36 917 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau

D VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP1

Vastgesteld 24 september 2026

Inleiding

De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. De leden van de fracties van PRO, BBB, VVD, D66, CDA, FVD en OPNL hebben naar aanleiding daarvan diverse vragen en opmerkingen. Het lid van de fractie OPNL sluit zich bij de vragen van de fracties van PRO en CDA aan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van PRO

De leden van de fractie van PRO hebben met belangstelling kennisgenomen van het voornoemde voorstel en hebben naar aanleiding daarvan de volgende vragen aan de regering.

  • 1. De regering heeft naar aanleiding van het advies van de Raad van State de adviesrol ten aanzien van de criteria over geografische en sociaal-culturele verscheidenheid en zichtbaarheid verplaatst van de Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO) naar de gemeenteraad.2 De NLPO adviseert echter nog altijd over het beleidsplan in bredere zin op grond van artikel 2.87p, lid 2.3 Kan de regering uiteenzetten waarom deze keuze is gemaakt? Meent de regering dat de NLPO beter in staat is te beoordelen of het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod aansluit bij de lokale gemeenschap dan de gemeenteraad? En hoe wordt voorkomen dat de adviesrol van de NLPO over het beleidsplan op gespannen voet komt te staan met haar formele positie als bedoeld in artikel 2.75 van het voorstel?

  • 2. De Raad van State adviseerde de delegatiegrondslag voor het treffen van passende maatregelen ter bescherming van bijzondere persoonsgegevens van leden van een programmabeleid bepalend orgaan (pbo) nader te concretiseren, zodat daaruit blijkt welke maatregelen in ieder geval getroffen moeten worden.4 Op grond van art. 2.87u, lid 4 vindt uitwerking plaats in een AMvB.5 Wanneer wordt die AMvB verwacht, wordt de Eerste Kamer daarin gekend en kan de regering toelichten waarom de verwerking/bescherming van deze bijzondere persoonsgegevens waaronder gegevens over religieuze overtuiging en vakbondslidmaatschap niet in de wet zelf zijn verankerd?

  • 3. Artikel 9.14k van het voorstel regelt dat bestaande aanwijzingen doorlopen tot de eerste concessie.6 De aanwijzingscriteria gelden vervolgens voor iedereen in gelijke zin. Hoe wordt gegarandeerd dat bestaande omroepen en omroepen die nog moeten fuseren een gelijkelijke kans op aanwijzing hebben? Is er voorzien in ondersteuning van omroepen die aan het begin van het proces staan?

  • 4. Ook in het nieuwe stelsel verzorgt het Commissariaat voor de Media de aanwijzing van de publieke streekomroep. Het Commissariaat ontvangt daarvoor twee adviezen. Een advies van de NLPO en een advies van gemeenten, althans een afzonderlijk advies van elk van de gemeenteraden in de streek. Zowel de NLPO als de gemeenten hebben een eigen set criteria aan de hand waarvan het advies wordt uitgebracht. Gemeenten besteden veel tijd aan een dergelijk advies en uiteraard spreekt ook de gemeenteraad zich hierover uit. Op welke manier wordt geborgd dat de adviezen van gemeenten en de NLPO even zwaar meewegen?

  • 5. De motie van het lid Mohandis7 is in de Tweede Kamer met algemene stemmen aangenomen en verzocht de regering bezoldigingsmaxima voor bestuurders en leden van de raad van toezicht van streekomroepen vast te stellen die substantieel lager liggen dan de WNT-norm.8 Kan de regering uiteenzetten op welke wijze zij voornemens is deze motie te gaan uitvoeren? En op welke grondslag en op welke termijn?

  • 6. Artikel 2.189 van het voorstel verplicht tot een zelfevaluatie in het tweede aanwijzingsjaar.9 Artikel 2.170i tot een driejaarlijks verslag aan de Staten-Generaal.10 Geen van deze bepalingen verplicht tot een nulmeting voor 2028 of tot uitsplitsing per gemeente. Is de regering bereid te bewerkstelligen dat voor de start van het nieuwe stelsel een nulmeting per gemeente wordt vastgesteld, zo ja op welke wijze en zo nee, waarom niet en hoe worden de effecten van de schaalvergroting dan tijdig beoordeeld?

De leden van de PRO-fractie hebben daarnaast een aantal vragen die zien op het pbo:

  • 7. Artikel 2.87w van het voorstel verplicht het pbo een reglement vast te stellen over samenstelling, werkwijze en onverenigbaarheden.11 Kan de regering bevestigen dat het pbo zijn reglement zelfstandig vaststelt en wijzigt zonder goedkeuring van het bestuur of de raad van toezicht, en welke wettelijke waarborg staat eraan in de weg dat statuten of andere interne regelingen die bevoegdheid alsnog beperken?

  • 8. Kan een omroep de statuten of het reglement op de onderdelen die de positie, bevoegdheden of onafhankelijkheid van het pbo op andere wijze raken wijzigen zonder instemming of betrokkenheid van het pbo?

  • 9. Kan het bestuur bindende invloed uitoefenen op de voordracht, benoeming of het ontslag van pbo-leden, en zo ja: acht de regering dat verenigbaar met de vereiste onafhankelijkheid?

  • 10. Hoe wordt bij de overgang naar een streekomroep de eerste pbo-samenstelling onafhankelijk en transparant vastgesteld, en wie ziet toe op de naleving van de benoemingsprocedure wanneer meerdere partijen kandidaten voordragen?

  • 11. Welke informatie moet een omroep minimaal en binnen welke termijnen aan het pbo verstrekken, heeft het pbo een zelfstandig recht aanvullende informatie op te vragen, en welke instantie kan tijdig ingrijpen wanneer informatie niet, onvolledig of te laat wordt verstrekt?

  • 12. Kan de regering bevestigen dat het pbo zelfstandig en zonder aanwezigheid van het bestuur of de raad van toezicht kan vergaderen en dat het zelf kan bepalen wanneer een besloten vergadering noodzakelijk is?

  • 13. Hoe wordt voorkomen dat een goede totaalscore van een streekomroep tekorten in afzonderlijke gemeenten maskeert, welke gegevens worden minimaal per gemeente verzameld en welke rol heeft het pbo wanneer uit die gegevens blijkt dat de journalistieke aanwezigheid in een gemeente structureel achterblijft?

  • 14. Welke concrete bevoegdheden en handhavingsmogelijkheden heeft het Commissariaat voor de Media wanneer een omroep het pbo structureel onvoldoende informatie verstrekt, bevindingen van het pbo niet opvolgt of het pbo anderszins niet in staat stelt zijn taak uit te oefenen en binnen welke termijn kan worden ingegrepen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de fractie van de BBB staan in het algemeen positief ten opzichte van dit wetswijzigingsvoorstel, vooral gezien het belang van regionale en lokale omroepen voor verschillende gemeenschappen. Wel wensen deze leden de regering een aantal vragen te stellen, vooral vanwege hun zorgen over het voor de democratie en cultuur zo belangrijke omroepbestel, in het bijzonder over het goed blijven bedienen van kleinere gemeenschappen, de grotere rol van de overheid en de afnemende invloed van gemeenten, te weten:

  • 1. Hoe voorkomt de regering dat overheden, inclusief het Rijk, te veel de inhoud van de programma’s van de regionale en lokale omroepen gaan bepalen? Hoe voorkomt de regering dat lokale organisaties en groeperingen te veel invloed krijgen? Hoe voorkomt de regering ongewenste buitenlandse invloed?

  • 2. Wanneer het Rijk lokale publieke omroepen rechtstreeks gaat financieren, wordt de bekostiging vanuit het Gemeentefonds overgeheveld naar de mediabegroting (circa € 13 miljoen). Wordt ook een uitkering via het Provinciefonds overgeheveld? Zo ja, wanneer gaat deze in? Of wil de regering juist de provincies (meer) financiële middelen geven om «hun» regionale en lokale omroepen te steunen? Waarom is niet gekozen om de provincies een (grotere) rol of wettelijke taak te geven?

  • 3. In hoeverre verwacht de regering dat gemeenten hun eigen financiering van (lokale) omroepen gaan reduceren? Verwacht de regering wat dit betreft grote verschillen tussen omroepen? Kan de regering garanderen dat geen van de bestaande omroepen de komende jaren failliet zullen gaan door de stelselwijziging?

  • 4. Hoe garandeert de regering een gelijk speelveld op de markt, waarbij publieke financiering uitsluitend wordt ingezet voor aantoonbare publieke content en niet leidt tot marktverstoring ten nadele van commerciële zenders? Kan de regering garanderen dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun?

  • 5. Welke mogelijkheden ziet de regering nu nog om de rol van de gemeenten uit te breiden, om te zorgen voor sterke, lokaal verankerde publieke omroepen die bijdragen aan een vitale lokale democratie? Kan de Minister van OCW toezeggen hiernaar onderzoek te laten doen?

  • 6. Met deze wetswijziging lijkt de regering te kiezen voor centralisatie en verstatelijking: meer regionale en nationale organisatie, en meer financiering door de overheid. Waarom is er gekozen voor minder subsidiariteit en inperking van het maatschappelijk middenveld? Waarom heeft de regering niet slechts gekozen voor het uitbreiden van de financiering via het Gemeentefonds van € 13 naar € 31 miljoen? Hoe is volgens de regering voldaan aan de principes van noodzakelijkheid en proportionaliteit?

  • 7. Hoe garandeert de regering dat bij de teruggang van 220–230 naar maximaal 80 regionale en lokale omroepen, speciale lokale of andere gemeenschappen nog wel hun omroep kunnen houden? Hoe kan worden voorkomen dat inwoners in de praktijk hun eigen lokale herkenbaarheid, vertrouwde kanalen en directe verbinding met de redacties kwijtraken? Welke criteria hanteert de regering om te bepalen voor welke lokale of speciale gemeenschappen zij speciale omroepen wil behouden? Aan welke gemeenschappen denkt de regering hierbij?

  • 8. Hoe is de regering gekomen tot het maximum van 80 omroepen, zoals dit nu – na advies van de Raad van State en een amendement in de Tweede Kamer – in een AMvB staat? Waarom niet bijvoorbeeld maximaal 40 regionale omroepen en voor elke stad met meer dan 250.000 inwoners een lokale omroep? Heeft de regering over dit aantal ook zelf een afweging gemaakt, op basis van eigen onderzoek, en niet alleen het advies uit de sector gevolgd? Is onderzocht uit welke cultuur- of taalgebieden Nederland bestaat? En waarom is gekozen voor het instrument van een AMvB?

  • 9. Welke lokale omroepen wil de regering zelfstandig laten voortbestaan, dus niet laten opgaan in regionale omroepen? Welke criteria hanteert de regering om dit te bepalen? Speelt schaal, bijvoorbeeld het aantal inwoners van een gebied, hierbij een rol? Speelt geografische afstand een rol, zoals bij (Wadden)eilanden?

  • 10. Kent de regering de brief van de omroepen van de vier grote steden die zij aan (onder andere) de Eerste Kamer stuurde, en op 16 september werd ontvangen?12 Kan de regering de vragen die hierin werden gesteld beantwoorden en reageren op de hierin geuite zorgen?

  • 11. Hoe gaat de regering garanderen dat bij de nieuwe omroepen voldoende vrijwilligers, die vaak goed zicht hebben op en banden onderhouden met de lokale gemeenschap, actief kunnen blijven? Wordt dit niet met meer administratieve verplichtingen moeilijker gemaakt?

  • 12. Welk percentage van de zendtijd aan nieuws per deelgebied, bijvoorbeeld een wijk, kern of gemeente, moet een lokale of regionale omroep onder de nieuwe wet ten minste gaan uitzenden? Hoe heeft de regering dit (percentage) vastgesteld?

  • 13. Hoe garandeert de regering dat ouderen en minder digitaalvaardige inwoners nog goed zullen worden bediend?

  • 14. Welke beperkingen zullen voor de nieuwe omroepen gelden voor live-uitzending via internet, en plaatsen van programma’s op websites en sociale media? Mogen omroepen ervoor kiezen om alleen via internet «uit te zenden»?

  • 15. Hanteert de regering een maximaal percentage van de inkomsten van de omroepen dat het Rijk wil financieren, bijvoorbeeld 50 procent? Hoeveel moeten de omroepen zelf ten minste zien te verkrijgen van bedrijven, ngo’s, particulieren en gemeenten?

  • 16. Hoe garandeert de regering dat voldoende wordt uitgezonden in het Fries, Limburgs, Nedersaksisch, maar ook in lokale dialecten, zoals «Maastrichts», «Leids», «Arnhems» en «Haags» in de (grote) steden?

  • 17. Als pbo’s een belangrijke rol krijgen in het bewaken van representativiteit, pluriformiteit en lokale verankering, dan moeten deze ook over voldoende, tijdige en onafhankelijke informatie beschikken. Pbo’s zouden niet afhankelijk moeten zijn van globale mededelingen, maar structureel inzicht moeten krijgen in onder meer de nieuwsvoorziening per gemeente/kern/wijk, de kanaalkeuzes, de bereikbaarheid van de redactie, de vertegenwoordiging van lokale stromingen, de inzet van vrijwilligers en de wijze waarop alle delen van het verzorgingsgebied worden bediend. Hoe garandeert de regering dat pbo’s hun werk goed zullen kunnen doen? Hoe garandeert de regering dat pbo’s feitelijk voldoende invloed kunnen hebben op de omroepen, inclusief op de borging van lokale herkenbaarheid, representativiteit en maatschappelijke verankering? Welke signalerings-, escalatie-, aanwijzings- en sanctiebevoegdheden zijn hiervoor nodig?

  • 18. Welke concrete waarborgen zorgen ervoor dat een pbo, ook bij de vorming van een streekomroep, onafhankelijk van bestuur en directie kan functioneren? Kan het pbo zelfstandig en besloten vergaderen en, waar een professioneel redactiesysteem wordt gebruikt, rechtstreeks en actueel de gegevens inzien die nodig zijn om het media-aanbod per gemeente te beoordelen? Moet de omroep binnen een vaste termijn schriftelijk en gemotiveerd op adviezen van het pbo reageren? En bij welke onafhankelijke instantie kan het pbo terecht als informatie uitblijft of gemotiveerde signalen structureel terzijde worden gelegd, en welke herstelmaatregelen zijn dan mogelijk?

  • 19. Hoe garandeert de regering dat de NLPO een representatief bestuur («governance») krijgt, inclusief politieke voorkeuren en vertegenwoordiging van het platteland en regio’s?

  • 20. Waaruit blijkt dat de NLPO geen openbaar gezag uitoefent?

  • 21. Het parlement kan geen (directe) democratische controle uitoefenen op het Commissariaat voor de Media, wel op de regering. Waarom is er toch voor gekozen om het Commissariaat voor de Media lokale publieke omroepen aan te laten wijzen, en niet de Minister?

  • 22. Waarom denkt de regering dat deze wetswijziging daadwerkelijk zal leiden tot versterking van de publieke functies die de regionale en lokale omroepen uitoefenen? Wanneer wil zij dat evalueren en met welke vraagstelling, deelvragen en bronnen?

  • 23. Welke maatregelen neemt de regering om te garanderen dat de bijzondere persoonsgegevens van vertegenwoordigers van maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen bij een regionale of lokale publieke omroep worden beschermd?

  • 24. Het wetsvoorstel voorziet in een evaluatie van de wet binnen zeven jaar na inwerkingtreding. Waarom heeft de regering gekozen voor zeven jaar, en niet voor vijf, zoals ook wel gebruikelijk is. Is de regering bereid, gezien het belang van de omroepen voor regionale en andere gemeenschappen, de maatschappelijke en culturele effecten van de wetswijziging al na drie en een half jaar na invoering tenminste op hoofdlijnen te laten evalueren?

  • 25. Hoe garandeert de regering dat bestuurders en leden van de raad van toezicht van de regionale en lokale omroepen substantieel lager worden bezoldigd dan de norm in de Wet normering topinkomens?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de fractie van de VVD hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van sterke lokale publieke omroepen en stellen daarover enkele vragen.

  • 1. Hoe worden verzorgingsgebieden met dit wetsvoorstel in staat gesteld om de lokale herkenbaarheid op hetzelfde niveau te houden of zelfs te verbeteren?

  • 2. Welke concrete waarborgen zijn er dat alle kernen binnen een verzorgingsgebied voldoende journalistieke aandacht krijgen?

  • 3. Hoe voorkomt de regering dat vrijwilligers door de schaalvergroting afhaken en daarmee juist waardevolle lokale kennis en betrokkenheid verloren gaan?

  • 4. Hoe wordt geborgd dat de structurele rijksbijdrage daadwerkelijk leidt tot meer en betere lokale journalistiek en niet vooral tot meer overhead en bureaucratie?

  • 5. In hoeverre voorziet de regering een risico in het verschil in mediakwaliteit tussen omroepen wanneer gemeenten extra middelen toekennen op de al bestaande rijksbijdrage?

  • 6. Hoe voorkomt de regering dat de NLPO door haar centrale positie te veel regie krijgt binnen het lokale mediastelsel?

  • 7. Kan de regering uiteenzetten hoe de voorgestelde maatregelen in het wetsvoorstel leiden tot een reductie van de administratieve lasten? En in hoeverre zorgt dit wetsvoorstel voor een reductie van de kosten van distributie?

  • 8. Hoe voorkomt de regering dat sterkere publieke financiering leidt tot verdringing van commerciële lokale media?

  • 9. Wanneer is deze wet voor de regering geslaagd? Welke concrete, meetbare criteria worden gebruikt voor journalistieke kwaliteit, lokaal bereik, lokale verankering, vrijwilligers en doelmatigheid? In hoeverre worden deze criteria ook gehanteerd bij het (eventueel) herzien van het aantal van 80 verzorgingsgebieden na tien jaar?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau.

Deze leden onderschrijven het belang van een sterke, onafhankelijke en toekomstbestendige lokale publieke omroep. Juist in een tijd waarin het vertrouwen in instituties onder druk staat, desinformatie zich snel verspreidt en de afstand tussen inwoners en politiek soms groot wordt ervaren, is goede lokale journalistiek van grote waarde. Een goed functionerende lokale publieke omroep informeert inwoners over wat er in hun directe leefomgeving en in het lokale bestuur gebeurt en draagt daarmee bij aan het publieke debat en de lokale democratie.

De leden van de D66-fractie waarderen dan ook de inzet van de regering om het lokale publieke mediabestel structureel te versterken. De overgang naar structurele rijksbekostiging, schaalvergroting en versterking van samenwerking en professionalisering zien zij als belangrijke stappen om de lokale publieke omroep toekomstbestendiger te maken. Ook de keuze om de bekostiging op afstand van gemeenten te organiseren kan bijdragen aan de journalistieke onafhankelijkheid van lokale publieke media. Deze leden hebben nog enkele vragen over de verdere uitwerking en de wijze waarop de doelstellingen van het wetsvoorstel duurzaam kunnen worden geborgd.

Allereerst constateren de leden van de D66-fractie dat de NLPO in het nieuwe bestel een belangrijke en deels nieuwe wettelijke positie krijgt. De NLPO wordt het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de lokale publieke omroepen, ontvangt een concessie voor tien jaar, stelt iedere vijf jaar een concessiebeleidsplan op en krijgt daarnaast een adviserende rol bij de aanwijzing van lokale publieke omroepen.13 Deze leden begrijpen de gedachte achter deze inrichting. Een sterker en professioneler lokaal mediabestel vraagt ook om een organisatie die samenwerking, kennisdeling en ontwikkeling op landelijk niveau kan ondersteunen. Tegelijkertijd vinden zij het van belang dat de verschillende verantwoordelijkheden binnen het bestel helder van elkaar zijn te onderscheiden. Kan de regering toelichten welke waarborgen zijn getroffen om de verschillende rollen van de NLPO zorgvuldig van elkaar te scheiden? Hoe wordt bijvoorbeeld voorkomen dat de adviserende rol bij de aanwijzing van lokale publieke omroepen moeilijk te verenigen raakt met de bredere coördinerende en ondersteunende rol van de NLPO? Welke checks-and-balances acht de regering hierbij van belang?

Daarnaast constateren de leden van de D66-fractie dat het Commissariaat voor de Media in het nieuwe bestel een belangrijke rol krijgt bij aanwijzing, bekostiging en toezicht. Kan de regering nader toelichten hoe de verantwoordelijkheden van het Commissariaat en de NLPO zich tot elkaar verhouden? Welke mechanismen bestaan er om te voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over verantwoordelijkheden, sturing en toezicht?

Daarnaast vragen deze leden aandacht voor de positie van het pbo. Het pbo krijgt binnen het nieuwe bestel een belangrijke rol bij het bepalen van het media-aanbodbeleid en het toetsen van de uitvoering daarvan. Deze leden achten het van belang dat het pbo deze verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk onafhankelijk kan uitoefenen. Kan de regering toelichten welke waarborgen hiervoor gelden? Kunnen pbo's hun eigen reglement, agenda en vergaderwijze zelfstandig vaststellen en beschikken zij over voldoende ruimte om zonder aanwezigheid van directie, Raad van Toezicht of hoofdredactie te beraadslagen? Hoe wordt daarnaast gewaarborgd dat een pbo tijdig over volledige en controleerbare informatie beschikt om zijn wettelijke taak daadwerkelijk te kunnen uitvoeren?

Ook onderschrijven de leden van de D66-fractie de keuze om de financiering van lokale publieke omroepen niet langer via gemeenten te laten verlopen. Zij zien dit als een belangrijke stap om de onafhankelijkheid van lokale journalistiek verder te versterken. Tegelijkertijd blijft het van belang dat de redactionele autonomie van afzonderlijke lokale publieke omroepen binnen het nieuwe bestel onverkort uitgangspunt is. Deze leden vragen de regering daarom hoe zij de verhouding ziet tussen de landelijke organisatie van het bestel en de journalistieke zelfstandigheid van afzonderlijke omroepen. Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat keuzes op het gebied van financiering, ondersteuning, kwaliteitsontwikkeling of samenwerking indirect invloed krijgen op de redactionele keuzes van lokale publieke omroepen? Kan de regering bevestigen dat lokale publieke omroepen voldoende ruimte behouden om vanuit hun eigen journalistieke verantwoordelijkheid invulling te geven aan de lokale publieke mediaopdracht?

Tegelijkertijd vinden deze leden het van belang dat de lokale publieke omroep goed geworteld blijft in de gemeenschappen waarover zij bericht. Hoe waarborgt de regering dat de nieuwe inrichting niet leidt tot een grotere fysieke of journalistieke afstand tot individuele gemeenten en lokale gemeenschappen? Welke eisen worden gesteld aan lokale aanwezigheid en journalistieke capaciteit binnen de gemeenten die onderdeel worden van een streekomroep? Hoe wordt daarbij gewaarborgd dat het pbo en het Commissariaat over voldoende informatie beschikken om de journalistieke aanwezigheid en het media-aanbod per gemeente daadwerkelijk te kunnen beoordelen?

De leden van de fractie van D66 vragen daarnaast hoe binnen de nieuwe inrichting ruimte blijft voor lokale herkenbaarheid. Welke kaders gelden hiervoor en hoe wordt gewaarborgd dat inwoners zich in de berichtgeving van hun lokale publieke omroep blijven herkennen? In het verlengde hiervan onderschrijven deze leden het uitgangspunt dat een goed functionerende lokale publieke omroep van belang is voor de lokale democratie. Zij vragen de regering hoe zij dit uitgangspunt nader duidt. Beschouwt de regering toegang tot kwalitatief hoogwaardige en onafhankelijke lokale publieke journalistiek als een basisvoorziening waarop inwoners, ongeacht hun woonplaats, in beginsel in gelijke mate aanspraak moeten kunnen maken? In hoeverre kan het nieuwe bestel volgens de regering bijdragen aan het verkleinen van verschillen tussen gemeenten in de beschikbaarheid en kwaliteit van lokale journalistiek, met name daar waar de bestaande journalistieke infrastructuur kwetsbaar is? Hoe wordt daarbij voorkomen dat positieve resultaten op het niveau van het gehele verzorgingsgebied eventuele achterstanden in afzonderlijke gemeenten verhullen?

Daarbij vragen de leden van de D66-fractie aandacht voor de situatie waarin een aangewezen lokale publieke omroep gedurende een aanwijzingsperiode onvoldoende invulling geeft aan de publieke mediaopdracht. Kan de regering toelichten welke mogelijkheden bestaan om in een dergelijke situatie in te grijpen? Welke instrumenten zijn beschikbaar voor bijsturing en welke gevolgen heeft dit voor de continuïteit van de lokale nieuwsvoorziening?

Tot slot hechten de leden van de fractie van D66 aan een zorgvuldige evaluatie van deze belangrijke stelselwijziging. Zij vinden het positief dat het wetsvoorstel niet alleen inzet op een andere organisatorische inrichting, maar ook op meer professionaliteit, stabiliteit, onafhankelijkheid en journalistieke kwaliteit. Deze leden vragen op basis van welke concrete indicatoren zal worden vastgesteld of deze doelstellingen worden bereikt. Zal bij de evaluatie niet alleen worden gekeken naar organisatorische en financiële aspecten, zoals het aantal gevormde streekomroepen en de financiële stabiliteit, maar ook naar journalistieke kwaliteit, lokale verankering, bereik onder inwoners en de bijdrage aan de lokale democratische informatievoorziening? Kan de regering daarbij aangeven hoe wordt gemeten of inwoners daadwerkelijk betere toegang hebben gekregen tot betrouwbare en onafhankelijke informatie over hun directe leefomgeving en het lokale bestuur? Op welk moment zou de regering aanleiding zien om het functioneren van het nieuwe bestel nader te bezien of waar nodig bij te stellen?

De leden van de D66-fractie zien de beantwoording van deze vragen met belangstelling tegemoet. Zij spreken hun steun uit voor de ambitie om met dit wetsvoorstel te komen tot een sterkere, onafhankelijkere en toekomstbestendige lokale publieke omroep.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de fractie van het CDA hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij onderschrijven het belang van een sterke, onafhankelijke en professioneel toegeruste lokale publieke omroep die bijdraagt aan de verbinding binnen gemeenten, dorpen en wijken. Tegelijkertijd achten zij het van belang dat een stelselwijziging niet alleen beleidsmatig wenselijk, maar ook uitvoerbaar, handhaafbaar en toekomstbestendig is. Zij hebben de volgende vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de discussie over het wettelijk vastleggen van maximaal 80 verzorgingsgebieden en de kritische kanttekeningen van de Raad van State en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).14 Indachtig de uitvoerbaarheid en toekomstbestendigheid van het stelsel vragen deze leden de regering uiteen te zetten in hoeverre het wettelijk maximum van 80 ruimte laat voor toekomstige bijsturing op basis van praktijkervaringen en welke procedure hierbij is voorzien? Indien in de praktijk blijkt dat een verzorgingsgebied te groot is, onvoldoende samenhang vertoont of niet goed aansluit bij de feitelijke lokale identiteit en nieuwsvoorziening, welke mogelijkheden bestaan dan om de gebiedsindeling aan te passen?

De leden van de fractie van het CDA constateren dat de vorming van streekomroepen in veel gevallen zal plaatsvinden door samenvoeging van bestaande lokale publieke omroepen. Indien de bestaande lokale redacties binnen een streekomroep grotendeels zelfstandig blijven functioneren, vragen deze leden waarin de beoogde schaalvoordelen precies bestaan. Indien daarentegen wordt gekozen voor vergaande integratie van redacties en organisatieonderdelen, rijst de vraag hoe de lokale nabijheid en herkenbaarheid behouden blijven. Kan de regering nader uiteenzetten op welke wijze de voorziene samenvoeging naar verwachting leidt tot een versterking van de journalistieke capaciteit en andere beoogde schaalvoordelen, met behoud van de lokale nabijheid en herkenbaarheid?

In het verlengde hiervan, achten de leden van de CDA-fractie het van belang dat inwoners niet alleen formeel onderdeel uitmaken van een verzorgingsgebied, maar zich ook daadwerkelijk herkennen in de lokale nieuwsvoorziening. Kan de regering toelichten hoe in de praktijk wordt vastgesteld dat alle gemeenten binnen een verzorgingsgebied structureel en herkenbaar worden bediend en welke objectieve en vooraf kenbare criteria daarbij worden gehanteerd?

De leden van de CDA-fractie constateren dat het pbo binnen grotere verzorgingsgebieden een belangrijke rol vervult bij het bewaken van representativiteit en maatschappelijke verankering. Zij vragen de regering toe te lichten hoe wordt gewaarborgd dat het pbo ook binnen grotere verzorgingsgebieden daadwerkelijk in staat blijft zijn wettelijke taak effectief uit te oefenen. In dat verband vragen deze leden hoe de positie van het pbo in het nieuwe stelsel wordt vormgegeven, welke informatie het PBO volgens de regering nodig heeft om zijn taak op een betekenisvolle wijze te kunnen vervullen en hoe signalen van het pbo worden betrokken bij de beoordeling van het functioneren van een streekomroep.

Tot slot vragen de leden van de fractie van het CDA aandacht voor de uitvoerbaarheid van de overgang naar het nieuwe bestel, afgezet tegen de voorziene stappen. Kan de regering een geactualiseerd beeld geven van de belangrijkste uitvoeringsrisico’s richting de beoogde start van het nieuwe stelsel en daarbij duiden hoe de continuïteit van de lokale nieuwsvoorziening wordt gewaarborgd? In het bijzonder vragen deze leden zich af hoe de distributie van lokale radio- en televisiesignalen is geborgd in het nieuwe stelsel. In hoeverre kan de ruimte voor lokale edities en aanvullende programmakanalen ertoe leiden dat de beoogde vermindering van het aantal omroepen zich niet vertaalt in een vergelijkbare vermindering van het aantal te distribueren kanalen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van FVD

Het wetsvoorstel verplaatst de basisbekostiging van lokale publieke omroepen van de gemeenten naar het Rijk.15 Lokale omroepen moeten hun beleidsplan afstemmen op het concessiebeleidsplan van de NLPO. De Minister sluit daarnaast een prestatieovereenkomst met de NLPO.16

  • 1. Hoe verhoudt de verplichte afstemming zich tot het vereiste dat publiek media-aanbod vrij is van overheidsinvloeden?17

De regering ziet gemeentelijke financiering als risico voor de redactionele onafhankelijkheid, maar erkent ook dat het budgetrecht bij de gekozen gemeenteraad ligt.18

  • 2. Waarom acht de regering afhankelijkheid van gemeentelijke financiering riskanter dan afhankelijkheid van rijksfinanciering en landelijke instellingen?

  • 3. Hoe verhoudt het vervallen van de gemeentelijke taak voor basisbekostiging zich tot de gemeentelijke autonomie van artikel 124 van de Grondwet?19

  • 4. Welke invloed houdt een gemeenteraad op de omvang en vorm van het lokale publieke media-aanbod als zij geen behoefte ziet aan de voorgestelde streekomroep? Gemeenten kunnen immers alleen nog besluiten over aanvullende subsidie.20

Het gewijzigde wetsvoorstel laat het maximumaantal en de indeling van verzorgingsgebieden en de verdeelsleutel voor de bekostiging vaststellen bij algemene maatregel van bestuur.21

  • 5. Waarom legt de regering deze bepalende keuzes niet in de formele wet vast?

Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie van OPNL

Het lid van de fractie van OPNL heeft met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Minister van OCW over de stand van zaken inzake versterking en evaluatie bekostiging lokale publieke omroepen.22 Naar aanleiding van deze brief heeft het genoemde lid een aantal vragen. Deze vragen hebben betrekking op waarborgen voor behoud van het lokale karakter van de nieuwe streekomroepen en de praktische invulling van fusies tussen bestaande omroepen.

  • 1. Waarom is in de keuze om op te schalen gekozen voor specifiek 80 verzorgingsgebieden in plaats van de ongeveer 230 lokale omroepen zoals die op dit moment bestaan?

In de kabinetsreactie op het rapport «Elke regio telt!» brengt de regering naar voren dat de dunner bevolkte gebieden – met daarbinnen grote afstanden – meer gewicht dienen te krijgen in de toedeling van voorzieningen. Verder stelt het kabinet het brede welvaartsperspectief voor de regio’s centraal bij de herijking van reguliere beleids- en investeringslogica.23 Immers: «elke regio is uniek, heeft zijn eigen identiteit en kracht, en beleidskeuzes hebben voor elke regio andere gevolgen».24

  • 2. Op welke wijze is er rekening gehouden met de verschillende gevolgen die beleidskeuzes voor elke regio kunnen hebben?

  • 3. Hoe wordt voorkomen dat de schaalvergroting een onevenredige afname van lokale omroepen in sommige regio’s tot gevolg heeft?

  • 4. Hoe zorgt de regering ervoor dat de nieuwe streekomroepen voldoende herkenbaar zullen blijven voor luisteraars aangezien juist de binding van de luisteraar met de omroep een van de onderscheidende eigenschappen is van een lokale omroep?

In sommige toekomstige verzorgingsgebieden zitten lokale omroepen die zich verschillend hebben ontwikkeld richting bijvoorbeeld een radio-omroep of een digitaal nieuwsplatform. Ook worden conflicten gesignaleerd tussen bestaande lokale omroepen in (de voorfase van een) fusie.

  • 5. Op welke manier wil de regering de kwaliteiten van verschillende systemen behouden en eventuele fusies vergemakkelijken?

  • 6. Hoe voorkomt de regering dat de expertise van de ongeveer 230 lokale omroepen verloren gaat tijdens de overgangsfase naar de 80 nieuwe streekomroepen?

Tussen november en januari moeten lokale omroepen een vergunning voor de komende vijf jaar aanvragen, waardoor veel lokale omroepen tijdsdruk ervaren.

  • 7. Is de regering bereid lokale omroepen in een verzorgingsgebied die hebben aangegeven te fuseren meer tijd te geven om het fusieproces te versoepelen?

De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zien de beantwoording van de vragen met belangstelling tegemoet. Met het oog op het verzoek van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het wetsvoorstel met prioriteit te behandelen,25 ontvangen genoemde leden de nota naar aanleiding van het verslag graag uiterlijk vrijdag 25 september 2026, 16.00 uur.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Rietkerk

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Graag


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Doornhof (CDA), Fiers (PRO), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Jaspers (BBB), Karaaslan(D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Van Knapen (BBB), Lagas (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (PRO), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (PRO), Rosenmöller (PRO), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (PRO) (ondervoorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2025/26, 36 917, B, art. 2.87p, lid 3.

X Noot
3

Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2025/26, 36 917, B, art. 2.87p, lid 2.

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/26, 36 917, nr. 4, p.15.

X Noot
5

Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2025/26, 36 917, B, art. 2.87u, lid 4.

X Noot
6

Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2025/26, 36 917, B, art. 9.14k.

X Noot
7

Kamerstukken II 2025/26, 36 917, nr. 32.

X Noot
8

Wet normering topinkomens.

X Noot
9

Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2025/26, 36 917, B, art. 2.189.

X Noot
10

Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2025/26, 36 917, B, art. 2.170i.

X Noot
11

Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2025/26, 36 917, B, art. 287w.

X Noot
12

Brief namens de G4 lokale omroepen, «Inbreng verslag wijziging van de Mediawet 22-09-2026», d.d. 16 september 2026, griffienummer 182365.

X Noot
13

Kamerstukken II 2025/26, 36 917, nr. 3, p. 1.

X Noot
14

Kamerstukken II 2025/26, 36 917, nr. 4; VNG Consultatieadvies wijziging mediawet (20 februari 2025).

X Noot
15

Kamerstukken II 2025/26, 36 917, nr. 3, p. 18 en paragraaf 2.2.

X Noot
16

Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2025/26, 36 917, B, art. 2.87g, 2.87n en 2.87q.

X Noot
17

Mediawet 2008, art. 2.1, lid 2, onderdeel d.

X Noot
18

Kamerstukken II 2025/26, 36 917, nr. 3, p. 35 en 63.

X Noot
19

Grondwet, art. 124, lid 1.

X Noot
20

Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2025/26, 36 917, B, art. 2.179 en 2.179a.

X Noot
21

Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2025/26, 36 917, B, art. 2.87h, lid 5, en 2.170e, lid 2.

X Noot
22

Kamerstukken I 2025/26, 36 917/32 827, A.

X Noot
23

Kabinetsreactie op het adviesrapport «Elke regio telt!», 13 juli 2023: Kamerstukken II, 2022/23, 29 697, nr. 114, p. 6.

X Noot
24

Kamerstukken II 2023/24, 29 697, nr. 142.

X Noot
25

Kamerstukken I 2025/26, 36 917, C.

Naar boven