Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1456

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1456 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 september 2011

Tijdens het algemeen overleg van 17 mei 2011 (kamerstuk 19 637, nr. 1434) heb ik uw Kamer toegezegd schriftelijk te reageren op het rapport van het Platform Christen Asielzoekers «Iran: Huiskerken in de woestijn als verboden oasen». Met deze brief kom ik tegemoet aan deze toezegging en ga ik in op de conclusies en aanbevelingen uit dit rapport. Mijn reactie is mede gebaseerd op de informatie uit het recente ambtsbericht van 25 augustus 2011 over de positie van de christelijke bevolkingsgroep in Iran gedurende oktober 2010 tot en met juli 2011.

In het rapport schetst het Platform Christen Asielzoekers de situatie van christenen in Iran en geeft zij haar opvatting weer over het Nederlandse asielbeleid ten aanzien van Iraanse christenen. Het Platform komt tot de conclusie dat de situatie in Iran voor tot het christendom bekeerde moslims zodanig is dat deze niet voldoet aan de Nederlandse, Europese en internationale normen inzake de vrijheid van godsdienst. Het Platform beveelt aan om de beleidsregels ten aanzien van tot het christendom bekeerde moslims te herijken en in alle lopende asielprocedures te bepalen dat deze bekeerlingen in Iran als afvalligen worden gezien en daarom bij terugkeer naar Iran een reëel gevaar lopen (aanbeveling twee en drie). Ook doet het Platform de aanbeveling om de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken te lezen met inachtneming en erkenning van de informatie die via moderne media vanuit de gesloten Iraanse samenleving beschikbaar komt (aanbeveling één).

Met het Platform deel ik de mening dat de situatie in Iran ten aanzien van de godsdienstvrijheid onvergelijkbaar is met die in de Westerse wereld. Dit krijgt aandacht in het Nederlandse buitenlandse mensenrechtenbeleid zoals beschreven in de actualisering van de Mensenrechtenstrategie «Verantwoordelijk voor vrijheid», waarin de vrijheid van godsdienst als kernwaarde is benoemd.

In dit verband is het van belang het doel van het asielbeleid goed in ogenschouw te nemen. Zoals door uw Kamer tijdens het overleg van 17 mei jl. is beaamd, is het asielbeleid niet bedoeld om te garanderen dat personen hun geloof elders op dezelfde wijze kunnen uitoefenen als zij in Nederland doen en beoogt het asielbeleid niet om de verschillen in mogelijkheden tot geloofsbeleving in de wereld uit te vlakken. Het asielbeleid is wel bedoeld om bescherming te bieden aan personen die aannemelijk hebben gemaakt als gevolg van hun geloof in situaties terecht te komen, zoals beschreven in artikel 1 Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM.

Dit uitgangspunt sluit aan bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Uit een arrest van 28 februari 2006 (Z. en T. tegen Verenigd Koninkrijk, nr. 27034/05, JV 2006, 274) kan worden afgeleid dat het in artikel 9 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst de Verdragsstaten er niet toe verplicht vreemdelingen bescherming te bieden reeds omdat ze hun godsdienst in hun land van herkomst niet op gelijke wijze kunnen uitoefenen als in de Verdragsstaat waar om toelating is verzocht.

Het Nederlandse asielbeleid voor Iraanse christenen is mede gebaseerd op de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken die de afgelopen jaren zijn verschenen en waarin steeds nadrukkelijk aandacht is besteed aan de maatschappelijke positie van (bekeerde) christenen in Iran. De afgelopen jaren is dit beleid, en in het bijzonder het beleid voor hier te lande tot het christendom bekeerde Iraanse moslims, al verschillende keren het voorwerp van overleg geweest met uw Kamer. Onder andere in de Kamerbrieven van 21 oktober 2008 (Tweede Kamer, 2008–2009, 19 637, 1231) en 22 maart 2010 (Tweede Kamer, 2009–2010, 19 637, nr. 1333) is het huidige beleid door respectievelijk de toenmalige staatssecretaris van Justitie en de toenmalige minister van Justitie toegelicht.

In de kern komt het beleid hierop neer dat enkel het christen zijn en/of de enkele bekering tot het christendom in Nederland, onvoldoende is voor het verlenen van bescherming. De informatie waarover ik beschik, waaronder de eerder genoemde ambtsberichten, geeft onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat reeds het enkele feit van het christen zijn of het bekeerd zijn tot het christendom, de betreffende persoon bij terugkeer in Iran in een zodanige situatie zou plaatsen dat zonder meer schending van het Vluchtelingenverdrag of van artikel 3 EVRM zou moeten worden aangenomen. Dat bekeringsactiviteiten verboden zijn en dat daartegen door de Iraanse autoriteiten wordt opgetreden, betekent niet dat sprake is van zodanige beperkingen op het recht een godsdienst te belijden dat het leven als gevolg daarvan ernstig wordt belemmerd.

Bovenstaande uitgangspunten betekenen niet dat bij de individuele beoordeling van asielaanvragen geen rekening wordt gehouden met de zorgelijke positie van (bekeerde) christenen in de Iraanse maatschappij. Om recht te doen aan deze zorgelijke positie is in het beleid opgenomen dat aan een Iraanse (bekeerde) christen minder eisen worden gesteld om zijn behoefte aan bescherming aannemelijk te maken.

Aan asielzoekers die in Iran al christen waren, wordt bescherming verleend als uit hun individuele asielverhaal blijkt dat zij in Iran problemen hebben ondervonden ten gevolge van hun geloof. Geringe indicaties zijn reeds voldoende om aan te nemen dat er een verband is tussen de in Iran ondervonden problemen en het christen zijn.

Van personen die eerst in Nederland zijn bekeerd, kan uiteraard niet worden gevraagd dat zij aannemelijk maken in Iran problemen te hebben ondervonden naar aanleiding van hun christelijk geloof. Daarom is in het beleid opgenomen dat rekening kan worden gehouden met andere problemen die zij in Iran hebben ondervonden. Het gaat om problemen die op zichzelf beschouwd geen aanleiding zouden hebben gegeven tot bescherming maar net door de combinatie met het christen zijn, alsnog kunnen leiden tot vergunningverlening.

De informatie uit het recente ambtsbericht van 25 augustus 2011 ligt over het algemeen in het verlengde van voorgaande ambtsberichten. Volgens het ambtsbericht is de houding van de Iraanse autoriteiten jegens religieuze minderheden sinds oktober 2010 niet aanmerkelijk gewijzigd. De overheid legt blijkens het ambtsbericht een verband tussen evangeliseren en vervolging maar legt geen direct verband tussen geloofsovertuiging en vervolging. Personen die zich bezighouden of hebben beziggehouden met bekeringsactiviteiten onder sjiitische moslims, lopen een groot risico problemen te krijgen met de Iraanse autoriteiten.

Over de positie van Iraanse (bekeerde) christenen die zich niet inlaten met bekeringsactiviteiten, staat in het nieuwe ambtsbericht het volgende. Voor Iraanse vreemdelingen die christen zijn vanuit hun achtergrond, geldt dat het hebben van een christelijke geloofsovertuiging over het algemeen zou worden geaccepteerd. Waar het bekeerde christenen betreft die samenkomen in onder meer huiskerken, zouden volgelingen van huiskerken in de regel in relatieve rust hun geloof kunnen belijden zolang men een laag profiel aanhoudt. Een laag profiel houdt in dit verband vooral in dat voorkomen dient te worden dat de bijeenkomsten te veel zichtbaar worden voor de omgeving. Hoewel het ambtsbericht ook melding maakt van een onbevestigde bron die aangeeft dat er sprake zou zijn van een actief vervolgingsbeleid ten aanzien van huiskerken, kan uit het ambtsbericht niet worden afgeleid dat na de arrestaties in december 2010 nog nieuwe arrestaties hebben plaatsgevonden op grond waarvan een dergelijk actief vervolgingsbeleid in de praktijk moet worden aangenomen.

De informatie in het ambtsbericht over de positie van Iraanse (bekeerde) christenen in ogenschouw nemend, zie ik geen aanleiding om het bestaande beleid ten aanzien van Iraanse (bekeerde) christenen aan te passen en gevolg te geven aan aanbeveling twee en drie uit het rapport van het Platform Christenasielzoekers. De situatie van christenen in Iran is niet dusdanig dat elke Iraanse (bekeerde) christen te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer een reëel risico op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling loopt.

In reactie op de aanbeveling om de ambtsberichten te lezen met inachtneming en erkenning van de informatie die via moderne media vanuit de gesloten Iraanse samenleving beschikbaar komt (aanbeveling één), merk ik op dat de ambtsberichten nu al worden opgesteld op basis van een brede informatievergaring. Zowel informatie van andere lidstaten als informatie van ngo’s en internationale organisaties wordt hierbij betrokken. Zo is bij het opstellen van dit recente ambtsbericht ook rekening gehouden met de informatie uit dit rapport. Daarnaast wordt bij het opstellen van de ambtsberichten gebruik gemaakt van bevindingen ter plaatse en vertrouwelijke rapportages van de Nederlandse vertegenwoordiging in Iran.

Tot slot wil ik een kanttekening maken bij twee onjuiste vooronderstellingen in het rapport. Zo stelt het Platform dat het Nederlandse asielbeleid van in Nederland bekeerde christenen zou vergen dat zij zich in Iran niet manifesteren als christen. In de Nederlandse regelgeving is echter opgenomen dat van personen die in het land van herkomst een minderheidsreligie aanhangen, zoals Iraanse (bekeerde) christenen, niet wordt verlangd dat zij deze verborgen houden. Zoals hierboven uiteengezet blijkt uit de beschikbare informatie niet dat het bekend worden van de bekering op zichzelf reeds leidt tot schending van artikel 3 EVRM. Dat de vreemdeling zich ten aanzien van het bekeren van anderen zal moeten beperken om onnodige risico’s te voorkomen, is geen onredelijke eis.

Verder wordt in het rapport gesuggereerd dat er sprake is van een «ontmoedigingsbeleid´naar asielzoekers toe in het algemeen en Iraanse bekeerde christenen in het bijzonder. Van een ontmoedigingsbeleid is geen sprake en ik betreur dat met een dergelijke uitspraak afbreuk wordt gedaan aan de integriteit van het Nederlandse asielbeleid. Het Nederlandse asielbeleid biedt en blijft bescherming bieden aan vreemdelingen die bescherming nodig hebben.

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers