21 112, nr. 4265.

X Noot
4

Kamerstukken 36 600 V, nr. 53 en Kamerstuk 35 207, nr. 90.

X Noot
5

Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 41.

X Noot
7

Kamerstukken II, 2025/26, 36 696, nr. 3.

X Noot
8

Kamerstuk II, 2025/26, 22 112, nr. 4239

X Noot
9

Kamerstuk 36 800 V, nr. 103

X Noot
10

Kamerstuk II, 2018/19, 34 952 nr. 32.

X Noot
11

Bijlage bij de Geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken – Handel, 22 mei 2026, TK 21 501-02, nr. 3393

X Noot
12

Kamerstuk 25 074, nr. 202, bijlage Kaderinstructie Nederlandse inzet voor de 14e Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)

X Noot
14

Kamerstuk II, 2025–26, 36 933, nr. 1.

X Noot
15

Kamerstuk II, 2025/26, 21 501-02, nr. 3271.

X Noot
17

Kamerstuk 23 432, nr. 743

X Noot
18

Kamerstukken II, 2025/26, 36 696, nr. 3.

X Noot
19

Zoals ook toegelicht in het BNC fiche: Verordening Industrial Accelerator Act, Kamerstukken II 2025/2026 22 112, nr. 4306.

X Noot
20

Kamerstukken II 2025/26, 21 501-20, nr. 2391.

X Noot
21

Kamerstukken II 2025/26, 36 800 V, nr. 103.

X Noot
22

Kamerstukken II 2025/26, 36 800 V, nr. 103.

X Noot
23

Kamerstukken 36 600 V, nr. 53 en Kamerstuk 35 207, nr. 90.

X Noot
24

Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 41.

X Noot
26

Zie ook het Verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3313) en de Geannoteerde Agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3393).

X Noot
27

In reactie op verzoek 2025Z18617/2025D43258 Aan Minister BuZa – Verzoek d.d. 3 oktober 2025 om een reactie ten aanzien van het voorstel inzake opschorting van bepaalde handelsgerelateerde bepalingen van de Euro-mediterrane Overeenkomst van de Europese Gemeenschappen en Israël. Zie tevens de kabinetsinzet ten aanzien van dit voorstel in onder meer de Kamerstukken 21 501-02, nr. 3262 en 21 501-02, nr. 3267.

X Noot
28

Kamerstuk 23 432, nr. 475.

X Noot
29

Kamerstuk 21 501-02, nr. 3236.

X Noot
31

Kamerstuk 36 180, nr. 209

X Noot
33

Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (36 800 XVII), brief dd. 15 januari 2026, met kenmerk 2026D01307.

X Noot
34

Kamerstuk 36 180, nr. 209

X Noot
35

Kamerstuk 22 054, nr. 45

X Noot
36

Kamerstuk 22 112, nr. 4103

X Noot
37

Kamerstuk 22 112, nr. 4103

X Noot
38

Kamerstuk 22 112, nr. 4103

X Noot
39

Kamerstuk 22 112, nr. 4103

X Noot
40

Kamerstuk 36 180, nr. 209

X Noot
42

https://open.overheid.nl/documenten/40458812-02f6-4080-8722-bd97ee12e5a0/file; BZ251451, Kamerbrief 7 april 2025: Exportcontrole – intrekking algemene vergunning NL002 en aanpassing algemene vergunningen NL007 NL010 door Israël uit te sluiten als land van eindbestemming.

X Noot
43

Kamerstuk 21 501-02, nr. 3378

X Noot
44

Kamerstuk 21 501-02, nr. 3371


X Noot
3

Kamerstuk 21 112, nr. 4265.

X Noot
4

Kamerstukken 36 600 V, nr. 53 en Kamerstuk 35 207, nr. 90.

X Noot
5

Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 41.

X Noot
7

Kamerstukken II, 2025/26, 36 696, nr. 3.

X Noot
8

Kamerstuk II, 2025/26, 22 112, nr. 4239

X Noot
9

Kamerstuk 36 800 V, nr. 103

X Noot
10

Kamerstuk II, 2018/19, 34 952 nr. 32.

X Noot
11

Bijlage bij de Geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken – Handel, 22 mei 2026, TK 21 501-02, nr. 3393

X Noot
12

Kamerstuk 25 074, nr. 202, bijlage Kaderinstructie Nederlandse inzet voor de 14e Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)

X Noot
14

Kamerstuk II, 2025–26, 36 933, nr. 1.

X Noot
15

Kamerstuk II, 2025/26, 21 501-02, nr. 3271.

X Noot
17

Kamerstuk 23 432, nr. 743

X Noot
18

Kamerstukken II, 2025/26, 36 696, nr. 3.

X Noot
19

Zoals ook toegelicht in het BNC fiche: Verordening Industrial Accelerator Act, Kamerstukken II 2025/2026 22 112, nr. 4306.

X Noot
20

Kamerstukken II 2025/26, 21 501-20, nr. 2391.

X Noot
21

Kamerstukken II 2025/26, 36 800 V, nr. 103.

X Noot
22

Kamerstukken II 2025/26, 36 800 V, nr. 103.

X Noot
23

Kamerstukken 36 600 V, nr. 53 en Kamerstuk 35 207, nr. 90.

X Noot
24

Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 41.

X Noot
26

Zie ook het Verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3313) en de Geannoteerde Agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3393).

X Noot
27

In reactie op verzoek 2025Z18617/2025D43258 Aan Minister BuZa – Verzoek d.d. 3 oktober 2025 om een reactie ten aanzien van het voorstel inzake opschorting van bepaalde handelsgerelateerde bepalingen van de Euro-mediterrane Overeenkomst van de Europese Gemeenschappen en Israël. Zie tevens de kabinetsinzet ten aanzien van dit voorstel in onder meer de Kamerstukken 21 501-02, nr. 3262 en 21 501-02, nr. 3267.

X Noot
28

Kamerstuk 23 432, nr. 475.

X Noot
29

Kamerstuk 21 501-02, nr. 3236.

X Noot
31

Kamerstuk 36 180, nr. 209

X Noot
33

Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (36 800 XVII), brief dd. 15 januari 2026, met kenmerk 2026D01307.

X Noot
34

Kamerstuk 36 180, nr. 209

X Noot
35

Kamerstuk 22 054, nr. 45

X Noot
36

Kamerstuk 22 112, nr. 4103

X Noot
37

Kamerstuk 22 112, nr. 4103

X Noot
38

Kamerstuk 22 112, nr. 4103

X Noot
39

Kamerstuk 22 112, nr. 4103

X Noot
40

Kamerstuk 36 180, nr. 209

X Noot
42

https://open.overheid.nl/documenten/40458812-02f6-4080-8722-bd97ee12e5a0/file; BZ251451, Kamerbrief 7 april 2025: Exportcontrole – intrekking algemene vergunning NL002 en aanpassing algemene vergunningen NL007 NL010 door Israël uit te sluiten als land van eindbestemming.

X Noot
43

Kamerstuk 21 501-02, nr. 3378

X Noot
44

Kamerstuk 21 501-02, nr. 3371

Naar boven