3 Vragenuur

Vragenuur

Vragen Synhaeve

Vragen van het lid Synhaeve aan de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport over het bericht "Sara danste door het leven, maar verzweeg donkere gedachten: 'Elke maand sterft een klas vol jongeren'".

De voorzitter:

Ik nodig de volgende staatssecretaris uit achter de microfoon in vak K en ik nodig mevrouw Synhaeve van de fractie van D66 uit voor haar mondelinge vragen over het bericht "Sara danste door het leven, maar verzweeg donkere gedachten: 'Elke maand sterft een klas vol jongeren'".

Mevrouw Synhaeve (D66):

Dank u wel, voorzitter. Gisteren, op Blue Monday, lanceerde 113 een nieuwe campagne om zelfdoding onder jongeren bespreekbaar te maken. Het is een dag die vaak wordt neergezet als de meest sombere dag van het jaar, maar voor veel van deze jongeren is die somberheid helaas niet iets van één dag. Die somberheid dragen ze elke dag met zich mee, in hun hoofd en in hun hart. Elke maand verliezen we in Nederland gemiddeld een klas van 26 jongeren door zelfdoding. Dat zijn geen statistieken; dat zijn lege stoelen in klaslokalen, gezinnen die nooit meer hetzelfde zijn, vriendengroepen die hun maatje missen en onze samenleving die een toekomstig talent verliest.

Een klas per maand betekent ook één klas deze maand. Dat onderstreept hoe groot de urgentie is en dat dit geen dossier is om te parkeren tot een volgend kabinet. Gezien de ernst van het nieuws over de grote aantallen zelfdoding onder jongeren wil ik de staatssecretaris als eerst vragen om te delen hoe zij dit nieuws gisteren tot zich heeft genomen.

De voorzitter:

Het woord is aan de staatssecretaris, die een grote promotor is van bewegen, dus het komt u vast goed uit.

Staatssecretaris Tielen:

Dank u wel, voorzitter. Dank aan mevrouw Synhaeve voor het aanmelden van deze vraag. Dank ook aan u, voorzitter, voor het agenderen ervan. Zoals mevrouw Synhaeve in haar inleiding al zei: spreken over suïcide en suïcidepreventie is enorm belangrijk. Alleen al de gedachte met elkaar delen en bespreekbaar maken is een belangrijke bijdrage om te voorkomen dat suïcide voorkomt. Elke suïcide is verdrietig. Gisteren was het verhaal over Saar in het nieuws, maar we kennen allemaal een Saar, een Indy, een Elias, een Brechje. Mevrouw Synhaeve zei het al goed: het gaat om zo veel jonge mensen, zo veel jonge vrouwen, die ouders, naasten en vrienden nalaten met zo veel verdriet. Zo heb ik het nieuws gisteren ook tot mij genomen. Ik ben de afgelopen maanden veel in contact geweest met onder andere 113 Zelfmoordpreventie. Ik ben ook heel veel in contact geweest met nabestaanden. Elke keer dat één persoon het leven niet meer ziet zitten en voor zichzelf die daad moet plegen, suïcide begaat, is een keer te veel. Dat levert verdriet op.

Mevrouw Synhaeve (D66):

De staatssecretaris gaf al aan dat het bespreken heel belangrijk is, maar meer grip krijgen op de oorzaken is net zo belangrijk. Zelfdoding is namelijk de nummer één doodsoorzaak onder jongeren tot 30 jaar, maar we weten er eigenlijk nog te weinig over. Zo weten we niet waarom het aantal suïcides blijft stijgen onder jongeren, specifiek onder jonge vrouwen. Kan de staatssecretaris toezeggen hier onderzoek naar te gaan doen?

Staatssecretaris Tielen:

Ik denk dat mevrouw Synhaeve ook daar weer een terecht punt aangrijpt. Er is ook niet één oorzaak of één rode draad te vinden. We zien allemaal wel de cijfers over de mentale gezondheid van onze jongeren, die onder druk staat. Veel jongeren kampen met mentale problematiek, maar dat zegt niet alles over de oorzaken van suïcide. Momenteel ben ik in overleg met ZonMw, onze verlengde arm voor het organiseren van wetenschappelijk onderzoek, om een aanvullend onderzoeksprogramma te maken voor suïcide. Dat programma zou moeten gaan lopen vanaf 2027. We proberen daar nu criteria, lijnen in aan te brengen. We nemen daarin de berichtgeving over het aantal suïcides onder jonge mensen mee. Ook heeft 113 zelf een programma om te achterhalen welke onderliggende factoren er zijn. We zien daar grote verschillen en diversiteit, maar we proberen ook mee te denken over hoe we daarmee aan de slag kunnen.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Super. Dank voor deze belangrijke toezegging over extra onderzoek. Dat is ook waar 113 om vraagt. 113 zegt: ga nou dieper in die oorzaken duiken, want er is niet maar één oorzaak. Er zijn natuurlijk ook een aantal dingen die we wél weten. Ik heb daar twee vragen over. We weten dat het risico op suïcide toeneemt op het moment dat jongeren uitvallen op school. Als die structuur en begeleiding wegvallen, verergeren de problemen. Hoe zorgt de staatssecretaris ervoor dat minder jongeren uitvallen op school en, als dat dan toch gebeurt, dat zij beter in beeld blijven? Dat was de eerste vraag. Dan mijn tweede vraag. We weten ook dat kinderen die in gesloten jeugdzorg hebben gezeten extra kwetsbaar zijn. Welke stappen zet de staatssecretaris nu om te zorgen voor zorgvuldige hersteltrajecten voor de jongeren die in gesloten jeugdzorg hebben gezeten?

Staatssecretaris Tielen:

Dan wil ik de vraag eigenlijk ietsje breder trekken. Je ziet dat er zo veel verschillende oorzaken zijn. Die worden, denk ik, terecht door mevrouw Synhaeve samengebracht in een paar. We hebben heel veel beleidsdomeinen, om het maar in jargon te zeggen, nodig om mee te werken aan de preventie van suïcide. Vorig jaar hebben uw Kamer en de Eerste Kamer een initiatiefwet aangenomen, de Wet integrale suïcidepreventie — die is van kracht vanaf 1 januari dit jaar — waarbij gemeenten, het Rijk, het ministerie van VWS, het ministerie van OCW en het ministerie van BZK meedenken over hoe we suïcidepreventie kunnen verbeteren. Gemeenten zijn nu bezig met plannen om deze wet toepasbaar te maken.

Als het gaat om scholen, is dit typisch iets waar het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap meer mee bezig is. Uitval is een belangrijk element. Daarbij hebben de lokale teams in de gemeenten — denk aan wijkteams en buurtteams — een belangrijke rol om mee te kijken met kinderen en gezinnen naar wat er aan de hand is en om eventueel hulp en bijstand aan te bieden en in gang te zetten als dat nodig is.

Als het gaat om de gesloten jeugdzorg, zijn we nu nog bezig met een specifiek traject over de erkenning van kinderen die in gesloten jeugdzorg hebben gezeten. We zijn daarmee bezig in gesprek met de ervaringsdeskundigen, om te kijken wat zij nodig hebben voor zichzelf en voor al die anderen die in de gesloten jeugdzorg hebben gezeten. Ik verwacht dat wij tegen de zomer een concreet antwoord hebben op de vraag van mevrouw Synhaeve.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Fijn dat de vraag eerst breder werd beantwoord en daarna meer specifiek. Er valt mij iets op. Ik zei het ook al in mijn inleiding. Ook deze maand is het wéér een schoolklas. Hoe doorbreken we dat nou? Hoe komen we niet alleen met allerlei plannen, maar ook met concrete stappen die ook hier met elkaar besproken en verdedigd kunnen worden?

Staatssecretaris Tielen:

Ik denk dat die plannen heel belangrijk zijn, juist om het contact tussen alle potentiële hulpverleners, de naasten en de samenleving te maken en om elkaar alert te houden. Zo begon ik ook mijn antwoord. Het begint met het bespreekbaar maken. Het durven vragen aan iemand van wie je denkt "hoe somber is die eigenlijk en welke worstelingen heeft die?" is enorm belangrijk. Er is een training, de VraagMaar-training, die mede met hulp van 113 is opgesteld, om dat gesprek te kunnen openen. Het is natuurlijk ook gewoon een heel ingewikkeld onderwerp, maar dat moet het niet blijven, juist door met elkaar in gesprek te zijn. Er is PRAATPOWER, een programma voor jongeren om met elkaar dit gesprek te voeren onder begeleiding. Er is een digitaal platform, injebol.nl, dat ik afgelopen najaar heb gelanceerd samen met Hare Majesteit Koningin Máxima, vanuit MIND, om jongeren ook laagdrempelig en digitaal de mogelijkheid te geven om hun gedachten te delen en hulp te vinden.

Dus ja, er zijn heel veel plannen, maar er zijn ook heel veel concrete handvatten om daar met elkaar aan te werken en te zorgen dat de suïcidecijfers omlaaggaan. Juist omdat het een probleem is met zo veel oorzaken, is er ook niet één toverstokje dat je ergens op kunt houden waardoor het dan opgelost is. Het is dus gewoon een work in progress, om het in goed Nederlands te zeggen. Ik denk dat er heel veel goede stappen zijn gezet. Ik denk ook dat er elke dag door heel veel mensen keihard wordt gewerkt. Maar we hebben hier ook als samenleving een rol in te spelen.

Mevrouw Synhaeve (D66):

De staatssecretaris had het al over "vanaf het begin bespreekbaar maken". Ik was gisteren in gesprek met een aantal jongeren over hun dromen, hun zorgen en gezond opgroeien. Op een bepaald moment zei een van hen: er is eigenlijk niemand die mij ooit vraagt hoe mijn dag online is geweest, terwijl ik daar toch best veel tijd doorbreng. Hoe kijkt de staatssecretaris daarnaar, ook in het kader van de voorbeelden die net gegeven werden? Het zijn natuurlijk allemaal voorbeelden waarbij wij nieuwe platforms maken en dan verlangen dat de jongeren daarnaartoe gaan. Misschien kunnen wij ook iets meer moeite doen om zelf naar die jongeren toe te gaan.

Staatssecretaris Tielen:

Dat is zeker zo. We hebben in deze Kamer overigens ook vaak debatten over de vraag wat de onlinewereld wel en niet kan brengen. Er zijn namelijk heel veel mooie dingen aan social media, maar er zijn ook heel veel dingen waar we ons zorgen over maken. Ik verwees al een paar keer naar 113. Die hebben zelf ook een Landelijke Agenda Suïcidepreventie. Een van de lijnen daarin heeft te maken met de onlinewereld: hoe zorgen we ervoor dat we die veilig houden en dat die een positieve manier van verbinding is in plaats van een negatieve? Maar ook daar hebben we met elkaar wat in te doen.

Vanuit het ministerie van VWS zijn er richtlijnen rondom schermgebruik en social media, maar ik denk dat we de handen ook ineen moeten slaan om ervoor te zorgen dat de onlinewereld voelt als een veilige wereld waarin je je gedachten kan delen. Die moet je bespreekbaar kunnen maken, ook thuis. Dat suggereerde mevrouw Synhaeve eigenlijk al een beetje.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Synhaeve.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Afrondend. Ik ben geraakt door de verhalen, de kwetsbaarheid en de moed van alle nabestaanden die hun ervaringen hebben gedeeld, onder andere in deze campagne. Ik ben er ook van overtuigd dat die lessen voor andere jongeren het verschil zullen maken. Vanuit de Tweede Kamer zullen we ook het verschil blijven maken. Dat is een van de redenen waarom we bijna Kamerbreed, met heel veel partijen, het initiatief hebben genomen voor een rondetafelgesprek over dit onderwerp.

Staatssecretaris Tielen:

Mooi.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Hamstra.

De heer Hamstra (CDA):

Allereerst dank aan collega Synhaeve voor het bespreekbaar maken van het onderwerp en het aanvragen van het rondetafelgesprek; dat voorstel heeft ook de steun van het CDA gekregen. Het feit dat wij hier in dit huis over praten, draagt volgens mij bij aan het doorbreken van het taboe. De vragen van net gingen ook even over de wet die per 1 januari in is gegaan en waarin gemeenten een belangrijke rol spelen. Gemeenten zijn er in allerlei verschillende groottes. Zeker voor kleine gemeenten is het soms lastig om voldoende toegerust te zijn om die wet ook daadwerkelijk uit te kunnen voeren. Concreet is mijn vraag aan de staatssecretaris: kunt u aangeven op welke manier u de vinger aan de pols houdt in gesprek met de gemeenten om ervoor te zorgen dat de plannen die we gemaakt hebben, die waar mevrouw Synhaeve het ook al over had, daadwerkelijk effect gaan sorteren?

