Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201519637 nr. 1913

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1913 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 september 2014

Met deze brief informeer ik uw Kamer over een pilot waarin wordt bezien of bij de besluitvorming over inbewaringstelling van bepaalde groepen vreemdelingen met een schakel minder in de keten kan worden gewerkt, zonder afbreuk te doen aan de vereiste zorgvuldigheid.

In mijn brief1 van 13 september 2013 staat aangegeven dat ik zou onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om te starten met een pilot waarbij de DT&V voor bepaalde groepen vreemdelingen op bepaalde locaties de bevoegdheid krijgt om deze vreemdelingen in bewaring te stellen, waarbij wordt voldaan aan alle waarborgen. De doelstelling van de pilot is om te onderzoeken of de bewaring voor de groep uitgeprocedeerde asielzoekers die zich in de caseload van DT&V bevindt effectiever en efficiënter kan plaatsvinden. Inbewaringstelling is een proces dat zorgvuldig plaatsvindt en dat met veel waarborgen omgeven is. Diverse ketenpartners zijn bij de besluitvorming betrokken. Ik hecht er belang aan dat inbewaringstelling als ultimum remedium wordt toegepast. Er is geen sprake van een wijziging van het beleid ten aanzien van de voorwaarden om een vreemdeling in bewaring te mogen stellen. In die gevallen waarin inbewaringstelling noodzakelijk is, wordt efficiënter en effectiever gebruik gemaakt van kennis en personele inzet en wordt met het wegvallen van een schakel ook één overdrachtsmoment weggenomen.

In de huidige situatie wordt het besluit tot inbewaringstelling genomen door een Hulpofficier van Justitie (HovJ). De HovJ is niet altijd (uitsluitend) werkzaam binnen het vreemdelingendomein en is ook bevoegd voor andere taken binnen het politiedomein. De HovJ neemt dan ook niet altijd deel aan de lokale terugkeeroverleggen (LTO’s). De DT&V zit vanuit zijn taak als terugkeerorganisatie de LTO’s voor. In deze LTO’s worden door alle betrokken ketenpartners individuele zaken besproken om te komen tot passende vertrekplannen, inclusief het daartoe strekkende instrumentarium. Wanneer wordt besloten dat een vrijheidbeperkende maatregel in het individuele geval aangewezen is, wordt thans deze vrijheidbeperkende maatregel al door de DT&V opgelegd. De gezamenlijke afweging omtrent in bewaring stelling in het LTO is aanleiding om binnen deze pilot aan de DT&V ook de bevoegdheid toe te kennen om, indien gerechtvaardigd, vreemdelingenbewaring (op grond van artikel 59 Vw en 59a Vw) op te leggen. Bij deze overweging speelt een rol dat het LTO een eensluidend advies voorlegt aan degene die het besluit tot inbewaringstelling moet nemen. De toegevoegde waarde van de HovJ is na de zorgvuldige afweging in het LTO niet evident, terwijl deze wel een nieuwe schakel vormt en daarmee een nieuw moment van (informatie)overdracht.

Na intensief overleg met de betrokken ketenpartners is besloten om de pilot te starten op twee locaties. De pilots zullen plaatsvinden in Ter Apel (politie-eenheid Noord Nederland) en Gilze (politie-eenheid Zeeland-West Brabant). De pilots starten op 1 oktober 2014 en duren een jaar. Voor elke pilotlocatie zijn twee ambtenaren van de DT&V aangewezen die gedurende de pilot bevoegd zijn de bewaringsmaatregel aan een vreemdeling op te leggen. De uitvoerende ambtenaren hebben bij de politieacademie een training gevolgd voor het opleggen van de maatregel.

De ambtenaren van de DT&V die in bewaring mogen stellen zijn geen HovJ en hebben daarmee ook geen executieve2 politiebevoegdheden. Voor de ondersteuning van de ambtenaren van de DT&V zal een beroep kunnen worden gedaan op ambtenaren die wel een bevoegdheid hebben om eventuele dwang- en geweldsmaatregelen toe te passen. Dit kan de politie zijn. Echter, ook het personeel van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) heeft daar in het kader van zijn bestaande taken ervaring mee. In het kader van deze pilot worden, in die gevallen waarvan in de risicoanalyse is gebleken dat er geen indicatie is van verzet of andere ordeverstorende aspecten, medewerkers van DV&O bevoegd tot de staandehouding en ophouding van de vreemdeling voorafgaand aan de inbewaringstelling. Ook dit kan bijdragen aan een efficiëntere inzet van mensen en middelen, hoewel ook dan een rol voor de politie blijft weggelegd voor gevallen waarin bijzondere aandacht nodig is.

Wanneer is de pilot succesvol?

Zoals eerder in deze brief gemeld is het doel van de pilot dat de inbewaringstelling effectiever en efficiënter zal plaatsvinden. Hiertoe wordt een aantal aspecten gemonitord. Ten eerste wordt het tijdsverloop gemonitord tussen het indiceren van de inbewaringstelling door het LTO, de feitelijke inbewaringstelling en het eventuele vertrek. Daarnaast wordt bezien in hoeveel gevallen het besluit tot inbewaringstelling door de rechter wordt opgeheven of anderszins blijkt van (formele) gebreken bij de oplegging daarvan. Tevens wordt het verschil in het personele capaciteitsbeslag van de betrokken organisaties meegenomen.

Ik zal uw Kamer vanzelfsprekend informeren over de resultaten van de pilot.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Kamerstuk 19 637, nr. 1721

X Noot
2

Bevoegdheid op grond van de Regeling toetsing geweldsbeheersing politie.