Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201219637 nr. 1487

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1487 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 januari 2012

Met deze brief doe ik de toezegging gestand die ik u heb gedaan tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op 6 oktober 20111, om de nareisprocedure nader toe te lichten. Tijdens dit debat stond onder andere mijn brief «Bereikte resultaten in de aanpak van fraude in asiel- en nareisbeleid door Somalische asielzoekers» op de agenda. In het bijzonder gaat het om het gebruik van DNA-onderzoek en identificerend onderzoek in deze procedure. Met deze brief leg ik de procedure uit en licht ik de onderzoeksmethoden toe. Procedure en onderzoeksmethoden zijn van toepassing op alle nareisaanvragen.

Nareisprocedure

Als een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen, kunnen gezinsleden in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. Dit geldt zowel voor gezinsleden die samen met de vreemdeling Nederland zijn ingereisd, als voor gezinsleden die in het herkomstland of een ander land zijn achtergebleven. Voorop staat dat de gezinsleden die al in het land van herkomst een gezin vormden, met elkaar herenigd kunnen worden. De afgeleide vergunning moet worden aangevraagd binnen drie maanden nadat de asielvergunning is verleend aan de vreemdeling in Nederland. Nareizende gezinsleden kunnen deze termijn veiligstellen door een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv2) aan te vragen bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het herkomstland of, indien daar geen vertegenwoordiging is, een omringend land of een land van bestendig verblijf. Een andere mogelijkheid is dat de vreemdeling in Nederland (de hoofdpersoon) een mvv-adviesaanvraag voor de gezinsleden indient bij de IND, bijvoorbeeld voor gezinsleden die op dat moment nog onvindbaar zijn. Als de termijn eenmaal is geborgd, dan wordt het driemaandenvereiste ook later, in eventuele nieuwe procedures of als zoekgeraakte gezinsleden zich melden, niet meer tegengeworpen.

Tijdens het debat op 6 oktober bleek er onduidelijkheid te zijn over de datum die geldt als aanvraagdatum voor deze mvv. Dit is, conform de Algemene wet bestuursrecht, de datum waarop de (advies)aanvraag bij de diplomatieke post of de IND wordt ontvangen. De behandelingsduur van de aanvraag is niet relevant voor de vaststelling of de aanvraag binnen de vereiste drie maanden is ingediend.

Identificerend onderzoek en DNA-onderzoek

De afgeleide vergunning kan worden verleend aan de echtgenoot, echtgenote of minderjarig kind die feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, of de partner of meerderjarig kind die zodanig afhankelijk is van de vreemdeling dat hij om die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling3. Dit kunnen dus ook niet-biologische kinderen zijn zoals pleegkinderen. Een voorwaarde is dat het gezinslid op het moment van het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon. Het gezinslid moet daadwerkelijk deel hebben uitgemaakt van het gezin van de hoofdpersoon, dat wil zeggen met hem een gezin of een relatie hebben en (in het geval van kinderen) door hem (mede) worden verzorgd in het land van herkomst.

De toetsing van de aanvraag behelst dus zowel het vaststellen van de (biologische) verwantschap of relatie, als het vaststellen van de feitelijke gezinsband. Het vaststellen van de feitelijke gezinsband en de relatie wordt door middel van identificerend onderzoek gedaan. Door het stellen van vragen worden beide elementen onderzocht. Met DNA-onderzoek kan slechts de verwantschap tussen ouders en hun biologische kinderen worden onderzocht en dit onderzoek heeft daarom geen toegevoegde waarde als er om overkomst van pleegkinderen of een partner zonder biologische kinderen wordt gevraagd. De gestelde relatie kan in deze laatste gevallen dan ook enkel door identificerend onderzoek worden onderzocht. DNA-onderzoek is kostbaar en daarom kies ik ervoor om, ook als er sprake is van een biologische relatie, eerst een identificerend onderzoek te doen naar de feitelijke gezinsband. Als blijkt dat er geen sprake is van een feitelijke gezinsband dan wordt de aanvraag afgewezen; het is dan niet meer van belang of er sprake is van een biologische relatie omdat aan beide voorwaarden moet worden voldaan. Als er wel sprake blijkt te zijn van een feitelijke gezinsband dan volgt bij ouders en hun biologische kinderen DNA-onderzoek om te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van een biologische verwantschap, zoals is gesteld.

Voor vreemdelingen uit Somalië is het lastig om de gezinsband of verwantschap aan te tonen omdat Somalische documenten niet worden erkend. In Somalië is daarnaast geen Nederlandse vertegenwoordiging en dat betekent dat een mvv-aanvraag in een omringend land of een land van bestendig verblijf moet worden aangevraagd. Ik realiseer mij dat de omstandigheden voor deze vreemdelingen soms niet ideaal zijn. Ik vind het overigens wel van belang dat deze aanvragen zo snel mogelijk behandeld worden. Dit neemt niet weg dat ik hierin ook zeer zorgvuldig moet zijn, zeker gelet op de ervaringen van fraude en misbruik van onder meer de nareisprocedure door met name Somaliërs in het verleden. Dit betekent dat in sommige gevallen veel vragen worden gesteld in het kader van de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor nareis, ook aan kinderen.

Indien aan alle voorwaarden wordt voldaan, kan gezinshereniging in het kader van nareis worden toegestaan zonder dat de gebruikelijke reguliere voorwaarden voor gezinshereniging van toepassing zijn, zoals het middelenvereiste.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G. B. M. Leers


X Noot
1

Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 19 637 nr. 1470.

X Noot
2

Een mvv is een inreisvisum.

X Noot
3

Artikel 29, eerste lid, onder e en f van de Vreemdelingenwet 2000.