Staatssecretaris Tielen:

Ik ben uiteraard veel in gesprek met gemeenten. Ik kom ook graag op werkbezoek in gemeenten. De Landelijke nota gezondheidsbeleid, die ik afgelopen najaar naar uw Kamer, maar ook naar de gemeenten heb gestuurd, zal een houvast bieden. Daarin zit ook een lijn over mentale gezondheid. Gemeenten kunnen gebruikmaken van alle kennis en expertise die bijvoorbeeld bij 113 en bij de verschillende patiëntenverenigingen, zoals MIND en MIND Us, aanwezig is. Gemeentes kunnen dus een heleboel bronnen gebruiken.

Wat de wet betreft … Mevrouw Bikker staat achter u. Zij is een van de pleegmoeders — eigenlijk is ze een van de moeders — van de wet. Zij weet dit dus nog beter dan ik. Er ligt voldoende. De bedoeling is natuurlijk vooral om gemeentes de energie en motivatie te geven om het probleem op de agenda te zetten en urgent te maken. Dat is inmiddels gebeurd. Vervolgens moet je er handen en voeten aan geven. Ik denk dat er heel veel ligt om dat te kunnen doen. Uiteraard ga ik in gesprek. Ik hoor het ook graag als gemeenten zeggen: we weten niet waar we terechtkunnen, want we vinden het ingewikkeld. Het is en blijft een ingewikkeld onderwerp. Daarom moet het bespreekbaar blijven.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik ga graag door op de vraag van mijn collega over de implementatie van de Wet integrale suïcidepreventie. Het is goed dat de staatssecretaris de vinger aan de pols houdt. Doet ze dat ook op het terrein van het budget? Zorgt ze ervoor dat gemeenten voldoende financiële armslag hebben om deze wet op een goede manier te implementeren?

Staatssecretaris Tielen:

De rol van VWS daarin is vooral om voldoende bronnen aan te bieden, zodat gemeenten op gang kunnen komen. Zij moeten met die kennis, ervaring en deskundigheid vanuit verschillende hoeken hun plan kunnen vormen. Ik geloof dat wij jaarlijks ruim 30 miljoen euro beschikbaar hebben voor onder andere 113 en de Landelijke Agenda Suïcidepreventie en ook 10 miljoen specifiek voor gemeenten. Dus ik denk dat er voldoende ligt, zodat ook de daad bij het woord gevoegd kan worden.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Elke zelfmoord is natuurlijk een tragedie, zeker als het onverwacht komt en zeker als het jongeren betreft. Er zijn natuurlijk heel veel oorzaken hiervoor; dat zegt de staatssecretaris net terecht. Eén potentiële oorzaak zou ik graag tegen het licht willen houden. Jongeren komen natuurlijk op sociale media. Dat is net al genoemd. De hele tijd wordt daar natuurlijk een perfecte wereld geschetst. Dat gebeurt vaak. Wij weten natuurlijk dat de echte wereld, het echte leven, vaak heel moeilijk is. Zou het niet goed zijn om in die aanpak en in die gesprekken meer voor het licht te houden dat het beeld dat jongeren bijvoorbeeld op sociale media vaak voorgeschoteld krijgen, niet de echte wereld is? Dat is eigenlijk mijn open vraag aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Tielen:

Misschien heeft meneer Van Houwelingen mijn Versterkingsagenda Mentale gezondheid & ggz ook gelezen. Dat hoop ik, want daarin besteden we inderdaad ook aandacht aan die mentale veerkracht. Hoe belangrijk is die? Hoe ga je om met teleurstellingen? Als meneer Van Houwelingen dit hoort, denkt hij: ja, maar daarmee komt ze niet helemaal op wat er op sociale media staat. Maar het heeft wel te maken met hoe het leven eruitziet en hoe je omgaat met dat en met wat je op sociale media ziet. Dat moet zeker het gesprek van de dag blijven in klaslokalen, in buurtteams, thuis en onder jongeren zelf.

De voorzitter:

Dit is uw laatste vraag, meneer Van Houwelingen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ja, laatste vraag. Dit zal ook op scholen moeten gebeuren. Er is een aanpak op scholen, de STORM-aanpak. Daar heeft mevrouw Westerveld nog een motie over ingediend. Ik begrijp van degenen die dat promoten dat die aanpak nog steeds niet wordt uitgerold. Ik weet dat het bij het ministerie van OCW ligt, maar het heeft natuurlijk ook met zorg te maken. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of het ministerie van Volksgezondheid hier ook iets mee doet. Misschien is het ministerie zelfs bereid om het mede te financieren. Het ligt natuurlijk weer vast op de financiën, denk ik. Dat is mijn vraag.

Staatssecretaris Tielen:

Volgens mij gaat meneer Van Houwelingen nu heel snel vanuit een aantal aannames naar een vraag. Wat in scholen en klaslokalen gebeurt, is aan scholen en onderwijzers. We hebben daar een aantal handreikingen voor. Meneer Van Houwelingen verwijst terecht naar de STORM-aanpak: Strong Teens and Resilient Minds, in goed Nederlands. Ik hoor het graag van de staatssecretaris van OCW als hij belemmeringen heeft waar ik iets aan kan doen, maar ik wil zorg ook niet te veel in de klaslokalen hebben. Wat mij betreft gaat het over mentale veerkracht en mentale gezondheid. Daar zijn een aantal aanpakken vanuit mijn ministerie op ingericht. Scholen spelen daar een rol in, maar we moeten ook niet in elkaars rollen treden. Hoe noem je dat?

De voorzitter:

Vaarwater. Initiatiefnemer mevrouw Bikker, gaat uw gang.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

De wet om suïcidepreventie veel meer overal gangbaar te maken is echt net van kracht, sinds 1 januari. En wat is die hard nodig. Dat zien we ook als we naar de cijfers kijken, waarin we zien dat helaas steeds meer jonge vrouwen het afgelopen jaar suïcide hebben gepleegd. Juist daarom zou ik aan de staatssecretaris willen vragen om nu die wet van kracht is enorm goed de vinger aan de pols te houden voor wat gemeenten daarin nodig hebben. Als we uit de uitvoeringstoets nu al de eerste signalen krijgen dat het best wel krap is qua budget, dan hoop ik dat de staatssecretaris nadrukkelijk doorgeeft aan haar opvolgers, als ze niet zelf doorgaat, dat we op dit punt echt niet in het eerste jaar vast moeten lopen, maar de beweging nu juist in gang kunnen zetten. Kan de staatssecretaris een klein inkijkje geven in hoe zij dit voor zich ziet?

Staatssecretaris Tielen:

Ik denk dat mevrouw Bikker terecht zegt dat we nog geen drie weken bezig zijn met de wet in de hand. Ik vind het ook wel goed om gemeenten even te laten wennen, om het zo maar te zeggen, aan het hebben van de verantwoordelijkheid voor een plan rondom suïcide en suïcidepreventie. Ik heb in het najaar een landelijke nota uitgestuurd waarin een aantal elementen zitten. Er ligt een versterkingsagenda, die ze daarbij ook kunnen gebruiken, waarin vrouwengezondheid specifiek benoemd is, juist omdat we zo veel verschillen zien tussen met name jongens en meisjes in geestelijke gezondheid en mentale veerkracht. Ik kan me dus voorstellen dat we over een paar maanden, als gemeentes hopelijk op stoom zijn, ook aan uw Kamer laten weten wat mijn beeld is van wat er in het land aan de hand is en waar eventueel knelpunten dan wel drijfveren liggen om het in elke gemeente voldoende van de grond te krijgen.

Mevrouw Wendel (VVD):

Het praten over mentale gezondheid gaat steeds meer uit de taboesfeer. Ik denk dat dat heel belangrijk is en dat we dat zullen moeten blijven stimuleren. Tegelijkertijd blijkt nu uit wetenschappelijk onderzoek dat er ook meisjes zijn die zo veel met elkaar over problemen praten dat ze elkaar juist alleen maar naar beneden trekken, waardoor ze juist steeds meer problemen krijgen. Ik zou graag aan de staatssecretaris het volgende willen vragen. Hoe zorgen we ervoor dat die gesprekken over mentale gezondheid, die zo belangrijk zijn, op een juiste manier worden gevoerd door jongeren, door kinderen, zodat ze elkaar daadwerkelijk helpen in plaats van verder de problemen in trekken?

Staatssecretaris Tielen:

Ik denk dat we allemaal wel iets herkennen in die stelling, als je je een beetje op social media begeeft. Het belangrijkste is dat we ook als mede-Nederlanders meiden maar ook jongens verwijzen naar de websites, naar de socialmediaplatforms, naar de bronnen die betrouwbaar zijn en waar mensen op een goede manier met elkaar in gesprek kunnen. Ik denk bijvoorbeeld aan In je bol en aan wat 113 aanbiedt: een gratis telefoonnummer waar je 24 uur per dag, zeven dagen per week met iemand kan praten over dingen die je bezighouden. Ik denk dat het met name aan ons is om mensen te geleiden naar die goede bronnen waar echt deskundige mensen zitten die niet alleen een luisterend oor hebben, maar ook goed in gesprek komen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb specifiek een vraag over de jeugdzorg. In 2019 hadden wij hier een debat, specifiek over de relatie tussen suïcides en jongeren die in behandeling waren bij de jeugdzorg. De inspectie had daar destijds onderzoek naar gedaan en de hele Kamer gaf aan dat we dat belangrijk vonden. Minister De Jonge, die toen op de plek van de staatssecretaris stond, gaf aan dat hij dat ook een prioriteit vond. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: is er nu een actueel beeld van de relatie tussen jongeren die in behandeling zijn bij de jeugdzorg en suïcides? Zo nee, is de staatssecretaris bereid om daar meer onderzoek naar te doen, zodat we daar weer inzicht in kunnen krijgen?

Staatssecretaris Tielen:

Ik herinner me dat debat inderdaad ook heel goed. Toen stond ik aan dezelfde zijde als mevrouw Westerveld. Ik kan daar nu niet acuut antwoord op geven, maar ik ben zeker bereid om daar nadere informatie over te verzamelen en die te delen met uw Kamer.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dan mijn volgende vraag. Een paar weken geleden stond er in de Volkskrant een heel aangrijpend interview met Indra, die niet meer leeft, en met Jason. Jason kennen we omdat hij onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de gesloten jeugdzorg en Indra was een van die jongeren. Er zijn meer jongeren overleden vanwege — dat wordt door henzelf gezegd — schade die ze hebben opgelopen in de gesloten jeugdzorg. Dan hoor en lees ik dat we in de zomer verder geïnformeerd worden over het hele traject van herstel en van excuses aanbieden. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: hoe kan dat als we vanaf 2019 weten dat dit een groot probleem is, als er de afgelopen jaren voortdurend aan de bel is getrokken, als ook de Kamer aangeeft dit belangrijk te vinden en als we weten dat dit een risicogroep is? Waarom duurt het dan nog steeds zo lang en moeten we zo lang wachten?

Staatssecretaris Tielen:

We willen natuurlijk vaak heel veel dingen snel, soms het liefst gister. Het erkenningstraject rondom de gesloten jeugdzorg is het afgelopen jaar van start gegaan. We nemen echt de tijd om daarover in gesprek te gaan met veel jongeren en met ervaringsdeskundigen uit die groep. Wij moeten juist niet gaan bepalen wat het beste antwoord is, maar we moeten samen met hen tot een antwoord kunnen komen. Je denkt dan dat je in een paar weken een paar gesprekken kan voeren, maar in de praktijk gaat het toch altijd weer wat anders. Ook in navolging van rapporten die daarover zijn verschenen, nemen we rustig de tijd om gesprekken te laten beklijven en eventueel terug te komen op dingen die gezegd zijn. We komen er voor de zomer op terug, maar ik denk wel dat we dat proces op een hele goede manier doen. Ik hoop dat als we daarmee terugkomen naar de Kamer, mevrouw Westerveld zal herkennen dat de kwaliteit van dat traject daadwerkelijk tot uiting is gekomen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording.

Naar boven