21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1553 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 november 2015

Conform de toezegging in het algemeen overleg van 7 oktober jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1551) over het Trans-Atlantische Handels-en Investeringsovereenkomst, TTIP, ga ik, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking nog nader in op de specifieke bezwaren die zijn geuit over het oprichten van een Netherlands Commercial Court in relatie tot marktwerking in de rechtspraak. Dit is in aanvulling op de reactie van 7 oktober jl. op het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1531). Met deze reactie werd tevens voldaan aan de toezegging in het algemeen overleg Rechtspraak van 1 april jl. (Kamerstuk 29 279, nr. 242).

Met het Netherlands Commercial Court (NCC) wordt gedoeld op het voornemen van de Nederlandse Rechtspraak om een voorziening in te richten bij de rechtbank en bij het gerechtshof Amsterdam die zich zal specialiseren in de behandeling van grote handelsgeschillen tussen bedrijven. Het gaat hierbij om privaatrechtelijke geschillen tussen bedrijven en niet om publiekrechtelijke geschillen. Het zal onder andere gaan om geschillen tussen Nederlandse bedrijven onderling en tussen Nederlandse bedrijven en – al dan niet in Nederland gevestigde – buitenlandse bedrijven, die gebruik willen maken van de goede voorzieningen in Nederland. Dergelijke geschillen worden nu veelal in het gehele land door de reguliere gerechten behandeld of worden beslecht door middel van arbitrage. Specialisatie biedt voordelen voor de betreffende bedrijven die rechters met veel ervaring krijgen en voor de gerechten, omdat dit soort geschillen vanwege hun tijdrovende karakter een grote belasting vormen voor de gerechten en de behandeling van reguliere zaken kunnen ophouden.

Van een geheel andere orde zijn de zaken die aan het Investeringshof zoals nu voorgesteld voor het TTIP kunnen worden voorgelegd. In de brief van 7 oktober jl. werd uiteengezet dat het Investeringshof tot taak heeft geschillen tussen een investeerder en een staat te beslechten op basis van internationaal recht. Bij het NCC daarentegen gaat het om privaatrechtelijke geschillen tussen bedrijven onderling die met toepassing van het Nederlands burgerlijk procesrecht worden behandeld.

Grote handelsgeschillen horen bij de Nederlandse, op internationale handel gebaseerde economie. Deze geschillen krijgen een steeds internationaler karakter, Nederlandse bedrijven worden in toenemende mate internationaal actief en hebben meer dan voorheen buitenlandse werknemers. Hierdoor worden de geschillen complexer en neemt de behoefte aan rechtspraak in het Engels toe. Om dergelijke geschillen goed en snel te kunnen beslechten is de juiste kennis en ervaring nodig. De Nederlandse rechtspraak beschikt over rechters met dergelijke kennis en ervaring. Binnen de NCC kan deze expertise verder worden uitgebouwd. Het pragmatische en efficiënte Nederlands burgerlijk procesrecht biedt daarbij mogelijkheden om de procedure optimaal in te richten voor deze geschillen.

Het is niet de bedoeling dat de kosten die de NCC maakt voor de behandeling van deze zaken ten laste komen van de middelen van de Rechtspraak. Andere zaken mogen niet lijden onder de NCC; in tegendeel: de overige civiele zaken moeten juist profiteren van de NCC, doordat de behandeling van deze en andere zaken gescheiden wordt. Van de betreffende bedrijven mag verwacht worden dat zij de kosten dragen, zeker omdat deze gering zijn in verhouding tot de advocaatkosten. Er wordt gedacht aan financiering, waarbij de rechter de mogelijkheid heeft de proceskosten te matigen, wanneer bedrijven deze kosten aantoonbaar niet kunnen dragen. Hierdoor is de NCC ook aantrekkelijk voor kleine (startende) bedrijven, bijvoorbeeld als deze contracten sluiten met internationale ondernemingen.

De NCC is, mede gezien de ontwikkeling van vergelijkbare commercial courts in andere landen, een aanwinst voor de Nederlandse handelsinfrastructuur. Met de oprichting van de NCC is een economisch belang gemoeid voor Nederland. De NCC zal kunnen bijdragen aan lagere kosten voor Nederlandse bedrijven die dan minder vaak gedwongen worden in andere, vooral dure Angelsaksische, landen te procederen, aan snellere economische processen als gevolg van kortere doorlooptijden, aan een grotere omzet van de hoogwaardige Nederlandse advocatuur. Tenslotte zal de NCC meer in het algemeen kunnen bijdragen aan de concurrentiekracht van de Nederlandse economie. Om bovenstaande redenen staan wij positief tegenover de gedachte de NCC mogelijk te maken en zal het kabinet medio 2016 met een wetsvoorstel komen dat het gebruik van de Engelse taal en de wijze van financiering regelt.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

Naar boven