Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201019637 nr. 1345

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1345 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2010

Inleiding

Op 22 april 2010 heeft uw Kamer een door de leden Spekman en Anker voorgestelde motie (Kamerstuk 19 637, nr. 1340) aangenomen waarin de regering wordt verzocht een beperking op te nemen op grond waarvan een minderjarig kind van een vreemdeling een verblijfsvergunning kan krijgen. Daarbij wordt de regering gevraagd de volgende voorwaarden op te nemen en uit te werken:

  • het betreffende kind is geworteld in de Nederlandse samenleving;

  • het kind, heeft mede door toedoen van de Nederlandse overheid, meer dan acht jaren in Nederland verbleven; en

  • het kind heeft minimaal twee jaren rechtmatig verblijf in Nederland gehad.

Met de brief informeer ik uw Kamer over de wijze waarop het kabinet voornemens is gevolg te geven aan de motie.

Het eerder ingediende (en verworpen) amendement

Bij het wetgevingsoverleg van 7 december 2009 (Kamerstuk 31 994, nr. 20) over het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure is door de leden Spekman en Anker een amendement ingediend ter zake vergunningverlening onder een beperking verband houdend met langdurig verblijf van een in Nederland geworteld kind (Kamerstuk 27 062, nr. 64) (Kamerstuk 31 994, nr. 24). De strekking van dat amendement was vergelijkbaar met die van de thans voorliggende motie.

Naar aanleiding van het ingediende amendement is door de toenmalige Staatssecretaris van Justitie op 11 december 2009 een brief aan uw Kamer gezonden met een reactie op het amendement (Kamerstuk 31 994, nr. 29). De brief geeft aan waarom het amendement diende te worden ontraden. In die brief is gewezen op het risico dat ouders met kinderen die niet rechtmatig in Nederland verblijven niet langer gericht zullen zijn op terugkeer, maar gestimuleerd zullen worden zich in de illegaliteit te begeven met het vooruitzicht dat zij zich op enig moment kunnen beroepen op de in het amendement voorgestelde regeling. Voor het geheel van argumenten die spreken tegen het amendement verwijs ik kortheidshalve naar de brief van 11 december 2009.

Uw Kamer heeft het amendement vervolgens verworpen.

De aangenomen motie

Zoals gezegd is de strekking van de door uw Kamer aangenomen motie vergelijkbaar met eerder genoemd amendement. Daarmee zijn ook de risico’s in zoals beschreven in de brief van 11 december 2009 nog steeds aanwezig. Het kabinet acht het noodzakelijk thans te onderzoeken of er een mogelijkheid is om op een wijze invulling aan de motie te geven die deze risico’s minimaliseert en de uitvoering van de motie beheersbaar houdt. Daarbij is het tevens van groot belang om met dat onderzoek nader in kaart te brengen wat de omvang van de potentiële doelgroep van de motie is, welke financiële consequenties aan de uitvoering zijn verbonden en op welke wijze hiervoor dekking kan worden gevonden.

Derhalve wordt een onderzoek gestart naar bovengenoemde aspecten, naar aanleiding waarvan het kabinet op zorgvuldige wijze kan komen tot een beoordeling van de mogelijkheid van een wettelijke bepaling terzake. Ik verwacht dit onderzoek na de zomer te hebben afgerond. Uw Kamer zal over de uitkomsten en de daaraan verbonden kabinetsconclusies worden geïnformeerd.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin