Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal2001-200227588 nr. 38c

27 588
Regels tot vaststelling van een structuur voor de uitvoering van taken met betrekking tot de arbeidsvoorziening en socialeverzekeringswetten (Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen)

27 665
Invoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen)

nr. 38c
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 9 oktober 2001

1 Algemeen

Het kabinet constateert met genoegen dat de voorliggende wetsvoorstellen op steun van een groot aantal fracties (VVD, PvdA, D66, ChristenUnie en SGP) kunnen rekenen.

De leden van de fractie van het CDA plaatsen echter diverse principiële kanttekeningen bij de wetsvoorstellen en geven tevens aan dat een latere inwerkingtreding van de wetsvoorstellen voor de hand zou liggen. Samenhangend daarmee vragen de leden van de fractie van het CDA, onder verwijzing naar artikel 132 in het wetsvoorstel Invoeringswet SUWI, of inzicht gegeven kan worden in welke artikelen per 1 januari 2002 in werking zullen treden. Met betrekking tot de artikelen die niet per die datum in werking treden, vragen deze leden welke datum van inwerkingtreding thans is voorzien. In reactie op deze stellingname merken wij het volgende op.

De SUWI-wetsvoorstellen maken een einde aan jarenlange onzekerheid in het uitvoeringsveld. Bij de besluitvorming hieromtrent is het kabinet niet over een nacht ijs gegaan. Het Regeerakkoord is op dit punt ingrijpend gewijzigd. In de voorbereidende periode hebben wij over deze materie ook met de Eerste Kamer mogen debatteren.

Het kabinet streeft naar inwerkingtreding van de SUWI-wetsvoorstellen per 1 januari 2002. Dat is vooral van belang voor alle personen die werkzaam zijn in deze sector: zij hebben recht op duidelijkheid en recht op een duidelijk perspectief. Uitstel van invoering per 1 januari 2002 impliceert het opknippen van het boekjaar en van de begroting, jaarplan, etc. van de bestaande en van de nieuwe organisaties over delen van een jaar. Dat is een zeer gecompliceerde operatie. De verschillende uitvoeringsorganisaties hebben zich volop ingezet om op 1 januari a.s. gereed te zijn met de noodzakelijke voorbereidingen. Uitstel zou bij de betrokken organisaties grote gevolgen hebben voor de motivatie van de medewerkers. Als het proces wordt afgebroken, ontstaat het risico van verloop van personeel, zeker bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en het Lisv, die hun activiteiten zien opgaan in andere organisaties.

Tegelijkertijd is duidelijk dat per 1 januari a.s. de feitelijke vorming van de nieuwe organisaties nog niet voltooid is en op onderdelen zelfs pas begint. Enkele transformatieprocessen zullen vele jaren in beslag gaan nemen. Uitstel van de wettelijke ingangsdatum zal voor deze transformatieprocessen geen reële tijdwinst opleveren, maar wel leiden tot additionele risico's.

Daarenboven geldt dat de wetsvoorstellen reeds voorzien in de mogelijkheid om niet alle artikelen tegelijkertijd in werking te laten treden. Het Invoerings-KB SUWI zal worden gebaseerd op een grondige risicoanalyse op grond waarvan voorkomen zal worden dat bepaalde onderdelen van de wet te vroeg worden ingevoerd. Wellicht zou dit voor een aantal onderdelen kunnen gelden, dat is echter nog geen reden de totale – noodzakelijk te achten – structuurwijziging een jaar langer op te houden.

Tevens zullen wij op korte termijn een definitief besluit nemen over de ingangsdatum van het Wetsvoorstel verbetering poortwachter. Samenloop met de gevolgen van de SUWI-wetgeving zal daarbij een belangrijke afweging zijn.

In het wetsvoorstel is al voorzien in een inwerkingtreding op een ander tijdstip voor een beperkt aantal onderwerpen, zoals de regeling betreffende het maatregelenbeleid (de oude bepalingen – en regels van het Lisv – blijven van kracht tot op het moment dat het maatregelenbesluit tot stand komt). Dat geldt ook voor het tijdstip (in principe per 1 januari 2003) waarop het persoonsgebonden budget voor alle cliënten in werking zal treden. Belangrijk is in dit verband verder de mogelijkheid om de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (deels) op een later tijdstip in te trekken. Dit betekent, dat enerzijds de nieuwe structuur in werking treedt (de vorming van de CWI), maar anderzijds de afwikkeling van enkele zaken, die niet direct met de CWI-vorming te maken hebben, zoals de verzelfstandiging van onderdelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de plaatsing van arbeidskrachten, die niet overgaan naar de CWI, nog onder het regime van delen van de bestaande Arbeidsvoorzieningswet 1996 kan plaatsvinden.

1.1 Onderbouwing SUWI-voorstellen en stand van zaken nadere regelgeving

De leden van de fractie van het CDA vragen om een nadere onderbouwing waarom de SUWI-wetsvoorstellen zullen leiden tot een volumereductie en beter op hun taken berekende uitvoeringsorganisaties. Bovendien vragen deze leden zich af of de Eerste Kamer de wetsvoorstellen wel kan behandelen, omdat het hen niet duidelijk is hoe de regelgeving verder uitgewerkt zal worden. De aan het woord zijnde leden vragen aan te geven welke algemene maatregelen van bestuur (amvb's) en ministeriële regelingen nog te verwachten zijn en – zo mogelijk – op welke termijn.

Het kabinet betreurt het dat het er niet in geslaagd is om de leden van de CDA-fractie te overtuigen van de grote voordelen die de nieuwe uitvoeringsstructuur werk en inkomen biedt ten opzichte van de huidige meer diffuse structuur. Gezocht is naar een uitvoeringsstructuur waarin de cliënt centraal staat en waarin een heldere scheiding aangebracht is tussen publieke en private uitvoering van taken.

Zoals in de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel SUWI is toegelicht, heeft het kabinet de voorstellen voor de nieuwe uitvoeringsstructuur werk en inkomen getoetst aan criteria als effectiviteit, klantgerichtheid, doelmatigheid, publieke waarborgen en beleidsmatige aansturingsmogelijkheden. Naar de mening van het kabinet is het voorgestelde stelsel duidelijk in de toedeling van taken en verantwoordelijkheden. Er is een heldere verdeling van taken over publieke uitvoering en private markt tot stand gebracht. Het innen van de premies voor de werknemersverzekeringen, de claimbeoordeling en de uitkeringsverzorging zijn taken die op een zodanige wijze samenhangen dat zij niet goed van elkaar te scheiden zijn zonder dat dit leidt tot vele extra overdrachtsmomenten. Deze taken dienen derhalve door één publieke organisatie (het UWV) te worden uitgevoerd, omdat dit de meest eenvoudige en efficiënte wijze is om de claimbeoordeling en de premieinning te vrijwaren van commerciële beïnvloeding. Uitvoering door één organisatie leidt bovendien – op termijn – tot schaalvoordelen. Met het oog op een betere effectiviteit heeft het kabinet tevens voorgesteld om bij het toedelen van het opdrachtgeverschap voor de reïntegratie aan te sluiten op de in het socialezekerheidsstelsel ingebouwde financiële prikkels. Bovendien mag van de verplichting om de reïntegratieactiviteiten uit te besteden aan private reïntegratiebedrijven een bijdrage worden verwacht aan de prijs/kwaliteitverhouding van de reïntegratieactiviteiten.

Bovenal is het stelsel klantgericht. Het nieuwe stelsel voorziet in één loket voor ontslagwerklozen, bijstandsgerechtigden en overige werkzoekenden op één lokatie: het bedrijfsverzamelgebouw met als hart het CWI. In de taken van de CWI komt duidelijk het uitgangspunt van werk boven inkomen tot uitdrukking, zoals dat ook verankerd zal worden in de werkprocessen van het UWV en de gemeenten.

Op grond van de wetsvoorstellen SUWI en Invoeringswet SUWI worden vier amvb's opgesteld, namelijk drie inhoudelijke en een technisch aanpassingsbesluit. De drie inhoudelijke amvb's betreffen het Besluit SUWI, het Besluit taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen en het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten. De ontwerpen van deze drie besluiten zijn eind augustus jl. aan de beide Kamers der Staten-Generaal gezonden in het kader van een voorhangprocedure, waarmee volgens het kabinet een belangrijke voorwaarde voor behandeling van de onderhavige wetsvoorstellen is geschapen.

Het aanpassingsbesluit SUWI betreft technische wijzigingen van andere besluiten in verband met SUWI . Ook het Besluit uitvoering en financiering WIW moet in verband met SUWI worden gewijzigd, waarbij het vooral gaat om (de verdeelsleutel voor) de subsidieverlening door gemeenten aan niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers. Deze wijziging wordt meegenomen met de al geplande wijziging van dit besluit, die conform artikel 17, vierde lid, van de WIW na vaststelling wordt voorgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

Verder is thans een ministeriële regeling in voorbereiding waarin diverse delegatiebepalingen uit het wetsvoorstel SUWI, het wetsvoorstel Invoeringswet SUWI en het Besluit SUWI worden ingevuld. Het kabinet kiest ervoor de diverse onderwerpen zo veel als mogelijk in één «SUWI-regeling» op te nemen. Het gaat daarbij om nadere regels omtrent de volgende onderwerpen:

• de (statutaire) zetelbepaling van de drie zelfstandige bestuursorganen (zbo's), de Centrale organisatie werk en inkomen, het UWV en de SVb, en de Raad voor werk en inkomen;

• de gegevensverstrekking bij het verrichten van andere taken door de zbo's en de vergoeding voor het verrichten van die andere taken;

• de administratieve indeling (fasering) van werkzoekenden door de CWI;

• de uitkeringsintake en de overdracht van de aanvraag door de CWI;

• het uitzonderen van bepaalde besluiten van de zbo's van de goedkeuringsplicht, bedoeld in artikel 6 van het wetsvoorstel SUWI;

• de vaststelling van budgetten als bedoeld in de (nieuwe) artikelen 93b, derde lid, 97g, 130, tweede lid, en 130, tweede lid, van de WW;

• de toerekening van uitvoeringskosten aan de in artikel 45, tweede en derde lid, van het wetsvoorstel SUWI genoemde fondsen en instellingen;

• de data van aanbieding van jaarplannen en meerjarenbeleidsplannen;

• nadere regels omtrent de begroting, het jaarplan, het meerjarenbeleidsplan, het jaarverslag, de jaarrekening en de accountantsverklaring van de zbo's, de Raad voor werk en inkomen en het Inlichtingenbureau (IB);

• de gegevensverstrekking door de zbo's aan de minister, de IWI en de Raad voor werk en inkomen;

• de gegevensuitwisseling met behulp van SUWInet (vormgeving en beheer) en het IB;

• artikelen die betrekking hebben op de overgangssituatie (op grond van artikel 127 van het wetsvoorstel Invoeringswet SUWI).

Verder wordt op grond van artikel 20, eerste lid, van het wetsvoorstel SUWI een aparte regeling opgesteld voor subsidieverstrekking voor activiteiten die zijn gericht op de bevordering van inschakeling van uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden in het arbeidsproces. Deze regeling zal in de beide Kamers der Staten-Generaal worden voorgehangen.

Verder wordt een technische aanpassingsregeling SUWI gemaakt.

Tot slot zullen nog regels bij amvb en ministeriële regeling noodzakelijk zijn in verband met de verzelfstandiging van onderdelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de overgang van vermogensbestanddelen van Arbeidsvoorziening naar nieuw op te richten rechtspersonen (op grond van artikel 27 en 39 van het wetsvoorstel Invoeringswet SUWI).

Het kabinet streeft ernaar de genoemde amvb's en ministeriële regelingen op hetzelfde moment in werking te laten treden als het wetsvoorstel SUWI en het wetsvoorstel Invoeringswet SUWI.

1.2 Wetgevingstraject en voorbereiding

De leden van de fractie van D66 kunnen zich in hoofdlijnen vinden in het in de SUWI-wetsvoorstellen neergelegde gedachtengoed. Wel plaatsen deze leden duidelijke kanttekeningen bij de gevolgde gang van zaken, naar aanleiding waarvan eerder dit jaar een brief- en gedachtenwisseling (overleg van 15 mei 2001) heeft plaatsgevonden. Deze leden zijn van mening dat overwogen had kunnen worden om de nieuwe structuur van de sociale zekerheid eerst te voorzien van een solide wetgeving alvorens te starten met de implementatie.

Wij menen in het schriftelijk en mondeling hierover gewisselde een goed inzicht te hebben gegeven in de zwaarwegende argumenten, die ons tot de opvatting hebben gebracht dat – in een uitzonderlijk grote veranderingsoperatie als deze – de gevolgde werkwijze welhaast onvermijdelijk is. Het gaat om een interactief en iteratief proces, een ketenbenadering waarin alle actoren hun inbreng moeten kunnen hebben, onder erkenning van hun posities en belangen en met inbreng van hun onmisbare deskundigheid. Dat geldt in het bijzonder voor het betrokken uitvoeringsveld en de daarmee verbonden organisaties. Een intensief samenspel met hen gedurende de voorbereiding van de wetgeving is van essentieel belang om tot een wetsvoorstel te komen dat maatschappelijk draagvlak heeft en uitvoerbaar is.

De aanwijzing als «Groot Project» vat het kabinet mede op als erkenning door het parlement dat hier noodzakelijkerwijs sprake is van een operatie die een bijzondere vorm van politieke regie vergt, om te bereiken dat besluitvorming over de wetgeving en de uitvoerende activiteiten op een verantwoorde wijze parallel gestalte krijgt.

Het is onze stellige overtuiging dat een «volgtijdelijke» aanpak (eerst afronding van het wetgevingsproces, daarna beginnen met het veranderingsproces) aanzienlijke risico's voor het welslagen van de gehele operatie had opgeleverd. Het had geleid tot een afname aan «commitment» bij het veld en een aanmerkelijke verlenging van de totale procedure. Hierbij dient ook bedacht te worden dat deze herstructurering zo complex en veelomvattend is, dat het niet doenlijk is om daarvoor vooraf een duidelijke blauwdruk te ontwikkelen. Intensieve betrokkenheid van het veld en het werkende weg leren van ervaringen door middel van het behoedzaam voorbereiden van de uitvoering op en laten toegroeien naar de nieuwe situatie, lijkt ons dan ook de verkieslijke weg. De rapportages in het kader van de aanwijzing van SUWI als Groot Project waarborgen een adequate informatievoorziening aan het parlement over de gemaakte vorderingen. Van implementatie kan uiteraard pas sprake zijn na aanvaarding van de wetsvoorstellen door de Eerste Kamer. Dat betekent dat het zetten van onomkeerbare stappen tot dat moment moet worden vermeden. Alle betrokken partijen zijn zich steeds bewust van het voorbehoud van parlementaire instemming.

De leden van de fractie van D66 vragen naar het standpunt van de bij SUWI betrokken organisaties over de huidige stand van zaken. Daarnaast willen deze leden een beeld in vogelvlucht krijgen van de stand van zaken met betrekking tot de voorbereiding, met name op het gebied van de ICT. Tevens vragen deze leden of per 1 januari 2002 op alle onderdelen een vliegende start mogelijk is.

Via periodieke voortgangsrapportages wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de voorbereidingen van SUWI. De tweede voortgangsrapportage is op 16 mei 2001 aan de Tweede Kamer aangeboden. Op 18 september is een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met actuele informatie. De Eerste Kamer heeft ter informatie zowel van de voortgangsrapportage als van de brief een afschrift ontvangen.

Duidelijk is dat het hier om een operatie gaat die haar weerga niet kent. Met een grote mate van loyaliteit wordt door de bij SUWI betrokken organisaties gewerkt aan de voorbereiding van het UWV en de CWI. Verderop in dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop medewerkers hierbij betrokken worden.

In nauw overleg met de VNG is door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) ten behoeve van de ondersteuning van gemeenten bij de implementatie van SUWI het Steunpunt SUWI Gemeenten geformeerd. Het Steunpunt voert activiteiten uit in samenwerking met de VNG, StimulanSZ, Divosa en personen werkzaam bij individuele gemeenten.

De cliëntenorganisaties bereiden zich voor op hun positie in de nieuwe uitvoeringsstructuur. Een verzoek om financiële ondersteuning voor de overgangsperiode is gehonoreerd. Een bedrag van ca. 400 000,– gulden is toegezegd voor opleiding, scholing en coördinatiekosten. De cliëntenorganisaties hebben een werkgroep ingesteld ten behoeve van de voorbereiding van de landelijke cliëntenraad. Het initiatief voor de instelling van deze raad ligt bij de cliëntenorganisaties; het Ministerie van SZW zal een faciliterende rol vervullen, ook in financiële zin.

Zoals ook elders in deze memorie is vermeld, zijn er goede afspraken gemaakt over een tijdige overgang naar de CWI van kwalitatief goede medewerkers van de uvi's. Met gemeenten worden op lokaal niveau afspraken gemaakt.

Het kabinet meent op basis van al deze activiteiten te kunnen vaststellen dat er sprake is van een solide draagvlak voor de door te voeren veranderingen.

De stand van zaken met betrekking tot ICT is als volgt. Ter ondersteuning van de gegevensuitwisseling van de SUWI-partijen wordt een stelsel ontwikkeld van afspraken en voorzieningen dat SUWInet wordt genoemd. Dit betreft in eerste instantie de geautomatiseerde overdracht van intakegegevens en het wederzijds kunnen raadplegen van gegevens (Inkijk). Het ontwerp van het stelsel en de standaardisatie van gegevens worden vastgelegd in een ministeriële regeling.

De verandermanager CWI heeft meegedeeld te verwachten dat er met ingang van 1 januari 2002 131 CWI operationeel kunnen zijn. In elk van deze vestigingen vindt op een gestandaardiseerde wijze de werkintake en de uitkeringsintake plaats, de publieke bemiddeling van werkzoekenden en de bemiddelingstaken voor werkgevers. Over de overkomst van voldoende deskundige medewerkers van de uvi's naar de CWI zijn afspraken gemaakt. Ook medewerkers van gemeenten zullen overgaan naar de CWI. Met een aantal gemeenten wordt nog overlegd; maatwerk is hierbij geboden.

De werkzaamheden bij de CWI zullen vanaf 1 januari 2002 tenminste even efficiënt kunnen verlopen als thans het geval is. Alle 131 CWI zullen per 1 januari 2002 over een basispakket ICT kunnen beschikken. Dit basispakket bestaat uit:

• verificatie van gegevens in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA);

• raadplegen van gegevens bij het UWV (Inkijk);

• Werk.nl (waaronder de Vacature- en Sollicitantenbank); en

• ManagementInformatiePortal (met behulp waarvan managementinformatie over produktieaantallen en doorlooptijden kan worden gegenereerd).

Daarnaast zal per 1 januari 2002 bij een beperkt aantal CWI, naar verwachting 4 à 10, het volledige ICT-pakket zijn geïnstalleerd. Dit pakket maakt elektronische data-uitwisseling met de partners in de keten (gemeenten en UWV) mogelijk. In de loop van 2002 zal dit uitgebreide pakket ook bij de andere CWI worden geïnstalleerd. Het volledige pakket bevat naast de genoemde systemen:

• CWIntake: geautomatiseerde afhandeling van de intake werk en inkomen, inclusief een werkprocesondersteuning, geautomatiseerd inlezen van UWV-gegevens;

• Elektronische overdracht van intakeberichten voor het UWV (SUWInet);

• geüniformeerde Kantoorautomatisering (KA).

Voor de gemeenten wordt in het kader van de ontwikkeling van SUWInet gewerkt aan een zogeheten sectorloket, wat een noodzakelijke voorziening is voor de elektronische gegevensuitwisseling tussen gemeenten en de SUWI-partijen. Concreet betekent dit een aanpassing en uitbouw van de – momenteel in aanbouw zijnde – IB-applicatie voor het genereren van samenloopsignalen in het kader van de fraudebestrijding Abw. Om de bouw van de fraudeapplicatie niet onnodig te compliceren, is ervoor gekozen om eerst na oplevering hiervan de realisatie van het sectorloket te starten. Het aansluiten van gemeenten op het IB start naar verwachting in december 2001. Het is de bedoeling dat in de loop van 2002 alle gemeenten worden aangesloten. Naar verwachting zal de sectorloket-functionaliteit in 2002 beschikbaar zijn. Zodra deze gerealiseerd is, en gemeenten zijn op het IB aangesloten, kunnen intake-berichten via het IB naar gemeenten worden verzonden en kan de CWI via «Inkijk» op het IB gebruik maken van de aldaar bekende gegevens over cliënten van de gemeenten.

Bij het UWV wordt, zoals uiteengezet in het bedrijfsplan, een divisiestructuur met nieuwe bedrijfsprocessen AG, ZW, WW en inkoop reïntegratie tot stand gebracht. Door de integratie van afzonderlijke werkprocessen bij de uvi's en de integratie van betrokken staven, worden schaalvoordelen gerealiseerd. De fusie tussen het Lisv en de 5 uvi's wordt per 1 januari 2002 primair in bestuurlijke en juridische zin gerealiseerd. De feitelijke uitvoering wordt voorlopig nog uvi-gewijs in stand gehouden– maar wel geïntegreerd bestuurd – ten einde het going concern zo weinig mogelijk te belasten. Er is een overdrachtsprotocol gesloten door het Lisv en de Raad van bestuur van UWV i.o. ten behoeve van een geleidelijke overdracht van taken, middelen en lopende zaken van het Lisv naar de Raad van bestuur van het UWV i.o.. Het protocol ligt thans ter beoordeling bij het Ctsv; daarna kan besluitvorming plaatsvinden.

De invoering van de Euro is per 1 januari 2002 in de relevante systemen gerealiseerd.

1.3 Taakstelling regeerakkoord

De leden van de fractie van VVD merken op dat de geplande bezuiniging van 476 miljoen gulden in de periode 1998–2002 niet wordt gehaald. Zij vragen zich af waarop de bewindslieden hun berekening baseren, dat de SUWI-situatie wel zal leiden tot inverdieneffecten en efficiëntere werkwijzen, gezien de recente ervaringen.

De huidige taakstelling geldt voor de vijf uvi's en de SVb. Een van de redenen dat de taakstelling niet is gerealiseerd, is de onzekere periode die de aflopen jaren voor de uvi's heeft bestaan. Voor de SVb hebben de diverse veranderingen veel minder invloed gehad en daar is wel een kostenreductie mogelijk gebleken.

Nu ook voor de uvi's de kaders helder zijn met de vorming van het UWV, kan, ook naar de mening van het UWV i.o., op middellange termijn een belangrijke efficiencyverbetering worden gerealiseerd. Het zal dan met name gaan om het ineenschuiven van stafdiensten (overhead), huisvesting en stroomlijnen van ICT en werkprocessen. Op basis van het bedrijfsplan van het UWV zal dit nader worden geconcretiseerd. Zoals tijdens het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 26 september jl. is toegezegd, zullen de beide Kamers in november nader over dit onderwerp worden geïnformeerd. Verder verwacht het kabinet een besparing als gevolg van de voorgenomen vereenvoudiging van het loonbegrip.

De leden van de VVD-fractie vragen of er een sociaal plan voor het UWV i.o. is en hoe hoog de geraamde kosten hiervan zijn.

Er is inderdaad een sociaal plan voor het UWV i.o.. Met betrekking tot de kosten hiervan kan op dit moment nog geen concreet antwoord worden gegeven. Deze kosten maken deel uit van de budgetaanvraag, die het UWV i.o. als onderdeel van het definitieve bedrijfsplan medio oktober zal indienen voor het jaar 2002 en voor de migratie- en transformatiekosten voor de komende jaren. De Tweede Kamer zal hierover in het kader van de 3e voortgangsrapportage SUWI worden geïnformeerd; een afschrift daarvan wordt aan de Eerste Kamer toegezonden.

1.4 Verantwoordelijkheid minister voor reïntegratie

De leden van de fractie van de PvdA zijn van mening dat, ook als de overheid taken overlaat aan de markt, de overheid te allen tijde aangesproken kan worden op de kwaliteit van de aldaar geboden, met publieke middelen gefinancierde, dienstverlening.

Het kabinet is het eens met dit uitgangspunt.

Deze leden vragen voorts welke zekerheden zijn ingebouwd indien de privatisering van de reïntegratieactiviteiten niet tot de beoogde verbeteringen leidt. Is het denkbaar, zo vragen deze leden, dat dan ook de reïntegratie wordt teruggebracht in het publieke domein?

De privatisering van de reïntegratieactiviteiten is een van de pijlers onder de SUWI-wetsvoorstellen. Zoals uitvoerig is toegelicht in de Memorie van toelichting en de Nota naar aanleiding van het verslag, verwacht het kabinet dat het in vrije concurrentie kunnen uitvoeren van de reïntegratieactiviteiten niet alleen tot meer efficiency zal leiden, maar ook tot een betere kwaliteit. Een vrije markt kan ook toetredingsmogelijkheden bieden voor op onderdelen gespecialiseerde bedrijven. Het aanbod zal daardoor beter afgestemd zijn op de vraag.

Teneinde de totstandkoming van een gezonde reïntegratiemarkt te bevorderen, heeft het kabinet een aantal maatregelen getroffen of in voorbereiding genomen. In de eerste plaats is marktwerking gediend met transparantie. Voor de opdrachtgever moet inzichtelijk zijn welke prestaties tegen welke kosten geleverd worden. Opdrachtgevers, zoals UWV en gemeenten, moeten in hun processen waarborgen dat de transparantie wordt bevorderd. De Raad voor werk en inkomen heeft de wettelijke taak voorstellen te doen die erop zijn gericht de transparantie op de reïntegratiemarkt te bevorderen.

Daarnaast wordt met behulp van overheidssubsidie door Borea (de branche-organisatie van reïntegratiebedrijven) een keurmerk voor reïntegratiebedrijven ontwikkeld. Hiervan wordt een positieve invloed op de kwaliteit van de dienstverlening van reïntegratiebedrijven verwacht.

Ten derde worden met het UWV en de gemeenten afspraken gemaakt over het ontwikkelen en hanteren van eenduidige gunningscriteria, die ook kleine, gespecialiseerde en nieuwe reïntegratiebedrijven een kans geven. Er zal op worden toegezien dat opdrachtgevers specifieke eisen aan de reïntegratiebedrijven stellen. Primair in de vorm van de door de reïntegratiebedrijven te behalen resultaten. De gekozen financieringssystematiek zal dit ondersteunen, omdat een deel van de afgesproken vergoeding alleen tot uitbetaling komt als er een duurzame plaatsing heeft plaatsgevonden.

Ten slotte zullen reïntegratiebedrijven (bij contract) verplicht worden om zich te houden aan privacyvereisten. Tevens zullen zij een klachtenprocedure moeten instellen. Zie ook hoofdstuk 10 (Reïntegratie) van deze memorie.

Het kabinet tekent hierbij aan dat er sprake zal zijn van een groeiproces. Zowel de vragers (de opdrachtgevers) als de aanbieders (de private reïntegratiebedrijven) zullen aan hun nieuwe rol moeten wennen. Veel aandacht zal door het kabinet worden besteed aan het bevorderen van marktconform gedrag bij opdrachtgevers. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan voorlichtingsactiviteiten en het starten van een pilot naar de mogelijkheden van een ervaringenbank op het gebied van de reïntegratie. Voor de gemeenten wordt een subsidieregeling voorbereid die activering en uitstroom door gemeenten wil stimuleren. De regeling komt erop neer dat van rijkszijde een financiële impuls beschikbaar wordt gesteld voor de inrichting van het casemanagement. Voorwaarde is dat de betrokken gemeente een resultaatsverplichting afspreekt. Afgerekend zal worden op basis van gerealiseerde trajecten en gerealiseerde uitstroom. Daarnaast is er speciaal ten behoeve van gemeenten een Steunpunt SUWI ingericht.

Uiteraard worden de ontwikkelingen op de private reïntegratiemarkt nadrukkelijk gevolgd. Een uitgebreid monitoring- en evaluatieprogramma is in voorbereiding. De eerste evaluatie zal na één jaar plaatsvinden.

De leden van de PvdA-fractie gaan ervan uit dat de externe verzelfstandiging van het reïntegratiebedrijf van de publieke Arbeidsvoorziening in de NV KLIQ vooralsnog is aangehouden in de Tweede Kamer wegens meningsverschil over de condities waaronder. Deze leden vragen welke oplossingsrichtingen thans denkbaar zijn. Tevens stellen zij de vraag of de voorgenomen privatisering van KLIQ niet prohibitief is voor een eventuele terugkeer van de reïntegratie naar het publieke domein. De leden van de CDA-fractie vragen of het rapport van KPMG over de kansen van KLIQ kan worden overgelegd. Deze leden vragen eveneens wat dit rapport betekent voor het gekozen instrumentarium.

Er is naar het oordeel van het kabinet geen sprake van een meningsverschil met de Tweede Kamer over de condities waaronder KLIQ extern wordt verzelfstandigd. In de brief van 13 maart jl. is de Tweede Kamer geïnformeerd over het voorgenomen overgangsregime en de financiële startpositie van KLIQ. Als onderdeel van dit overgangsregime was een tijdelijke, afnemende verplichte inkoop bij KLIQ voor gemeenten en uvi's voorzien. Bij de plenaire behandeling van de SUWI-wetgeving, waarin de verplichte inkoop was opgenomen, is gebleken dat de meerderheid van de Tweede Kamer niet kan instemmen met een deel van het overgangsregime KLIQ, te weten de verplichte inkoop. De Minister van SZW heeft daarop de Tweede Kamer medegedeeld naar alternatieven te zoeken. In dat kader onderzoeken de bestuurders van KLIQ thans mogelijkheden voor samenwerkingsverbanden en acquisities.

In een recent Algemeen Overleg (26 september jl.) is met de vaste commissie voor SZW van de Tweede Kamer afgesproken dat de Kamer zou worden geïnformeerd over de criteria die zullen worden gehanteerd bij de beoordeling van de voorgenomen allianties/samenwerkingsverbanden. De Tweede Kamer is inmiddels bij brief van 5 oktober jl. hierover geïnformeerd.

Met de privatisering van KLIQ wordt de uitvoering van de reïntegratie buiten het publieke domein geplaatst en overgedragen aan private marktpartijen. De overheid behoudt evenwel haar invloed op de publieke reïntegratiemiddelen via het stellen van randvoorwaarden aan de besteding door de opdrachtgevers (gemeenten en UWV) en subsidieverstrekkers. Hierdoor behoudt de overheid (op hoofdlijnen) invloed op de besteding van deze middelen ten behoeve van de vastgestelde maatschappelijke doelstellingen.

De Tweede Kamer heeft in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel verzelfstandiging reïntegratiediensten Arbeidsvoorziening (KLIQ-wet) aan KPMG opdracht gegeven om een aantal vragen inzake de financiële-comptabele aspecten te beantwoorden.

Het rapport van KPMG is inmiddels gereed en door de Tweede Kamer op 20 september jl. openbaar gemaakt. Het kabinet verwacht geen aanpassing van het (inmiddels gewijzigde) instrumentarium naar aanleiding van het KPMG-rapport.

1.5 Voorlichting over de nieuwe uitvoeringsorganisatie

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP vragen hoe de bewindslieden de nieuwe structuren doorzichtig gaan maken voor de huidige en toekomstige cliënten.

Bij het doorzichtig maken van de nieuwe structuren voor huidige en toekomstige cliënten speelt goede voorlichting een belangrijke rol. Het Ministerie van SZW en de nieuwe SUWI-instituties i.o. werken aan onderling gecoördineerde en op elkaar afgestemde voorlichtingsactiviteiten, die dit najaar van start gaan. Het ministerie zal voorlichtingsmateriaal ontwikkelen waarin het algemene kader wordt geschetst, dat wil zeggen de nieuwe structuur in hoofdlijnen (welke instantie heeft welke taken?) en per doelgroep (werkgevers onder te verdelen in grote bedrijven en kleine bedrijven, werknemers onder te verdelen in werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden, reïntegratiebedrijven en arbodiensten, niet-uitkeringsgerechtigden op zoek naar werk enz.) op hoofdlijnen wat er verandert (de rechten en plichten) en bij welke instantie men moet zijn. Het ministerie krijgt daarmee een vangnet- en verwijsfunctie: alle cliëntgroepen kunnen voor globale informatie bij het departement terecht en worden vervolgens voor meer gedetailleerde informatie over de dienstverlening verwezen naar de juiste instantie: CWI, UWV of gemeente. Voor dit doel worden de infrastructuren van het ministerie en de SUWI-organisaties (bijvoorbeeld Internet en telefonische helpdesks) op elkaar afgestemd. De nieuwe SUWI-instituties zullen vervolgens tijdens de introductie van hun organisatie huidige en toekomstige cliënten informeren over de nieuwe situatie en over de dienstverlening. In aanvulling daarop wordt vooral vanuit de regio bekendheid gegeven aan de nieuwe structuur en instituties bij het publiek.

1.6 Motivatie medewerkers uitvoeringsorganisaties

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP vragen hoe de bewindslieden de medewerkers van de uitvoeringsorganen denken te motiveren om van de nieuwe structuur een succes te maken.

Met hoge prioriteit is gewerkt aan de totstandkoming van een HumanResourceManagement-beleid (HRM-beleid) op basis waarvan de medewerkers nieuwe perspectieven worden geboden. Zo zijn er aanzienlijke bedragen ter beschikking gesteld voor opleidingen en trainingen, waarbij de oriëntatie op werk boven inkomen en het nieuwe dienstverleningsconcept voorop staat. Er is intensief overleg met de inmiddels bestaande (voorlopige) Centrale Ondernemingsraad voor het UWV en het Platform Ondernemingsraden voor de CWI.

Uitgaande van een positieve behandeling van de wetsvoorstellen SUWI in de Eerste Kamer zal elke medewerker begin november horen welke functie hij of zij de komende tijd zal vervullen.

Het Verandermanagement UWV heeft ervoor gekozen om bij de ontwikkeling van de organisatiestructuur en het bedrijfsvoerings- en het besturingsconcept medewerkers van alle huidige organisaties (de vijf uvi's en het Lisv) te betrekken. Datzelfde geldt voor het onderzoek naar best practice werkprocessen, die op termijn de huidige verschillende werkprocessen van de uvi's moeten vervangen. Uitgangspunt is voorts dat alle medewerkers overgaan naar het UWV.

Omdat er de komende jaren doorlopend sprake zal zijn van veranderingen – het fusieproces verloopt om de continuïteit van de uitvoering niet in gevaar te brengen via een proces van beheerste stappen – zal het HRM-beleid erop gericht zijn te bevorderen dat medewerkers voldoende competenties kunnen hebben om breed inzetbaar te zijn. Voorts is een sociaal plan afgesloten.

Voor de CWI geldt dat over de overgang van personeel naar de CWI door de drie betrokken partijen Arbeidsbureau Nederland, UWV en VNG inmiddels afspraken zijn gemaakt c.q. sociale plannen zijn overeengekomen met de vakbonden. De uitvoerende medewerkers zullen meer instrumenten ter beschikking hebben om de cliënt – indien nodig – te ondersteunen bij het vinden van een plaats op de arbeidsmarkt. Daarenboven wordt de functie van adviseur werk en inkomen breder ingevuld dan in het verleden voor de medewerkers van GSD, Arbeidsbureau Nederland of uvi het geval kon zijn. Van een adviseur werk en inkomen wordt verwacht dat deze op een veelheid van terreinen deskundig (multispecialist) is en derhalve een volwaardig adviseur kan zijn.

Naar verwachting zullen op 1 januari 2003 de adviseurs werk en inkomen op alle onderdelen van de bredere taak toegerust zijn.

1.7 Overig

De leden van de fractie van de PvdA merken op dat WAZ-gerechtigden en -verzekerden in het gehele SUWI-dossier geen rol spelen. Zij vragen of dit een omissie is of dat zelfstandigen geen onderwerp van SUWI-beleid zijn.

WAZ-gerechtigden en -verzekerden spelen wel degelijk een rol in het SUWI-beleid. Nog afgezien van het feit, dat de WAZ uitgevoerd wordt door het UWV en WAZ-gerechtigden zich bij de CWI kunnen registreren als werkzoekenden, is ook het reïntegratiebeleid zonder meer van toepassing. De WAZ-gerechtigden worden op grond van de Wet REA als arbeidsgehandicapte uitkeringsgerechtigden aangemerkt. De UWV-verantwoordelijkheid voor de reïntegratie en het in aanmerking brengen voor de instrumenten en voorzieningen op grond van die wet, zijn onverkort van toepassing voor zelfstandigen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen. De Wet REA bevat ook specifieke instrumenten voor arbeidsgehandicapte zelfstandigen, zoals toeslagen, inkomenssuppletie en een starterskrediet. Ook voor de cliënten, die onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen, bestaan specifieke voorzieningen voor het gaan werken als zelfstandige. Daarnaast maakt een wet als de WIW in het kader van het uitstroombeleid geen onderscheid naar het gaan werken op een arbeidsovereenkomst of als zelfstandige. Zie verder ook hoofdstuk 10 (Reïntegratie) van deze memorie.

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP vragen zich af waarom de taken van CWI en UWV niet door één organisatie kunnen worden uitgevoerd.

Het CWI-kantoor is dé plek waar de werkzoekende terecht kan voor een baan, voor gratis advies en voor publieke bemiddeling. Voorzover van toepassing, kan iemand bij de CWI ook een aanvraag indienen voor een WW- of een bijstandsuitkering. De CWI verrichten de uitkeringsintake dus niet alleen voor UWV-cliënten, maar ook voor cliënten van de gemeenten.

Bovendien is, juist vanwege het belang van werk boven inkomen, de uitkeringsintake toebedeeld aan de CWI en niet aan de organisaties die uiteindelijk het recht op een uitkering vaststellen (het UWV of de gemeente).

2 Gemeenschappelijkheid SUWI-organen

2.1 Incentivestructuur

De leden van de VVD-fractie hebben begrepen dat er prestatiecontracten worden gesloten tussen de Minister van SZW en het UWV en de CWI en vragen aan te geven welke onderwerpen hierin worden geregeld en of er, en zo ja welke, sancties kunnen worden opgelegd. Tevens vragen deze leden of de minister ook van mening is dat het opleggen van geldboetes weinig zinvol is, omdat dit leidt tot korting van het budget, waardoor de taakuitoefening gevaar loopt, of tot verhoging van de premies.

De afspraken die met de CWI, het UWV en de SVb gemaakt worden, hebben de vorm van prestatie-indicatoren. Deze afspraken zullen in het jaarplan worden vastgelegd en hebben betrekking op: klantvriendelijkheid, tijdigheid, handhaving, rechtmatigheid en doelmatigheid. Er wordt naar gestreefd al voor het jaar 2002 de eerste afspraken over prestatie-indicatoren te maken. Wij delen de mening van de VVD-fractie dat het opleggen van boetes aan een publieke organisatie zonder eigen middelen niet erg zinvol is.

De leden van de VVD-fractie voorts vragen op welke wijze de minister de afspraken met de gemeenten wil vastleggen en op welke wijze hij sancties wil vormgeven.

In het kader van de Agenda voor de Toekomst worden met de gemeenten (onder andere) afspraken gemaakt op het terrein van reïntegratie. Daarbij wordt het realiseren van prestaties op het terrein van reïntegratie door gemeenten gekoppeld aan het beschikbaar stellen van extra financiële middelen. Alleen gemeenten die de vooraf afgesproken prestaties realiseren, komen bij de afrekening in aanmerking voor deze extra middelen. Thans wordt dit in overleg met de gemeenten nader uitgewerkt.

Daarnaast is de financiële prikkel in het Fonds Werk en Inkomen relevant. De budgettering van 25% van de uitkeringslasten betekent dat gemeenten (zowel in positieve als in negatieve zin) geconfronteerd worden met de financiële consequenties van hun prestaties op het terrein van reïntegratie.

2.2 Het UWV als zelfstandig bestuursorgaan

De leden van de fractie van het CDA kunnen de keuze voor een zbo voor het UWV niet rijmen met de keuze voor het UWV als publieke organisatie en het maken van een einde aan de rol van de sociale partners in de sociale zekerheid.

Tussen de keuze voor een zbo en het UWV als publieke organisatie zit naar het oordeel van het kabinet geen tegenstelling. Onder zelfstandig bestuursorgaan wordt in artikel 1 van het wetsvoorstel Kaderwet zelfstandige bestuursorganen verstaan: «een bestuursorgaan van de centrale overheid dat bij de wet, krachtens de wet bij amvb of krachtens de wet bij ministeriële regeling met openbaar gezag is bekleed (...)». Het UWV is een zbo met de publiekrechtelijke rechtsvorm. Daar is voor gekozen op grond van de volgende overwegingen. De uitvoering van de wettelijk geregelde werknemersverzekeringen maakt naar de opvatting van het kabinet deel uit van het publieke domein. Hoewel het op zich mogelijk is om een privaatrechtelijke organisatie een dergelijke publieke taak te laten uitvoeren, sluit een publiekrechtelijk vormgegeven uitvoeringsorgaan (zoals het UWV) beter aan op het publieke karakter van de uit te voeren regelingen. De ministeriële verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de uitvoering van de publieke sociale zekerheid kan zo beter tot zijn recht komen. Het zou evenwel te ver voeren om de verantwoordelijkheid van de minister uit te strekken tot de afzonderlijke gevalsbeslissingen. De minister dient de verantwoordelijkheid te (kunnen) dragen voor het adequaat functioneren van de uitvoering op systeemniveau, niet op het niveau van het individuele geval. Verzelfstandiging van de uitvoerende taak, via een zbo-constructie, ligt dus het meest voor de hand en daarvoor heeft het kabinet dan ook gekozen.

Een specifiek aspect betreft de rol van sociale partners. Zoals gesteld in de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 588, nr. 8, p. 13) krijgt betrokkenheid van maatschappelijke geledingen in de nieuwe constellatie vorm via de Raad voor werk en inkomen en niet via bestuurlijke participatie in de zbo's. Hiervoor is gekozen omdat participatie in de Raad voor werk en inkomen, dat het brede beleidsveld van werk en inkomen omvat, een vanuit een brede inhoudelijke invalshoek gerichte inbreng van sociale partners mogelijk maakt. Met name via het jaarlijks door de Raad voor werk en inkomen aan de minister voor te leggen beleidskader kan de betrokkenheid van sociale partners een aanzienlijke impact hebben. Dit heeft duidelijk meerwaarde boven bestuurlijke participatie in afzonderlijke segmenten van de uitvoering. Daar komt bij dat bestuurlijke participatie soms de schijn van belangenconflicten kan oproepen, ook al is dat beeld niet altijd terecht. Het kabinet is van oordeel dat de nu voorgestelde structuur uit oogpunt van adequaat vormgegeven openbaar bestuur, maar ook als effectieve positionering en belangenbehartiging van sociale partners, een goede keuze is.

Voorts stellen de leden van de CDA-fractie aan de orde dat naar het oordeel van het kabinet het zbo-karakter gerelateerd kan worden aan onafhankelijke oordeelsvorming – in het individuele geval – op grond van specifieke deskundigheid. Deze leden vragen zich af of, gelet op de gang van zaken rond het toezicht – in de toekomst een inspectie –, deze onafhankelijkheid toch ook bij het UWV niet in beperkte mate had kunnen worden gehandhaafd. De leden van de CDA-fractie achten in de beleidslijn van het kabinet het afwijzen van een directe en buitengewoon complexe uitvoeringsverantwoordelijkheid een zwak argument, want – zo stellen deze leden vragenderwijs – de uitvoering hoeft toch, wanneer de reorganisatie is voltooid, niet meer als uiterst complex te worden beschouwd? De leden van de CDA-fractie vragen ook hoe de uitspraak moet worden verstaan dat eventueel noodzakelijke aanpassingen in de verdere toekomst niet volledig zijn uitgesloten.

Het eerste punt dat de leden van de CDA-fractie hier hebben aangeduid, begrijpt het kabinet zo dat in feite de vraag aan de orde wordt gesteld of onafhankelijke oordeelsvorming – door het UWV – niet ook binnen een andere constructie (dienst of agentschap) zou kunnen plaatsvinden. Ten aanzien van de Inspectie Werk en Inkomen (IWI), een departementale dienst, zijn waarborgen met betrekking tot de onafhankelijkheid van het functioneren ingebouwd, maar deze hangen samen met het specifieke karakter van de inspectie als toezichthouder en vormen niet een algemeen toepasselijk voorbeeld voor de positionering van agentschappen. Onafhankelijkheid in de gevalsbehandeling is voor een uitvoerende entiteit als het UWV inderdaad zeer gewenst, maar daar past dan de vorm bij van een zbo en niet van een agentschap. De interne verzelfstandiging, waarvan bij een agentschap sprake is, betekent dat de minister volledig verantwoordelijk blijft, ook voor de individuele gevalsbehandeling.

Daar komt nog eens bij – zoals ook in de Nota naar aanleiding van het verslag is betoogd – dat zo'n directe en buitengewoon complexe uitvoeringsverantwoordelijkheid voor de minister niet gewenst is. Met de leden van de CDA-fractie is het kabinet van mening dat de complexiteit van de uitvoeringsorganisatie als gevolg van de voorgestelde reorganisatie gereduceerd wordt, maar het gaat nog steeds om relatief grote uitvoeringsorganen met uitvoeringstaken die tot verschillende (materie)wetten zijn terug te voeren, waardoor het uitvoeringsproces als geheel complex blijft. Dit is inherent aan het beleidsterrein werk en inkomen, waar in de uitvoering wordt gewerkt met een grote variatie aan (doel)groepen in verschillende omstandigheden en met een uiteenlopende problematiek en bijbehorend wettelijk kader (werknemersverzekeringen, volksverzekeringen, bijstand, activerende instrumenten etc.).

De uitspraak dat eventueel noodzakelijk blijkende aanpassingen in de verdere toekomst niet volledig zijn uitgesloten, moet niet worden opgevat als een voorschot op opnieuw openbreken van de nu voorgestelde structuur. Naar de huidige inzichten en in de huidige omstandigheden acht het kabinet handhaving van de zbo-status voor de uitvoering van werk en inkomen de juiste keuze. Uiteraard moet er in de politiek-bestuurlijke werkelijkheid altijd rekening mee worden gehouden dat gewijzigde omstandigheden tot nieuwe inzichten kunnen leiden die de structuur aangaan. Op dit moment ziet het kabinet echter geen aanknopingspunt voor een eventuele herziening van de in het wetsvoorstel neergelegde structuur, die als bestendig kan worden aangemerkt.

De leden van de CDA-fractie constateren dat aanvankelijk wel en later niet meer is uitgegaan van inwerkingtreding van de Kaderwet zbo's vóór of gelijktijdig met de wetsvoorstellen SUWI. Deze leden menen dat verwarring had kunnen zijn voorkomen wanneer bij de beantwoording van het Verslag van de Tweede Kamer over de Kaderwet zbo's dezelfde spoed zou zijn betracht als bij de onderhavige wetsvoorstellen.

Nadat duidelijk was geworden dat de behandeling van de ontwerp-Kaderwet zbo's in de Tweede Kamer meer tijd zou vergen dan aanvankelijk was voorzien, zijn de daaruit voor het wetsvoorstel SUWI voortvloeiende wijzigingen tijdig en op heldere wijze bij de (eerste) Nota van wijziging aangebracht. Met die wijzigingen is voor de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Kaderwet zbo's zeker gesteld, dat aan de verschillende zbo's in het wetsvoorstel SUWI vorm is gegeven in overeenstemming met hetgeen naar de opvatting van het kabinet, langs de lijn van het wetsvoorstel Kaderwet zbo's, voor alle zbo's zal moeten gelden. Over tijdstip en inhoud hiervan heeft goed overleg met de departementen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie plaatsgevonden.

3 Raad voor werk en inkomen

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de adviestaak van de Raad voor werk en inkomen exact wordt getypeerd. De leden van de fractie van de PvdA refereren aan een opmerking van de minister tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer dat de Raad voor werk en inkomen materieel een adviesraad is, maar dat hij overlegorgaan genoemd wordt vanwege de Kaderwet adviescolleges. Deze leden menen dat de opmerking van de heer Van Middelkoop juist is dat dit te bestempelen is als «ontduiking van de wetgeving».

Conform het rapport «Raad op Maat» is het vast kabinetsbeleid dat adviesorganen die over beleid adviseren uit onafhankelijke deskundigen dienen te worden samengesteld. Dit ter onderscheiding van overleg, dat met belanghebbenden wordt gevoerd. Dit uitgangspunt is in zoverre verankerd in de Kaderwet adviescolleges, dat in deze wet als principe is opgenomen dat adviesorganen louter op basis van deskundigheid worden samengesteld.

Omdat de Raad voor werk en inkomen is samengesteld op basis van belangenvertegenwoordiging, zou vormgeving van de Raad als formeel adviesorgaan van de regering een inbreuk impliceren op de in de Kaderwet adviescolleges vervatte lijn. De positionering van de Raad voor werk en inkomen als overlegorgaan is dus geenszins in strijd met de Kaderwet adviescolleges, maar veelmeer een logische consequentie van de uitgangspunten van die wet, gegeven de beoogde samenstelling van de Raad.

In antwoord op de vraag van de CDA-fractie naar de adviestaak kan, als consequentie van voorstaande lijn, worden gesteld dat de Raad voor werk en inkomen geen adviezen geeft. Wel doet de Raad voorstellen aan de Minister van SZW en treedt hij over deze voorstellen met de minister in overleg.

De leden van de fractie van de PvdA vragen wat overleg met de minister inhoudt waar het gaat om de omvang en verdeling van gelden ten behoeve van inschakeling van werkzoekenden in het arbeidsproces en de besteding van ESF-gelden. Deze leden kunnen zich niet geheel voorstellen dat de Raad voor werk en inkomen – op afstand van de regionale werkelijkheid – op adequate wijze kan overleggen over de verdeling van reïntegratiemiddelen. Ook de leden van de fracties van het CDA, de ChristenUnie en de SGP stellen vragen over de status van het beleidskader. De leden van de PvdA-fractie stellen vervolgens de vraag wie de middelen uiteindelijk ter beschikking stelt en aan wie.

In het beleidskader van de Raad voor werk en inkomen wordt een voorstel gedaan – geen advies zoals de leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP terecht opmerken – met betrekking tot de aanwending van de publieke reïntegratiemiddelen. Dat wil zeggen dat de Raad met concrete voorstellen komt over de omvang en verdeling van de reïntegratiemiddelen op centraal, regionaal en sectoraal niveau. Het gaat hierbij om de huidige REA-gelden, ESF-gelden, middelen voor de sluitende aanpak, het scholings- en activeringsbudget WIW en middelen voor de subsidieregeling van de Raad voor werk en inkomen. Daar aan deze budgetten over het algemeen geen langdurende verplichtingen zijn verbonden, kan de Raad voor werk en inkomen met het beleidskader inspelen op eventueel veranderende omstandigheden en reïntegratiebehoeften. De Raad kan zich bijvoorbeeld uitspreken over de gehanteerde verdeelmodellen en verdeelsleutels. Zo kunnen, wanneer de situatie dat vraagt, voorstellen worden gedaan om een budget in een bepaald jaar lager vast te stellen en het vrijvallende deel te bestemmen voor een hoger budget voor de reïntegratie van een andere doelgroep. Over een dergelijk voorstel vindt overleg plaats tussen de Raad voor werk en inkomen en de Minister van SZW. Dat gebeurt op basis van de inhoud; er vinden geen onderhandelingen plaats, zoals de minister ook tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer heeft aangegeven. Het kabinet ziet – in antwoord op de opmerking van de PvdA-fractie – wel degelijk mogelijkheden voor waardevolle voorstellen, gevolgd door adequate overleggen, door de Raad voor werk en inkomen. De partijen in de Raad hebben immers zelf voeling met, en dus voeding uit, zowel regio's als sectoren. Specifieke initiatieven kunnen ook uit regio's en sectoren komen, waarbij een beroep op de subsidieregeling kan worden gedaan.

Wat betreft de status van het beleidskader kan het volgende opgemerkt worden. Het spreekt voor zich dat de minister breed gedragen voorstellen van de Raad voor werk en inkomen zwaar zal laten wegen. Ten aanzien van het beleidskader is in het wetsvoorstel SUWI bovendien vastgelegd dat de minister slechts met redenen omkleed hiervan kan afwijken. Daarmee wordt volgens het kabinet recht gedaan aan het feit dat het beleidskader een belangrijke richtinggevende functie heeft in de voorbereiding van het arbeidsmarkt- en reïntegratiebeleid. Dit laat echter onverlet dat de positie en verantwoordelijkheid – ook richting het parlement – van de Minister van SZW vergen dat de minister de mogelijkheid behoudt zijn eigen afweging te maken. Het is dan ook de minister die uiteindelijk de voorgenoemde budgetten vaststelt en toekent aan de betrokken partijen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de stand van zaken met betrekking tot de aan de Tweede Kamer toegezegde notitie over de taakafbakening tussen de Raad voor werk en inkomen en het Ministerie van SZW, de SER en andere relevante organisaties op het gebied van werk en inkomen. De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP stellen de vraag waarom een Raad voor werk en inkomen in de wet verankerd moet worden en wat de meerwaarde is ten opzichte van de SER en de Stichting van de Arbeid.

De notitie waarnaar de leden van de PvdA-fractie verwijzen, is toegezegd voor het najaar en zal naar verwachting bij de derde voortgangsrapportage SUWI (november 2001) aan de Tweede Kamer worden aangeboden. De Eerste Kamer ontvangt hiervan – zoals gebruikelijk – een afschrift. De positie die de Raad voor werk en inkomen inneemt is van bijzonder gewicht en daarom wordt een wettelijke regeling aangewezen geacht.

Over de meerwaarde van de Raad voor werk en inkomen ten opzichte van de SER en de Stichting van de Arbeid kan, vooruitlopend op voorgenoemde notitie, het volgende opgemerkt worden. Ten eerste verschilt de Raad voor werk en inkomen qua samenstelling van de SER en de Stichting van de Arbeid. In de Raad voor werk en inkomen zijn immers, naast de sociale partners, ook de gemeenten vertegenwoordigd. Aan de deelname van gemeenten hecht het kabinet grote waarde vanwege hun rol bij het lokaal en regionaal arbeidsmarktbeleid.

Ten tweede onderscheidt de Raad voor werk en inkomen zich ook anderszins inhoudelijk van de SER. Uitgangspunt is dat aan de SER adviesaanvragen over het te voeren sociaal-economisch beleid op lange en middellange termijn voorgelegd worden. De voorstellen waarover de Raad voor werk en inkomen met de minister overleg voert, betreffen specifieke en concrete vraagstukken inzake beleid met betrekking tot werk en inkomen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen om een toelichting op de taakverdeling tussen de Minister van SZW en de Raad voor werk en inkomen rond de subsidieregeling.

De taakverdeling tussen de Minister van SZW en de Raad voor werk en inkomen inzake de subsidieregeling komt voort uit de volgende overwegingen. Aan de ene kant acht het kabinet het wenselijk dat sociale partners en gemeenten, die initiatieven uit sectoren, regio's en bedrijven kunnen beoordelen en verbinden, een belangrijke rol dienen te vervullen bij het toekennen van subsidies voor sectorale en regionale initiatieven op het gebied van reïntegratie. Aan de andere kant is er het besef, dat versterkt is door ervaringen op andere terreinen, dat de minister als eindverantwoordelijke een belangrijke rol dient te spelen bij dergelijke subsidiestromen. Deze overwegingen hebben het kabinet doen besluiten om te kiezen voor de mandaatsconstructie, waarbij enerzijds de Raad voor werk en inkomen de door het kabinet gewenste rol kan vervullen en anderzijds de eindverantwoordelijkheid van de minister tot uitdrukking komt.

Mede in het licht van het rapport van de Commissie Koning inzake ESF is besloten alle subsidieregelingen op SZW-terrein, waaronder onderhavige, nog eens nauwkeurig te beschouwen. De opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie bij de taakverdeling tussen de minister en de Raad voor werk en inkomen inzake de subsidieregeling, worden daarbij betrokken.

De leden van de CDA-fractie vragen of het mogelijk is meer opening te geven over het beschikbare budget voor de Raad voor werk en inkomen.

Het is thans nog niet mogelijk meer inzicht te geven over de apparaatskosten van de Raad voor werk en inkomen. Een en ander wordt vastgesteld nadat het Ministerie van SZW van de Commissie voorbereiding Raad voor werk en inkomen de begroting voor 2002 heeft ontvangen en heeft beoordeeld. Bij het vaststellen van het budget speelt een evaluatie van de werkzaamheden van de Commissie voorbereiding Raad voor werk en inkomen een rol.

Aan de Tweede Kamer is meegedeeld dat de Tweede Kamer bij de derde voortgangsrapportage SUWI wordt geïnformeerd over het budget voor de apparaatskosten van de Raad voor werk en inkomen. De Eerste Kamer ontvangt hiervan – zoals gebruikelijk – een afschrift.

4 Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

De leden van de PvdA-fractie vragen om een goede definitie van het begrip «kerntaken», zodat duidelijk is wat wel en wat niet uitbesteed mag worden.

Het kabinet is van mening dat de CWI, het UWV en de SVb kerntaken niet mogen uitbesteden aan private uitvoerders. Ondersteunende werkzaamheden mogen wel worden uitbesteed. Zoals het kabinet reeds in de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, vergaderjaar 2000–2001, 27 588, nr. 8, p. 30) heeft vermeld, worden in het geval van de CWI de taken als bemiddeling en uitkeringsintake (de taken genoemd in artikel 21 van het wetsvoorstel SUWI) tot de kerntaken gerekend. Op het terrein van de werknemers- en volksverzekeringen (UWV en SVb) gaat het dan om taken als de beoordeling en vaststelling van de plicht tot premiebetaling (alleen UWV), de heffing en inning van de premies (alleen UWV), de beoordeling en vaststelling van het recht op een uitkering, de terugvordering en invordering van uitkeringen, ontvangst, opslag en beheer van gegevens en handhavingsactiviteiten.

In een brief die het kabinet nog dit jaar aan de Tweede Kamer zal toezenden en waarvan de Eerste Kamer een afschrift zal ontvangen, wordt hier nader op ingegaan naar aanleiding van een toezegging tijdens de plenaire behandeling van de onderhavige wetsvoorstellen door de Tweede Kamer. Een belangrijke randvoorwaarde bij uitbesteding is dat voor de burger helder moet blijven wie de wettelijke uitvoerder is.

De leden van de fractie van de VVD vragen of er een taxatie is gemaakt van het foutenpercentage dat bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen als gevolg van de invoering van de SUWI-wetgeving te verwachten is. Deze leden vragen ook naar de periode gedurende welke dit foutenpercentage zich zal voordoen.

Een belangrijke doelstelling van de SUWI-wetgeving is dat de rechtmatigheid en de doelmatigheid, waaronder begrepen doeltreffendheid, van de uitvoering van de werknemersverzekeringen op termijn verbetert. De door de leden van de VVD-fractie gevraagde taxatie van het foutenpercentage is niet gemaakt. Het vooraf geven van een inschatting van het foutenpercentage is niet mogelijk. Wel is het mogelijk maatregelen te treffen om het foutenpercentage zoveel mogelijk te beperken. Het is daarbij van belang dat de zorg voor een kwalitatief goede uitvoering voortdurend aanwezig is. Er zal op worden toegezien dat er ook in de overgangsperiode aandacht blijft voor een kwalitatief goede uitvoering op ten minste het huidige niveau. Jaarlijks zullen hierover met het UWV afspraken worden gemaakt. Het management van het UWV i.o. heeft aangegeven de ambitie te hebben voor 2002 hetzelfde kwaliteitsniveau als in 2001 te realiseren.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van het feit dat het UWV bovenwettelijke taken mag uitvoeren, mede vanuit de gedachte dat eliminatie van de uitvoering van bovenwettelijke taken een nieuwe reorganisatie zal betekenen. Zij vragen wanneer de door de staatssecretaris toegezegde notitie met betrekking tot de huidige uitvoering van de bovenwettelijke taken te verwachten is. Deze leden wijzen erop dat er een goede scheiding tussen de publieke en private geldstromen moet worden gerealiseerd, zodat voorkomen wordt dat met publieke middelen private activiteiten worden gesubsidieerd.

Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van de wetsvoorstellen SUWI en Invoeringswet SUWI heeft het kabinet toegezegd nog dit jaar met een notitie over de «andere taken» te komen. In deze notitie zal het kabinet een overzicht geven van welke andere taken de uitvoeringsinstellingen op dit moment uitvoeren. Daarbij wordt tevens ingegaan op de nadere criteria waaraan de uitvoering van de andere taken moet voldoen. Een van de onderdelen daarvan betreft de scheiding tussen de publieke en private geldstromen. Het kabinet is het met de leden van de PvdA-fractie eens dat voorkomen moet worden dat publieke middelen ingezet worden voor private activiteiten. Een goede kostentoerekening is overigens ook van belang bij de uitvoering van andere taken voor publieke opdrachtgevers. De kostentoerekening dient zodanig plaats te vinden dat het UWV en de SVb niet in de problemen komen bij het wegvallen van de andere taak. Daarom zullen het UWV en de SVb de andere taken waar mogelijk gescheiden uitvoeren. De kosten van deze gescheiden uitvoering zullen rechtstreeks en integraal aan de opdrachtgever worden toegerekend. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het contractbeheer, maar ook om de kosten van de investeringen en de ondersteuning van de implementatie binnen de organisatie die nodig is om de andere taak uit te kunnen voeren.

5 Centra voor Werk en Inkomen

De leden van de fractie van het CDA stellen signalen te hebben gekregen dat de beoogde samenwerking binnen de CWI achterblijft en dat bovendien de inbreng van de uvi's achterblijft. Tevens vragen zij welke maatregelen worden ondernomen indien de veronderstelling juist is dat deze inbreng achterblijft. Draagt de gekozen aansturing van de drie kolommen wel bij aan de noodzakelijke integratie, zo vragen deze leden. Verder wijzen zij op de noodzaak van tijdige toeleiding van personeel van gemeenten en uvi's naar de CWI. Zij vragen of op 1 januari 2002 de 131 CWI over de volle breedte operationeel zijn.

Het kabinet wil erop wijzen dat vanaf 1 januari 2002 geen sprake meer is van samenwerking binnen de CWI, zoals nu het geval is daar waar Arbeidsvoorziening, gemeenten en uvi's samenwerken. Op 1 januari 2002 bestaat de Centrale organisatie werk en inkomen, met daaronder de CWI, als een zelfstandige organisatie, die met het wetsvoorstel SUWI een aantal taken toebedeeld krijgt. Deze organisatie zal in de uitvoering samenwerken met gemeenten en het UWV. De CWI zijn dan niet meer, zoals nu het geval is, een optelsom van samenwerkende partijen.

Het bericht dat de inbreng van de uvi's bij de beoogde samenwerking met de CWI zou achterblijven, is niet correct. Een deel van de taken van de huidige uvi's (intake WW en activering fase 1) gaat over naar de CWI. Door de uvi's is inmiddels vastgesteld welke medewerkers over zullen gaan naar de CWI. De plaatsing van medewerkers zal in elk geval voor 1 januari 2002 kunnen geschieden. Voor vrijwel alle medewerkers geldt dat zij op hun plaats van voorkeur geplaatst kunnen worden. De uvi's werken voorts mee aan het testen van het CWI-referentiewerkproces op een drietal vestigingen. Het overleg met betrokkenen over de overkomst van medewerkers vanuit de gemeentelijke kolom naar de CWI is nog gaande.

Er is thans sprake van regelmatige afstemming tussen de kolommen, gericht op tijdige en adequate implementatie. Alle inspanningen zijn erop gericht om op 1 januari 2002 voor de 131 CWI de totale dienstverlening en bovendien de uitwisseling van gegevens met de ketenpartners operationeel te hebben, zij het dat op het punt van de ICT tijdelijke voorzieningen zullen moeten worden getroffen.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de CWI de afstand tot de arbeidsmarkt bepalen en op basis daarvan een reïntegratieadvies aan het UWV of de gemeente uitbrengen. Deze leden vragen waarom hiervan wordt afgeweken als het UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie van een arbeidsgehandicapte bij een andere dan de eigen werkgever.

In de situatie dat het UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie van een arbeidsgehandicapte is in de regel al een traject gestart en/of afgerond. Dit volgt uit de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de reïntegratie van zijn arbeidsgehandicapte werknemers. Tijdens de periode dat de werkgever verantwoordelijk is, heeft het UWV een toetsende rol, ongeacht de vraag of het reïntegratie bij de eigen dan wel een andere werkgever betreft. Vanuit deze toetsende rol heeft het UWV zicht op de verrichte reïntegratieactiviteiten en de mogelijk nog te verrichten activiteiten. Na afloop van de periode waarover de werkgever verantwoordelijk is, gaat de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie over op het UWV. Het is op dat moment niet opportuun om verplichtend voor te schrijven dat een reïntegratieadvies opgesteld dient te worden door de CWI. Het UWV zal in overleg met de cliënt een passend vervolg geven aan de reeds ingezette activiteiten gericht op reïntegratie. Mocht er vanwege welke omstandigheid dan ook toch behoefte bestaan om een reïntegratieadvies van de CWI in te winnen, dan bestaat hiertoe altijd de mogelijkheid. Desgewenst kan zowel de betreffende cliënt als het UWV om zo'n advies vragen. Het UWV kan dit advies betrekken bij de voortzetting van het reïntegratietraject.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts naar een procedurebeschrijving van een arbeidsgehandicapte met een bijstands- of ANW-uitkering dan wel zonder uitkering, voor wiens reïntegratie de gemeente verantwoordelijk is. Voorts vragen deze leden wie bepaalt of zij al dan niet arbeidsgehandicapt zijn. Ook willen zij weten of de gemeenten REA-voorzieningen kunnen toekennen voor arbeidsgehandicapte bijstands- en ANW-gerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden.

In het Nader Kabinetsstandpunt SUWI (Kamerstukken 26 448, nr. 7, p. 25–27) is een procedurebeschrijving opgenomen van degenen die een WW- of ABW-uitkering willen aanvragen (zie p. 25–27). De procedure voor de in de vraagstelling genoemde categorieën personen wijkt slechts op enkele onderdelen daarvan af, welke hierna zullen worden besproken. Ook deze personen dienen zich eerst te melden bij een CWI-kantoor. Het CWI verzamelt en registreert enerzijds de gegevens die van belang zijn voor de op werk gerichte dienstverlening (de zogenaamde werkintake) en anderzijds – voor zover van toepassing – de gegevens voor de uitkeringsaanvraag (de zogenaamde uitkeringsintake). Tijdens deze werkintake worden de kansen op werk globaal ingeschat met behulp van de zogeheten «Kansmeter». Mocht daarbij evenwel blijken dat de betrokkene mogelijk arbeidsgehandicapt is, dan wordt de fasering niet afgerond. Het heeft namelijk geen zin om de afstand tot de arbeidsmarkt te bepalen, indien er nog geen medisch-arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. De betrokkene wordt daarom doorverwezen naar de gemeente. De gemeente stelt vervolgens vast of de betrokkene al dan niet arbeidsgehandicapt is in de zin van de Wet REA. Daarvoor wordt een medisch-arbeidskundig onderzoek (de zogenaamde REA-toets) door of namens de gemeente uitgevoerd. In dit onderzoek wordt onder meer vastgesteld of, en zo ja, welke belemmeringen in verband met ziekte of gebrek de betrokkene heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid. Voorts wordt (via nader onderzoek) vastgesteld welke werkzaamheden de betrokkene, gelet op zijn beperkingen, nog kan verrichten. Op basis daarvan beslist de gemeente of een reïntegratietraject zal worden ingekocht dan wel dat de betrokkene via de dienstverlening van de CWI werk moet zoeken.

De gemeente kan op grond van de WIW instrumenten ter beschikking stellen voor de reïntegratie van ANW-ers en niet-uitkeringsgerechtigden. Hiertoe behoren ook instrumenten, die specifiek ontwikkeld zijn voor arbeidsgehandicapten, zoals bijvoorbeeld voorzieningen om aan scholing te kunnen deelnemen. Dit zijn instrumenten die vergelijkbaar zijn met de instrumenten in de Wet REA.

De leden van de PvdA-fractie vragen verder of een arbeidsgehandicapte WAZ-verzekerde zich bij een CWI dient te melden of eerst bij het UWV langs moet gaan om te laten vaststellen dat hij/zij arbeidsgehandicapt is.

Het UWV dient ingevolge artikel 3, eerste lid, onder c, Wet REA te beoordelen of een verzekerde op grond van de WAZ arbeidsgehandicapt is. Deze verzekerde behoeft zich daarvoor niet bij een CWI te melden. Indien de verzekerde een WAZ-uitkering ontvangt, wordt hij zonder toets als arbeidsgehandicapte aangemerkt

De leden van de PvdA-fractie vragen wie verantwoordelijk is voor de reïntegratie van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte die bijvoorbeeld na een jaar al een WW-uitkering krijgt voor zijn restcapaciteit, terwijl het dienstverband met de werkgever nog voortduurt. Voorts vragen deze leden of de betrokkene de beschreven WW-procedure volgt of dat de reïntegratie van de WW-component de verantwoordelijkheid is van de werkgever.

De werkgever is verantwoordelijk voor de reïntegratie van zijn werknemer die wegens ziekte of gebrek niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten. Deze verantwoordelijkheid geldt in ieder geval voor de duur van de dienstbetrekking. De werkgever kan er, met instemming van zijn OR of personeelsvertegenwoordiging, ook voor kiezen om na het einde van de dienstbetrekking verantwoordelijk te blijven, uiterlijk tot zes jaar na de eerste ziektedag. De verantwoordelijkheid van de werkgever eindigt niet wanneer de betrokken werknemer een uitkering ontvangt, bijvoorbeeld krachtens de WW, de WAO of de Abw.

De werkgever is dus verantwoordelijk voor de reïntegratie van de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemer die na een jaar een WW-uitkering ontvangt. Deze verantwoordelijkheid strekt zich ook uit over de WW-component. Het UWV is derhalve, in afwijking van de hoofdregel, niet verantwoordelijk voor deze categorie WW-gerechtigden. De betrokkene dient zich, met het oog op zijn aanvraag van een WW-uitkering, echter wel in te schrijven bij een CWI. Het CWI verricht de voorgenoemde werkintake en uitkeringsintake. Het CWI zal echter niet de afstand van betrokkene tot de arbeidsmarkt vaststellen, tenzij de betrokkene daarom zelf verzoekt. Voorts kan de betrokkene gebruik maken van de nationale vacaturebank en desgewenst in aanmerking komen voor arbeidsbemiddeling door het CWI. Nadat de gegevens van de uitkeringsintake door het CWI zijn verstrekt aan het UWV, is deze instantie verantwoordelijk voor de verdere uitkeringsverzorging.

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke incentive gemeenten hebben om zich in te spannen voor ANW-gerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden, die immers geen besparing op de uitkering opleveren.

Voor gemeenten gelden de volgende incentives om zich in te spannen voor niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-gerechtigden:

• De gemeentelijke zorgplicht: de nieuwe doelgroepen gaan vallen onder de gemeentelijke zorgplicht. Gemeenten voelen zich verantwoordelijk en koesteren ambities om deze doelgroepen succesvol te reïntegreren.

• De sluitende aanpak: met de VNG is de bestuurlijke afspraak gemaakt dat voor deze doelgroepen met ingang van 2002 een sluitende aanpak zal worden gerealiseerd, dat wil zeggen voor diegenen die een traject nodig hebben en willen.

• De financieringssystematiek: het budget voor de reïntegratie van niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers wordt geoormerkt toegevoegd aan het scholings- en activeringsbudget. Het geld mag dus alleen worden ingezet voor deze doelgroepen. Niet-bestede middelen zullen worden teruggevorderd en mogen dus niet worden meegenomen naar volgend jaar (zoals dat bij het overige scholings- en activeringsbudget wel mag, tot maximaal 50% van het budget).

• Toezicht en verantwoording: gemeenten moeten verantwoorden wat zij voor de doelgroep hebben gedaan (hoeveel personen, hoeveel trajecten, kosten daarvan, resultaten daarvan), via de monitor scholing en activering en via het uitvoeringsverslag WIW, die door de accountant en de toezichthouder worden gecontroleerd.

De leden van de fractie van de PvdA vragen tevens hoe in een topdown-benadering, die is gekozen voor de aansturing van de CWI, de regionale arbeidsmarkt- en werkloosheidsverschillen tot hun recht kunnen komen. Zij verwijzen daarbij naar ervaringen met teveel en te weinig centrale sturing bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

Het uitgangspunt voor de sturing van de CWI is dat de CWI-managers de ruimte wordt gegeven om de in een managementcontract met de leiding overeengekomen doelstellingen te realiseren. De CWI-manager is integraal verantwoordelijk voor de dienstverlening, personele inzet, het activiteitenplan (waarin de doelstellingen zijn opgenomen) en de realisatie van de doelstellingen. Hierbij zijn de regionale arbeidsmarktomstandigheden van doorslaggevend belang. De CWI-manager moet zo weinig mogelijk last hebben van perikelen met betrekking tot huisvesting, automatisering, arbeidsvoorwaarden, huisstijl en kaderstelling bij werkprocessen. Deze facilitaire gebieden lenen zich bij uitstek voor eenduidige landelijke kaders.

De benadering die aldus tot stand is gekomen, is beperkt topdown en komt tot uitdrukking in het sluiten van een managementcontract tussen Raad van bestuur en Districtsmanagers en tussen Districtsmanagers en CWI-managers, de monitoring van resultaten, benchmarking op basis van zogeheten «balanced scorecards», de eenduidigheid in aangereikte hulpmiddelen en uniformiteit in werkprocessen (referentiewerkproces).

De leden van de fractie van de PvdA stellen dat het principe «werk vóór uitkering» handen en voeten moet krijgen door cliënten indringend te confronteren met de vraag op de regionale arbeidsmarkt. Daartoe dienen de CWI een stevige positie te verwerven aan die vraagzijde. De leden stellen daarover diverse vragen: Welke instrumenten staan de CWI ter beschikking? Geschiedt dienstverlening aan werkgevers gratis? Spelen CWI ook een rol in de uitvoering van sectorale reïntegratieprojecten, geïnitieerd door sociale partners en/of de Raad voor werk en inkomen?

Het kabinet onderschrijft de benadering dat de CWI-organisatie, zowel centraal als decentraal, over een stevige positie richting vraagzijde van de arbeidsmarkt moet beschikken.

Kennis van vraag en aanbod (bestanden, kanalen, arbeidsmarktinstrumenten, cao-afspraken, geldstromen) vormt daarbij het belangrijkste instrument. De CWI heeft daarmee de mogelijkheid via gerichte matching (Nationale vacature- en sollicitantenbank; werktraject.nl) en advisering de allocatie te bevorderen. Arbeidsmarktonderzoek is een ondersteunend instrument, waarvan onder meer de Raad voor werk en inkomen en SZW afnemer zijn.

De CWI zullen een rol spelen bij de bevordering, ondersteuning en uitvoering van sectorale of categorale reïntegratieprojecten en -afspraken. Uitvoering van het convenant met het MKB over minderheden, dat ook na 2001 wordt voortgezet, is daarvan een voorbeeld.

Het initiatief voor dergelijke reïntegratieprojecten, die ondersteund worden door de CWI, kan ook door sociale partners en/of de Raad voor werk en inkomen genomen worden. Verwacht kan worden dat de CWI, daarbij wordt ook verwezen naar de beantwoording van vragen over de regionale platforms (zie hoofdstuk 8), actief betrokken zullen zijn bij regionale initiatieven uit het bedrijfsleven.

De sectoradviseurs zullen adviseren over een gecoördineerde aanpak van knelpunten op de arbeidsmarkt en over de bundeling van geldstromen om deze aan te pakken. Daarnaast zal in de CWI voldoende expertise beschikbaar zijn om de werkgevers te adviseren over de inschakeling van minderheden binnen het bedrijf.

De dienstverlening van de CWI aan werkgevers is gratis.

De leden van de VVD-fractie vragen wie verantwoordelijk is, als mocht blijken dat de uitkeringsverstrekking gebaseerd is op onjuiste gegevens die verzameld en overgedragen zijn door de CWI.

De uitkeringsinstantie is eindverantwoordelijk. Om mogelijke risico's op dit vlak te minimaliseren, zijn diverse voorzieningen getroffen, zoals een inkijkfaciliteit voor de CWI in de administraties van het UWV en de gemeente en verificatie van een aantal gegevens in de GBA. Via service-niveau-overeenkomsten, nauwgezette monitoring en evaluatie, en toezicht door de IWI wordt de kwaliteit van de gegevens, zoals verzameld door de CWI, bewaakt.

De leden van de fractie van de PvdA zijn van oordeel dat het privatiseren van de reïntegratie de overheid niet ontslaat van de verantwoordelijkheid ervoor. Burgers hebben gelijkelijk recht op ondersteuning bij hun terugkeer naar de arbeidsmarkt. Deze leden vragen hoe die gelijke behandeling gewaarborgd is en of het juist is dat het in de reïntegratie van een cliënt te investeren bedrag voortvloeit uit de in het publieke domein uitgevoerde kwalificerende intake, fase-indeling en het aan de opdrachtgevers uitgebrachte reïntegratieadvies. En zo ja, waarom wordt dan bezwaar en beroep tegen dit cruciale onderdeel van het proces uitgesloten op grond van het formele argument dat het slechts gaat om een advies, zo vragen deze leden.

In aansluiting op hetgeen in paragraaf 1.4 is verwoord, is het kabinet van oordeel dat de overheid te allen tijde aangesproken kan worden op de kwaliteit van de met publieke middelen gefinancierde dienstverlening ten behoeve van reïntegratie. Het oogmerk is dat de dienstverlening aan de burgers wordt verbeterd.

Het uitgangspunt van gelijke behandeling krijgt inhoud door maatwerk waarbij de dienstverlening, gericht op terugkeer naar de arbeidsmarkt, op iedere persoon wordt toegesneden. De fase-indeling, kwalificerende intake en het reïntegratieadvies vormen daarbij een hulpmiddel. Er is echter geen directe relatie tussen het reïntegratieadvies en het in de reïntegratie van een cliënt te investeren bedrag. In voorkomende gevallen dient dit advies uiteraard betrokken te worden bij de vormgeving van een reïntegratietraject. De opdrachtgevers hebben echter een eigen verantwoordelijkheid om in overleg met de cliënt te bepalen op welke wijze dit traject concreet vorm wordt gegeven. Over het algemeen zal het wel zo zijn dat wanneer sprake is van een grotere afstand tot de arbeidsmarkt, het reïntegratietraject gemiddeld genomen duurder uit zal vallen.

Zoals in de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel SUWI (p. 56 en 80) en de Nota naar aanleiding van het verslag (p. 49 en 50) is uiteengezet, vormen de genoemde adviezen dus een belangrijke basis voor het door het uitvoeringsorgaan te nemen besluit, maar is het (alleen) dat uitvoeringsorgaan dat een (bindende) beslissing neemt met betrekking tot de reïntegratie-inspanningen voor betrokkene. Tegen dat besluit staat bezwaar en beroep open. Tegen de onderliggende adviezen (de fasering en het reïntegratieadvies) is volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen afzonderlijk bezwaar en beroep mogelijk (aldus ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven in zijn uitspraak van 9 maart 2000, AB 2000, 197). Deze adviezen kunnen echter wel in bezwaar en beroep tegen het besluit van het uitvoeringsorgaan aan de orde komen. Het onderscheid tussen advies en besluit doet dus aan de rechtsbescherming van de cliënt niet af. Overigens is het niet zo dat het wetsvoorstel SUWI regelt dat bedoelde adviezen van bezwaar en beroep zijn uitgesloten; deze uitsluiting volgt rechtstreeks uit de Awb. Het wel openstellen van bezwaar en beroep zou een uitdrukkelijke wetsbepaling van die strekking vergen, in afwijking van de Awb.

Een inbreuk op de algemene regel van de Awb is op zichzelf al bezwaarlijk. Anders dan deze leden stellen is overigens niet «slechts» dit formele argument tegen de openstelling van bezwaar en beroep aangevoerd. Daartegen bestaat, zoals ook in de hierboven genoemde stukken is aangegeven, tevens het bezwaar dat dit zou leiden tot doublures en cumulatie in de rechtsbescherming, met de daaraan verbonden financiële gevolgen en de extra belasting van administratie en rechterlijke macht, en voorts dat de fasering zich ook naar haar aard – een hulpmiddel – niet goed voor formalisering in een (appellabel) besluit zou lenen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen, of de dienstverlening aan cliënten niet te zeer uiteenloopt, wanneer binnen één CWI de ene gemeente taken mandateert aan die CWI, een andere detacheert en weer een andere de gemeentelijke taken aan zich houdt.

De dienstverlening kan inderdaad verschillen binnen één CWI, afhankelijk van de afspraken die met gemeenten binnen het werkgebied van die CWI worden gemaakt. Voor de cliënt behoeven deze verschillen, bezien in de totale dienstverlening, niet te leiden tot consequenties anders dan dat bepaalde diensten niet door de gemeente maar door de CWI worden aangeboden. Bij het maken van afspraken tussen CWI en gemeenten over eventuele aanvullende werkzaamheden, ligt het in de rede dat een CWI zal trachten met alle gemeenten binnen het werkgebied overeenstemming te bereiken over hetzelfde pakket van aanvullende werkzaamheden. Voor de werkprocessen van de CWI, maar ook voor de uniformiteit van de dienstverlening aan de cliënten binnen één werkgebied. is dit van belang.

6 Gemeenten

De leden van de CDA-fractie vragen of de gemeenten zich zullen neerleggen bij de voorgeschreven taakafbakening tussen CWI en gemeenten. In dat verband vragen deze leden of een vrijblijvende opstelling ten aanzien van deze taakafbakening door gemeenten zal worden gedoogd.

In de relevante regelgeving is een heldere taakafbakening tussen CWI en gemeenten vastgelegd. Hierover kan geen misverstand bestaan. Aan de voorgestelde taakafbakening zijn ook personele consequenties verbonden; zo zal gemeentelijk personeel overgaan naar de CWI in verband met de overgang van de verantwoordelijkheid voor de uitkeringsintake van de bijstand van gemeenten naar CWI.

Het Steunpunt SUWI Gemeenten, dat door het Ministerie van SZW is ingericht, informeert gemeenten over de taakafbakening en biedt ondersteuning bij de implementatie ervan. Deze activiteiten worden in nauwe samenwerking met de VNG, SimulanSZ, Divosa en personeel van individuele gemeenten uitgevoerd. Er is geen reden te veronderstellen dat gemeenten hier vrijblijvend mee omgaan.

De IWI zal (onder andere) toezicht houden op de uitvoering door de gemeenten en op de CWI. De bijdrage van deze uitvoerders aan de werking van het hele stelsel is ook onderdeel van het toezicht. Uitvoeringsaspecten van de relatie tussen gemeente en CWI worden daarom betrokken in het toezicht.

7 Bedrijfsverzamelgebouwen

De leden van de PvdA-fractie vragen of de vormgeving van bedrijfsverzamelgebouwen al verder is gevorderd, of daar aan wordt gewerkt. Deze leden geven er de voorkeur aan wanneer deze zich zou beperken tot de publieke spelers in het veld. Anders is het gevaar groot dat het «level playing field» binnen de zich ontwikkelende private reïntegratiemarkt wordt verstoord, aldus deze leden.

Op een aantal plaatsen in Nederland zijn reeds bedrijfsverzamelgebouwen gerealiseerd. Daarin participeren vaak ook private partijen. Daartoe bestaat geen verbod, noch een verplichting. In totaal 66 gemeenten zullen, naar nu bekend, voor eind 2001 een beroep hebben gedaan op de Stimuleringsregeling Bedrijfsverzamelgebouwen en op basis daarvan een plan van aanpak opstellen voor het realiseren van een bedrijfsverzamelgebouw. De deelname van private partijen als reïntegratiebedrijven en uitzendbureaus in het bedrijfsverzamelgebouw wordt, vanuit het motto «werk boven inkomen», als een belangrijke succesfactor gezien. De mix van publieke en private partijen is ook voor werkgevers en niet-werkloze werkzoekenden van belang.

Concurrentievoordelen voor private partijen in een bedrijfsverzamelgebouw kunnen zich in theorie op twee manieren voordoen. In de eerste plaats hebben zij – mogelijk – een grotere klantstroom als gevolg van hun positionering in het bedrijfsverzamelgebouw. Daarvoor betalen zij echter marktconforme huurtarieven. In die zin is het voordeel niet oneigenlijk.

In de tweede plaats hebben zij directe contacten met potentiële opdrachtgevers, zoals het UWV en de gemeente(n). Daarvoor is relevant dat deze opdrachtgevers gehouden zijn aan publieke en transparante aanbestedingsprocedures, waarmee voorkomen wordt dat bepaalde bedrijven bevoordeeld worden. Daarnaast geldt voor gemeenten dat zij vanuit het Fonds voor Werk en Inkomen een financiële prikkel hebben om zo effectief mogelijk reïntegratiedienstverlening in te kopen.

8 Regionale platforms

De leden van de CDA-fractie vragen of de bewindslieden het eens zijn met de opvatting dat, uitgaande van een smalle samenstelling van de regionale platforms, binnen de platforms de instelling van commissies c.q. werkgroepen, waarin ook andere bij de arbeidsmarkt betrokken partners zijn betrokken, een voor de hand liggende aanpak is. De leden van de PvdA-fractie vragen om een verheldering van de functie en samenstelling van de regionale platforms arbeidsmarktbeleid, alsmede om een verheldering van de rol van de regionale platforms bij sectorale reïntegratieprojecten. Daarnaast wil de PvdA-fractie weten op welke wijze regionale platforms zich verhouden tot de provinciale adviesorganen op het terrein van het sociaal-economisch beleid.

Met de vorming van regionale platforms arbeidsmarktbeleid ontstaat een overlegstructuur waarbinnen in elk geval de partijen die als opdrachtgever voor reïntegratie zijn betrokken bij de regionale arbeidsmarkt (gemeenten, UWV, (organisaties van) werkgevers en werknemers) komen tot afstemming van het regionale arbeidsmarktbeleid en van de besteding van reïntegratiemiddelen. De betrokken partijen handelen binnen de overlegstructuur vanuit hun eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Door deze partijen zal een sluitende keten van dienstverlening bevorderd worden.

Het kabinet hecht eraan dat ook andere relevante partijen en instanties aan de regionale platforms deelnemen en stimuleert de totstandkoming van een landelijk dekkend stelsel van platforms door middel van de Tijdelijke stimuleringsregeling regionale platforms arbeidsmarktbeleid (Stcrt. 30 maart 2001, nr. 64). Hierin zijn nadere voorwaarden opgenomen voor de totstandkoming van de platforms.

Bij de vorming van de platforms hebben de gemeenten een initiërende rol. Omdat de rol en functie van de platforms sterk afhankelijk is van de regionale arbeidsmarkt, wordt de concrete invulling hiervan uitdrukkelijk aan de partijen in de regio overgelaten.

Voor wat betreft deelname door andere relevante partijen kan onder meer worden gedacht aan de CWI, de Kamers van Koophandel, de provincie en regionale opleidingsinstituten. De bij de CWI aanwezige informatie van de regionale arbeidsmarkt is in het bijzonder van belang.

In de praktijk is thans reeds waarneembaar dat de genoemde partijen in sommige platforms structureel en in andere platforms ad hoc participeren. Het platform kan inderdaad commissies en werkgroepen instellen waarin, afhankelijk van het onderwerp, in principe alle betrokken partijen kunnen participeren.

Omdat (organisaties van) werkgevers en werknemers deelnemer zijn in de platforms, ligt het voor de hand dat sectorale reïntegratieprojecten daar waar nodig binnen de platforms worden afgestemd met regionale initiatieven.

Op welke wijze de provinciale overheid betrokken is bij de platforms, is ook afhankelijk van de regionale invulling. Het is mogelijk dat de provincie als deelnemer in het platform is vertegenwoordigd. Daar waar de provincie niet als deelnemer in het platform is vertegenwoordigd, ligt het in de rede dat partijen zowel bij de beleidsvoorbereiding, als bij de afstemming hiervan in het platform, gebruik maken van bevindingen en aanbevelingen van de provinciale overheid op het gebied van de arbeidsmarkt.

De leden van de fractie van het CDA vragen zich af wat wordt beoogd met de zinsnede in de brief van de minister van 11 juli jl. aan de gemeenten: «Op basis van een evaluatie zal worden bepaald of de stimuleringsregeling verlengd zal worden». Hieruit concludeert de CDA-fractie dat het nog volstrekt open is of de stimuleringsregeling zal worden voortgezet. Deze uitleg lijkt, aldus deze leden, een andere dan tijdens de plenaire behandeling, waar de minister na herhaalde pleidooien voor afbouw van de zijde van de Tweede Kamer heeft geantwoord: «maar mijn intentie is ook dat de platforms na verloop van tijd op eigen kracht verder moeten». Dit spoort volgens de CDA-fractie niet met genoemde brief en artikel 23 met betrekking tot regionale platforms.

De tijdelijke stimuleringsregeling regionale platforms arbeidsmarkt geldt in beginsel voor een periode van drie jaar (2001–2003). De opmerking van de minister hield verband met de motie Van der Vlies (nr. 40), welke overigens bij stemming van 3 juli door de Tweede Kamer is verworpen, waarin de intentie was neergelegd de stimuleringsregeling na drie jaar te beëindigen. Daarbij is evenwel door de minister aangegeven dat het prematuur is om op de toegezegde evaluatie van de regeling vooruit te lopen. De vraag of de platforms na drie jaar op eigen kracht verder moeten, kan pas worden beantwoord op het moment dat de toegezegde evaluatie is afgerond.

9 Rechten en plichten

9.1 Algemeen

De leden van de fractie van de PvdA vragen een overzichtje van de materiewetten waarin de positie van de cliënt op individueel niveau is geregeld.

Met name in de Memorie van toelichting (4.6.1) en de Nota naar aanleiding van het verslag (4.6.2) bij het wetsvoorstel Invoeringswet SUWI is uitgebreid ingegaan op de rechten en plichten van de cliënt. De positie van de cliënt is neergelegd in de materiewetten, die het recht op uitkeringen en voorzieningen – en de daarbij behorende verplichtingen – regelen. Het gaat dan om de WW, de WAO en andere arbeidsongeschiktheidsregelingen als de WAZ en de WAJONG, de ANW en de gemeentelijke uitkeringsregelingen, zoals de Abw en aanverwante wetten als de IOAW, IOAZ en de WIK. De taak van de uitvoeringsinstantie is niet beperkt tot het verstrekken van de uitkering of voorziening, maar houdt tevens in – en vooral – de inschakeling in de arbeid te bevorderen. Daaraan zijn vaak bepaalde plichten voor cliënten verbonden, die terug te voeren zijn op de verplichting alles in het werk te stellen om passend werk te vinden. De betreffende materiewetten regelen ook de instrumenten die ingezet kunnen worden om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Daarnaast zijn er aparte wetten die deze instrumenten regelen: voor arbeidsgehandicapten de Wet REA en de WIW voor de gemeentelijke doelgroep.

De positie van de cliënt komt tot uitdrukking door per wet aan te geven waar hij/zij aanspraak op heeft; deze aanspraken zijn ook af te leiden uit de in de wetten aan de uitvoeringsinstanties opgedragen taken en activiteiten gericht op de individuele cliënt. Het gaat daarbij om:

– het aanspraak kunnen maken – binnen de wettelijke kaders – op een adequaat aanbod in het kader van de reïntegratie (WW, Wet REA en WIW);

– het opstellen van een plan van aanpak, zowel door de uitvoeringsorganisatie als door de werkgever (WAO (na Wet verbetering poortwachter), WW, Abw (IOAZ, IOAW), WIW en Wet REA;

– het opstellen van een trajectplan door of namens de uitvoeringsorganisatie (WW, Abw (IOAZ, IOAW), WIW en Wet REA);

– het betrekken van de cliënt bij het opstellen van het reïntegratieadvies, het plan van aanpak en het trajectplan, onder andere door het opnemen van de opvattingen van de cliënt in het advies en het ondertekenen van beide plannen (WAO (na Wet verbetering poortwachter), WW, Abw (IOAZ, IOAW), WIW en Wet REA);

– de mogelijkheid van een persoonsgebonden reïntegratiebudget in de vorm van de mogelijkheid zelf een contract aan te gaan met een reïntegratiebedrijf (WW, WIW en Wet REA);

– een second opinion (wetsvoorstel SUWI, artikel 30);

– een adequate, behoorlijke behandeling van de kant van de uitvoeringsorganisaties (geldt voor ieder bestuursorgaan bij de uitvoering van alle materiewetten);

– een recht op alle relevante informatie, waaronder over rechten en plichten (als taak voor UWV, CWI en gemeenten neergelegd in het wetsvoorstel SUWI en WIW);

– de mogelijkheid bezwaar te maken en in beroep te gaan tegen het besluit, waarbij het plan van aanpak en het trajectplan als bijlage is gevoegd. Op deze wijze kan ook bezwaar en beroep worden ingesteld tegen aangeboden voorzieningen (of de verplichting daaraan mee te werken) (WW, Abw (IOAZ, IOAW), WAO (etc.), WIW en Wet REA).

Op basis van verscheidene bovengenoemde wetten is de cliënt verplicht:

– alle benodigde inlichtingen te verschaffen;

– zich desgevraagd te identificeren;

– te solliciteren (indien dat een voorwaarde in het kader van de uitkering is);

– mee te werken aan de eigen reïntegratie;

– passend werk te aanvaarden;

– voorschriften op te volgen ten behoeve van een doelmatige controle.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of het UWV wel geloofwaardig kan optreden bij een second opinion.

Bij de opbouw van het UWV wordt rekening gehouden met de capaciteit en de expertise (onder andere medische en arbeidskundige kennis) die nodig is om op een adequate manier de gevraagde second opinions in individuele gevallen af te geven. Deze kennis is ook benodigd voor de beoordeling van de reïntegratie-inspanningen van de werkgever en werknemer in het kader van de claimbeoordeling WAO.

De werkgever en werknemer zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de reïntegratie van zieke en arbeidsongeschikte werknemers. Gegeven deze verantwoordelijkheidsverdeling heeft het kabinet ervoor gekozen het UWV geen activerende rol te geven in het eerste ziektejaar, mede omdat dat ten koste zou gaan van de uitvoering van kerntaken door het UWV. Het feit dat het UWV in het eerste jaar een uitsluitend faciliterende rol heeft, maakt het juist des te geschikter om op verzoek een werkgever of werknemer een onafhankelijk oordeel te geven. Het UWV is immers niet betrokken bij het verschil van inzicht van een werkgever en werknemer dat veelal ten grondslag zal liggen aan het verzoek om een second opinion.

9.2 Positie van de cliënt ten opzichte van het reïntegratiebedrijf

De leden van de PvdA-fractie stellen de vraag of, en zo ja hoe, de publieke opdrachtgever een rol speelt in het geval er een geschil ontstaat tussen de te reïntegreren persoon en het reïntegratiebedrijf.

Het UWV of de gemeente kopen ten behoeve van hun cliënten reïntegratieactiviteiten in bij reïntegratiebedrijven en sluiten hiertoe contracten af met dergelijke bedrijven. In deze contracten wordt vastgelegd dat het reïntegratiebedrijf of de arbodienst verplicht is alle gegevens en inlichtingen omtrent de reïntegratieactiviteiten op verzoek aan het UWV of het gemeentebestuur te overleggen. Het UWV of het gemeentebestuur zullen zich laten informeren over onder andere de voortgang van de afgesproken trajecten, eventuele geschillen over de uitvoering van trajecten, mogelijke verwijtbare gedragingen van cliënten etc. Voor zover zich fricties voordoen, zal de betreffende uitkeringsinstantie hierover in gesprek komen met het reïntegratiebedrijf.

Overigens zal de publieke opdrachtgever op grond van het beoogde artikel 4.1, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit SUWI in de af te sluiten overeenkomst met het reïntegratiebedrijf een klachtenregeling moeten overeenkomen die moet worden toegepast in geval van een geschil tussen de te reïntegreren persoon en het reïntegratiebedrijf.

Op grond van de klachten- en geschillenregeling kan de cliënt het reïntegratiebedrijf aanspreken op een adequate uitvoering van het afgesproken reïntegratietraject. De betrokkene kan natuurlijk ook de opdrachtgever van het reïntegratiebedrijf aanspreken, i.c. de werkgever, het UWV of de gemeente. Deze kunnen immers – zoals hiervoor aangegeven – als contractpartij van het reïntegratiebedrijf, zelf of naar aanleiding van een klacht van de te reïntegreren persoon, de uitvoering van het afgesproken reïntegratietraject bij de opdrachtnemer aan de orde stellen.

In de periode waarin de werkgever verantwoordelijk en opdrachtgever is voor reïntegratie, is er geen (rol voor de) publieke opdrachtgever. In die periode is er uiteraard wel een rol voor het UWV als publieke uitvoerder van de werknemersverzekeringswetten. In die rol beoordeelt het UWV aan het eind van het ziektejaar en elk volgend jaar (totdat de periode van werkgeversverantwoordelijkheid eindigt) de reïntegratie-inspanningen van werkgever en werknemer. In dat kader kan de werknemer, indien hij ontevreden is over de kwaliteit van de uitvoerende arbodienst / reïntegratiebedrijf maar zijn werkgever (opdrachtgever) die mening niet deelt, aan het UWV een second opinion vragen over de reïntegratie-inspanningen van de werkgever. Als het UWV oordeelt dat de uitvoering van het trajectplan te wensen overlaat, kan de te reïntegreren persoon de werkgever op zijn verplichting tot adequate reïntegratie-inspanningen wijzen. Tevens kan de werknemer, indien in het bedrijf van de eigen werkgever geen passende arbeid voorhanden is, een persoonsgebonden reïntegratiebudget aanvragen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het reïntegratiebedrijf de te reïntegreren persoon bijvoorbeeld onder druk kan zetten door te dreigen met de Wet boeten en maatregelen. Hoe is verzekerd dat genoemde wet voor iedereen gelijkelijk wordt uitgevoerd als de publieke opdrachtgever afhankelijk is van informatie van het reïntegratiebedrijf, zo voegen deze leden daaraan toe.

Het wijzen van betrokken personen op hun rechten en plichten, waaronder die op grond van de Wet boeten en maatregelen, valt toe aan de uitkeringsorganen. De belanghebbende is immers op grond van de aan de uitkering verbonden voorwaarden verplicht mee te werken aan reïntegratieactiviteiten. Wanneer verwijtbaar niet of onvoldoende aan deze voorwaarde wordt voldaan, dan is de gemeente respectievelijk het UWV gehouden de uitkering van de belanghebbende tijdelijk gedeeltelijk te weigeren overeenkomstig het vigerende maatregelenbesluit. Het ligt in de rede dat de uitkeringsinstantie met het betreffende reïntegratiebedrijf afspraken maakt over de informatieverstrekking ten aanzien van de voortgang van het reïntegratietraject.

Voor de toepasbaarheid van de Wet Boeten en maatregelen geldt indien de reïntegratie wordt gefinancierd uit middelen die op grond van de Wet REA beschikbaar zijn, het volgende. Aan de belanghebbende moet een boete worden opgelegd indien hij (verwijtbaar) onjuiste of onvolledige informatie verstrekt over (wijziging in) feiten en/of omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de verlening van die middelen. Heeft de overtreding geleid tot een benadelingsbedrag, dan dient dit bedrag daarnaast te worden teruggevorderd.

Overigens is het zo dat gedurende de periode van loondoorbetaling de werkgever belang heeft bij informatie over (wijzigingen in) feiten en omstandigheden die van invloed zijn op zijn loondoorbetalingsplicht. Hij kan aan werknemers die nalatig zijn met betrekking tot reïntegratie loondoorbetaling weigeren. In het tweede ziektejaar kan het UWV een dergelijk besluit nemen (met het oog op de uitkeringsverstrekking).

In geval van subsidieverstrekking aan de werkgever dient deze het UWV te informeren over alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de verlening of vaststelling van de subsidie of de hoogte daarvan. Informatie over de medewerking van de betrokken werknemer behoort daartoe. Het UWV zal in haar contacten met arbodiensten/reïntegratiebedrijven afspraken maken over het uitwisselen van informatie. Te verwachten valt dat deze afspraken vorm zullen krijgen door standaard clausules in de contracten.

Indien het UWV opdrachtgever van de reïntegratie is, is deze informatiestroom vanuit dien hoofde veiliggesteld.

Het is de intentie de rechten en plichten van een werknemer die met een persoonsgebonden reïntegratiebudget een traject inkoopt, zoveel mogelijk identiek te laten zijn aan de rechten en plichten in de situatie waarin de werkgever of UWV / gemeente een traject inkoopt. Momenteel wordt op grond van de motie Noorman-den Uyl c.s. (Kamerstukken II, vergaderjaar 2000–2001, 27 588 en 27 665, nr. 34) nagegaan of er wat betreft regelgeving of uitvoering daarvan afwijkingen tussen beide bestaan. In de regeling van het persoonsgebonden reïntegratiebudget is de bepaling opgenomen dat de arbodienst / reïntegratiebedrijf iedere drie maanden gegevens verstrekt aan het UWV. De te sluiten reïntegratieovereenkomsten zullen tevens bepalingen bevatten over de aard van de informatie.

De leden van de PvdA-fractie gaan vervolgens in op de Wet op de medische keuringen (WMK) en vragen of het reïntegratiebedrijf gerechtigd is aan een potentiële werkgever gegevens te verstrekken die de WMK verbiedt aan de sollicitant te vragen.

De WMK bepaalt, dat bij het aangaan van een dienstbetrekking slechts keuringen worden verricht, indien aan de vervulling van de functie, waarop de arbeidsverhouding betrekking heeft, bijzondere eisen worden gesteld op het punt van medische geschiktheid, waaronder ook wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en veiligheid bij de uitvoering van de arbeid. Een keuring houdt in het vragen naar de gezondheidstoestand en medische onderzoeken voorzover relevant voor de aanstelling. Bij een aanstelling gaat het in eerste instantie om de verhouding sollicitant en werkgever. Dus afhankelijk van de aard van het werk dat bij een andere werkgever beschikbaar is, kan worden bepaald welke gegevens aan de potentiële werknemer kunnen worden gevraagd en welk onderzoek kan worden verricht. Alleen die gegevens heeft de potentiële werkgever nodig. Hij kan dan ook niet op andere wijze dan via de «sollicitant» zelf meer gegevens verkrijgen. Dit neemt niet weg, dat het zeer voor de hand ligt, zeker wanneer het reïntegratiebedrijf een arbodienst is, dat de potentiële werkgever de nodige gegevens – binnen de kaders van de WMK – via die arbodienst zal kunnen verkrijgen.

9.3 Klantmanager

De leden van de PvdA-fractie stellen dat het voor de cliënt van belang is om één klantmanager te hebben. Zij vragen waar de klantmanager gesitueerd is: in de CWI, het UWV, de gemeente of het reïntegratiebedrijf? Ook willen deze leden weten of de klantmanager invloed heeft op de primaire processen binnen andere gremia waarin de cliënt geraakt. Begeleidt de klantmanager de cliënt van begin tot einde van het traject, zo vragen deze leden.

In het wetsvoorstel SUWI, artikel 9, staat dat «de CWI, het UWV en de gemeenten bevorderen dat de werkzoekende en de uitkeringsgerechtigde een klantmanager als vast aanspreekpunt wordt toegewezen in hun relaties met de genoemde instanties». Dit betekent dat vanuit één punt bij de uitvoeringsorganisatie de dienstverlening voor de cliënt wordt gecoördineerd. Het is de verantwoordelijkheid van de CWI, het UWV en de gemeenten om hier op adequate en zorgvuldige wijze vorm aan te geven. Het klantmanagement maakt deel uit van het dienstverleningsconcept van de nieuwe zbo's. De uitwerking daarvan is inmiddels krachtig ter hand genomen. Ook bij gemeenten is er in toenemende aandacht voor het inrichten van één aanspreekpunt voor de cliënt. Voor de gemeenten die nog niet hiermee gestart zijn, biedt het Steunpunt Implementatie SUWI ondersteuning.

Tot een zorgvuldige vormgeving van het klantmanagement wordt ook de overdracht van gegevens aan derden gerekend. Tussen de CWI en het UWV enerzijds en de CWI en GSD'en anderzijds worden binnen een landelijk kader, regionale afspraken gemaakt over de tijdigheid en kwaliteit van aanlevering van gegevens (Service Niveau Overeenkomsten). Vanaf het begin zal gevolgd worden of deze afspraken worden waargemaakt of bijstelling behoeven.

De klantmanager zal voor de cliënt geen primaire processen uitvoeren en heeft ook geen invloed op de primaire processen bij een andere organisatie. Evenmin is er sprake van één klantmanager die de cliënt begeleidt langs alle organisaties van begin tot het einde van het traject. Bij de invulling van het klantmanagement door de verschillende kolommen staat echter afstemming tussen de werkprocessen, de overdrachtsmomenten en de belangen van de klant (ketendienstverlening) voorop.

10 Reïntegratie

10.1 Reïntegratiemarkt

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de aanbesteding van reïntegratietrajecten (veiling) wordt verbeterd. In aansluiting hierop vragen deze leden hoe de inspraak en betrokkenheid van de cliënt bij de keuze van een reïntegratiebedrijf gestalte krijgt.

Marktpartijen voeren reïntegratietrajecten uit met behulp van publieke middelen. Het is van belang dat de besteding van die publieke middelen transparant plaatsvindt. Alle geïnteresseerde bedrijven dienen onder gelijke voorwaarden mee te kunnen dingen naar de contracten. De contracten dienen te worden gegund aan de bedrijven met de economisch meest voordelige aanbieding. Om te voorkomen dat de trajecten uitgevoerd zouden worden door «preferred suppliers» heeft het Lisv in 2000 een aanbestedingsprocedure ontwikkeld.

Uit de evaluatie blijkt dat de eerste aanbestedingsprocedure de transparantie op de reïntegratiemarkt ten goede is gekomen, maar dat er verbeteringen mogelijk zijn. Daarom heeft het Lisv in samenwerking met de uitvoeringsinstellingen en het UWV i.o. een nieuwe aanbestedingsprocedure voor het jaar 2002 ontwikkeld. Hierbij wordt expliciet aandacht besteed aan de knelpunten die uit de evaluaties van de eerste aanbestedingsprocedure naar voren komen.

Belangrijke verbeterpunten ten aanzien van de transparantie van de procedure zijn:

• het uitvoeren van één landelijke aanbesteding in plaats van een aanbesteding per uitvoeringsinstelling;

• volledige openheid over de methode van selectie en gunning.

Belangrijke verbeterpunten ten aanzien van de marktwerking zijn:

• een grotere differentiatie naar doelgroepen;

• het aanbesteden van kleinere aantallen regionaal gerichte trajecten;

• meer mogelijkheden voor kleine, innovatieve reïntegratiebedrijven door ketendienstverlening en door 20% van de trajecten buiten de procedure aan te besteden;

• een vorm van resultaatfinanciering waarvan de omvang afhankelijk is van de afstand tot de arbeidsmarkt;

• meer keuzemogelijkheden voor de cliënt om zelf een reïntegratiebedrijf te kiezen.

Voor doelgroepen met een bepaalde minimale omvang zullen meerdere reïntegratiebedrijven gecontracteerd worden. Een cliënt kan dan in veel gevallen samen met zijn contactpersoon bij het UWV kiezen uit het reïntegratieaanbod van verschillende reïntegratiebedrijven. Mocht de cliënt wensen/ideeën hebben die niet binnen dit aanbod ingevuld kunnen worden, dan staat hem of haar (op termijn, waarschijnlijk per 1-1-2003) een persoonsgebonden reïntegratiebudget ter beschikking.

De leden van de PvdA-fractie zijn verheugd over de kan-bepaling in het wetsvoorstel SUWI dat de mogelijkheid opent om ten aanzien van reïntegratiebedrijven vergelijkbare eisen te stellen als ten aanzien van arbodiensten. De leden vragen of het kabinet voornemens is van deze bepaling gebruik te maken. En zo niet, waarom ten aanzien van reïntegratiebedrijven en arbodiensten verschillend wordt gehandeld. De leden van de VVD-fractie vragen of de staatssecretaris van mening is dat de reïntegratiebedrijven, c.q. Borea, in staat zullen zijn op korte termijn hun kwaliteitsborging van de grond te krijgen. Tevens vragen deze leden duidelijkheid over de kwaliteitseisen in die situaties dat arbodienstverlening en reïntegratiedienstverlening convergeren.

De kwaliteit van de reïntegratiediensten is een belangrijk onderdeel van de werking van de reïntegratiemarkt. Kwaliteit laat zich echter moeilijk van bovenaf reguleren: het gevaar is al snel dat de ruimte voor innovatieve bedrijven en werkwijzen te veel ingeperkt wordt. Via de contracteisen van opdrachtgevers worden aan reïntegratiebedrijven een aantal voorwaarden gesteld op het vlak van het werkproces en de professionaliteit en kwalificaties van het personeel. Uit verschillende overwegingen heeft het kabinet het initiatief vooralsnog bij de branche zelf gelegd. Zie ook de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel SUWI (p. 70–72). Borea werkt met een financiële bijdrage van het departement aan kwaliteitscriteria die voor de hele branche (ook niet bij Borea aangesloten reïntegratiebedrijven) relevant zijn. De resultaten van dit project komen in de eerste helft van 2002 beschikbaar.

De ontwikkelingen op de reïntegratiemarkt zullen nauwlettend worden gevolgd. In de vooralsnog jaarlijkse evaluatie van SUWI, waarbij ook de resultaten van het Borea-project betrokken zullen worden, wordt beoordeeld in hoeverre er van overheidswege nadere condities gesteld dienen te worden.

De vergelijking met arbodiensten gaat slechts in beperkte mate op. In de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zijn een aantal taken benoemd waarvoor de werkgever zich door een deskundige instantie moet laten bijstaan. Dit zijn voornamelijk activiteiten waarvan het resultaat – en met name de kwaliteit daarvan – voor de opdrachtgever niet of nauwelijks toetsbaar is. Slechte arbodienstverlening vertaalt zich door in een hoger ziekteverzuim en instroom in de WAO. De hiermee samenhangende financiële lasten worden veelal neergelegd buiten de kring van direct betrokkenen. Deze beperkingen waren destijds een belangrijke aanleiding voor de wetgever om condities op het vlak van de certificering van arbodienstverlening te stellen. Bij reïntegratiediensten geldt dat de kwaliteit in termen van resultaat doorgaans goed vast te stellen is door de opdrachtgever en de opdrachtgever is bovendien financieel verantwoordelijk.

Bij het convergeren van arbo- en reïntegratiedienstverlening zijn bij reïntegratie 1e spoor (de eigen werkgever) de kwaliteitseisen voor arbodiensten van kracht. Bij reïntegratie 2e spoor, zullen, indien daarbij gebruik gemaakt wordt van publieke middelen, de kwaliteitseisen die op dat moment van toepassing zijn voor reïntegratie met publieke middelen van kracht zijn. Indien reïntegratie 2e spoor met publieke middelen wordt uitgevoerd door arbodiensten zullen deze zich ook aan deze eisen inzake reïntegratiediensten moeten houden.

Omgekeerd zijn reïntegratiebedrijven die zich gaan toeleggen op arbodienstverlening gehouden aan certificering krachtens de arbo-wet.

10.2 Opdrachtgeverschap reïntegratie

De leden van de CDA-fractie merken op dat in het Besluit SUWI onder paragraaf 4.2 uitwerking is gegeven aan de subsidieverstrekking aan werkgevers. Volgens deze leden is de regeling onuitvoerbaar, zoals ook diverse veldorganisaties hebben doen weten. Zij vragen of de minister hiermee niet opnieuw het onvoldoende slagen van de reïntegratie over zich afroept.

Anders dan de leden van de CDA-fractie stellen, is het kabinet van oordeel dat de bedoelde subsidieregeling helder en simpel is vormgegeven. Een werkgever behoeft slechts een minimale hoeveelheid gegevens te verstrekken om voor een subsidie in aanmerking te komen: 1. een verklaring van de arbodienst waarin is aangegeven dat de betreffende werknemer arbeidsgehandicapt is en dat voor hem in het bedrijf van zijn werkgever geen passende arbeid voorhanden is; 2. een trajectplan waarin is aangegeven welke diensten voor de betreffende werknemer zullen worden ingekocht; en, 3. afschrift(en) van de schriftelijke overeenkomsten die met het reïntegratiebedrijf of reïntegratiebedrijven zijn gesloten. Het aantal gegevens dat moet worden verstrekt is dus gering. Bovendien kan het UWV in de meeste gevallen op het oordeel van de arbodienst afgaan dat de betrokken werknemer arbeidsgehandicapt is en dat er geen passende arbeid voorhanden is. Voorts behoeft het UWV geen inhoudelijk oordeel te geven over de vraag of een traject in een individueel geval nodig en adequaat is. Dit oordeel kan achterwege blijven, omdat de werkgever het risico loopt dat hij zelf de helft van de trajectkosten moet betalen. Het UWV kan derhalve betrekkelijk eenvoudig beoordelen of een subsidie zal worden verleend. Wanneer de werkgever vervolgens facturen indient van de ingekochte diensten, vergoedt het UWV 50% daarvan. De overige 50% van de trajectkosten wordt door het UWV vergoed nadat is vastgesteld dat de betrokken werknemer gedurende 26 weken bij een andere werkgever heeft gewerkt. Het UWV kan dit vrij eenvoudig doen aan de hand van de gegevens uit de verzekerdenadministratie. Uit het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de regeling goed uitvoerbaar is.

De leden van de CDA-fractie willen op korte termijn beschikken over toegezegde informatie, zoals de voorstellen over de besteding van de reïntegratiesubsidies en de evaluatie van het persoonsgebonden budget.

De besteding van reïntegratiesubsidies door werkgevers en werknemers is vormgegeven in de SUWI-amvb. Deze amvb is middels een voorhangprocedure kenbaar gemaakt aan de Eerste en Tweede Kamer.

De evaluatie van het experiment met persoonsgebonden reïntegratiebudgetten is op 13 juli jl. naar de Tweede Kamer gestuurd (SV/AVF/01/45910). De Eerste Kamer zal hiervan alsnog een afschrift ontvangen.

De leden van de CDA-fractie vragen bijzondere aandacht voor de positie van de kleine werkgevers. Zij vragen of kan worden gegarandeerd dat deze werkgevers over voldoende en deskundige ondersteuning beschikken om arbeidsgehandicapte werknemers buiten het eigen bedrijf te plaatsen.

De werkgever wordt bij de verzuimbegeleiding ondersteund door zijn arbodienst. De arbodienst adviseert de werkgever en de zieke werknemer over herstel, werkhervatting en reïntegratie. Op basis van dit advies beslissen werkgever en werknemer over de weg waarlangs terugkeer naar eigen of aangepast werk binnen het bedrijf dan wel toeleiding naar werk in een ander bedrijf, zal worden bevorderd. Indien reïntegratie naar een ander bedrijf aan de orde is, zal de werkgever een reïntegratiebedrijf inschakelen. Eén van de taken van een reïntegratiebedrijf is om voor de betrokken werknemer passende arbeid te zoeken bij een andere werkgever, indien de eigen werkgever geen passende arbeid voorhanden heeft. Reïntegratiebedrijven zullen zich van elkaar proberen te onderscheiden door het percentage aan plaatsingen dat zij realiseren. Dit levert immers lagere financiële lasten voor de werkgever op in de zin van minder loondoorbetaling of een lagere Pemba-premie. De werkgever, ook de kleine werkgever, zal zodoende over voldoende en deskundige ondersteuning beschikken om arbeidsgehandicapte werknemers buiten het eigen bedrijf te plaatsen.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de uitvoeringsinstellingen verantwoordelijk zijn voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapten die geen werkgever hebben. Deze leden vragen in hoeverre de nieuwe regeling in materiële zin verschilt van de huidige aanpak.

De wetsvoorstellen SUWI en verbetering poortwachter bevatten geen inhoudelijke wijzigingen met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapten zonder werkgever, die een uitkering van een uitvoeringsinstelling (straks: het UWV) ontvangen.

10.3 Persoonsgebonden reïntegratiebudget

De leden van de PvdA-fractie vragen of de mogelijkheid van een persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst ook openstaat voor anderen dan de arbeidsgehandicapte werknemers voor wie in het eigen bedrijf geen passende arbeid aanwezig is, dan wel voor wie geen plaatsingsmogelijkheden in een ander bedrijf zijn. Geldt de persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst ook voor bestaande arbeidsongeschikten, zo vragen deze leden.

De mogelijkheid van een persoonsgebonden reïntegratiebudget wordt vanaf 1 januari 2002 gecreëerd voor arbeidsgehandicapte werknemers. Indien is vastgesteld dat er binnen het bedrijf van hun werkgever dan wel bij een andere werkgever geen passende arbeid voorhanden is en een traject noodzakelijk is om werkhervatting te realiseren, komen zij in principe voor dat budget in aanmerking. Het persoonsgebonden reïntegratiebudget komt zo – onder de twee zojuist genoemde voorwaarden – ook beschikbaar voor bestaande arbeidsongeschikten.

Overigens komt voor cliënten van UWV en gemeenten het persoonsgebonden reïntegratiebudget, afgezien van de bestaande experimentele regeling, eerst op een later tijdstip (in principe per 1 januari 2003) beschikbaar. Het UWV en de gemeenten krijgen zo de tijd hun organisatie op het beoordelen en verstrekken van persoonlijke reïntegratiebudgetten in te richten, alsmede criteria te ontwikkelen op basis waarvan kan worden beoordeeld of cliënten in aanmerking behoren te komen voor een persoonsgebonden reïntegratiebudget.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het mogelijk is om met een persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst een eigen bedrijf te beginnen of als WAZ-gerechtigde het eigen bedrijf zodanig te reorganiseren dat zij hun bestaan als zelfstandige daarna op aangepaste wijze weer kunnen continueren. Ook de leden van de VVD-fractie vragen waarom het persoonsgebonden reïntegratiebudget niet meer gebruikt mag worden om een eigen bedrijf te starten, nu toch blijkt dat arbeidsgehandicapten zelf van mening zijn dat een eigen bedrijf juist beter aansluit bij hun mogelijkheden om weer aan het werk te gaan.

Als bestedingsdoeleinden van het persoonsgebonden reïntegratiebudget gelden: intake, diagnosestelling, aanbodversterking, bemiddeling, plaatsing en nazorg. Dit maakt het mogelijk vergelijkbare activiteiten te financieren als de activiteiten die werkgevers voor hun arbeidsgehandicapte werknemers inkopen en die voor publieke financiering in aanmerking komen. Activiteiten in het kader van het starten van een eigen bedrijf komen niet voor financiering middels een persoonsgebonden reïntegratiebudget in aanmerking. Indien een arbeidsgehandicapte met publieke medefinanciering een eigen bedrijf wil starten, zullen de relevante REA-middelen (starterskrediet) apart aangevraagd moeten worden. Overigens blijven dat instrument en de overige specifieke REA-instrumenten voor arbeidsgehandicapte zelfstandigen onveranderd beschikbaar.

De leden van de PvdA-fractie achten de regelgeving rond het persoonsgebonden reïntegratiebudget nodeloos omslachtig. Het argument hiervoor, namelijk dat de cliënt anders zelf ook juridisch-technische afspraken moet maken met het reïntegratiebedrijf van zijn keuze, achten zij weinig overtuigend. Zij vrezen dat veel tijd verloren gaat aan procedures. De leden van de VVD-fractie zien het gevaar dat strakke regelgeving nu juist met zich brengt dat de uitvoeringsinstellingen in feite de regie weer overnemen bij hun beoordeling van het persoonsgebonden reïntegratiebudget dan wel dat het gebruik daarvan niet van de grond komt.

De regelgeving omtrent het persoonsgebonden reïntegratiebudget is mede gebaseerd op de ervaringen opgedaan tijdens het experiment. Deze ervaringen geven aanleiding de toekomstige, landelijke regeling veel duidelijker in te kaderen dan de huidige zeer ruime experimentregeling. Uit de evaluatie van het experiment blijkt dat het beoordelen van de aanvragen vaak leidt tot zeer lange procedures, veroorzaakt door het ontbreken van regels hieromtrent. Het concept Besluit SUWI beoogt hierin standaardisering aan te brengen, door het formuleren van duidelijke criteria op grond waarvan trajecten getoetst kunnen worden. Tevens zijn de termijnen voor het aanvragen van een persoonsgebonden reïntegratiebudget en het beoordelen daarvan zo beperkt mogelijk gehouden.

Voor arbeidsgehandicapte werknemers komt het persoonsgebonden reïntegratiebudget vanaf 1 januari 2002 beschikbaar in een vorm waarin het UWV wordt verzocht met een arbodienst/reïntegratiebedrijf een overeenkomst te sluiten die is gericht op arbeidsinschakeling. Deze overeenkomst wordt gesloten met het door de werknemer geselecteerde bedrijf en heeft tot doel om het door de werknemer (in overleg met het door hem geselecteerde bedrijf) opgestelde reïntegratietraject te realiseren. Argument voor die vorm is het voorkomen dat de werknemer wordt geconfronteerd met administratieve, financiële en juridische rompslomp rond (de aanvraag van) het persoonsgebonden reïntegratiebudget. Het UWV weet bijvoorbeeld als geen ander welke verantwoordingsgegevens aangeleverd dienen te worden in het kader van de uitvoering van het persoonsgebonden reïntegratiebudget. Tevens wordt op deze manier voorkomen dat de persoonlijke financiële situatie van de werknemer ertoe kan leiden dat er problemen ontstaan bij het betalen van het geselecteerde bedrijf. Ook juridische problemen met betrekking tot de correcte nakoming van de overeenkomst door het geselecteerde bedrijf komen op de voorgestelde wijze niet bij de werknemer, maar bij het UWV terecht. Gezien het voorgaande lijkt het het meest praktisch dat het UWV rechtstreeks met de uitvoerende arbodienst / reïntegratiebedrijf een overeenkomst sluit. Zo ontstaat juist het voordeel van tijdwinst in vergelijking met de situatie waarin de aanvrager van een persoonsgebonden reïntegratiebudget, onbekend met deze materie, dit zelf zou moeten regelen. De rol van het UWV is voor wat betreft de inhoud van het traject beperkt tot het marginaal beoordelen van het trajectplan dat aan verstrekking van het persoonsgebonden reïntegratiebudget ten grondslag ligt.

Mocht in de praktijk blijken dat het eigen initiatief van degenen die met een persoonsgebonden reïntegratieovereenkomst hun reïntegratie zelf willen organiseren, onvoldoende tot ontplooiing kan komen, doordat niet de cliënt maar het UWV de overeenkomst met het reïntegratiebedrijf sluit, dan kan alsnog worden overwogen de mogelijkheid te openen het persoonsgebonden reïntegratiebudget ook vorm te geven in de subsidievariant (het geld ter financiering van het persoonsgebonden reïntegratiebudget gaat dan rechtstreeks naar de cliënt, deze sluit zelf een contract met het reïntegratiebedrijf en zorgt voor de noodzakelijke informatievoorziening van het UWV) zoals in het wetsvoorstel Invoeringswet SUWI opgenomen.

11 Toezicht

11.1 De situering van het toezicht

De leden van de fractie van het CDA betuigen, vanuit de opvatting dat het toezicht op gemeenten niet bij een zbo kan worden gepositioneerd, steun aan de door het kabinet voorgestelde toezichtstructuur op het terrein van werk en inkomen. De CDA-fractie tekent hierbij echter aan niet overtuigd te zijn van de overige argumentatie met betrekking tot de ongewenste inperking van het ministeriële toezicht en het niet te ver uit elkaar plaatsen van het toezicht en de aansturingsfunctie. De leden van de fractie van de VVD zijn van opvatting dat de positionering van de IWI binnen het Ministerie van SZW waarborgen voor een professioneel toezicht geeft. Deze leden informeren naar de binnen het Ministerie van SZW te treffen regelingen die ertoe leiden dat de door de Inspectie geconstateerde tekortkomingen in de uitvoering een vervolg vinden in een correctief optreden door de bewindslieden naar de uitvoeringsorganisaties. De leden van de fractie van de PvdA benadrukken het belang van een adequaat toezicht op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering van de wettelijke taken. Zij achten de argumentatie dat toezicht door een onafhankelijk zbo niet mogelijk is, niet overtuigend. Deze leden vragen zich in dit verband af waarom het toezicht op zbo's en het toezicht op gemeenten onder één noemer gebracht moet worden. Daarnaast vragen deze leden waarom het toezicht onder volledige ministeriële verantwoordelijkheid moet functioneren en hoe dit zich verhoudt tot de onafhankelijkheid van het toezicht ten opzichte van het beleid. Als voorbeeld wordt door deze leden de deelname van de inspecteur-generaal aan het overleg met de secretaris-generaal met de directeuren-generaal van het ministerie genoemd. De leden van de fractie van D66 betwijfelen of een bij het departement ondergebrachte toezichthouder kan voldoen aan de basisvoorwaarden voor een onafhankelijke positie en uitvoering. Naar de mening van deze leden vormt een zbo-constructie de betere oplossing. Nu het aan de Inspectie opgedragen toezicht signalerend van aard is ontgaat het deze leden waarom het toezicht op gemeenten vanuit bestuurlijke overwegingen problematisch is. Nu de toezichthouder niet treedt in de aansturing van de uitvoerders gaat de vergelijking met het reguliere bestuurlijke toezicht door hogere bestuurlijke instanties naar de mening van deze leden niet op.

Aan de door het kabinet voorgestelde toezichtstructuur liggen een drietal belangrijke uitgangspunten ten grondslag, te weten:

1. de integratie van het toezicht op het terrein van werk en inkomen;

2. de minister moet zijn verantwoordelijkheid voor het toezicht ten opzichte van het parlement volledig waar kunnen maken, mede in relatie tot zijn toenemende verantwoordelijkheid voor de aansturing van de uitvoeringsorganisaties;

3. de onafhankelijkheid van het toezicht dient te zijn gewaarborgd.

Het onderbrengen van het toezicht in een zbo, zoals bepleit door de leden van de fractie van D66, doet in haar uitwerking afbreuk aan het onder 1 genoemde uitgangspunt. Zoals reeds eerder in de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel SUWI uitvoerig is onderbouwd, is het kabinet van oordeel dat het positioneren van toezichttaken met betrekking tot gemeenten bij een zbo zich niet verhoudt met het Nederlandse stelsel van staatsrechtelijke en bestuurlijke verhoudingen. Het feit dat het toezicht door de Inspectie een signalerend karakter draagt neemt dit bezwaar niet weg. In dit verband wordt het als ongewenst aangemerkt dat een interventie door de minister jegens gemeenten gebaseerd is op de bevindingen en met name de oordeelsvorming van een toezichthoudend zbo. Een «knip» in het toezicht op gemeenten enerzijds en het toezicht op de overige uitvoerders anderzijds doet naar de mening van het kabinet in belangrijke mate afbreuk aan de effectiviteit van het toezicht.

Het kabinet acht het van groot belang dat het toezicht op de taakuitvoering door de uitvoerders op het terrein van werk en inkomen wordt geïntegreerd. De met het wetsvoorstel SUWI beoogde samenhang in de uitvoering, tot uitdrukking komend in een sterke samenhang en onderlinge interactie in uitvoeringsprocessen van de verschillende uitvoerders, pleit nadrukkelijk voor een geïntegreerd toezicht.

De keuze voor een toezichthoudend zbo impliceert naar de mening van het kabinet ook een – in het licht van de nieuwe uitvoeringsstructuur – zeer ongewenste inperking van de ministeriële verantwoordelijkheid voor het toezicht en – in het verlengde daarvan – van zijn verantwoordelijkheid voor en zijn mogelijkheden tot een meer directe aansturing van de uitvoering. In het kader van een minder gelaagde en meer integrale beleidsuitvoering is het van belang dat zowel de toezichtfunctie als de aansturingsfunctie bij het departement worden ondergebracht. Dit biedt waarborgen voor een adequate aansluiting tussen de toezichtprocessen en de departementale processen. In dit kader dient ook de deelname van de inspecteur-generaal aan het periodieke overleg van de secretaris-generaal met de directeuren-generaal van het ministerie te worden beschouwd. De nadrukkelijk ook door het kabinet beoogde onafhankelijkheid van het toezicht neemt niet weg dat afstemming tussen de toezichtprocessen en overige departementale processen in het belang van een effectief toezicht geboden is. In het ontwerpbesluit Taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen wordt benadrukt dat de deelname van de inspecteur-generaal aan het overleg de onafhankelijkheid van de taakuitoefening door de Inspectie niet mag aantasten. Er worden de nodige maatregelen binnen de departementale organisatie getroffen die ertoe zullen leiden dat de toezichtbevindingen enoordelen juist en tijdig worden betrokken in de, daar waar nodig correctieve, aansturing van de uitvoerders.

Opgemerkt wordt nog dat de Raad van State nadrukkelijk steun heeft betuigd aan het onder directe verantwoordelijkheid van de minister plaatsen van het toezicht (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 588, A).

Met betrekking tot de onafhankelijkheid van het toezicht wordt vooropgesteld dat het door de betreffende fracties uitgesproken belang van een professionele, onafhankelijke en (voldoende) zelfstandige toezichthouder op het terrein van werk en inkomen volledig door het kabinet wordt onderschreven.

De kern van onafhankelijk toezicht is dat:

• de oordeelsvorming in volledige autonomie door de toezichthouder plaatsvindt los van enig belang, anders dan het algemeen maatschappelijke belang;

• de toezichtsbevindingen niet worden beïnvloed door politiek-bestuurlijke afwegingen;

• de minister niet treedt in concrete toezichtbevindingen van de Inspectie en dat het parlement en andere belanghebbenden ongeclausuleerd kunnen kennisnemen van de toezichtbevindingen van de Inspectie.

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel SUWI in de Tweede Kamer zijn bij amendement aanvullende waarborgen voor een onafhankelijke, zelfstandige en transparante taakuitoefening door de IWI aan het wetsvoorstel toegevoegd. Deze waarborgen zouden oorspronkelijk op amvb-niveau worden vastgelegd.

Het gaat hierbij om de vastlegging in het wetsvoorstel dat:

• de IWI het jaarplan vaststelt;

• de minister de Eerste en Tweede Kamer zal informeren over zijn voornemen om de Inspectie toestemming te onthouden voor het verrichten van niet in het jaarplan opgenomen of aanvullende werkzaamheden;

• de minister de Eerste en Tweede Kamer zal informeren over zijn voornemen om aan de Inspectie op te dragen andere dan de wettelijke taken, dan wel uit het jaarplan voortvloeiende werkzaamheden, te verrichten;

• de Inspectie zorgdraagt voor de verspreiding van en de voorlichting over het jaarverslag en de overige rapportages;

• de Inspectie op verzoek van de minister een toezichtbaarheidstoets op voorgenomen regelgeving uitvoert.

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel SUWI in de Tweede Kamer is toegezegd om overeenkomstig de praktijk bij andere inspecties te regelen dat de inspecteur-generaal Werk en Inkomen de Kamers rechtstreeks over toezichtsbevindingen kan informeren. Deze verkenning bij andere inspecties heeft inmiddels plaatsgevonden. In het Organisatie-, Mandaat- en Volmachtbesluit SZW zal worden bepaald dat de inspecteur-generaal Werk en Inkomen wordt gemachtigd om op verzoek van (één van) de Kamer(s) het jaarverslag op het terrein van werk en inkomen alsmede afzonderlijke rapportages van de Inspectie in de Kamer toe te lichten.

Naar het oordeel van het kabinet is de onafhankelijkheid van het toezicht op de hierboven geschetste wijze in opzet gewaarborgd. Het parlement is in staat zich een oordeel te vormen over de onafhankelijkheid van de taakuitoefening door de Inspectie en de minister is hierop aanspreekbaar.

De taakuitoefening van de Inspectie wordt aanvullend uitgewerkt in het «Besluit Taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen». Het ontwerp-besluit is bij brief van 23 augustus 2001 bij de Eerste en Tweede Kamer voorgehangen. Met het besluit wordt de institutionele inbedding van de Inspectie in het departement, als aanvullende expliciete waarborg voor onafhankelijkheid, bereikt.

De leden van de CDA-fractie vragen of de inrichting van de Inspectie voldoende aandacht krijgt nu de benoeming van de inspecteur-generaal die de inrichting en organisatie van de inspectie moet regelen nog niet heeft plaatsgevonden.

De inrichting van de Inspectie is een ingewikkeld traject, ook omdat geen onomkeerbare stappen zijn gezet. Na de aanvaarding van het wetsvoorstel SUWI door de Tweede Kamer zijn de voorbereidingen voor de integratie van de bestaande toezichthouders geïntensiveerd. De voorbereidingen op het feitelijk samengaan van beide organisaties in de IWI zijn inmiddels gestart. Dit geldt ook voor de reguliere procedure via de Algemene bestuursdienst, die naar verwachting op korte termijn kan leiden tot de benoeming van een inspecteur-generaal Werk en Inkomen. In afwachting daarvan is ten behoeve van de aansturing van het integratietraject een tijdelijke voorziening getroffen. Uitgangspunt is een operationele toezichthouder per 1 januari 2002, die voldoende is toegerust om de wettelijke taken uit te oefenen. Het toezicht op het going concern is zowel voor als na die datum gewaarborgd. Het jaar 2002 zal in het teken staan van (verdere) organisatie-ontwikkeling.

11.2 Toezicht op de Raad voor werk en inkomen

De leden van de CDA-fractie benadrukken het belang van een verduidelijking van het toezicht op de Raad voor werk en inkomen.

Zodra de subsidieregeling van de Raad voor werk en inkomen vorm heeft gekregen en de verhoudingen c.q. taakverdeling tussen de Raad voor werk en inkomen, het Ministerie van SZW en andere relevante organen zijn beslag heeft gekregen, zal het toezicht op de Raad voor werk en inkomen nader worden uitgewerkt. Naar verwachting zal deze uitwerking ten tijde van de derde voortgangsrapportage SUWI gereed zijn en aan de Tweede Kamer – in afschrift aan de Eerste Kamer – worden aangeboden.

11.3 Toezicht op reïntegratiemiddelen

De leden van de CDA-fractie stellen de vraag over de reikwijdte van het toezicht op reïntegratiemiddelen, hierbij verwijzend naar de inzet van publieke middelen binnen de geprivatiseerde reïntegratiemarkt en vragen of er hier geen sprake is van een moeilijk op te lossen spanning.

In de Nota's naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer bij de wetsvoorstellen SUWI en Invoeringswet SUWI wordt uitvoerig stilgestaan bij het voorgenomen toezicht op de publieke opdrachtgevers op de reïntegratiemarkt. Uitgangspunt voor het kabinet is een adequaat toezicht op de rechtmatige en doelmatige besteding van de voor reïntegratie bestemde publieke middelen. Het toezicht op de uitvoerders van reïntegratietaken zal in belangrijke mate bij dienen te dragen aan het verkrijgen van inzicht in de werking van het uitvoeringsstelsel, waaronder begrepen de reïntegratiemarkt. Het wetsvoorstel SUWI omvat een extra waarborg op grond waarvan de toezichthouder, indien er sprake is van gerede twijfel aan de juistheid of volledigheid van de verantwoordingsinformatie van de publieke opdrachtgevers, de publieke opdrachtgever kan opdragen zo nodig bij de opdrachtnemer een review door een derde accountant te laten uitvoeren. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel SUWI in de Tweede Kamer is de motie van mevrouw Noorman van de PvdA-fractie aanvaard op grond waarvan het kabinet een uitgewerkt voorstel met betrekking tot een heldere verantwoording en een integraal toezicht op reïntegratiemiddelen zal presenteren. Het voorstel zal in het bijzonder aandacht besteden aan de samenloop van private en publieke reïntegratiemiddelen, alsmede ESF-middelen. De uitwerking zal als bijlage bij de derde Voortgangsrapportage SUWI worden gevoegd.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de voortgang van de aangenomen motie Noorman op grond waarvan een notitie met betrekking tot het toezicht op en verantwoording over rechtmatigheid en doeltreffendheid van de besteding van publieke reïntegratiemiddelen zal worden aangeleverd. In dit verband vragen deze leden of het betrekken van de NMa bij de vormgeving van het toezicht op publieke middelen in de markt niet als een oneigenlijke taak voor de NMa moet worden beschouwd.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel SUWI in de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over het toezicht op de uitbesteding door gemeenten en ook over een eventuele rol van de NMa in dit verband. In antwoord op die vragen is een brief naar de Tweede Kamer gezonden, waarin op hoofdlijnen werd aangegeven hoe het toezicht is geregeld en waarin ook is ingegaan op de rol van de NMa als toezichthouder in dit verband (dit op verzoek van de leden van de Kamer). Die rol houdt kort gezegd in, dat de NMa toezicht houdt op naleving van de mededingingswet door de reïntegratiebedrijven. Ook is een rol voor de NMa voorzien in het wetsvoorstel Markt en Overheid, dat regels stelt voor het verrichten van marktactiviteiten door overheidsbedrijven.

Het toezicht op de uitvoering van de (wettelijke) reïntegratietaken door de opdrachtgevers (gemeenten, UWV) wordt niet uitgeoefend door de NMa, maar onder verantwoordelijkheid van de Minister van SZW door de IWI.

Het kabinet zal uitgebreider op het onderwerp van toezicht en verantwoording van publieke reïntegratiemiddelen ingaan bij de derde Voortgangsrapportage SUWI die in november is voorzien. Daarbij zullen de toegezegde notities (de uitwerking van de motie-Noorman en de notitie over uitbesteding door gemeenten) als bijlage worden gevoegd.

11.4 Toezicht op klantvriendelijkheid

De leden van de VVD-fractie vragen wie beoordeelt of het UWV zijn taken goed en klantvriendelijk vervult. In dit verband vraagt de VVD-fractie of de Inspectie jegens het UWV en de gemeenten uitsluitend een signaleringsfunctie heeft.

Op grond van artikel 36 van het wetsvoorstel SUWI is de Minister van SZW verantwoordelijk voor het toezicht op het UWV. Onder verantwoordelijkheid van de minister wordt het toezicht op de recht- en doelmatigheid van het UWV uitgeoefend door de IWI. Klantvriendelijkheid is een van de prestatie-indicatoren waarover met het UWV afspraken worden gemaakt. De Inspectie zal erop toezien dat het UWV zich aan deze afspraken houdt. De Inspectie heeft een signalerende taak.

In de «agenda voor de toekomst» zijn afspraken gemaakt tussen de minister en VNG om de kwaliteit van de dienstverlening, waaronder de klantvriendelijkheid te bevorderen. Deze afspraken worden nog uitgewerkt in een actieplan.

De kerntaak van de Inspectie is signalering en oordeelsvorming over rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering. De kwaliteit van de dienstverlening zal ook worden betrokken in de oordeelsvorming.

11.5 Ontwerp-besluit taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen

De leden van de CDA-fractie vragen naar een verduidelijking van artikel 3 van het ontwerp Besluit taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen. Dit artikel bepaalt dat de Inspectie haar wettelijke taken uniform uitoefent tenzij de bestuurlijke positie van de betrokken bestuursorganen dan wel bijzondere omstandigheden tot afwijking nopen. Deze leden vragen of deze uitzondering alleen betrekking heeft op de gemeenten en of de CWI integraal onder de uniforme taakuitoefening valt.

Artikel 3 van het ontwerp Besluit taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen beoogt aan te geven dat het toezicht uniform wordt uitgeoefend, tenzij er aanleiding is om hiervan af te wijken. Die aanleiding doet zich in elk geval voor bij gemeenten nu deze zelf verantwoordelijkheid dragen voor de inrichting en regeling van de eigen huishouding, zelf beleidsruimte invullen en hierover verantwoording aan de eigen democratisch gekozen organen afleggen. Dit impliceert dat het doelmatigheidstoezicht op gemeenten zich beperkt tot de doeltreffendheid van de uitvoering van taken. Ten aanzien van zbo's, waaronder de CWI, is er op voorhand geen aanleiding van het uitgangspunt van uniformiteit van toezicht af te wijken. Dit is ook het vertrekpunt voor de (verdere) ontwikkeling van het toezicht op de CWI en de toezichtactiviteiten van de IWI. Dit sluit echter niet uit dat zich ook in de vormgeving van het toezicht op de CWI bijzondere omstandigheden kunnen aandienen die op onderdelen tot afwijking van het uitgangspunt van uniformiteit leiden.

12 ICT, administratie, gegevensuitwisseling, informatievoorziening

12.1 Privacy-aspecten

De leden van de PvdA-fractie wijzen naar artikel 8, zesde lid, van de Wet REA, dat gaat over de gegevensverstrekking aan reïntegratiebedrijven. Deze regeling houdt in, dat het wettelijk is toegestaan, dat gegevens worden verstrekt, zonder toestemming van de cliënt. Deze leden achten dit niet wenselijk en zij vragen of het niet meer voor de hand ligt dat het reïntegratiebedrijf met de cliënt bepaalt welke gegevens noodzakelijk zijn en zo nodig machtiging vraagt. Op die wijze blijft de cliënt op de hoogte welke gegevens worden overgedragen. Deze leden hebben er verder kennis van genomen, dat de reïntegratiebedrijven «reglementsplichtig» zijn in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens, maar zij misten een dwingende bepaling over de vernietiging van gegevens.

Het kabinet begrijpt en deelt de zorg die spreekt uit de vraag. Het voornemen bestaat om de gegevensuitwisseling tussen publieke opdrachtgevers en reïntegratiebedrijven aan nadere kaders te binden, zodat voor iedere cliënt op voorhand duidelijk is, welke gegevens bij de opdrachtnemer terecht kunnen komen en welke niet. Het door deze leden aangehaalde artikellid komt ook in de andere bepalingen voor die voorschrijven, dat de uitvoering van de werkzaamheden, die betrekking hebben op de reïntegratie wordt opgedragen aan reïntegratiebedrijven (of arbodiensten). Deze bedrijven zullen in verband daarmee ten minste moeten kunnen beschikken over de gegevens van de werknemers of uitkeringsgerechtigden, waarvoor reïntegratieactiviteiten moeten worden ontwikkeld, inclusief het sofi-nummer. Het betreft dan ook de soort persoonsgegevens, die bij de uitvoeringsinstanties en werkgevers aanwezig zijn in verband met de uitvoering van hun wettelijke taak. Juist in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is in deze artikelleden ook nog bepaald, dat de aldus verkregen gegevens door het reïntegratiebedrijf slechts mogen worden gebruikt voor deze werkzaamheden in opdracht. Omdat in de socialezekerheidswetten is gekozen voor een stelsel, waarin aangeduid wordt in welke gevallen persoonsgegevens mogen worden verstrekt, is dit nadrukkelijk geregeld in genoemd artikellid. Ook zonder deze bepaling zou het verstrekken van deze gegevens op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) zijn toegestaan zonder toestemming van de betrokkene. Naast het feit, dat het gaat om de uitvoering van een wettelijke verplichting tot het uitbesteden van de uitvoering van de reïntegratietaak, betreft het hier ook gegevensverwerking, die noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst (een andere rechtvaardigingsgrond voor verwerking van gegevens naast het verlenen van toestemming). Echter in verband met het bijzondere karakter van de overeenkomst, zijn daaraan bij amvb nadere eisen gesteld. In dat verband is bepaald, dat het reïntegratiebedrijf verplicht is de persoonlijke levenssfeer van de te reïntegreren persoon te beschermen overeenkomstig een reglement dat aan die persoon wordt overgelegd. Dit reglement dient in algemene zin inzicht te geven welke gegevens met welk doel worden verwerkt, wat de herkomst van de gegevens is, maar ook hoe lang ze zullen worden bewaard en wanneer ze zullen worden verwijderd (en vernietigd). De leden van de PvdA-fractie hebben gelijk, wanneer ze stellen, dat er in het kader van de wetsvoorstellen SUWI en Invoeringswet SUWI geen bepaling is opgenomen over bewaartermijnen (en vernietiging) voor deze gegevens. Echter, de bepaling over de reglementsverplichting houdt wel in dat aan die bewaartermijn aandacht moet worden besteed.

Voorts is nog van belang dat, in aansluiting op het SUWI-gegevensregister, bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld om de inhoudelijke berichtdefinities voor dit soort overdrachten nauw te omschrijven en in te kaderen. Het gaat daarbij naar het huidig inzicht om tamelijk objectieve gegevens, bijvoorbeeld over de aard van de beperking van de cliënt om werkzaamheden te verrichten. Als in bijzondere gevallen meer nodig is, dan kan het gaan om medische gegevens, die door de huisarts aan de bedrijfsarts van het reïntegratiebedrijf kunnen worden verstrekt, onder het regime van het medisch beroepsgeheim; dit kan dan alleen plaatsvinden met toestemming van de cliënt, op de wijze vergelijkbaar met de suggestie die deze leden hebben gedaan.

De leden van de fractie van de PvdA wijzen erop dat niets is geregeld met betrekking tot de gegevensuitwisseling met verzekeraars, terwijl veel werkgevers op hun inspanningen leunen. Zo hebben zij geen inzage in het plan van aanpak noch op informatie over de voortgang, aldus deze leden.

Anders dan bij de wettelijke verzekering is bij de particuliere verzekering de werknemer geen partij. De particuliere verzekeraar kan in de polisvoorwaarden de werkgever, als verzekerde partij, verplichten om gegevens over het voorkómen en de duur van het verzuim van zijn werknemers te verschaffen. Wanneer het echter gaat om overige gegevens die van belang zijn om de reïntegratie-inspanningen te beoordelen, krijgt de verzekeraar die alleen met uitdrukkelijke toestemming van de werknemer. De benodigde gegevensuitwisselingen geschieden op grond van en met inachtneming van de WBP.

De particuliere verzekering heeft vooral betrekking op de loondoorbetaling in het eerste ziektejaar. Om een goede afstemming te garanderen tussen de verschillende actoren in het eerste jaar zijn de verzekeraars betrokken bij de werkgroep protocollering reïntegratieverslag en bij de stuurgroep verbetering poortwachter.

Indien particuliere verzekeraars zich bij opening van de reïntegratiemarkt op de markt voor arbodienstverlening zouden begeven, dienen zij aan dezelfde eisen te voldoen als de arbodiensten. Voor hen gelden dan dezelfde voorschriften met betrekking tot de gegevensuitwisseling als voor arbodiensten. Tevens zouden de verzekeraars zich rechtstreeks op de markt voor reïntegratiebedrijven kunnen begeven. Ook dan geldt dat zij aan dezelfde eisen moeten voldoen als de andere reïntegratiebedrijven. In het wetsvoorstel SUWI zijn specifieke bepalingen opgenomen over de gegevensuitwisseling met reïntegratiebedrijven.

12.2 Stand van zaken ICT en kosten

De leden van de VVD-fractie hebben diverse vragen gesteld over de gemeenschappelijke intake werk en inkomen in de CWI, de doorgifte van intake-gegevens aan het UWV, hergebruik van delen van Agora en kosten. Ook is nadere toelichting gevraagd over tijdpad en kosten voor de integratie van de uvi-systemen.

CWIntake

Volgens de huidige stand van voortgang en resterende planning, zal het CWI-intakesysteem (CWIntake) in oktober klaar zijn, conform de planning. Daarna volgt de fase van testen, aanpassen en in gebruik nemen.

De CWIntake stelt de CWI in staat gegevens geautomatiseerd te ontvangen, her te gebruiken, en geautomatiseerd door te leveren aan de primaire ketenpartners, zoals UWV en gemeenten. De implementatie in de CWI stelt echter eisen aan de infrastructuur en de kantoorautomatisering (KA). Beide voldoen nog niet aan die eisen. Niettemin kan vanaf begin november, na een gebruikerstest en de initiële opleidingen, de implementatie van CWIntake aanvangen, gecombineerd met de opwaardering van infrastructuur en KA.

Om het systeem met zijn koppelingen in de volle breedte operationeel te krijgen is nog een forse slag nodig. Voor aanvang van geautomatiseerde doorgifte zal een ketentest moeten plaatsvinden. De ketentest beproeft de goede werking van het automatisch verstrekken van gegevens uit het UWV op basis van sofi-nummers en het automatisch verstrekken van gegevens (WW- en ABW-berichten) aan de Sectorale Aanspreekpunten (SAP's) van het UWV, nu operationeel, en de GSD'en, in ontwikkeling in samenwerking met het IB. Die test zal, behoudens onvoorziene omstandigheden, voor het eind van het jaar afgerond zijn. De voorwaarden voor doorgifte van intake-gegevens in de tussenschakels van de keten zijn daarmee gerealiseerd.

Vervolgens moeten UWV en gemeenten hun functionaliteit beschikbaar en operationeel hebben om de intake-gegevens in te kunnen lezen. Aansluiting en verwerking zal voor het UWV zo vroeg mogelijk in 2002 plaatsvinden. Bij gemeenten wordt het tempo van aansluiting van de gemeenten op het IB gevolgd.

Per januari 2002 is CWIntake in een beperkt aantal voorhoede CWI operationeel beschikbaar, toegroeiend naar ca. 20 à 30 in het voorjaar. Beoogd wordt CWIntake in de loop van 2002 in alle 131 CWI operationeel te hebben. In de tussenliggende periode wordt voorzien in tussenoplossingen voor het gegevensverkeer (standaardformulieren, faxen) en ondersteuning door middel van ICT binnen de CWI. Doordat aan de voorzijde, bij de CWI, wel de inkijk op UWV-gegevens, op PGI-gegevens en de GBA-verificatie zullen plaatsvinden, zal per aanvang 2002 wel een kwalitatief hoogwaardige set intakegegevens voor UWV en GSD'en beschikbaar kunnen komen. Na een periode van inregelen en gewennen, zal bij UWV en GSD het proces van vaststelling van de uitkering hier in 2002 reeds doelmatiger door worden.

De intake bij de CWI, op papier of in het nieuwe systeem uitgevoerd, kent voorts in het werkproces een nauwe koppeling met Werk.nl (virtuele beursvloer voor arbeid). In Werk.nl zijn twee modules van Agora hergebruikt, de zogenaamde «Beroepen en Opleidingen Module» en de matchingsmodule. CWIntake zelf is een voorziening die nieuwe werkprocessen ondersteunt en die in zeer korte tijd tot stand is gekomen, puttend uit de intakemodule van CVCS, de specificaties van Agora en aanvullende inzichten uit de pilots. Maar het sluit aan op het huidige referentiewerkproces CWI.

Nieuw «corporate systeem» voor ICT

In het Beleidsplan ICT bij het grofontwerp SUWI is eerder dit jaar aangegeven dat op grond van een nieuwe basisarchitectuur voor de CWI-informatievoorziening in 2002 de voorbereidingen worden gestart voor een nieuw «corporate systeem», dat meer functionaliteiten, voor alle wettelijke CWI-taken zal omvatten. Over de kosten daarvan valt nog niet veel te zeggen, omdat de basisarchitectuurstudie, overeenkomstig de planning in het Beleidsplan ICT, nog niet is afgerond.

UWV en ICT

De systemen van de uvi's zullen per januari 2002 nog als afzonderlijke systemen bestaan. Het programma voor integratie van deze systemen tot één UWV-brede architectuur is nog in ontwikkeling. Het concept bedrijfsplan van de UWV laat de volgende ICT-strategie zien:

1. één uitstraling naar buiten (1 januari 2002);

2. de inrichting van de polisadministratie, inclusief implementatie van administratieve lastenverlichting;

3. de migratie naar één ICT-stelsel voor het UWV als geheel.

Op grond van referentiegegevens van andere grootschalige fusies en trajecten is, aan de hand van het bedrijfsplan UWV, een beoordelingsgrondslag voor de kosten in ontwikkeling. Deze beoordeling kan pas plaatsvinden, nadat het Bedrijfsplan UWV is vastgesteld.

De leden van de fractie van het CDA constateren dat anno 2002 gemeenten de CWI-intake handmatig in hun eigen ABW-systemen dienen in te voeren en nog niet kunnen inkijken op de gegevens van gemeenten.

Het kabinet is het met de CDA-fractie eens dat elektronische verwerking van gegevens en inkijk in bestanden uiterst gewenst is. Op dit moment is de situatie zo dat gemeenten gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van een Abw-uitkering (tijdens en na het contact met de cliënt) handmatig vastleggen in de geautomatiseerde systemen. De procedure na 1 januari 2002 kent één verschil: het contact met de klant vindt bij de CWI plaats, terwijl de invoer van gegevens voorlopig nog steeds handmatig bij gemeenten plaatsvindt. In de loop van 2002 gaat dit laatste overigens wel veranderen.

Een noodzakelijke voorwaarde voor elektronische verwerking van de intake-gegevens in de systemen van de gemeenten en realisatie van de inkijk in bestanden van gemeenten door de CWI, is de opwaardering van het IB tot zogenaamd sectoraal aanspreekpunt (SAP). Het SAP is een elektronisch schakelpunt tussen het CWI en UWV enerzijds en gemeenten anderzijds. Een andere noodzakelijke voorwaarde is de uniformering van gegevensdefinities. Dit laatste is inmiddels afgestemd en wordt voor 1-1-2002 bij ministeriële regeling vastgesteld.

Op dit moment wordt het IB gebouwd, als instrument voor de bestrijding van fraude en voor de verbetering van de doelmatigheid van de gemeenten. Dat wordt naar verwachting eind 2001 opgeleverd en in 2002 geïmplementeerd bij de individuele gemeenten. Omdat de bouw van het IB op zich al een uiterst complex project is, is er voor gekozen de SAP-functionaliteit geen onderdeel te laten zijn van deze eerste stap, temeer omdat op het moment dat met de aanbesteding hiervan werd begonnen (juli 2000) de functionele eisen voor zo'n SAP nog niet bekend konden zijn. De tweede stap bij het IB is de uitbreiding van de functionaliteit tot een SAP voor gemeenten binnen SUWInet. De stichting Inlichtingenbureau heeft opdracht gekregen deze functionaliteit te realiseren en de voorbereiding hiervoor is in volle gang, uiteraard in overleg met de Veranderorganisatie en binnen de kaders die voor SUWInet zijn vastgesteld. Dit SAP zal volgens planning in 2002 worden afgerond. In de 2e helft van 2002 kunnen gemeenten volgens planning de intake-gegevens automatisch van de CWI ontvangen. Op dat moment is tevens een belangrijke noodzakelijke voorwaarde ingevuld om CWI te laten inkijken bij gemeenten. Het tempo van realisatie van die inkijk is vervolgens afhankelijk van het tempo waarin gemeenten de gegevens geautomatiseerd ter beschikking kunnen stellen.

12.3 Cliëntvolgsysteem en Inlichtingenbureau

De leden van de CDA-fractie vragen of bewindslieden de zorg delen dat het cliëntvolgsysteem, waar cliënten het meest baat bij hebben, minder aandacht krijgt dan het bedrijfsverzamelgebouw als verzamelpunt van dienstverlening op één locatie.

Het kabinet deelt deze zorg niet. Het kabinet heeft in de ICT-nota, die als bijlage bij het grofontwerp naar het Parlement is gestuurd, aangegeven hoe het cliëntvolgsysteem wordt benut. Belangrijk onderdeel van de ICT-nota is SUWInet, waarin elementen van CVCS zijn verwerkt en waarin gebruik is gemaakt van ervaringen die zijn opgedaan in het kader van CVCS.

Een ander onderdeel van de projecten is de uniformering van gegevens, die zoals eerder vermeld, vorm krijgt in een ministeriële regeling. Gebruik van elkaars gegevens vergt niet alleen techniek, maar vooral ook gedetailleerde afspraken tussen uitwisselende partijen. Dit is alleen mogelijk als er een goede regievoering (door de minister) is en een adequaat stelsel van beheer voor het geheel van voorzieningen.

De regie krijgt vorm in het Ketenoverleg, waarin alle betrokken uitvoeringsorganen zijn vertegenwoordigd. Dit Ketenoverleg functioneert sinds september 2001 onder voorzitterschap van het ministerie.

Het dagelijkse beheer van de keten zal voor de centrale delen worden uitgevoerd door het zogenaamde Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI). De voorzieningen en acties die logisch toevallen aan de kolommen worden beheerd binnen de betreffende kolom. Het BKWI wordt momenteel ingericht en zal zo spoedig mogelijk van start gaan. De werving van een directeur wordt één dezer weken afgerond. Er ligt een bedrijfsplan BKWI dat gelijk oploopt met de bedrijfsplannen CWI, UWV en IB 2002.

Het kabinet is er zich van bewust dat het ICT-traject een complex traject is dat grote afbreukrisico's kent, juist ook omdat het niet alleen gaat om techniek: kolommen moeten «leren» in de keten samen te werken. Daarom wordt de voortgang van de verschillende projecten door het Ketenoverleg nauwlettend gevolgd. Tweewekelijks wordt er gerapporteerd over de voortgang en hoe eventuele knelpunten kunnen worden opgelost.

De leden van de fractie van het CDA vragen ten aanzien van het IB of de accenten bij de coördinatie of bij de dienstverlening liggen. Tevens vraagt de CDA-fractie of met de stichting CVCS zal worden samengewerkt, omdat bij deze leden de indruk ontstaat dat iedere keer aan nieuwe systemen wordt gesleuteld.

In het verleden ontwikkelde de stichting CVCS zowel SUWInet (toen nog Cliënt Volg Communicatie Stelsel geheten) als het IB. Toen de stichting CVCS na 1 oktober 2000 als ontwikkelende organisatie ophield te bestaan, heeft het Ministerie van SZW deze activiteiten overgenomen. Vanaf 1 september 2001 bestaat de stichting Inlichtingenbureau, die de verantwoordelijkheid heeft voor de implementatie en het onderhoud van het systeem van het IB. Er is geen sprake van wisselende systemen, alleen van wisselende organisaties.

De wisseling van organisaties is ontstaan doordat het ministerie meer de regie naar zich toe heeft getrokken waar het gaat om de totstandkoming van SUWInet en het IB. De uitvoering van het beheer en de implementatie echter wordt bij uitvoeringsorganisaties belegd, zoals de stichting Inlichtingenbureau, maar ook de CWI, inclusief het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), en het UWV. Door de regie naar SZW te halen, kunnen de ontwikkeling van regelgeving, de ontwikkeling van organisaties en de techniek beter aan elkaar worden gekoppeld.

Het IB zal nauw gaan samenwerken met de beheersorganisatie voor SUWInet; momenteel is dat nog de Veranderorganisatie SUWI, maar vanaf 1 januari het BKWI, dat juridisch een onderdeel van de CWI is.

Daarnaast gaat het IB zorgen voor coördinatie en dienstverlening richting gemeenten op het gebied van gegevensuitwisseling op het terrein van Werk en Inkomen. Daarbij ligt niet méér nadruk op coördinatie dan op dienstverlening of andersom. Beide elementen zijn noodzakelijk voor een succesvolle totstandkoming en implementatie van het IB (zowel de sectorloketfunctie als gegevensuitwisseling met partijen buiten SUWI) en SUWInet bij gemeenten.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. A. F. G. Vermeend

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst