Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201219637 nr. 1508

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1508 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 maart 2012

Hierbij doe ik u het rapport «Evaluatie gevolgen beëindiging categoriaal beschermingsbeleid Irak» toekomen1. Deze evaluatie is in opdracht van de toenmalige staatssecretaris van Justitie door de Immigratie- en Naturalisatiedienst gestart. Met dit onderzoek wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Anker (CU) van 9 oktober 2008 (19637, 1227).

Het doel van het onderzoek was om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van het op 22 november 2008 beëindigde categoriaal beschermingsbeleid Centraal-Irak, met name voor asielzoekers die behoren tot de religieuze en etnische minderheidsgroepen uit dat land. Zoals eerder in de Rapportage Vreemdelingenketen is gemeld, biedt het registratiesysteem van de IND, Indis, niet de mogelijkheid om op automatische wijze betrouwbare cijfers te genereren op basis van etnische afkomst, geloofsovertuiging of geaardheid. Om die reden is uitvoerig aanvullend (dossier)onderzoek van de beschikbare gegevens nodig gebleken voor onderhavig rapport.

Uit het rapport blijkt dat waar Iraakse asielzoekers zich beroepen op het behoren tot een etnische of religieuze minderheid, voornamelijk wordt gesteld dat ze christen, mandeeër of yezidi zijn. De hoofdconclusie van het rapport is dat na beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid voor deze groepen weinig is veranderd in de mate waarin zij voor een asielvergunning in aanmerking zijn gekomen. Bij deze religieuze minderheden liggen de inwilligingspercentages zowel tijdens als na de periode waarin het categoriaal beschermingsbeleid gold ruim boven het gemiddelde inwilligingspercentage van de gehele groep Iraakse asielzoekers. Ten tijde van het categoriaal beschermingsbeleid ligt het gemiddelde inwilligingspercentage voor de gehele groep Irakezen op 70%, terwijl dit percentage voor christenen, mandeeërs en yezidi’s op respectievelijk 80%, 90% en 89% ligt. Na beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid daalt het inwilligingspercentage voor de gehele groep Irakezen naar 47% en ligt het inwilligingspercentage voor de drie specifieke groepen op achtereenvolgens 87%, 95% en 81%.

Een verklaring voor het ruim bovengemiddelde inwillingspercentage bij christenen, mandeeërs en yezidi’s is dat als gevolg van hun zorgelijke positie in Irak, zoals beschreven in de betreffende ambtsberichten, specifiek beleid geldt voor deze minderheidsgroepen. In het landgebonden asielbeleid Irak zijn zij aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Dit betekent dat aan het individualiseringvereiste minder aandacht wordt geschonken. Een asielzoeker die tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort, kan reeds met beperkte individuele indicaties aannemelijk maken dat hij of zij in aanmerking komt voor een asielvergunning. Ook mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling kunnen voldoende zijn. Bovenstaande inwilligingspercentages tonen aan dat de bijzondere positie die etnische en religieuze minderheden uit Irak in het beleid hebben, in de uitvoeringspraktijk tot zijn recht komt.

Ook voor homoseksuele asielzoekers geldt als gevolg van hun zorgelijke positie in Irak, zoals beschreven in de betreffende ambtsberichten, specifiek beleid. In het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Irak zijn zij aangewezen als risicogroep. Dit houdt in dat wanneer Iraakse homoseksuelen zich beroepen op problemen op basis van hun seksuele geaardheid de vereiste zwaarwegendheid van het asielrelaas sneller wordt aangenomen. Ook voor deze groep zijn de effecten van de beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid onderzocht.

In het rapport staat dat in de onderzoeksperiode 56 aanvragen van personen die stelden homoseksueel te zijn, zijn ingewilligd en dat 62 aanvragen zijn afgewezen. Hierbij teken ik aan dat deze groep van personen die stelden homoseksueel te zijn moeilijk te vergelijken is met de andere, eerder genoemde, groepen omdat de (procedurele) eigenschappen van deze groep op enkele punten sterk afwijkt. Zoals opgetekend in het rapport bestaat de groep (gestelde) homoseksuelen bovengemiddeld vaak uit jonge alleenstaande mannen en is bovendien sprake van een relatief groot aandeel opvolgende aanvragen. Het inwilligingspercentage bij aanvragen van personen met een opvolgend asielverzoek is over het algemeen lager. Hetzelfde geldt voor het inwilligingspercentage bij alleenstaande jonge mannen. Onverminderd deze nuancerende opmerkingen, waren de gegevens uit het rapport voor mij aanleiding de IND te vragen nader individueel dossieronderzoek te doen om meer inzicht te krijgen in de redenen van afwijzing. Bij dit aanvullend onderzoek zijn de dossiers van ongeveer 50 personen die zich beriepen op een homoseksuele geaardheid en aan wie de asielvergunning is onthouden, bekeken. De resultaten van dit aanvullende dossieronderzoek laten de bovenstaande afwijzingen (nog) beter begrijpen. In circa 10 zaken waarin de gestelde seksuele geaardheid aannemelijk was, is een vergunning onthouden omdat is geoordeeld dat er zelfs geen geringe indicaties aanwezig waren dat betrokkene bij terugkeer vervolging te vrezen heeft. De overige afwijzingen betreffen zaken van gestelde Iraakse vreemdelingen waarin een andere lidstaat verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag op basis van de Dublin-verordering, zaken waarin de gestelde herkomst uit (Centraal-)Irak ongeloofwaardig werd bevonden of zaken waarin de gestelde homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig werd geacht.

Vanzelfsprekend laten bovenstaande bevindingen onverlet dat ik nauwlettend blijf volgen of er zich in Irak ontwikkelingen voordoen in de situatie van etnische/religieuze minderheden en homoseksuelen die aanleiding geven om het beleid nader in te vullen. Onder meer aan de hand van de jaarlijks door de minister van Buitenlandse Zaken uitgebrachte ambtsberichten over de algemene situatie in Irak wordt door mij frequent bezien of er aanleiding is het asielbeleid voor (specifieke groepen) Iraakse asielzoekers aan te passen. Op 16 december 2011, heeft de minister van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht Irak uitgebracht dat de periode oktober 2010 tot en met oktober 2011 beslaat. De in dit ambtsbericht en andere objectieve bronnen weergegeven informatie over de situatie van homoseksuelen in Irak is voor mij aanleiding om deze groep in het asielbeleid, gelijk de christenen, mandeeërs en yezidi’s, aan te wijzen als kwetsbare minderheidsgroep. Ook zal in het asielbeleid Irak expliciet worden opgenomen dat bij de individuele beoordeling van asielaanvragen van Iraakse asielzoekers die pas in Nederland hun geaardheid ontdekken en/of onthullen, en daardoor geen melding kunnen maken van in Irak wegens hun homoseksualiteit ondervonden asielrelevante problemen, rekening moet worden gehouden met de wel reeds in Irak ondervonden problemen die niet gekoppeld zijn aan hun seksuele geaardheid. Dit betekent dat aan een homoseksuele asielzoeker die al in een ander verband problemen heeft ondervonden in Irak, die weliswaar op zichzelf onvoldoende waren voor toelating, maar die gevoegd bij de homoseksuele geaardheid mogelijk toch tot een verhoogde aandacht zou kunnen leiden, verblijf kan worden verleend.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G. B. M. Leers


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.