Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201219637 nr. 1524

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1524 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 april 2012

Op 7 juli 2011 heb ik uw Kamer de eindrapportage «Taskforce Thuisgeven» aangeboden en heb ik aangekondigd u in 2012 verder te zullen informeren.1

Mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties doe ik dat met deze brief.

De Taskforce, onder voorzitterschap van de heer Nijpels, heeft een aantal aanbevelingen gedaan om de huisvesting van vergunninghouders te versnellen. De aanleiding tot het instellen van de Taskforce betrof de achterstanden die gemeenten hebben bij hun taakstelling tot het huisvesten van vergunninghouders. De achterstand op de taakstelling van gemeenten neemt af – zowel door verbeteringen in het proces als door een lagere instroom van asielzoekers – maar bestaat nog steeds. Snellere huisvesting van vergunninghouders is van belang voor tijdige integratie in de Nederlandse samenleving en voor de hoogte van de verblijfskosten van vergunninghouders in de asielzoekerscentra (azc’s).

Nieuwe toewijzingsprocedure Taskforce Thuisgeven

Er is een pilot uitgevoerd in drie deelgebieden (Drenthe, Friesland en Utrecht – met uitzondering van de Bestuur Regio Utrecht gemeenten) waarin ervaring is opgedaan met een nieuwe toewijzingsprocedure voor huisvesting zoals door de Taskforce werd aanbevolen. De nieuwe aanpak die de Taskforce voorstelde, kenmerkt zich door omkering van de matching: in plaats van het aanleveren van woonruimte, krijgt de gemeente een profielschets van de vergunninghouder van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en zoekt hier passende woonruimte bij. In de nieuwe toewijzingsprocedure wordt regionaal gewerkt met een nieuwe functionaris bij het COA: de regievoerder. Deze fungeert als makelaar en als één-loket tussen vraag van de vergunninghouder en aanbod van de gemeenten in die regio. De Taskforce had voorgesteld het huisvestingsproces te versnellen van gemiddeld vijf maanden (ten tijde van het verschijnen van het Taskforce-rapport) naar gemiddeld drie maanden na vergunningverlening, verdeeld over de volgende fases:

  • Fase 1: vergunninghouder gematcht aan een gemeente binnen 1 week

  • Fase 2: gemeente regelt huisvestingsproces binnen 10 weken

  • Fase 3: vergunninghouder wordt gehuisvest binnen 1 week.2

Door een extern bureau is onderzoek uitgevoerd naar de resultaten van de nieuwe toewijzingsprocedure in de eerder genoemde pilotgebieden.3 Centrale vraag in het onderzoek is of met de nieuwe procedure het huisvesten van vergunninghouders beter en sneller gaat. Het onderzoeksbureau heeft hiertoe enquêtes afgenomen onder regievoerders en medewerkers van de COA-opvang, gemeenten, provinciale toezichthouders, maatschappelijke organisaties en woningcorporaties. Het onderzoek bevat naast een kwalitatief oordeel ook een kwantitatieve analyse die is verricht op basis van cijfers van het COA waarbij de doorlooptijden in het huisvestingsproces zijn gemeten.

Op basis van de uitkomsten van het onderzoek en de kwantitatieve analyse ben ik van mening dat de nieuwe toewijzingsprocedure inderdaad een verbetering is ten opzichte van de huidige methodes van huisvesting. Deze zijn minder transparant en lopen vaak door elkaar. In het pilotgebied vinden ketenpartners dat de informatievoorziening over de vergunninghouder en de matching zijn verbeterd. Zij ervaren de komst van een COA-regievoerder als meerwaarde voor een goede samenwerking. Een belangrijk voordeel is dat gemeenten met de nieuwe procedure zelf de regie hebben op het huisvestingsproces en gericht woonruimte voor vergunninghouders kunnen zoeken. Een ander voordeel is dat met de nieuwe procedure de vergunninghouders op een evenredige wijze over de gemeenten kunnen worden verdeeld. Daarmee zijn ook gemeenten in de perifere gebieden verzekerd van aanbod van vergunninghouders om aan hun taakstelling te voldoen. Binnen de huidige toewijzingsprocedures vissen deze gemeenten nogal eens achter het net omdat vergunninghouders vaak niet op woningaanbod in deze gemeenten reageren.

Het voorstel was om het huisvestingsproces te versnellen tot gemiddeld drie maanden. De eerste en laatste fase blijken echter te krap ingeschat en nemen meer tijd in beslag. Met nog enkele verbeteringen acht ik met de voorgestelde werkwijze vanaf 1 oktober voor de nieuw instromende vergunninghouders een gemiddelde doorlooptijd van 14 weken na vergunningverlening realistisch. Dat betekent dat vergunninghouders dan gemiddeld in twee weken tijd vanuit het COA door de regievoerder gekoppeld worden aan een gemeente. Het vinden van huisvesting (gemiddeld 10 weken) en de verhuizing (gemiddeld 2 weken) dient daarna in gemiddeld 12 weken onder regie van de gemeente plaats te vinden.

Met de Vereninging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) heb ik afgesproken om de nieuwe toewijzingsprocedure op 1 oktober van dit jaar landelijk in te voeren.

De nieuwe toewijzingsprocedure is een andere wijze van uitvoering om de bestaande beleidsdoelstellingen te bereiken. De invoering van de nieuwe procedure is een andere manier van werken, maar verandert niet de verantwoordelijkheidsverdeling. De hoogte van de taakstelling voor de gemeenten wordt ook niet beïnvloed door de nieuwe toewijzingsprocedure.

Ten behoeve van de verdeling van vergunninghouders wordt Nederland in een aantal regio’s opgedeeld, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met bestuurlijke grenzen en woningmarktaspecten. De huidige regionale samenwerkingsverbanden die gemeenten op dit terrein hebben, kunnen blijven bestaan. Per regio zullen regievoerders bij het COA worden aangesteld die zorgdragen voor de koppeling van vergunninghouders aan de gemeenten. De regie voor het realiseren van huisvesting ligt vervolgens bij de gemeenten. In de komende maanden zullen er voorlichtingsbijeenkomsten voor gemeenten worden georganiseerd over de nieuwe toewijzingsprocedure.

Overige aanbevelingen Taskforce Thuisgeven

In deze brief ga ik vervolgens in op de volgende aanbevelingen van de Taskforce:

  • Een betere (keten)sturing op uitstroom vergunninghouders.

  • Snelle verbetermaatregelen («Quick Wins»).

  • Verbetering toezicht en financiële stimulans.

Betere (keten)sturing op uitstroom vergunninghouders

In de Taskforce is het belang benadrukt van voldoende inzicht in actuele cijfers over instroom, doorstroom en uitstroom van vergunninghouders in de COA-opvang. Op basis hiervan kunnen heldere prestatie-indicatoren worden opgesteld die tot goede werkafspraken moeten leiden. Op dit gebied zijn de afgelopen periode diverse verbeteringen aangebracht. De informatieverstrekking is verbeterd en in de werkafspraken met het COA wordt nu meer aangestuurd op snelle huisvesting van vergunninghouders.

Snelle verbetermaatregelen («Quick Wins»)

De Taskforce heeft enkele verbetermaatregelen geadviseerd die snel doorgevoerd zouden kunnen worden. Eén van deze maatregelen betrof het eerder starten met de bemiddeling van huisvesting door het COA. Deze maatregel is reeds in februari 2011 onder regie van de Taskforce gerealiseerd. Het COA start met bemiddeling op het moment dat bekend is dat iemand een vergunning krijgt en wacht niet meer tot de daadwerkelijke uitgifte van een verblijfsdocument zoals eerder het geval was. Dit heeft tot een aanzienlijke versnelling van het proces geleid.

Daarnaast adviseerde de Taskforce snellere uitplaatsing van de huidige groep nareizigers en een versnelling van de afgifte van een verblijfsdocument. Op beide punten zijn goede vorderingen gemaakt. Het uitplaatsingsproces van nareizigers is opnieuw ingericht waardoor beter en sneller in beeld is welke personen het betreft en waar zij zich gaan vestigen. Daarmee wordt vermeden dat nareizigers langer dan strikt noodzakelijk in de azc’s verblijven.

Het afgifteproces van verblijfsdocumenten door de IND is de afgelopen periode sterk verbeterd. In 2010 werd slechts rond de 50% van de verblijfsdocumenten binnen zes weken door de vergunninghouder bij een IND loket opgehaald. Inmiddels is 80% van de verblijfsdocumenten binnen zes weken na de datum van inwilligende beschikking opgehaald door de vergunninghouder. De inschrijving in de GBA en het (hiermee) verkrijgen van een Burgerservicenummer (BSN) voor de vergunninghouder vergt blijvende aandacht van het COA en de gemeenten. Binnen het COA zijn de werkprocessen aangepast en wordt de vergunninghouder zo snel mogelijk doorgestuurd naar de Azc-gemeente om zich in te schrijven. Aan alle Azc-gemeenten is op 19 december 2011 per brief verzocht vergunninghouders zo snel mogelijk na melding in te schrijven in de GBA.

Verbetering toezicht en financiële stimulans

De Taskforce adviseerde de verantwoordelijkheid van toezicht op de huisvesting van vergunninghouders direct bij het Rijk te beleggen. De rol van de provincie als toezichthouder zou hiermee komen te vervallen. Dit advies past echter niet binnen het wetsvoorstel Revitalisering Generiek Toezicht, waarbij het toezicht door de provincie wordt verplaatst van de Huisvestingswet naar de Gemeentewet. Dit advies van de Taskforce zal dus niet worden uitgevoerd.

Voorts deed de Taskforce de aanbeveling een financiële stimulans in te bouwen voor gemeenten, waarbij de financiële verantwoordelijkheid voor de huisvesting van vergunninghouders vanaf drie maanden wordt verlegd naar gemeenten. Gezien de huidige bestuurlijke verhoudingen acht ik het invoeren van een financiële stimulans niet passend. Wel overweeg ik een aanpassing van de Huisvestingswet door de taakstellingsperiode van 6 naar 3 maanden terug te brengen, zodat sneller door de toezichthouder kan worden gecontroleerd of een gemeente aan de taakstelling voldoet. Ik wil echter eerst de resultaten van de nieuwe toewijzingsprocedure afwachten, waarbij ik zowel de realisatie van de taakstelling als de snelheid van het huisvestingsproces van vergunninghouders zal monitoren.

Overige verbetermogelijkheden

Voor een snelle huisvesting van vergunninghouders is het van belang dat vergunninghouders zo snel mogelijk ingeschreven worden in de GBA om te beschikken over een BSN. Ook een juiste registratie van persoonsgegevens van de vergunninghouders is hiermee verbonden. In dat kader wordt onderzocht of in het wetsontwerp basisregistratie personen (die de Wet GBA vervangt) verbeteringen aangebracht kunnen worden in de namenregistratie van asielzoekers.

Een groep vergunninghouders die nog niet is besproken, betreft de zelfhuisvesters die, buiten de systemen om, zelf woonruimte vinden. Hoewel het op zich goed is dat vergunninghouders (zelf) snel woonruimte vinden, verstoren deze zelfhuisvesters het proces. Het komt nogal eens voor dat gemeenten bezig zijn met huisvesting van een vergunninghouder die op het laatste moment niet komt opdagen en inmiddels zelf elders woonruimte heeft gevonden zonder dat de gemeente daarvan op de hoogte is. Dit speelt met name in kleinere gemeenten in de meer landelijke, perifere gebieden. Gemeenten, vrijwilligers en corporaties verrichten inspanningen, maar de aangeboden woning blijft leeg. Met de nieuwe toewijzingsprocedure en ICT-verbeteringen in de informatievoorziening naar gemeenten verwacht ik dat meer transparantie en een strakkere regie ertoe zullen leiden dat zelfhuisvesters voor minder verstoring zullen zorgen.

Ik heb er alle vertrouwen in dat met de nieuwe werkwijze en overige verbeteringen huisvesting van vergunninghouders in de toekomst beter zal verlopen.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G. B. M. Leers


X Noot
1

TK, 2010–2011, 19 637, nr. 1442.

X Noot
2

Brief van 29 maart 2011. TK 2010–2011, 19 637, nr. 1418, bijlage advies «Nieuwe toewijzingsprocedure».

X Noot
3

Zie bijlage rapport «Evaluatie Pilot Sneller Thuisgeven; ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer. Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer